Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 1 januari 2016 houdende beleidsregels omtrent nevenactiviteiten publieke media-instellingen (Beleidsregels nevenactiviteiten 2016)

Type ZBO-regeling
Publication 2017-07-07
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

gelet op de Mediawet 2008,

gelet op de Mediaregeling 2008,

gelet op de artikelen 8 en 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,

gelet op de Algemene wet bestuursrecht,

Besluit:

Artikel 1. Definities en reikwijdte

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Artikel 2

Overeenkomstig artikel 2.132, derde lid, van de wet kan alleen toestemming worden gegeven voor een nevenactiviteit die verband houdt met of ten dienst staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.

Artikel 3. Clusterindeling

Het Commissariaat onderscheidt de volgende clusters van nevenactiviteiten:

Artikel 4. Relatie

Een nevenactiviteit ‘houdt verband met’of‘staat ten dienste van‘ de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en is ‘direct gerelateerd aan‘ het media-aanbod van de publieke media-instelling, als bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de wet, indien:

Artikel 5. Marktconformiteit
1.

Bij de beoordeling of de nevenactiviteit op ‘marktconforme wijze‘ wordt verricht, als bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de wet, wordt in ieder geval betrokken:

2.

Het Commissariaat kan bij zijn oordeel over marktconformiteit ook andere factoren betrekken, zoals bijvoorbeeld de waarde van het gebruik van het imago van de publieke media-instelling en het betreffende media-aanbod en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen.

3.

Het Commissariaat baseert zich bij het bepalen van de relevante markt, indien mogelijk, op de uitgangspunten en benaderingen van ACM.

Artikel 6
1.

In die gevallen dat het Commissariaat naar aanleiding van de in kaart gebrachte relevante markt constateert dat geen sprake is van andere aanbieders van dezelfde of vergelijkbare producten of diensten, wordt de nevenactiviteit geacht marktconform te worden verricht.

2.

Indien een derde zich bij het Commissariaat meldt als andere aanbieder van dezelfde of vergelijkbare producten of diensten nadat op grond van het eerste lid de nevenactiviteit geacht wordt marktconform te worden verricht, kan de nevenactiviteit op dit onderdeel opnieuw worden beoordeeld.

3.

In die gevallen waarin het Commissariaat van oordeel is dat de activiteit vanwege haar aard en omvang een gering belang vertegenwoordigt, wordt niet beoordeeld of de nevenactiviteit op marktconforme wijze wordt verricht, totdat belanghebbenden bij het nalaten van deze toets door middel van een handhavingsverzoek daarom vragen.

Artikel 7

Het Commissariaat betrekt bij de beoordeling van marktconformiteit ACM bij aangelegenheden van wederzijds belang.

Artikel 8. Kostendekkendheid

Nevenactiviteiten zijn niet ‘kostendekkend‘, als bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de wet, indien zij direct of indirect worden bekostigd door of anderszins ten laste komen van de publieke media-opdracht.

Artikel 9

In afwijking van artikel 8 van deze beleidsregels wordt de nevenactiviteit als ‘kostendekkend‘ aangemerkt indien:

Artikel 10

Alle nevenactiviteiten dienen te worden verantwoord conform de in het van toepassing zijnde Handboek financiële verantwoording voorgeschreven wijze.

Artikel 11. Meldingsprocedure reguliere nevenactiviteiten
1.

Een publieke media-instelling dient een verzoek om toestemming voor het verrichten van een nevenactiviteit op de in deze beleidsregels voorgeschreven wijze in.

2.

Het verzoek als bedoeld in het eerste lid is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

3.

Het verzoek dient uiterlijk 8 weken voor de geplande aanvang van de nevenactiviteit te worden ingediend.

4.

Het Commissariaat neemt een verzoek alleen in behandeling indien de publieke media-instelling gebruik maakt van het Meldingsformulier nevenactiviteiten en dit formulier op de voorgeschreven wijze is ingevuld.

5.

Desgevraagd verstrekt de publieke media-instelling het Commissariaat een exemplaar van het product dat voortkomt uit de nevenactiviteit of een drukproef daarvan.

Artikel 12. Besluitvormingsprocedure reguliere nevenactiviteiten
1.

Het Commissariaat beslist binnen een redelijke termijn na ontvangst van het in artikel 11, eerste lid, bedoelde verzoek.

2.

Het Commissariaat kan de publieke media-instelling in de gelegenheid stellen diens aanvraag binnen een door het Commissariaat gestelde termijn aan te vullen.

3.

Het Commissariaat kan de beslistermijn indien toepassing wordt gegeven aan artikel 12, tweede lid, opschorten.

4.

Een publieke media-instelling kan het Commissariaat gemotiveerd verzoeken haar verzoek versneld te behandelen.

5.

De inwilliging of afwijzing van het in artikel 11, eerste lid, van deze beleidsregels bedoelde verzoek, is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

6.

In een toestemmingsbesluit kan het Commissariaat nadere eisen stellen aan de uitvoering van een nevenactiviteit.

Artikel 13. Procedure generieke toestemmingen
1.

Voor specifieke (groepen van) nevenactiviteiten heeft het Commissariaat een generiek toestemmingsbesluit afgegeven. Bedoelde besluiten zijn te raadplegen via de website van het Commissariaat.

2.

Op nevenactiviteiten die een publieke media-instelling verricht binnen de reikwijdte en voorwaarden van de in het eerste lid bedoelde toestemmingen, is de meldings- en besluitvormingsprocedure zoals genoemd in de artikelen 11 en 12 van deze beleidsregels niet van toepassing. Dergelijke nevenactiviteiten dient de publieke media-instelling op de in dit artikel voorgeschreven wijze te melden.

3.

De melding als bedoeld in het tweede lid dient voor aanvang van de nevenactiviteit te worden ingediend.

4.

Bij de melding maakt de publieke media-instelling gebruik van het Meldingsformulier generieke toestemmingen en vult zij dit formulier op de voorgeschreven wijze in.

Artikel 14. Meldingsprocedure experimentele nevenactiviteiten
1.

Een publieke media-instelling dient experimentele nevenactiviteiten op grond van artikel 11a van de Regeling te melden op de door het Commissariaat voorgeschreven wijze.

2.

De melding als bedoeld in het eerste lid dient voor aanvang van de nevenactiviteit te worden ingediend.

3.

Bij de melding maakt de publieke media-instelling gebruik van het Meldingsformulier experimentele nevenactiviteiten en vult zij dit formulier op de voorgeschreven wijze in.

Artikel 15. Beëindiging van nevenactiviteiten
1.

Nevenactiviteiten die niet (langer) binnen de reikwijdte van het (generieke) toestemmingsbesluit kunnen worden verricht, zijn niet (langer) toegestaan en dienen tijdig (opnieuw) ter beoordeling aan het Commissariaat te worden voorgelegd of dienen per direct te worden gestaakt.

2.

Experimentele nevenactiviteiten die niet (langer) voldoen aan de wettelijke eisen voor nevenactiviteiten, zijn niet (langer) toegestaan en dienen tijdig ter beoordeling aan het Commissariaat te worden voorgelegd of dienen per direct te worden gestaakt.

3.

In het in het eerste of tweede lid genoemde geval, meldt de publieke media-instellingen binnen 3 maanden na beëindiging van de nevenactiviteit aan het Commissariaat dat met de activiteit is gestopt.

Artikel 16. Uitingen in het kader van nevenactiviteiten

Oproepen in het kader van nevenactiviteiten in het media-aanbod zoals genoemd in artikel 2.90 van de wet zijn toegestaan, indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.