Wet van 9 december 2015 tot vaststelling van een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderbijslagvoorziening BES)
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te komen tot een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Algemene bepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- b. openbaar lichaam/openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- c. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- d. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten de openbare lichamen bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Artikel 2. Ingezetene
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in de openbare lichamen woont.
Waar iemand woont wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld.
Artikel 3. Kind
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind.
Als eigen kind wordt beschouwd het kind:
- a. van de vrouw die op grond van artikel 198 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als zijn moeder wordt aangemerkt;
- b. van de man die op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als zijn vader wordt aangemerkt;
- c. van de man die op grond van artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES verplicht is bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als eigen kind van een andere man wordt aangemerkt;
- d. van de man wiens biologisch vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat;
- e. van de man die na toepassing van het in de openbare lichamen geldende internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat.
Als pleegkind wordt beschouwd het kind dat duurzaam tot het huishouden van de rechthebbende behoort en door de rechthebbende wordt verzorgd.
Artikel 4. Uitvoerder
Onze Minister is belast met de uitvoering van deze wet.
Hoofdstuk 2. Kinderbijslag BES
Paragraaf 1. Kinderbijslag BES
Artikel 5. Rechthebbende
De ingezetene heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag BES voor een kind dat:
- a. ingezetene is;
- b. jonger is dan 18 jaar; en
- c. tot zijn huishouden behoort.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, behoeft het kind geen ingezetene te zijn en niet tot het huishouden van de rechthebbende te behoren, indien het om onderwijsredenen, dan wel in verband met een ziekte of handicap geen ingezetene is en niet tot het huishouden van de rechthebbende behoort. Voor de toepassing van dit lid dient het betreffende kind ten minste vijf jaar ingezetene te zijn geweest.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, behoeft het kind niet tot het huishouden van de rechthebbende te behoren, indien het in een instelling is geplaatst, niet zijnde een jeugdafdeling van een justitiële inrichting.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid, waarbij kan worden bepaald dat in specifieke gevallen voor een kind met een ziekte of handicap van de termijn van vijf jaar kan worden afgeweken.
Geen recht op kinderbijslag BES bestaat voor de vreemdeling die op grond van de Wet toelating en uitzetting BES niet rechtmatig in de openbare lichamen verblijft.
Geen recht op kinderbijslag BES bestaat voor degene die een uitreiziger is dan wel voor diens kind dat een uitreiziger is.
Artikel 6. Samenloop kinderbijslag BES met studiefinanciering BES en studiefinanciering 2000
Vervallen
Artikel 7. Samenloop kinderbijslag BES en kinderbijslagregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de kinderbijslag BES
Geen recht op kinderbijslag BES overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestaat voor de persoon die kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of een vergelijkbare tegemoetkoming in de kosten van kinderen van een andere mogendheid ontvangt.
Geen recht op kinderbijslag BES overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestaat voor een kalendermaand voor het kind waarvoor, voor die kalendermaand, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of een vergelijkbare tegemoetkoming in de kosten van kinderen van een andere mogendheid wordt ontvangen.
Artikel 8. Peildatum
Recht op kinderbijslag BES over een kalendermaand heeft de rechthebbende die op de eerste dag van die kalendermaand voldoet aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag BES, bedoeld in de artikelen 5 en 5a.
Artikel 9. Kinderbijslagbedrag BES
Het kinderbijslagbedrag BES bedraagt over een kalendermaand:
- a. USD 38 per 1 januari 2026: USD 239 per kind, indien rechthebbende ingezetene is van het openbaar lichaam Bonaire;
- b. USD 38 per 1 januari 2026: USD 227 per kind, indien rechthebbende ingezetene is van het openbaar lichaam Sint Eustatius;
- c. USD 38 per 1 januari 2026: USD 238 per kind, indien rechthebbende ingezetene is van het openbaar lichaam Saba.
Artikel 10. Wijziging kinderbijslagbedrag BES
Indien uit de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindexcijfers voor de openbare lichamen blijkt, dat het prijsindexcijfer voor het derde kwartaal van het lopende jaar, vergeleken met het prijsindexcijfer voor het derde kwartaal van het voorafgaande jaar is gestegen of gedaald, stelt Onze Minister bedragen vast, die met ingang van 1 januari van het komende jaar in de plaats treden van de in artikel 9 genoemde bedragen. Onze Minister bepaalt welke consumentenprijsindexcijfers voor de toepassing van de eerste zin worden gebruikt. De consumentenprijsindexcijfers kunnen voor de onderscheiden openbare lichamen verschillend zijn.
Indien er naar het oordeel van Onze Minister bijzondere omstandigheden zijn, kunnen de bedragen, bedoeld in het eerste lid, bij ministeriële regeling met ingang van een bij die regeling aan te geven datum worden verhoogd. Onze Minister kan het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam in dat verband om advies vragen.
Indien een wijziging als bedoeld in het tweede lid samenvalt met een herziening als bedoeld in het eerste lid, wordt het bedrag voorafgaande aan de wijziging herzien en geschiedt de wijziging bij de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling.
Paragraaf 2. Het geldend maken van het recht op kinderbijslag BES
Artikel 11. Geldend maken van het recht op kinderbijslag BES
Onze Minister stelt op aanvraag vast of er recht op kinderbijslag BES bestaat.
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door Onze Minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
Het recht op kinderbijslag BES kan niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van de kalendermaand tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag BES werd ingediend. Het recht op kinderbijslag, bedoeld in artikel 5a, eerste lid, kan niet vroeger ingaan dan de eerste dag van de kalendermaand tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, werd ingediend.
In afwijking van het eerste lid, is Onze Minister bevoegd de kinderbijslag BES ambtshalve toe te kennen.
Artikel 12. Beslistermijn
Een beschikking op grond van deze wet wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in het derde lid is gedaan.
Indien de beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 13. Herziening of intrekking beschikking
Onze Minister kan een beschikking tot toekenning van kinderbijslag BES als bedoeld in artikel 5 en, indien van toepassing, artikel 5a, eerste lid, herzien dan wel intrekken indien:
- a. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 14 of 15 heeft geleid tot het ten onrechte toekennen van kinderbijslag BES;
- b. ten onrechte kinderbijslag BES is toegekend;
- c. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 14 of 15 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op kinderbijslag BES bestaat;
- d. de rechthebbende of diens kind waarvoor kinderbijslag BES wordt ontvangen, een uitreiziger is.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Artikel 14. Informatieplicht
De rechthebbende, alsmede degene die in aanmerking wenst te komen voor kinderbijslag BES als bedoeld in artikel 5 en, indien van toepassing, artikel 5a, eerste lid, is verplicht aan Onze Minister op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag BES of op het geldend maken van het recht op kinderbijslag BES, dat wordt betaald.
Artikel 15. Controlevoorschriften
Bij ministeriële regeling kunnen controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
De rechthebbende, alsmede degene die in aanmerking wenst te komen voor kinderbijslag BES als bedoeld in artikel 5 en, indien van toepassing, artikel 5a, eerste lid, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
De rechthebbende, alsmede degene die in aanmerking wenst te komen voor kinderbijslag BES als bedoeld in artikel 5 en, indien van toepassing, artikel 5a, eerste lid, onthoudt zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.
Artikel 16. Weigering kinderbijslag BES
Onze Minister is bevoegd de kinderbijslag BES, bedoeld in artikel 5 en, indien van toepassing, artikel 5a, eerste lid, tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren, indien de rechthebbende de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Van de weigering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de tenuitvoerlegging van de weigering.
Paragraaf 3. Betaling kinderbijslag BES
Artikel 17. Betaling kinderbijslag BES
De kinderbijslag BES wordt betaalbaar gesteld door Onze Minister. De betaling geschiedt per kalendermaand. Onze Minister betaalt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand na het tijdstip waarop recht op kinderbijslag BES wordt vastgesteld. De betaling is geschied, indien de ontvanger de betaling daadwerkelijk heeft ontvangen.
Indien twee personen, die gezamenlijk een huishouden vormen, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag BES voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag BES uitbetaald aan degene van hen die zij gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.