Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het terrein van cultureel erfgoed te bundelen, te structureren en te vereenvoudigen, en tevens om onder meer de omgang met museale collecties wettelijk vorm te geven, het vervreemden van cultuurgoederen in bezit van overheden te regelen en het stelsel van kwaliteitsborging in de archeologie te moderniseren;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
- archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument;
- beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:
- a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid;
- b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid; of
- c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;
- beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid;
- certificaat: certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid;
- college van staat: het Kabinet van de Koning, de Staten-Generaal, de overige Hoge Colleges van Staat, de Kabinetten van de Gouverneurs of de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
- cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;
- cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
- ensemble: een op grond van artikel 3.13 aangewezen rijksmonument met cultuurgoederen;
- inspecteur: inspecteur als bedoeld in artikel 8.3;
- instelling: krachtens privaatrecht opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
- kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
- monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
- museaal cultuurgoed van de Staat: cultuurgoed van bijzonder belang dat eigendom is van de Staat of waarvan de zorg aan de Staat is toevertrouwd;
- normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;
- Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- opgraving: handelingen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid;
- restauratie: werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel;
- rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;
- rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3;
- Staat: Staat der Nederlanden;
- Verordening (EU) 2019/880: Verordening (EU) 2019/880 van het Europees parlement en de Raad van 17 april 2019, betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen (PbEU 2019, L 151);
- verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Artikel 1.2. Reikwijdte
De bepalingen van hoofdstuk 5 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de rijkswet instelling aansluitende zone.
Artikel 1.3. Rapportage staat van het cultureel erfgoed
Onze Minister brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de staat van het cultureel erfgoed in Nederland wordt beschreven.
Hoofdstuk 2. Beheer van collecties
§ 2.1. Museale cultuurgoederen van de Staat
§ 2.2. Taak tot beheer van collecties
Artikel 2.8. Belasten met een taak
Onze Minister kan bij besluit een instelling belasten met de zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid is voor onbepaalde tijd.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen met inachtneming van:
- a. de deskundigheid, kennis en ervaring van de instelling met het beheren en behouden van cultuurgoederen;
- b. de geschiktheid van de voorzieningen van de instelling voor het beheren en behouden van cultuurgoederen en de toegankelijkheid van de voorzieningen voor het publiek;
- c. het belang van cultuurgoederen van de instelling of de samenhang van die cultuurgoederen met museale cultuurgoederen van de Staat;
- d. de verantwoordelijkheid die andere bestuursorganen voor de desbetreffende cultuurgoederen hebben genomen;
- e. de doelmatige besteding van middelen.
Artikel 2.9. Te beheren cultuurgoederen
Het besluit, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, vermeldt op welke cultuurgoederen of verzamelingen het besluit ziet.
Onze Minister kan na overleg met de desbetreffende instelling het besluit wijzigen ten aanzien van de cultuurgoederen of verzamelingen waar het op ziet.
Voor zover het besluit betrekking heeft op museale cultuurgoederen van de Staat worden deze cultuurgoederen voor de tijd dat het besluit daarop betrekking heeft van rechtswege in bruikleen gegeven als bedoeld in artikel 1777 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek.
Voor zover het besluit betrekking heeft op andere cultuurgoederen of verzamelingen, is paragraaf 2.1 op die cultuurgoederen en verzamelingen van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 2.6, vierde lid.
Artikel 2.10. Planmatig beleid
Een instelling die is belast met de zorg, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, voert planmatig beleid voor het behoud en beheer van de cultuurgoederen of verzamelingen.
Onze Minister kan nadere regels stellen voor het planmatig beleid of kan daarvoor verplichtingen verbinden aan het besluit, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid.
Artikel 2.11. Intrekken taak
Onze Minister kan een besluit als bedoeld in artikel 2.8 intrekken:
- a. op verzoek van de desbetreffende instelling;
- b. indien de instelling niet voldoet aan de verplichtingen op grond van deze wet; of
- c. op basis van de overwegingen, bedoeld in artikel 2.8, derde lid.
Bij toepassing van het eerste lid, onder c, treedt het besluit niet eerder in werking dan vier jaren na dagtekening van het besluit.
Hoofdstuk 3. Aanwijzing als beschermd erfgoed
Hoofdstuk 4. Bescherming van erfgoed
Hoofdstuk 5. Archeologische monumentenzorg
Hoofdstuk 6. Internationale teruggave
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
§ 7.1. Subsidiegrondslagen
Artikel 7.1. Algemene grondslag
Onze Minister kan ten behoeve van het behoud van cultureel erfgoed subsidie verstrekken.
Artikel 7.2. Beheer collecties
Onze Minister verstrekt subsidie aan een instelling die is belast met een taak als bedoeld in artikel 2.8 voor de zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen.
Artikel 7.3. Instandhouding monumenten
Onze Minister kan op aanvraag meerjarige subsidie verstrekken voor het normale onderhoud van rijksmonumenten.
Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de restauratie van rijksmonumenten.
Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken in verband met de herbestemming van monumenten.
§ 7.2. Regels voor subsidieverstrekking
Artikel 7.4. Begrotingsvoorbehoud
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In geval van het niet vervullen van die voorwaarde worden de verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
Artikel 7.5. Subsidieplafonds
Onze Minister kan een of meer subsidieplafonds vaststellen voor de verstrekking van subsidies.
Indien Onze Minister een subsidieplafond vaststelt, wordt tegelijkertijd vermeld op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
Artikel 7.6. Weigeringsgrond subsidie instandhouding rijksmonument
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt ten behoeve van een rijksmonument in ieder geval geen subsidie verleend indien voor de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd een lening op grond van artikel 7.8 is verstrekt en de werkzaamheden waarvoor de lening is verstrekt nog niet zijn afgerond.
Artikel 7.7. Nadere regels
Onze Minister stelt nadere regels voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in de artikelen 7.2 en 7.3, eerste en derde lid.
Onze Minister kan nadere regels stellen voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in de artikelen 7.1 en 7.3, tweede lid.
Bij de nadere regels kan Onze Minister bepalen dat het verstrekken van gegevens, het indienen van aanvragen daaronder begrepen, uitsluitend via elektronische weg kan geschieden. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 7.3. Leningen voor de instandhouding van rijksmonumenten
Hoofdstuk 8. Handhaving en toezicht
Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
Hoofdstuk 10. Intrekken en wijzigen andere wetten
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Erfgoedwet.
Artikel 11.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.1. In goede staat houden
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling zorgt dat museale cultuurgoederen van de Staat in beheer in goede staat zijn.
Artikel 2.2. Toegankelijkheid
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling bevordert de toegankelijkheid van museale cultuurgoederen van de Staat in beheer.
Artikel 2.3. Veilig stellen
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling treft maatregelen ter voorkoming van diefstal, verlies, beschadiging of vernietiging van museale cultuurgoederen van de Staat in beheer.
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling meldt de vermissing of het tenietgaan van een museaal cultuurgoed van de Staat onverwijld aan de inspecteur.
Artikel 2.4. Registratie en administratie
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling zorgt voor:
- a. registratie van de museale cultuurgoederen van de Staat in beheer; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.