Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 januari 2016, nr. WJZ/717829 (10547), houdende regels over het beheer van de rijkscollectie, de subsidiëring van instellingen met een wettelijke taak tot beheer van collecties en enkele technische aanpassingen (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 45
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie

Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie

Artikel 4.1. Overgangsbepaling Stichting Panorama Mesdag

1.

De Minister verstrekt de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, voor het eerst voor het kalenderjaar 2026 aan de Stichting Panorama Mesdag.

2.

In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, verstrekt de Minister de subsidie aan de Stichting Panorama Mesdag ten behoeve van het kalenderjaar 2026 vóór 1 november 2025.

3.

In afwijking van artikel 3.5, eerste lid, dient Stichting Panorama Mesdag voor het kalenderjaar 2026 uiterlijk op 1 december 2025 de volgende documenten in bij de Minister:

  • a. een begroting; en
  • b. een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.7.

Artikel 4.2. Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten

Wijzigt de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.

Artikel 4.3. Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Artikel 4.4. Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monument en gelegen buiten Nederland

Wijzigt de Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland.

Artikel 4.5. Regeling omgevingsrecht

Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.

Artikel 4.6. Wijziging Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020

Wijzigt de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020.

Artikel 4.7. Wijziging Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Gelet op de artikelen 2.7, 2.10, tweede lid, en 7.7 van de Erfgoedwet;

Besluit:

Hoofdstuk 2. Collectiebeheer

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Inwerkingtreding

1.

De hoofdstukken 1, 3 en 5 treden in werking met ingang van 8 februari 2016.

2.

Hoofdstuk 2 en de artikelen 4.1 tot en met 4.5 treden in werking op 1 juli 2016.

3.

De artikelen 4.6 en 4.7 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werken terug tot en met 4 november 2015.

Artikel 5.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beheerder: minister wie het aangaat, college van staat of instelling die museale cultuurgoederen van de Staat beheert;
  • instelling met een wettelijke taak: instelling die op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet belast is met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 3.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidies die de minister verstrekt op grond van artikel 7.2 van de Erfgoedwet.

Artikel 3.2. Ambtshalve subsidieverlening en hoogte subsidiebedragen

1.

De minister verleent jaarlijks voor 1 oktober ambtshalve de volgende subsidiebedragen1Inclusief loon- en prijsbijstelling 2023. voor de uitvoering in het daarop volgende jaar van de taak, bedoeld in artikel 7.2 van de Erfgoedwet:

Stichting Erfgoedpark Batavialand € 1.206.418
Stichting Eye Filmmuseum € 5.895.237
Stichting Haags Historisch Museum € 362.381
Stichting het Nederlandse Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde € 9.188.048
Stichting Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid € 126.778
Stichting Het Nieuwe Instituut € 4.164.767
Stichting Het Rijksmuseum € 37.044.375
Stichting Joods Historisch Museum € 1.775.106
Stichting Keramiekmuseum Het Princessehof € 296.007
Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis € 3.305.594
Stichting Kröller-Müller Museum € 9.796.966
Stichting Museum Catharijneconvent € 3.667.622
Stichting Museum Slot Loevestein € 1.153.505
Stichting Nationaal Glasmuseum Leerdam € 238.376
Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen € 9.365.377
Stichting Naturalis Biodiversity Center € 15.193.803
Stichting Nederlands Fotomuseum € 2.496.008
Stichting Nederlands Literatuurmuseum en Literatuurarchief € 2.184.297
Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam € 8.071.027
Stichting Paleis Het Loo, Nationaal Museum € 13.063.7101
Stichting Panorama Mesdag € 913.279
Stichting Rijksmuseum Muiderslot € 668.841
Stichting Rijksmuseum Twenthe € 2.592.326
Stichting Rijksmuseum van Oudheden € 4.636.165
Stichting tot Beheer en Instandhouding van Teylers Museum € 2.500.061
Stichting tot beheer van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde € 3.668.972
Stichting tot Beheer van het Museum van het Boek / Museum Meermanno-Westreenianum € 684.703
Stichting tot Beheer van Huis Doorn € 1.150.417
Stichting tot Exploitatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie € 5.184.778
Stichting Van Gogh Museum voorheen Rijksmuseum Vincent van Gogh / Rijksmuseum H.W. Mesdag € 8.428.300
Stichting Zuiderzeemuseum € 6.496.881

1 In verband met een herverdeling van € 12.000.000 in 2021 wordt vanaf 2022 tot en met 2026 een bedrag van € 2.400.000 in mindering gebracht. Vanaf 2027 wordt deze incidentele vermindering niet meer toegepast.

Artikel 3.3. Wijziging subsidiebedrag

1.

De minister kan de subsidie verhogen:

  • a. rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden of van de kosten in de ontwikkeling van het prijspeil voorafgaand aan of tijdens het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft; of
  • b. voor zover sprake is van aanvullende activiteiten die wijziging van de subsidie naar het oordeel van de minister rechtvaardigen.
2.

Indien de subsidie wordt gewijzigd, rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden of de kosten van het prijspeil, bepaalt de minister welk percentage van de subsidie wordt aangemerkt als loongevoelig onderscheidenlijk prijsgevoelig.

Artikel 3.4. Voorschotten

2.

Indien de subsidie op grond van artikel 3.3, eerste lid, wordt gewijzigd, wordt de bevoorschotting overeenkomstig aangepast.

Artikel 3.5. Subsidieverplichting: in te dienen documenten

1.

Een instelling met een wettelijke taak dient jaarlijks uiterlijk op 1 november de volgende documenten in bij de minister:

  • a. een begroting; en
  • b. voor zover van toepassing, een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.7.
2.

De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de wettelijke taak waarmee de instelling is belast, en sluit aan op het door de minister verleende subsidiebedrag.

3.

De begroting bevat een postgewijze toelichting.

5.

Indiening van een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.7 kan achterwege blijven, indien de instelling met een wettelijke taak er redelijkerwijs van uit kan gaan dat de minister al over de meest recente versie van het plan beschikt.

6.

Indien uitvoering van wettelijke taak aan de hand van de ingediende documenten, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister bezwaarlijk is, kan hij de subsidieontvanger aanwijzingen geven tot wijziging van die documenten.

Artikel 3.6. Wijze van indiening

De indiening van de documenten, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze.

Artikel 3.7. Subsidieverplichting: gebouwen

1.

De volgende instellingen met een wettelijke taak beschikken voor gebouwen waarin cultuurgoederen worden beheerd waar de taak op ziet, over een actueel meerjarig onderhouds- en investeringsplan:

  • a. instellingen die eigenaar zijn van die gebouwen; en
  • b. instellingen die met het Rijksvastgoedbedrijf een huurovereenkomst hebben gesloten over die gebouwen en waarbij overeengekomen is dat de instelling verantwoordelijk is voor de instandhouding van de gebouwen.
2.

Een instelling als bedoeld in het eerste lid dient telkens na vier jaar een actueel onafhankelijk bouwkundig inspectierapport van de gebouwen in. De eerste indiening vindt plaats voor 1 januari 2020.

Artikel 3.8. Overige subsidieverplichtingen

De artikelen 2.12 tot en met 2.14 en 2.17 tot en met 2.21 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.9. Aanvraag tot vaststelling

De aanvraag tot vaststelling van de subsidie geschiedt in de verantwoording van de subsidie die de instelling met een wettelijke taak voor het betreffende jaar ontvangt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, met overeenkomstige toepassing van:

Artikel 3.10. Beschikking tot vaststelling

Artikel 2.29, eerste lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de subsidie.

Artikel 3.11. Besteding resterende middelen

Indien na uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet, de subsidie niet volledig is aangewend en langetermijninvesteringsreserves zijn aangehouden voor het beheer van de cultuurgoederen of de instandhouding van gebouwen, zoals opgenomen in de begroting voor het desbetreffende jaar, dan kan de instelling de resterende middelen besteden aan publieksactiviteiten of andere activiteiten in het kader van de cultuurgoederen.

Artikel 3.12. Hardheidsclausule

Artikel 6.1 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.13. Reikwijdte

1.

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidies, niet zijnde subsidies als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, die de minister voor de jaren 2025 tot en met 2028 op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid verstrekt aan instellingen met een wettelijke taak.

2.

Artikel 2.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is niet van toepassing op de verstrekking van subsidies als bedoeld in het eerste lid aan instellingen met een wettelijke taak.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen en overgangsbepaling

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.14. Ambtshalve subsidieverlening

1.

De minister verleent voor 1 oktober 2024 ambtshalve subsidie voor publieksactiviteiten en andere activiteiten – niet behorende tot beheer van de collectie in de zin van de Erfgoedwet – aan instellingen met een wettelijke taak, die als kernactiviteit het beheer van een collectie van cultureel erfgoed hebben.

2.

De minister verleent voor 1 oktober 2024 tevens ambtshalve:

  • a. subsidie aan ten hoogste één instelling met een wettelijke taak, die als kernactiviteit heeft het beheren van een collectie van cultureel erfgoed op het gebied van kunsthistorische documentatie, voor het uitvoeren van een activiteitenprogramma als ondersteunende instelling;
  • b. een aanvullend bedrag aan ten hoogste één instelling met een wettelijke taak, voor:
  • 1°. het bevorderen van de bescherming en kennis van immaterieel erfgoed; en
  • 2°. het onderhouden van de Canon van Nederland;
  • c. een aanvullend bedrag aan ten hoogste één instelling met een wettelijke taak, voor publieksactiviteiten in relatie tot de Leidse Siebold-collectie; en
  • d. een aanvullend bedrag aan ten hoogste één instelling met een wettelijke taak, voor activiteiten ter bevordering van een netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen en overgangsbepaling

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 2.1. Bewaaromstandigheden

Een beheerder zorgt dat museale cultuurgoederen van de Staat zich bevinden in voor de desbetreffende cultuurgoederen passende bewaaromstandigheden.

Artikel 2.2. Registratie en administratie

1.

Een beheerder registreert museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat uit de registratie van de beheerder de actuele juridische status, standplaats en staat van de cultuurgoederen blijkt en dat de cultuurgoederen kunnen worden geïdentificeerd.

2.

Een beheerder registreert museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat de registraties aangesloten zijn op het geautomatiseerde systeem van de minister voor registraties van museale cultuurgoederen van de Staat.

3.

Voor zover een beheerder nog niet alle registraties heeft geautomatiseerd, zorgt de beheerder dat:

  • a. mutaties in de registratie overeenkomstig het tweede lid plaatsvinden; en
  • b. op planmatige wijze volledige automatisering en aansluiting op het systeem van de minister wordt gerealiseerd.
4.

Een beheerder bewaart de administratie van de museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat de administratie duurzaam toegankelijk is.

Artikel 2.3. Schade en restauratie

1.

Een beheerder houdt de schade aan een museaal cultuurgoed van de Staat in zijn administratie bij en meldt schade onverwijld aan de inspecteur.

2.

De minister wie het aangaat of een college van staat doet een museaal cultuurgoed van de Staat alleen restaureren na overleg met de minister.

3.

De minister kan een beheerder aanwijzingen geven over de restauratie van een museaal cultuurgoed van de Staat.

Artikel 2.4. De Minister van OCW; waardering en advies

1.

De minister stelt desgevraagd of uit eigen beweging vast of een roerende zaak waarvan de Staat eigenaar is of waarvan het beheer door een derde aan de Staat is toevertrouwd een museaal cultuurgoed van de Staat is.

2.

De minister adviseert desgevraagd of uit eigen beweging over het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat, zowel in algemene zin als ten aanzien van een specifiek museaal cultuurgoed.

Artikel 2.5. Schade aan derden en aansprakelijkstelling

1.

De minister wie het aangaat of een college van staat beheert de museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat het risico van schade aan derden of van aansprakelijkstelling van de Staat door derden zo klein mogelijk wordt gehouden.

2.

De minister wie het aangaat of een college van staat inventariseert het risico dat met de museale cultuurgoederen van de Staat aanzienlijke schade aan derden kan worden toegebracht of dat het beheer van die cultuurgoederen aanleiding kan zijn tot aansprakelijkstelling van de Staat door derden met aanzienlijke financiële gevolgen.

3.

Aan de hand van de schatting van de kans dat de risico’s, bedoeld in het eerste en tweede lid, zich zullen voordoen, besluit de minister wie het aangaat of het college van staat over maatregelen ter voorkoming of beperking van deze risico’s, dan wel tot herstel van de schade of de opvang van de gevolgen van aansprakelijkstelling.

4.

De minister wie het aangaat of een college van staat zorgt voor het administreren van gegevens over gevallen van schade of aansprakelijkstelling die verband houden met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat.

5.

De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden desgevraagd aan de minister overgelegd.

Artikel 2.6. Verzekering

1.

De minister wie het aangaat of een college van staat verzekert de risico’s van schade voor of aansprakelijkheid van de Staat, bedoeld in artikel 2.5, eerste en tweede lid, om redenen van doelmatigheid in het algemeen niet.

2.

Een besluit tot verzekeren van risico als bedoeld in het eerste lid, wordt genomen in overeenstemming met de Minister van Financiën.

3.

Na overleg tussen de minister wie het aangaat of een college van staat en de Minister van Financiën kan worden besloten dat de afwikkeling van een schade of een aansprakelijkheid namens de Staat gebeurt door de Minister van Financiën.

Hoofdstuk 3. Subsidiëring instellingen met een wettelijke taak

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.4a. Aanvullend bedrag loon-/prijspeil

1.

Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een bedrag worden toegevoegd, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden voorafgaand aan en tijdens het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft.

2.

Bij toepassing van het eerste lid bepaalt de minister welk deel van de subsidie hij in aanmerking neemt voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden en welk deel van de subsidie hij in aanmerking neemt voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.7a. Bestemmingsfonds Collectiebeheer OCW

1.

Indien het resultaat van het boekjaar, in voorkomend geval na toepassing van artikel 3.13, positief is, vindt toevoeging plaats aan het bestemmingsfonds Collectiebeheer OCW.

2.

Een toevoeging of onttrekking als bedoeld in het eerste lid geschiedt naar rato van het aandeel subsidie in de baten van de instelling.

3.

De minister kan voorschriften verbinden aan het toevoegen of onttrekken van middelen aan het bestemmingsfonds Collectiebeheer OCW. Hij maakt deze bekend op de website www.cultuursubsidie.nl.

4.

Toevoegingen of onttrekkingen aan het bestemmingsfonds Collectiebeheer OCW worden toegelicht in de verantwoordingsbescheiden, bedoeld in artikel 3.11, eerste lid.

5.

De minister kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid, alsmede van de voorschriften, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.8. Indieningstermijn verantwoordingsbescheiden over 2017

Vervallen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.2. Grondslag

Deze regeling berust mede op artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en de artikelen 3 en 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid.

§ 1. Rijkscollectie

§ 2. Specifieke bepalingen voor instellingen met een wettelijke taak

Artikel 2.7. Planmatig beleid cultuurgoederen

Een instelling met een wettelijke taak baseert het planmatig beleid voor het beheer van de cultuurgoederen of verzamelingen op een actuele analyse van de stand van het beheer en beschrijft in het beleid ten minste:

  • a. de te bereiken doelen op in ieder geval de gebieden behoud van de cultuurgoederen en veiligheidszorg; en
  • b. de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 3. Subsidiëring instellingen met een wettelijke taak

§ 1. Erfgoedwetsubsidie

§ 2. Subsidie publieksactiviteiten en andere activiteiten op grond van artikel 4a van de wet voor de periode 2025–2028

Artikel 3.15. Subsidieverplichting: in te dienen documenten en toepassing codes

1.

De subsidieontvanger dient uiterlijk op 1 november 2024 een activiteitenplan en een begroting in.

2.

De begroting sluit aan op het door de minister verleende subsidiebedrag.

3.

In het activiteitenplan verklaart de subsidieontvanger dat hij:

  • a. de navolgende codes onderschrijft:
  • 1°. Fair Practice Code;
  • 2°. Governance Code Cultuur;
  • 3°. Code Diversiteit en Inclusie; en
  • b. zich met ingang van 1 januari 2025 zal aansluiten bij de bestaande collectieve afspraken over honorering binnen zijn sector; en
  • c. aansluit bij de sociale dialoog tussen werkgevers of opdrachtgevers en werknemers of opdrachtnemers.
4.

De artikelen 2.4 en 2.5 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten aan de hand van de ingediende documenten, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister bezwaarlijk is, kan hij de subsidieontvanger aanwijzingen geven tot wijziging van die documenten.

Artikel 3.16. Wijze van indiening

De indiening van de documenten, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze.

Artikel 3.17. Hoogte subsidiebedragen

1.

De subsidie,2Inclusief loon- en prijsbijstelling 2023. bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, bedraagt voor de volgende instellingen met een wettelijke taak jaarlijks:

Stichting Eye Filmmuseum € 5.034.691
Stichting Haags Historisch Museum € 296.730
Stichting het Nederlands Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde € 6.213.494
Stichting Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid € 256.143
Stichting Het Nieuwe Instituut € 6.040.502
Stichting Het Rijksmuseum € 8.777.904
Stichting Joods Historisch Museum € 3.439.695
Stichting Keramiekmuseum Het Princessehof € 1.590.667
Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis € 2.058.287
Stichting Kröller-Müller Museum € 2.145.944
Stichting Museum Catharijneconvent € 3.484.263
Stichting Museum Slot Loevestein € 242.945
Stichting Nationaal Glasmuseum Leerdam € 384.316
Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen € 12.861.110
Stichting Naturalis Biodiversity Center € 10.250.293
Stichting Nederlands Fotomuseum € 1.032.992
Stichting Nederlands Literatuurmuseum en Literatuurarchief € 2.010.552
Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam € 2.446.113
Stichting Paleis Het Loo, Nationaal Museum € 3.768.628
Stichting Rijksmuseum Muiderslot € 341.061
Stichting Rijksmuseum Twenthe € 1.144.321
Stichting Rijksmuseum van Oudheden € 4.843.141
Stichting tot Beheer en Instandhouding van Teylers Museum € 1.681.463
Stichting tot Beheer van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde € 2.479.819
Stichting tot beheer van het Museum van het Boek / Museum Meermanno-Westreenianum € 1.018.776
Stichting tot Beheer van Huis Doorn € 362.955
Stichting Van Gogh Museum voorheen Rijksmuseum Vincent van Gogh / Rijksmuseum H.W. Mesdag € 1.742.336
Stichting Zuiderzeemuseum € 4.350.461
2.

De subsidie,3Inclusief loon- en prijsbijstelling 2023. bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a, bedraagt voor de volgende instelling met een wettelijke taak jaarlijks:

Instelling Bedrag
Stichting tot Exploitatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie € 1.662.496
3.

De subsidie, bedoeld inartikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, bedraagt voor de volgende instelling met een wettelijke taak jaarlijks:

Instelling Bedrag
Stichting het Nederlands Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde € 1.001.551
4.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, bedraagt voor de volgende instelling met een wettelijke taak jaarlijks:

Instelling Bedrag
Stichting het Nederlands Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde € 110.429
5.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel c, bedraagt voor de volgende instelling met een wettelijke taak jaarlijks:

Instelling Bedrag
Stichting Naturalis Biodiversity Center € 358.538
6.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel d, bedraagt voor de volgende instelling met een wettelijke taak jaarlijks:

Instelling Bedrag
Stichting Het Rijksmuseum € 226.503

Artikel 3.18. Besteding resterende middelen

Indien de subsidie na uitvoering van de activiteiten zoals opgenomen in de begroting voor het desbetreffende jaar niet volledig is aangewend, dan kan de instelling de resterende middelen besteden ten behoeve van de taak waarmee zij op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet is belast.

§ 3. Visitatie

Artikel 3.19. Visitatie

1.

Een instelling met een wettelijke taak verleent haar medewerking aan een eenmaal per vier jaar te houden visitatie, die ten doel heeft de wijze waarop die instelling haar taken en publieksactiviteiten verricht te beoordelen.

2.

De minister kan nadere eisen stellen aan de visitatie, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen en overgangsbepaling

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)