Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 januari 2016, nr. WJZ/717829 (10547), houdende regels over het beheer van de rijkscollectie, de subsidiëring van instellingen met een wettelijke taak tot beheer van collecties en enkele technische aanpassingen (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie

Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie

Artikel 4.1. Overgangsbepaling Stichting Panorama Mesdag
1.

De Minister verstrekt de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, voor het eerst voor het kalenderjaar 2026 aan de Stichting Panorama Mesdag.

2.

In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, verstrekt de Minister de subsidie aan de Stichting Panorama Mesdag ten behoeve van het kalenderjaar 2026 vóór 1 november 2025.

3.

In afwijking van artikel 3.5, eerste lid, dient Stichting Panorama Mesdag voor het kalenderjaar 2026 uiterlijk op 1 december 2025 de volgende documenten in bij de Minister:

Artikel 4.2. Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten

Wijzigt de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.

Artikel 4.3. Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Artikel 4.4. Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monument en gelegen buiten Nederland

Wijzigt de Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland.

Artikel 4.5. Regeling omgevingsrecht

Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.

Artikel 4.6. Wijziging Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020

Wijzigt de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020.

Artikel 4.7. Wijziging Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Gelet op de artikelen 2.7, 2.10, tweede lid, en 7.7 van de Erfgoedwet;

Besluit:

Hoofdstuk 2. Collectiebeheer

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Inwerkingtreding
1.

De hoofdstukken 1, 3 en 5 treden in werking met ingang van 8 februari 2016.

2.

Hoofdstuk 2 en de artikelen 4.1 tot en met 4.5 treden in werking op 1 juli 2016.

3.

De artikelen 4.6 en 4.7 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werken terug tot en met 4 november 2015.

Artikel 5.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 3.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidies die de minister verstrekt op grond van artikel 7.2 van de Erfgoedwet.

Artikel 3.2. Ambtshalve subsidieverlening en hoogte subsidiebedragen
1.

De minister verleent jaarlijks voor 1 oktober ambtshalve de volgende subsidiebedragen1Inclusief loon- en prijsbijstelling 2023. voor de uitvoering in het daarop volgende jaar van de taak, bedoeld in artikel 7.2 van de Erfgoedwet:

Stichting Erfgoedpark Batavialand € 1.206.418
Stichting Eye Filmmuseum € 5.895.237
Stichting Haags Historisch Museum € 362.381
Stichting het Nederlandse Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde € 9.188.048
Stichting Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid € 126.778
Stichting Het Nieuwe Instituut € 4.164.767
Stichting Het Rijksmuseum € 37.044.375
Stichting Joods Historisch Museum € 1.775.106
Stichting Keramiekmuseum Het Princessehof € 296.007
Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis € 3.305.594
Stichting Kröller-Müller Museum € 9.796.966
Stichting Museum Catharijneconvent € 3.667.622
Stichting Museum Slot Loevestein € 1.153.505
Stichting Nationaal Glasmuseum Leerdam € 238.376
Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen € 9.365.377
Stichting Naturalis Biodiversity Center € 15.193.803
Stichting Nederlands Fotomuseum € 2.496.008
Stichting Nederlands Literatuurmuseum en Literatuurarchief € 2.184.297
Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam € 8.071.027
Stichting Paleis Het Loo, Nationaal Museum € 13.063.7101
Stichting Panorama Mesdag € 913.279
Stichting Rijksmuseum Muiderslot € 668.841
Stichting Rijksmuseum Twenthe € 2.592.326
Stichting Rijksmuseum van Oudheden € 4.636.165
Stichting tot Beheer en Instandhouding van Teylers Museum € 2.500.061
Stichting tot beheer van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde € 3.668.972
Stichting tot Beheer van het Museum van het Boek / Museum Meermanno-Westreenianum € 684.703
Stichting tot Beheer van Huis Doorn € 1.150.417
Stichting tot Exploitatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie € 5.184.778
Stichting Van Gogh Museum voorheen Rijksmuseum Vincent van Gogh / Rijksmuseum H.W. Mesdag € 8.428.300
Stichting Zuiderzeemuseum € 6.496.881

1 In verband met een herverdeling van € 12.000.000 in 2021 wordt vanaf 2022 tot en met 2026 een bedrag van € 2.400.000 in mindering gebracht. Vanaf 2027 wordt deze incidentele vermindering niet meer toegepast.

Artikel 3.3. Wijziging subsidiebedrag
1.

De minister kan de subsidie verhogen:

2.

Indien de subsidie wordt gewijzigd, rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden of de kosten van het prijspeil, bepaalt de minister welk percentage van de subsidie wordt aangemerkt als loongevoelig onderscheidenlijk prijsgevoelig.

Artikel 3.4. Voorschotten
2.

Indien de subsidie op grond van artikel 3.3, eerste lid, wordt gewijzigd, wordt de bevoorschotting overeenkomstig aangepast.

Artikel 3.5. Subsidieverplichting: in te dienen documenten
1.

Een instelling met een wettelijke taak dient jaarlijks uiterlijk op 1 november de volgende documenten in bij de minister:

2.

De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de wettelijke taak waarmee de instelling is belast, en sluit aan op het door de minister verleende subsidiebedrag.

3.

De begroting bevat een postgewijze toelichting.

5.

Indiening van een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.7 kan achterwege blijven, indien de instelling met een wettelijke taak er redelijkerwijs van uit kan gaan dat de minister al over de meest recente versie van het plan beschikt.

6.

Indien uitvoering van wettelijke taak aan de hand van de ingediende documenten, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister bezwaarlijk is, kan hij de subsidieontvanger aanwijzingen geven tot wijziging van die documenten.

Artikel 3.6. Wijze van indiening

De indiening van de documenten, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze.

Artikel 3.7. Subsidieverplichting: gebouwen
1.

De volgende instellingen met een wettelijke taak beschikken voor gebouwen waarin cultuurgoederen worden beheerd waar de taak op ziet, over een actueel meerjarig onderhouds- en investeringsplan:

2.

Een instelling als bedoeld in het eerste lid dient telkens na vier jaar een actueel onafhankelijk bouwkundig inspectierapport van de gebouwen in. De eerste indiening vindt plaats voor 1 januari 2020.

Artikel 3.8. Overige subsidieverplichtingen

De artikelen 2.12 tot en met 2.14 en 2.17 tot en met 2.21 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.9. Aanvraag tot vaststelling

De aanvraag tot vaststelling van de subsidie geschiedt in de verantwoording van de subsidie die de instelling met een wettelijke taak voor het betreffende jaar ontvangt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, met overeenkomstige toepassing van:

Artikel 3.10. Beschikking tot vaststelling

Artikel 2.29, eerste lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de subsidie.

Artikel 3.11. Besteding resterende middelen

Indien na uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet, de subsidie niet volledig is aangewend en langetermijninvesteringsreserves zijn aangehouden voor het beheer van de cultuurgoederen of de instandhouding van gebouwen, zoals opgenomen in de begroting voor het desbetreffende jaar, dan kan de instelling de resterende middelen besteden aan publieksactiviteiten of andere activiteiten in het kader van de cultuurgoederen.

Artikel 3.12. Hardheidsclausule

Artikel 6.1 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.13. Reikwijdte
1.

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidies, niet zijnde subsidies als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, die de minister voor de jaren 2025 tot en met 2028 op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid verstrekt aan instellingen met een wettelijke taak.

2.

Artikel 2.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is niet van toepassing op de verstrekking van subsidies als bedoeld in het eerste lid aan instellingen met een wettelijke taak.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen en overgangsbepaling

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.14. Ambtshalve subsidieverlening

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.