Rijkswet van 23 december 2015, houdende regeling voor Nederland en Sint Maarten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf-en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Sint Maarten)

Type Rijkswet
Publication 2016-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en Sint Maarten het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het terrein van de belastingen een nieuwe onderlinge regeling bij rijkswet wordt vastgesteld;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Reikwijdte van de rijkswet

Artikel 1. Toepassingsbereik
1.

Deze rijkswet is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de landen of van beide landen.

2.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid maken:

geen aanspraak op de voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13, vierde lid, en artikel 20, eerste lid.

3.

De bevoegde autoriteiten van beide landen kunnen in onderling overleg beslissen in hoeverre een inwoner van een van de landen die onder een bijzondere regeling valt geen aanspraak kan maken op de voordelen van deze rijkswet.

Artikel 2. Belastingen waarop de rijkswet van toepassing is
1.

Deze rijkswet is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een land, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, ongeacht de wijze van heffing.

2.

Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3.

De bestaande belastingen waarop deze rijkswet van toepassing is, zijn:

4.

De rijkswet is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de landen doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwet- en regelgeving zijn aangebracht. Zij kunnen hierover met elkaar in overleg treden met het oog op de toepassing van deze rijkswet.

Hoofdstuk II. Begripsomschrijvingen

Artikel 3. Algemene begripsomschrijvingen
1.

Voor de toepassing van deze rijkswet, tenzij de context anders vereist:

2.

Voor de toepassing van deze rijkswet door een land op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van dat land met betrekking tot de belastingen waarop deze rijkswet van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van dat land prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van dat land aan die uitdrukking wordt gegeven.

Artikel 4. Inwoner
1.

Voor de toepassing van deze rijkswet betekent de uitdrukking «inwoner van een land» iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van dat land, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid. De uitdrukking «inwoner van een land» omvat tevens het land zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan en een persoon die voor de toepassing van de opbrengstbelasting in het Caribische deel van Nederland is gevestigd.

2.

Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan belasting onderworpen te zijn:

mits door die persoon verkregen inkomsten ingevolge de belastingwetgeving van Nederland onderscheidenlijk Sint Maarten behandeld worden als de inkomsten van die persoon en niet als de inkomsten van zijn rechthebbenden, leden of participanten.

3.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, omvat de uitdrukking «inwoner van een land» niet enig persoon die in dat land slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat land.

4.

Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide landen is, wordt zijn positie op de volgende wijze bepaald:

5.

Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner is van beide landen, stellen de bevoegde autoriteiten van beide landen in onderling overleg vast van welk land die persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van deze rijkswet. Bij ontbreken van onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen, is die persoon niet gerechtigd tot enig voordeel dat uit deze rijkswet voortvloeit, met uitzondering van de artikelen 21, 23 en 24.

6.

Indien een entiteit door een land voor de belastingheffing wordt aangemerkt als transparant en door het andere land als niet-transparant en dit leidt tot dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, treden de bevoegde autoriteiten in onderling overleg volgens de bepalingen van artikel 24 teneinde deze dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet verenigbaar is met de bepalingen van deze rijkswet te voorkomen en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van deze rijkswet, bestanddelen van het inkomen, geheel of gedeeltelijk, niet aan belasting onderworpen zijn.

7.

Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid:

Artikel 5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van deze rijkswet betekent de uitdrukking «vaste inrichting» een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.

2.

De uitdrukking «vaste inrichting» omvat in het bijzonder:

3.

Een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden vormt alleen dan een vaste inrichting indien de duur ervan 183 dagen overschrijdt.

4.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid, worden, indien een onderneming van een land diensten verricht in het andere land:

de in het andere land verrichte activiteiten bestaande uit de voornoemde diensten geacht een vaste inrichting te vormen van de onderneming in dat andere land, tenzij deze diensten beperkt zijn tot de werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, die, indien zij zouden worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken. Voor de toepassing van dit lid worden diensten verricht door een natuurlijke persoon ten behoeve van een onderneming niet geacht verricht te zijn door een andere onderneming, tenzij die andere onderneming toezicht houdt op de manier waarop de diensten worden verricht door die natuurlijke persoon of die diensten aanstuurt of controleert.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.