Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens

Type ZBO-regeling
Publication 2016-02-02
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Beleidsregels voor de toepassing van bepalingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet politiegegevens

Samenvatting

Deze beleidsregels Cameratoezicht vervangen de publicatie ‘Camera’s in het publieke domein. Privacynormen voor het cameratoezicht op de openbare orde’ (2004) van het College bescherming persoonsgegevens (CBP), tegenwoordig de Autoriteit Persoonsgegevens. Diverse ontwikkelingen, zowel op het gebied van wetgeving als op het gebied van de technologie, waren aanleiding voor deze nieuwe publicatie.

De beleidsregels vormen een uitwerking van bepalingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet politiegegevens die relevant zijn voor cameratoezicht door private of publieke organisaties ter beveiliging van personen en goederen en door gemeenten ter handhaving van de openbare orde. Ook wordt ingegaan op de inzet van nieuwe technologieën bij cameratoezicht, zoals drones, dashcams en andere slimme camera’s.

Aangezien de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) algemeen van aard zijn, kan de uitwerking van die bepalingen in deze beleidsregels ook van toepassing zijn op verwerkingen van ander beeldmateriaal, zoals foto’s, en voor andere doeleinden, zoals cameraobservatie, die ook onder het wettelijke regime van de Wbp vallen.

De beleidsregels dienen in eerste instantie als leidraad voor organisaties die gebruik (willen) maken van cameratoezicht en als uitgangspunt voor de Autoriteit Persoonsgegevens bij haar toezichthoudende taak. Daarnaast kunnen ze ook voor ontwikkelaars en leveranciers van (slimme) digitale camerasystemen als leidraad dienen bij de ontwikkeling van (nieuwe) technologie waarbij sprake is van de verwerking van beeldmateriaal.

Inleiding

Organisaties zetten steeds vaker cameratoezicht in. Hierbij verwerken zij vaak persoonsgegevens. Bovendien worden de technische mogelijkheden van camera’s steeds geavanceerder. Zo worden camera’s bijvoorbeeld gekoppeld aan drones1Een drone is een onbemand luchtvaartuig. Zie over het onderwerp drones Hoofdstuk 5. en worden ze steeds ‘slimmer’ gemaakt, waardoor ze steeds meer informatie kunnen genereren.

De toename in het gebruik van cameratoezicht en de voortschrijdende technologie maakt dat er bij bedrijven en overheden een groeiende behoefte bestaat aan inzicht in de wettelijke mogelijkheden om cameratoezicht toe te passen. De Autoriteit Persoonsgegevens brengt daarom deze beleidsregels cameratoezicht uit.

De beleidsregels zijn ten eerste toegespitst op cameratoezicht door (private of publieke) organisaties ter beveiliging van personen en goederen, waarop de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing is. Ten tweede gaan zij in op cameratoezicht door gemeenten ter handhaving van de openbare orde, waarop artikel 151c Gemeentewet van toepassing is. Met ‘cameratoezicht’ wordt in deze beleidsregels de bewaking met camera’s bedoeld. Dat neemt niet weg dat de bepalingen van de Wbp algemeen van aard zijn, zodat de uitwerking van die bepalingen in deze beleidsregels ook van toepassing kan zijn op verwerkingen van ander beeldmateriaal, zoals foto’s, en voor andere doeleinden, zoals cameraobservatie, die ook onder het wettelijke regime van de Wbp vallen. Met ‘cameraobservatie’ wordt bedoeld het waarnemen met camera’s, anders dan bewaking.

Bij de uitwerking van artikel 151c Gemeentewet in deze beleidsregels komen de rol en verantwoordelijkheden van de politie met betrekking tot cameratoezicht in het kader van de handhaving van de openbare orde aan bod. De beleidsregels gaan echter niet specifiek in op cameratoezicht in het kader van de algemene politietaak in de zin van artikel 3 Politiewet 2012, noch op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarentegen bevat hoofdstuk 1 van de beleidsregels wel algemene uitgangspunten die gelden wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door middel van een camera. Deze uitgangspunten gelden in het algemeen, dus in principe ook wanneer cameratoezicht plaatsvindt in het kader van de algemene politietaak of in het kader van opsporing en vervolging van strafbare feiten.

De beleidsregels dienen als leidraad bij zowel de afweging die organisaties dienen te maken alvorens zij tot cameratoezicht overgaan, als bij de maatregelen die zij vervolgens moeten treffen ter bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen. Hoewel ontwikkelaars en leveranciers van camerasystemen meestal niet verantwoordelijk zijn voor de verwerking van persoonsgegevens door middel van camera’s, kunnen de beleidsregels ook voor hen als leidraad dienen om al in de ontwikkelings- en leveringsfase van deze systemen rekening te houden met de bescherming van persoonsgegevens. Voor de Autoriteit Persoonsgegevens ten slotte dienen deze beleidsregels bovendien als uitgangspunt bij het onderzoeken en beoordelen van de inzet van cameratoezicht en bij het toepassen van handhavende maatregelen.

De beleidsregels beginnen met meer algemene uitgangspunten en worden daarna steeds specifieker. Zo bevat hoofdstuk 1 de algemene uitgangspunten die meestal gelden wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door middel van een camera. Hoofdstuk 2 en 3 bevatten een uitwerking van belangrijke bepalingen uit de Wbp respectievelijk artikel 151c Gemeentewet j° de Wet politiegegevens (Wpg) ten aanzien van cameratoezicht. Hoofdstuk 4 gaat in op situaties waarin private organisaties delen van openbare plaatsen filmen en waarin private organisaties en gemeenten gezamenlijk zowel private goederen als openbare plaatsen filmen. In hoofdstuk 5 komt cameratoezicht door middel van drones, dashcams en (andere) slimme camera’s aan bod. De beleidsregels worden met hoofdstuk 6 afgesloten, waarin de rechten van betrokkenen en de rol van de Autoriteit Persoonsgegevens kort worden beschreven. In de bijlagen zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen opgenomen.

De beleidsregels vervangen de publicatie ‘Camera’s in het publieke domein. Privacynormen voor het cameratoezicht op de openbare orde’ van het College bescherming persoonsgegevens2Het College bescherming persoonsgegevens wordt sinds 1 januari 2016 in het maatschappelijk verkeer aangeduid als de Autoriteit Persoonsgegevens. uit november 2004. Deze eerdere publicatie gaat over cameratoezicht op de openbare orde (waarop thans artikel 151c Gemeentewet van toepassing is), terwijl deze beleidsregels ook betrekking hebben op cameratoezicht waarop de Wbp van toepassing is. De belangrijkste wijzigingen in de regelgeving die sindsdien hebben plaatsgevonden zijn de invoering van artikel 151c Gemeentewet en de invoering van de Wpg. Thans ligt de aanpassing van artikel 151c Gemeentewet in verband met de Wet flexibel cameratoezicht3Wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht, Kamerstukken 33 582. bij de Eerste Kamer. Ten tijde van de publicatie van deze beleidsregels is deze wet nog niet in werking is getreden. Het is vanzelfsprekend aan de Eerste Kamer om te oordelen over het voornoemde wetsvoorstel; in deze beleidsregels is evenwel uitgegaan van de eventuele inwerkingtreding van de Wet flexibel cameratoezicht. De beleidsregels dienen immers over een langere tijdsperiode geldingskracht te hebben waarbij het streven is deze actueel te laten zijn.

In de beleidsregels worden relevante wettelijke bepalingen en jurisprudentie beschreven die van toepassing kunnen zijn op de verwerking van persoonsgegevens door middel van cameratoezicht. De genoemde wettelijke bepalingen en jurisprudentie zijn echter niet uitputtend. De voorbeelden in de beleidsregels dienen enkel ter illustratie en zijn ontdaan van andere relevante (juridische) omstandigheden. Een definitieve beoordeling over de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens door middel van cameratoezicht kan alleen worden gemaakt met inachtneming van alle omstandigheden van het afzonderlijke geval. De beoordeling kan daarom per geval anders uitpakken. Technologische ontwikkelingen staan niet stil. Deze beleidsregels zijn derhalve geen statisch document: ze zullen door de Autoriteit Persoonsgegevens zoveel mogelijk actueel gehouden worden.

1. Algemene uitgangspunten verwerking persoonsgegevens door middel van camera’s

Op de verwerking van persoonsgegevens door middel van een camera kunnen diverse wettelijke regelingen van toepassing zijn, zoals onder meer de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), artikel 151c Gemeentewet en de Wet politiegegevens (Wpg). Welke wettelijke regelingen in een concreet geval gelden, is afhankelijk van de vragen wie als verantwoordelijke kan worden aangemerkt en voor welke doeleinden een camera wordt ingezet. Vanuit deze wettelijke regelingen is een aantal uitgangspunten te noemen dat algemeen geldt wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door middel van een camera.

1.1. Algemene uitgangspunten cameratoezicht

Onderstaande uitgangspunten moeten in elk geval in acht worden genomen voordat een camera wordt ingezet.

1.2. Aandachtspunten

Hieronder volgen nog een tweetal punten waar een verantwoordelijke aan zou moeten denken bij de inzet van cameratoezicht.

Het (laten) uitvoeren van een PIA kan de verantwoordelijke helpen om te voldoen aan voornoemde uitgangspunten en de toepasselijke wettelijke normen. Een PIA is een hulpmiddel voor een verantwoordelijke om door middel van een vragenlijst de privacyrisico’s van een (voorgenomen) verwerking in kaart te brengen. Verschillende brancheorganisaties hebben handreikingen voor het uitvoeren van een PIA opgesteld.

Aan de hand van een PIA kan de verantwoordelijke de risico’s beoordelen die de verwerking van persoonsgegevens door middel van een camera met zich meebrengt voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Ook kan hij aan de hand van een PIA maatregelen treffen om deze risico’s te beperken. Hierdoor kan de verantwoordelijke de negatieve gevolgen die deze verwerking met zich mee kunnen brengen voor de betrokkenen, maar ook voor hemzelf, zo veel mogelijk beperken. Een PIA is het meest doeltreffend als deze wordt uitgevoerd voordat een camera wordt ingezet. Ook als de omstandigheden met betrekking tot de inzet van een camera wijzigen (bijvoorbeeld een wijziging van de doeleinden of de omvang van het toezicht of hetgeen er met de camerabeelden zal worden gedaan), is het raadzaam om opnieuw een PIA uit te voeren.16Zie voor meer informatie over het uitvoeren van een PIA de website van de Autoriteit Persoonsgegevens: autoriteitpersoonsgegevens.nl.

De Wbp, waarin de eerder genoemde uitgangspunten zijn opgenomen, is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door middel van een camera ten behoeve van activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden (artikel 2, lid 2, sub a, Wbp). Het huiselijk gebruik ziet op de situatie dat in een gezinssituatie persoonsgegevens worden verwerkt. Ook wanneer meerdere personen die gezamenlijk een huishouden voeren, gebruik maken van deze gegevens, is de Wbp niet van toepassing. Om een beroep te doen op deze uitzondering moet het wel gaan om een duidelijk bepaalbare groep van personen.17Kamerstukken II 1997/98, 25 892. nr. 3, p. 70. Het persoonlijk gebruik ziet zowel op de situatie buiten het werk als daarbinnen. Veel beroepsbeoefenaars houden eigen lijstjes bij, bijvoorbeeld adressenbestanden van personen met wie zij regelmatig contact onderhouden. Zij hebben het karakter van een geheugensteun en deze vallen daarmee onder de uitzondering van het persoonlijk gebruik. Ook camerabeelden gemaakt ter beveiliging in een woning vallen onder deze uitzondering.18HvJ EU 11 december 2014, C-212/13 (Ryneš/ Úřad pro ochranu osobních údajů). Zodra deze verwerking beoogd is voor gebruik door een onbepaald aantal personen, is de Wbp van toepassing.19Kamerstukken II 1997/98, 25 892. nr. 3, p. 70. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de camerabeelden op het internet worden geplaatst.20HvJ EG 6 november 2003, C-101/01 (Lindqvist), overweging 47. Voor betrokkenen is het van belang dat indien de Wbp van toepassing is (en dus geen sprake is van een gebruik voor uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden) dat zij hun rechten (in de zin van de Wbp) kunnen uitoefenen. Te denken valt aan het recht op inzage, om te corrigeren of te verwijderen. Bij het ongewenst plaatsen van camerabeelden op internet, waarbij de betrokkene in beeld komt, kan de betrokkene bij diegene die deze beelden op internet heeft geplaatst (de verantwoordelijke) verzoeken om verwijdering.

In december 2014 heeft het Hof van Justitie een uitspraak gedaan over de uitzondering persoonlijk en huishoudelijk gebruik. Deze uitspraak stelt voorwaarden aan – of de uitzondering wel/niet van toepassing is – het doorlopend vastleggen van (gedeelten) van openbare ruimte met een vaste/statische cameravoor het doeleinde: beveiliging van personen, gebouwen, terreinen, zaken en productieprocessen.21HvJ EU 11 december 2014, C-212/13 (Ryneš/ Úřad pro ochranu osobních údajů), overweging 36. Voor het deel openbare ruimte dat gefilmd wordt voor beveiligingsdoeleinden, heeft het Hof van Justitie bepaald dat geen sprake is van activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden, en daarmee is de Wbp dus onverkort van toepassing.22HvJ EU, 11 december 2014, C-212/13 (Ryneš/ Úřad pro ochranu osobních údajů), overweging 33 en 35. De camera is immers geplaatst met als doel de beveiliging van de woning en dat kan in beginsel niet samenvallen met het doeleinde persoonlijk en huishoudelijk gebruik. De bewoner (verantwoordelijke) dient een grondslag in de zin van artikel 8 Wbp voor zijn verwerking te hebben. Dit zou het gerechtvaardigde belang (artikel 8 aanhef en onder f Wbp) kunnen zijn: de bewoner kan een gerechtvaardigd belang hebben om een deel van de openbare ruimte te filmen ter beveiliging van personen, gebouwen, terreinen, zaken en productieprocessen.

Uiteraard zijn er gevallen waarbij een persoon de intentie had om een beeldopname te maken voor huishoudelijk gebruik, maar dat deze intentie door bepaalde omstandigheden verandert. Op het moment dat de intentie verandert kan vervolgens de Wbp van toepassing zijn. Deze is dan van toepassing op de verdere verwerking van de beeldopnames.

In hoofdstuk 2 worden bovengenoemde uitgangspunten (en andere wettelijke bepalingen) uitgewerkt met betrekking tot cameratoezicht ter beveiliging van personen en goederen (Wbp). In hoofdstuk 3 gebeurt dat met betrekking tot cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde door gemeenten (artikel 151c GemeentewetWpg).

2. Uitwerking Wbp

Dit hoofdstuk bevat een uitwerking van bepalingen van de Wbp die een belangrijke rol spelen bij de verwerking van persoonsgegevens door middel van cameratoezicht. Paragraaf 2.1 tot en met 2.4 hebben betrekking op een aantal algemene begrippen. Paragraaf 2.5 tot en met 2.13 lichten een aantal inhoudelijke normen toe die de verantwoordelijke moet naleven.

2.1. Persoonsgegevens23Zie voor meer informatie over dit onderwerp WP29, Advies 4/2007 over het begrip persoonsgegeven, WP136, 20 juni 2007.

De Wbp kan alleen van toepassing zijn als er sprake is van ofwel een geheel of gedeeltelijke geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ofwel een niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in een bestand. In deze paragraaf wordt nader uitgewerkt wat onder het begrip ‘persoonsgegevens’ wordt verstaan.

Een persoonsgegeven is elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (artikel 1, sub a, Wbp).

Een persoon is identificeerbaar indien zijn identiteit redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning, kan worden vastgesteld.24Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 47. Er kan een onderscheid worden gemaakt in direct en indirect identificeerbare gegevens. Direct identificerende gegevens zijn gegevens die betrekking hebben op een persoon waarvan de identiteit zonder veel omwegen eenduidig is vast te stellen, zoals een naam, eventueel in combinatie met het adres en de geboortedatum. Van indirect identificeerbare gegevens is sprake wanneer zij via nadere stappen in verband kunnen worden gebracht met een bepaalde persoon.25Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 48.

Een gegeven is geen persoonsgegeven, indien doeltreffende technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen waardoor een daadwerkelijke identificatie van individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt uitgesloten.26Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 49.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.