Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 22 maart 2016, nr. MINBUZA-2016.171478, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mine Action en Clustermunitie 2016–2020)

Type Ministeriële regeling
Publication 2016-03-31
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van ontmijnen en het verwijderen van clustermunitie, die strekken tot het bevorderen van vrede en veiligheid na afloop van een gewapend conflict (Mine Action en Clustermunitie 2016–2020), gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van Mine Action en Clustermunitie 2016–2020 geldt voor de periode vanaf 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2020 een subsidieplafond van € 35 miljoen.

Artikel 3
1.

Aanvragen voor een subsidie in het kader van Mine Action en Clustermunitie 2016–2020 worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 26 mei 2016, 16.30 uur.

2.

Aanvragen worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.3Het aanvraagformulier met bijbehorende verplichte bijlagen is geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2020, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bijlage

Inhoudsopgave

1. Algemeen

1.1. Inleiding en achtergrond

Na afloop van een gewapend conflict leiden achtergebleven explosieve oorlogsresten (ERW) zoals landmijnen en clustermunitie vaak tot langdurige onveiligheid voor burgers.4Dit geldt ook voor Unexploded Ordnance (UXO) en Abandoned Explosive Ordnance (AXO); volgens Protocol V van de Convention on Certain Conventional Weapons (CCW) en het Verdrag over Clustermunitie (CCM). Ook belemmert dit het op gang komen van de nodige humanitaire hulp en de toegang van burgers tot voedsel, water en andere basisbehoeften. Onveiligheid door explosieve oorlogsresten vormt tevens een belemmering voor vluchtelingen en ontheemden om terug te keren naar huis. Stabilisatie, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling lopen gevaar zolang explosieve oorlogsresten als landmijnen, clustermunitie en Improviced Explosive Devices (IED’s) niet zijn geruimd en de bevolking niet op de hoogte is van de risico’s.

De afgelopen jaren is veel vordering gemaakt met het ruimen van ERW. Helaas zijn landmijnen en ERW nog een groot probleem in 57 landen en 4 andere gebieden. Ook in de meest recente conflicten zijn veiligheidsrisico’s voor burgers door ERW groot. Daarom is ook voor de komende jaren een grote inspanning nodig om ERW te ruimen. Een grote uitdaging is met name het gebruik van landmijnen door non-state armed actors in landen als Afghanistan, Colombia, Irak, Libië, Myanmar, Pakistan, Syrië, Tunesië, Oekraïne en Jemen. Daarnaast worden door de overheden van Syrië, Noord-Korea en Myanmar (allen geen lid van het Ottowa-verdrag) nog landmijnen gebruikt. 5Landmine Monitor 2015, http://www.the-monitor.org/media/2152583/Landmine-Monitor-2015_finalpdf.pdf

Nederland is een van de aanjagers om internationaal krachten te bundelen om tot een mijnvrije wereld te komen voor 2025 als onderdeel van het Nederlandse geïntegreerde beleid op het gebied van veiligheid, stabiliteit en wederopbouw na conflict. Nederland is een belangrijke donor op dit gebied en streeft er naar jaarlijks € 15 miljoen beschikbaar te stellen voor ontmijning. 6Amendement door Ardenne-van Der Hoeven en Apostolou (27 400 V Nr. 17) uit 2000; en toezegging in 2011 in de Eerste Kamer om jaarlijks € 15.000.000 aan ontmijning te besteden. Naast het financieren van NGO’s via het mine action en cluster munitie programma draagt Nederland bij aan het Voluntary Trust Fund van UNMAS via ongeoormerkte bijdragen. Ook financierde Nederland buiten het programma om emergency respons projecten in landen waar een urgente behoefte ontstond aan inzet op mine action. Met Nederlandse financiering hebben NGO’s tussen 2012 en 2014, 42.618.091 m2 land ontmijnd en hebben 458.908 mensen voorlichting gehad over de gevaren en risico’s van ERW.7Cijfers gebaseerd op resultaten van 2012–2014, cijfers over 2015 zijn nog niet bekend.

Mine action wordt gedefinieerd als het uitvoeren van activiteiten met als doel de sociale, economische en ecologische impact van landmijnen en andere explosieve oorlogsresten, inclusief niet-geëxplodeerde sub-munitie te verminderen. Mine action gaat niet alleen over ontmijning. Het gaat ook over mensen en samenlevingen en hoe zij getroffen worden door aanwezigheid van ERW. 8International Mine Action Standards, http://www.mineactionstandards.org/standards/international-mine-action-standards-imas/imas-in-english/.

Mine action richt zich op vijf categorieën activiteiten:

Nederland onderkent de noodzaak om de mine action sector te integreren in stabilisatie, wederopbouw en ontwikkelingssamenwerking. Met het ondertekenen en ratificeren van het Verdrag tegen Antipersoneelsmijnen (Ottawa-verdrag), het Verdrag over Clustermunitie (Oslo-verdrag) en Protocol V van de Convention on Certain Conventional Weapons(CCW) heeft Nederland zich gecommitteerd om landen te ondersteunen die zelf minder goed in staat zijn mine action activiteiten te ontplooien. Dit bevat ondersteuning bij het opruimen van ERW, vernietigen van voorraden landmijnen en cluster munitie en hulp aan slachtoffers van ERW.

1.2. Beleidsrelevantie

Explosieve oorlogsresten als landmijnen en clustermunitie vormen niet alleen een veiligheidsprobleem, maar ook een barrière voor sociaaleconomische ontwikkeling. In de nota ‘Wat de wereld verdient’9Behorend bij de Kamerbrief (Kamerstuk 33 625), 5 april 2013. maakt Nederland zich sterk voor het uitbannen van extreme armoede, genderongelijkheid en het bereiken van duurzame en inclusieve groei overal ter wereld. Echter, landen die te maken hebben met instabiliteit of gewapend conflict, tekortschietend bestuur en onderontwikkeling, vaak in een vicieuze cirkel, zijn grotendeels achtergebleven bij het behalen van de mondiale ontwikkelingsdoelen. Ook zien we in deze landen een toenemende concentratie van extreme armoede10Volgens OESO/DAC woont momenteel 43% van de allerarmsten in de 50 landen op de OESO-lijst van fragiele staten. en een achteruitgang in de rechten en rechtsbescherming van vrouwen. 11Zie: Coomaraswamy, Radhika e.a., ‘Preventing Conflict, Transforming Justice, Securing the Peace, a Global Study of United Nations Security Council resolution 1325’,UN Women October 2015, http://wps.unwomen.org/en.Zie ook: het OECD/DAC rapport: Enhancing the Delivery of Justice and Security, 2005;andDo No Harm: International Support for Statebuilding,Conflict and Fragility Series, 2010. Niet alleen ontbreekt het burgers daar aan bestaansmiddelen en basisvoorzieningen, ook hun fysieke veiligheid wordt in situaties van wetteloosheid of gewapend conflict op vele manieren bedreigd.

Om een bijdrage te leveren aan het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie zet Nederland zich, via het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde (V&R) in op vijf beleidsdoelstellingen. Centraal uitgangspunt is dat de veiligheid van mensen voorop staat, dus niet die van staten. Dit perspectief vraagt om een overheid en rechtsorde die burgers centraal stelt, om sociale cohesie en om inclusieve processen. Het overkoepelende doel luidt dan ook: Het bevorderen van ‘legitieme’ stabiliteit in fragiele landen ter oplossing en voorkoming van gewelddadig conflict, voor de bescherming van mensen en als basis voor duurzame ontwikkeling.

Nederland onderschrijft hiermee de vijf doelstellingen op het gebied van staats- en vredesopbouw die tijdens het vierde High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (2011) internationaal zijn overeengekomen.12De ‘New Deal on Engagement in Fragile States’ kent vijf Peace & Statebuilding goals: I. Legitimate and Inclusive Politics – Foster inclusive political settlements and conflict resolution; II. Security – Establish and strengthen people’s security; III. Justice – Address injustices and increase people’s access to justice; IV. Economic Foundations – Generate employment and improve livelihoods and V. Revenues & Services – Manage revenue and build capacity for accountable and fair service delivery. Het speerpunt V&R is in 2015 verder uitgewerkt in een Theory of Change (zie Annex 3A en 3B) met onderstaande beleidsdoelstellingen:

Hoewel de effecten van EWR indirect betrekking hebben op alle genoemde doelstellingen, valt Nederlandse inzet op humanitair ontmijnen het meest direct binnen de eerste doelstelling van het speerpunt V&R, verbeteren van veiligheid van mensen. Deze doelstelling is gebaseerd op de aanname dat de behoefte van mensen aan fysieke veiligheid een basisbehoefte is die alle andere behoeften overschaduwt (piramide van Maslov). Burgers die zich veilig voelen zullen zelf meer investeren in ontwikkeling en stabiliteit en minder prikkels ervaren om zich aan te sluiten bij extremistische partijen of te vluchten.

Het bevorderen van veiligheid en rechtsorde, onder meer in fragiele staten en conflictgebieden, is eveneens van belang voor het behalen van de onlangs internationaal overeengekomen Sustainable Development Goals(vooral doel 16), de bescherming van mensenrechten en het bredere veiligheidsbeleid (GVDB). In fragiele landen en conflictsituaties zullen dan ook eerst de voorwaarden, waaronder voldoende veiligheid, moeten worden geschapen voordat een effectieve bijdrage aan duurzame ontwikkeling geleverd kan worden.

De aanpak van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie maakt onderdeel uit van de integrale aanpak die het kabinet heeft voorgesteld in de aanpak van de Europese asielproblematiek.13Kamerbrief over de Europese Asielproblematiek, (Kamerstuk 682347), 8 september 2015. van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in samenwerking met de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, referentie 682 347. Tegelijkertijd draagt het bij aan het verbeteren van de opvang in de regio die in het kader van diezelfde aanpak door het kabinet is voorgesteld.14Ibid. De inzet op humanitair mine action draagt in dit kader bij aan veiligheid van ontheemden en het wegnemen van drempels voor sociaaleconomische ontwikkeling.

Nederland blijft zich inzetten voor een mijnvrije wereld en het creëren van een veilige basis voor ontwikkeling en presenteert daarom het Mine Action en Cluster Munitie Programma 2016–2020. Voor dit programma stelt de Minister van Buitenlandse Zaken voor de periode 2016–2020 maximaal € 45 miljoen beschikbaar vanuit het Stabiliteitsfonds. Hiervan is € 10 miljoen bestemd voor emergency respons projecten, deze middelen zullen in een later stadium aan de geselecteerde partners worden toegekend.

1.3. Doelstelling en geografische prioriteiten

Het openstellen van het Mine Action en Cluster Munitie Programma 2016–2020 valt onder het beleidsspeerpunt Veiligheid en Rechtsorde; en specifiek onder de eerste en derde sub-doelstelling. De doelstellingen onder deze sub-doelstelling zijn:

Voorstellen dienen de subdoelstellingen 1.1 en 1.3 na te streven. De activiteiten moeten bijdragen aan veiligheid en stabiliteit voor inwoners van de gekozen landen, sociaal economische wederopbouw en lokale capaciteitsopbouw om te waarborgen dat activiteiten een blijvende impact houden.

Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dienen activiteiten te worden uitgevoerd in de prioritaire regio’s (zie annex 1). De prioritaire regio’s vanuit het oogpunt van instabiliteit, human security en ontwikkeling zijn: het Midden Oosten en Noord-Afrika (MENA), Sahel, Hoorn van Afrika, het Grote Meren gebied en de volgende landen: Colombia, Afghanistan en Pakistan.

NGO’s zijn ertoe verplicht minimaal 80% van deze subsidie te besteden in deze voor Nederland prioritaire landen. Maximaal 20% van de financiering kan naar eigen inzicht worden ingezet in landen waar de landmijnenproblematiek een grote bedreiging vormt. Deze landen ervaren dat explosieve oorlogsresten als landmijnen en cluster munitie een belemmering vormen voor stabiliteit en een veilige terugkeer van ontheemden en vluchtelingen, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling. Voorstellen dienen betrekking te hebben op minimaal 2 landen.

Nederland streeft ernaar dat de activiteiten worden uitgevoerd in landen die de Ottowa- en Oslo-verdragen hebben ondertekend en geratificeerd.15Voor een overzicht van de huidige status van de Ottowa en Oslo conventies, zie International Campaign to Ban Landmines, ‘Treaty Status, http://www.icbl.org/en-gb/the-treaty/treaty-status.aspx en Cluster Munition Coalition, ‘Treaty Status’, http://www.stopclustermunitions.org/en-gb/the-treaty/treaty-status.aspx Ook dient de lokale overheid zich verantwoordelijk te voelen voor het ruimen van landmijnen en clustermunitie dat zich tenminste vertaalt in het bestaan van een coördinatiemechanisme voor mine action, bij voorkeur ook in wetgeving op het gebied van mine action en idealiter in verankering in een nationale strategie voor mine action, ontwikkeling of armoedebestrijding, zoals een Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP).

Binnen het Mine Action en Cluster Munitie programma 2016–2020 zal er ruimte zijn voor het inzetten van Mine Action voor emergency response. Hiervoor zal € 10 miljoen (€ 2,5 miljoen per jaar) van het totale budget (€ 45 miljoen) gereserveerd worden. Met emergency responseinzet kan het hoofd geboden worden aan plotselinge intensivering van de problematiek in een van de prioritaire landen of in een overig land, gerelateerd aan nieuwe geografische gebieden die in de toekomst beschikbaar komen voor mine action activiteiten. Het overeenkomende budget kan op twee verschillende manieren worden vrijgemaakt:

De overeenkomstige bijdragen worden administratief opgetopt binnen de reeds lopende subsidies.

De impact van conflict is voor mannen en vrouwen vaak niet gelijk. Vrouwen hebben vaak minder zeggenschap over vraagstukken van vrede en veiligheid. Om de fysieke veiligheid van mannen en vrouwen te vergroten is kennis over de onderscheidende perspectieven, behoeften en rollen van mannen en vrouwen onontbeerlijk. Veiligheid is namelijk niet gender-neutraal. Bevorderen van gelijkwaardige deelname van vrouwen aan ontmijningsprogramma’s is voor Nederland belangrijk.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen is dan ook van belang dat de positie van vrouwen als actor bij stabilisatie, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling wordt versterkt.16Kamerbrief 8 maart 2016 van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer over Vrouwen, Vrede en Veiligheid; referentie MINBUZA-2016.41270.

2. Procedure

Aanvragen dienen opgesteld te worden op basis van dit beleidskader met gebruikmaking van het verplichte aanvraag formulier. Dit beleidskader vormt tevens de basis voor de beoordeling van de aanvragen.

Dit nieuwe programma is in opvolging van het Humanitair Ontmijnen en Cluster Munitie Programma 2012–2016 dat in oktober 2015 is geëvalueerd. Mede op basis van de aanbevelingen uit de evaluatie is besloten om weer een meerjarig programma op te zetten. De conclusies en aanbevelingen zijn meegenomen in dit beleidskader. Meerjarige programma’s geven NGO’s de mogelijkheid hun werk efficiënter en effectiever uit te voeren. Het programma zal starten op 1 september 2016 en loopt tot en met 31 augustus 2020. De duur van de subsidie dient tussen de 36 maanden (minimum) en 48 maanden (maximum) te liggen. Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dient het programma waarvoor subsidie wordt gevraagd niet eerder te starten dan 1 september 2016.

2.1. Voor wie zijn de subsidies bestemd?

In aanmerking voor subsidie komen zelfstandige maatschappelijke organisaties, met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die gespecialiseerd zijn in mine action en die op een resultaatgerichte manier bezig zijn met het bevorderen van menselijke veiligheid, stabilisatie, wederopbouw en sociaal-economische ontwikkeling17Voor een definitie van mine action zie: http://www.mineactionstandards.org/fileadmin/user_upload/MAS/documents/imas-internationalstandards/english/series-04/IMAS-04-10-Ed2-Am3.pdf voor definities..

De aanvraag dient zich te richten op ten minste drie van de volgende vier categorieën van activiteiten:

Nederland is een sterke voorstander van innovatie binnen mine action activiteiten, in thematische zin of door verbetering van de interventie strategie (verbeteren van de effectiviteit van het programma) of door verbeteren efficiëntie bij het implementeren van programma’s. Nederland moedigt NGO’s aan om hun kennis de delen via open-sources om bij te dragen aan innovatie en efficiëntie in de gehele mine action sector.

Organisaties kunnen zelfstandig een subsidievraag indienen of deel uitmaken van een alliantie van penvoerder en mede-indieners. De penvoerder dient in dat geval namens de alliantie een aanvraag voor het programma in. Als de aanvraag wordt goedgekeurd is de penvoerder verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de uitvoering van het programma van de alliantie en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. In een alliantie kunnen alleen maatschappelijke organisaties zoals eerder genoemd, deelnemen. Een organisatie kan één aanvraag indienen als penvoerder.

Organisaties welke betrokken zijn of waren bij de illegale handel in landmijnen of wapens, of de productie ervan, zijn uitgesloten van subsidieverlening binnen dit programma. Hetzelfde geldt voor commerciële ontmijningsbedrijven. Deze bedrijven kunnen zich rechtstreeks wenden tot UNMAS die in de landen waar zij werkzaam is gebruik maakt van aanbesteding.

2.2. Beoordelingscriteria

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.