Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202160, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas RNB)

Type ZBO-regeling
Publication 2025-05-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 12f, eerste lid van de Gaswet;

Besluit:

1. Algemene bepalingen

1.1. Werkingssfeer en definities

1.1.1

Deze code bevat de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 12b, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet.

1.1.2

Meetinrichtingen voldoen ten minste aan de daaraan in of krachtens de wet gestelde eisen. Ingeval van strijdigheid tussen een dwingende wettelijke eis en een eis uit deze code, geldt de dwingende wettelijke eis.

1.1.3

De in deze code gebruikte begrippen die ook in de Gaswet worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de Gaswet is toegekend. Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de Begrippencode gas behorende bij de voorwaarden bedoeld in artikel 12b van de Gaswet.

1.1.4

In zoverre een meetinrichting onder de Metrologiewet valt, is deze code niet van toepassing ten aanzien van een onderwerp dat voor die meetinrichting in de Metrologiewet wordt geregeld.

1.2. Voorwaarden met betrekking tot meterbeheerders, meterplaatsers en meetverantwoordelijken

1.2.1. Meterbeheerder

1.2.1.1

De meterbeheerder participeert in het door de toezichthouder op de Metrologiewet goedgekeurde systeem van systematische (steekproefsgewijze) periodieke controle van in gebruik zijnde meters zoals uitgevoerd in opdracht van de deelnemende meterbeheerders gezamenlijk of toont aan op andere, ter beoordeling van de toezichthouder op de Metrologiewet, aanvaardbare gelijkwaardige wijze te voorzien in een dergelijke controle.

1.2.2. Meterplaatser

1.2.2.1

Het deel van de op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting dat geplaatst moet worden in het perceel van de aangeslotene wordt geplaatst door een meterplaatser die is erkend conform bijlage 4 of door de regionale netbeheerder.

1.2.2.2

De regionale netbeheerder verstrekt aan de meterplaatser op diens verzoek:

1.2.3. Het overdragen van meetverantwoordelijkheid

1.2.3.1

Tot het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid voor een grootverbruikaansluiting zijn personen toegelaten die hiervoor conform bijlage 3.2 zijn erkend.

1.2.3.2

Per grootverbruikaansluiting is er één meetverantwoordelijke voor alle uit de hoofdstukken 4, 5 en 6 van deze code voortvloeiende werkzaamheden.

1.2.3.3

Een aangeslotene die de meetverantwoordelijkheid voor zijn grootverbruikaansluiting(en) niet zelf uitoefent, draagt die meetverantwoordelijkheid over aan een in 1.2.3.1 bedoelde persoon.

1.2.3.4

Indien de aangeslotene bij ingebruikname van de grootverbruikaansluiting geen meetverantwoordelijke aanwijst, of indien de aangeslotene de regionale netbeheerder hieromtrent verzoekt, wijst de regionale netbeheerder voor de aangeslotene een meetverantwoordelijke aan. De aangeslotene heeft het recht om van meetverantwoordelijke te wisselen.

1.2.3.5

Een aangeslotene die de meetverantwoordelijkheid voor zijn aansluiting(en) niet zelf uitoefent, machtigt een meetverantwoordelijke voor het opvragen van informatie uit het aansluitingenregister van de regionale netbeheerder, betrekking hebbend op de aansluiting van de aangeslotene alsmede voor het afwikkelen van het proces van overdracht van meetverantwoordelijkheid.

1.2.4. Beëindiging beheerovereenkomst tussen meetverantwoordelijke en aangeslotene

1.2.4.1

De eigenaar van de meetinrichting is gerechtigd vanaf tien werkdagen na de datum waarop de beheerovereenkomst afloopt (delen van) de meetinrichting te (laten) verwijderen. Hierbij dient de meetverantwoordelijke ervoor te zorgen dat het overdrachtspunt in goede en veilige toestand achter blijft.

1.2.4.2

Ingeval tussen de aangeslotene en een andere meetverantwoordelijke binnen tien werkdagen na beëindiging van de oude beheerovereenkomst alsnog een beheerovereenkomst in werking treedt, wordt voor zover van toepassing vanaf dat moment de werkwijze volgens 4.6 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas gevolgd.

1.2.4.3

Indien niet voldaan wordt aan het gestelde in 1.2.4.3, deactiveert de regionale netbeheerder de aansluiting.

1.2.5. Vangnetregeling meetverantwoordelijkheid

1.2.5.1

De vangnetregeling is van toepassing vanaf het moment dat de erkenning van de meetverantwoordelijke is ingetrokken tot het moment dat er voor de desbetreffende aansluiting een nieuwe meetverantwoordelijke is aangewezen.

1.2.5.2

Telemetriegrootverbruikers hebben tien werkdagen de tijd om een nieuwe meetverantwoordelijke aan te wijzen. De overige aangeslotenen hebben 40 werkdagen de tijd om een nieuwe meetverantwoordelijke aan te wijzen.

1.2.5.3

Indien de aangeslotene niet zelf binnen de in 1.2.5.2 genoemde termijn een nieuwe meetverantwoordelijke aanwijst, wijst de regionale netbeheerder voor de aangeslotene een nieuwe meetverantwoordelijke aan.

1.2.5.4

Onverwijld nadat hij bericht heeft ontvangen van de intrekking van de erkenning meldt de regionale netbeheerder de desbetreffende aangeslotene of diens gemachtigde bij aangetekende brief, dat:

1.2.5.5

Indien mogelijk treft de regionale netbeheerder bij aangeslotenen met een telemetriegrootverbruikmeetinrichting, waarbij de verzameling van meetgegevens, zoals bedoeld in 5.3.1, en de overdracht van meetgegevens, zoals bedoeld in 6.4.2 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas, ondanks de intrekking van de erkenning van de meetverantwoordelijke correct blijven functioneren, een regeling met de desbetreffende programmaverantwoordelijke om de desbetreffende meetgegevens te gebruiken zolang de vangnetregeling van toepassing is.

1.2.5.6

Indien de in 1.2.5.5 genoemde oplossing niet mogelijk is, worden, zolang de vangnetregeling van toepassing is, de meetgegevens ten behoeve van de allocatie, voor aansluitingen met een telemetriegrootverbruikmeetinrichting, vastgesteld op basis van:

1.2.5.7

Het in 1.2.5.6 bedoelde, op historische meetgegevens gebaseerde profiel wordt door de regionale netbeheerder vastgesteld na overleg met de aangeslotene.

1.2.5.8

Indien voor het in 1.2.5.6 bedoelde profiel geen gebruik gemaakt kan worden van historische meetgegevens wordt gebruik gemaakt van een, door de gezamenlijke netbeheerders en de programma-verantwoordelijken vooraf vastgesteld, noodprofiel.

1.2.5.9

Zolang de vangnetregeling van toepassing is, is de meetverantwoordelijke wiens erkenning is ingetrokken, alsmede een eventuele beoogde nieuwe meetverantwoordelijke verplicht er alles aan te doen om te voorkomen dat de meetinrichting en de eventueel daarbij behorende communicatiemiddelen worden verwijderd of gewijzigd of niet meer functioneren of kunnen functioneren.

1.2.5.10

In het geval de meetverantwoordelijke in faillissement verkeert of surseance van betaling is verleend, wijst de MV-erkenner de curator respectievelijk bewindvoerder op de verplichting zoals genoemd in 1.2.5.9. Zo nodig stelt de MV-erkenner zich garant voor de eventuele kosten hiervan, maximaal gedurende de periode dat de vangnetregeling van toepassing is.

1.2.5.11

Indien er, nadat de nieuwe meetverantwoordelijke is aangewezen, nog geen overdracht van meetgegevens kan plaats vinden zoals bedoeld in 6.4.2 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas, treft de regionale netbeheerder met de nieuwe meetverantwoordelijke en de programmaverantwoordelijke die het aangaat een regeling omtrent de te gebruiken meetwaarden.

1.2.5.12

Indien er sprake is van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting, stelt de nieuwe meetverantwoordelijke onverwijld vast wat de meterstanden zijn aan het begin en het einde van de periode waarop de vangnetregeling van toepassing is geweest, alsmede het verbruik gedurende die periode, en geeft deze door aan de regionale netbeheerder.

1.2.5.13

Indien er geen sprake is van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting en indien de dataverzameling als bedoeld in 5.2.1 of 5.2.2 plaats zou moeten vinden in de periode waarin de vangnetregeling van toepassing is, wordt deze datacollectie opgeschort en vindt deze plaats binnen een maand nadat de nieuwe meetverantwoordelijke is aangewezen.

2. Keuze van meetinrichting en aanwijzing meterbeheerder

2.1. Algemeen

2.1.1

De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op meetinrichtingen die verbonden zijn met netkoppelingen en de aansluiting van aangeslotenen.

2.1.2

Meetinrichtingen in het overdrachtspunt van een aansluiting op een gastransportnet waarvan de gasdruk hoger is dan 8 bar (overdruk) on meetinrichtingen in het overdrachtspunt tussen twee gastransportnetten waarbij de gasdruk in den of beide gastransportnetten hoger is dan 8 bar (overdruk) voldoen aan de technische eisen genoemd in de Meetcode gas LNB.

2.2. Meetinrichting in het overdrachtspunt van een aansluiting met een totale maximale capaciteit van ten hoogste 40 m3(n) per uur

2.2.1

In het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting met een totale maximale capaciteit van ten hoogste 40 m3(n) per uur is een niet op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting of een op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting aanwezig.

2.3. Meetinrichting verbonden met een aansluiting met een totale maximale capaciteit groter dan 40 m3(n) per uur.

2.3.1

Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.3 of 4.3.1.8 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie GGV respectievelijk GIS toegekend heeft gekregen, alsmede een netkoppeling tussen twee regionale gastransportnetten zoals bedoeld in B5.2.4 van de Allocatiecode gas, dient een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.

2.3.2

Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.5 of 4.3.1.10 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie GXX respectievelijk GIN toegekend heeft gekregen, dient een minimaal maandelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.

2.3.3

Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.7 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie G2C toegekend heeft gekregen, dient een profielgrootverbruikmeetinrichting zoals beschreven in 4.3.3, een minimaal maandelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in4.3.4 te hebben.

2.4. Aanwijzing meterbeheerder

2.4.1

De meterbeheerder van een meetinrichting in de netkoppeling van regionale netbeheerders is een door de beide regionale netbeheerders aangewezen meetverantwoordelijke.

2.4.2

De meterbeheerder van een meetinrichting van een kleinverbruikaansluiting is de regionale netbeheerder.

2.4.3

De meterbeheerder van een meetinrichting van een grootverbruikaansluiting is de door de aangeslotene aangewezen meetverantwoordelijke.

3. Uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen

3.1. Algemeen

3.1.1

Er is sprake van prioriteitsplaatsing indien de aangeslotene op zijn verzoek of op verzoek van een derde ten behoeve van zijn kleinverbruikaansluiting – voorafgaande aan de collectieve uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen in de desbetreffende wijk, de beschikking krijgt over een door of namens de regionale netbeheerder geplaatste op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting.

3.1.2

Indien de aangeslotene dit verzoekt, komt hij in aanmerking voor een prioriteitsplaatsing. Voor de aanvraag van een prioriteitsplaatsing is paragraaf 3.2 van toepassing.

3.1.3

Er is sprake van een plaatsing door derden van een op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting indien een aangeslotene ten behoeve van zijn kleinverbruikaansluiting – voorafgaande aan de collectieve uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen in de desbetreffende wijk -de beschikking krijgt over een door een meterplaatser geplaatste op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting.

3.1.4

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.