Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, ACM/DE/2016/202171, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas LNB meting door aangeslotene)

Type ZBO-regeling
Publication 2020-11-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 12f, eerste lid van de Gaswet;

Besluit:

1. Algemene bepalingen

1.1. Werkingssfeer

1.1.1

De Meetcode gas LNB meting door aangeslotene bevat de voorwaarden inzake de gashoeveelheidsmetingen (volume- en capaciteit) door aangeslotenen op de aansluitingen op het landelijk gastransportnet waar gas wordt afgenomen voor eigen gebruik, waarbij uitsluitend het aansluitpunt in beheer is bij de netbeheerder van het landelijk gastransportnet.

1.2. Definities

1.2.1

Begrippen, die in de Gaswet of de Begrippencode gas zijn gedefinieerd, hebben de in de Gaswet of Begrippencode gas gedefinieerde betekenis.

1.2.2

[Vervallen]

1.2.3

[Vervallen]

1.2.4

[Vervallen]

1.2.5

Onder het lokaal data acquisitiesysteem wordt verstaan het systeem dat op de plaats van de meting drie tellerstanden, te weten de tellerstand van de gasmeter, de niet-herleide gashoeveelheid en de herleide gashoeveelheid van het Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI), verzamelt en aan het einde van elk uur registreert. Dit lokaal data acquisitiesysteem is in eigendom en beheer van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet.

1.3. Algemene functionele eisen

1.3.1

Aangeslotene dient er voor zorg te dragen dat de meetinrichting voor de bepaling van gashoeveelheid en gashoeveelheid per uur bestaat uit een gasmeter, een temperatuuropnemer, een drukopnemer en een Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI).

1.3.2

De meetinrichting voldoet aan de volgende specificaties

– meetonzekerheid in gashoeveelheid op maandbasis ≤ 0,7%
– meetonzekerheid in gashoeveelheid per uur ≤ 1,0%
– beschikbaarheid data per uur (gemiddelde op jaarbasis) ≥ 99%
– maximale storingsduur meting en/of data acquisitie 24 uur

Deze eisen gelden op basis van 95% betrouwbaarheid.

1.3.3

Aangeslotene registreert de voor het meetproces en voor het beheersproces relevante parameters conform hoofdstuk 2 van deze Meetcode gas LNB meting door aangeslotene. Deze parameters kunnen door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet worden opgevraagd. Na opvraging worden de gegevens binnen 15 werkdagen ter beschikking gesteld.

1.3.4

Aangeslotene zorgt er voor dat de meetinrichting door het lokale data acquisitiesysteem uitleesbaar is met een frequentie van minimaal eenmaal per 5 seconden.

1.3.5

Met de in deze Meetcode gas LNB meting door aangeslotene bedoelde meetinrichting wordt gelijkgesteld een meetinrichting die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen genoemd in deze Meetcode gas LNB meting door aangeslotene wordt nagestreefd.

1.4. [vervallen]

1.5. Algemene eisen aan beheer en onderhoud

1.5.1

Aangeslotene voert het beheer en onderhoud aan de meetinrichting, met uitzondering van het lokale data acquisitiesysteem, zodanig uit dat blijvend wordt voldaan aan de gestelde functionele eisen.

1.5.2

Werkzaamheden aan het lokale data acquisitie systeem van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet mogen uitsluitend verricht worden door medewerkers van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet of personen die tot het verrichten van de werkzaamheden zijn gemachtigd door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet, of een hiertoe door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet gemachtigde voert het beheer en onderhoud aan het lokale data acquisitiesysteem zodanig uit dat blijvend wordt voldaan aan de gestelde functionele eisen.

1.5.3

De uitvoering van de werkzaamheden volgens 1.5.1 en 1.5.2 wordt opgetekend door degene die de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Hierbij worden vastgelegd de datum, de aard van de werkzaamheden, de uitvoerder van de werkzaamheden, de resultaten van de controles, alsmede eventuele bijzonderheden. De gegevens vastgelegd door aangeslotene worden op verzoek van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet door betreffende aangeslotene ter beschikking gesteld. De gegevens vastgelegd door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet worden op verzoek van de betreffende aangeslotene door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ter beschikking gesteld. Na opvraging worden de gegevens binnen 15 werkdagen ter beschikking gesteld.

1.5.4

Nadat een meetinrichting of onderdeel daarvan door aangeslotene is verwijderd, bewaart deze de relevante ijk- en kalibratiecertificaten ten minste tot 1 jaar na verwijdering. Deze gegevens worden op verzoek van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet door betreffende aangeslotene ter beschikking gesteld. Na opvraging worden de gegevens binnen 15 werkdagen ter beschikking gesteld.

1.5.5

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet of een door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet gemachtigde derde partij mag met eigen apparatuur metingen uitvoeren om de goede werking van de volumeherleiding van de meetinrichting te testen.

2. Gashoeveelheidmeting

2.1. Algemeen

2.1.1

Aangeslotene zal er voor zorg dragen dat de hoeveelheid gas onder bedrijfscondities uitsluitend wordt gemeten met gasmeters die voldoen aan de eisen voor gasmeters van klasse 1,0 volgens instrument specifieke bijlage MI-002 van Richtlijn 2004/22/EG van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten. Aangeslotene zal er voor zorg dragen dat de bepaling van de geleverde hoeveelheid gas onder normaalcondities uitsluitend plaats vindt met een Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) dat voldoet aan de eisen volgens instrument specifieke bijlage MI-002 van Richtlijn 2004/22/EG 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten.

2.1.2

De bepaling van de geleverde hoeveelheid gas onder normaalcondities door het Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) gebeurt met de ptz-methode. De ptz-methode is een omrekening met behulp van de gemeten druk, de gemeten temperatuur en de berekende compressibiliteit

2.1.3

Aangeslotene dient er voor zorg te dragen dat het gas ter plaatse van de meting een temperatuur heeft van ten minste 5°C.

2.1.4

Aangeslotene dient er voor zorg te dragen dat het gas ter plaatse van de meting technisch vrij is van vloeistof en vaste bestanddelen.

2.1.5

Aangeslotene dient er voor zorg te dragen dat de meetinrichting ondergebracht is in een gebouw of onder een overkapping.

2.1.6

De gasmeter en het Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI), inclusief druk- en temperatuuropnemers, dienen voorzien te zijn van verzegeling en markering. Deze verzegeling en markering dienen conform de van toepassing zijnde EG typegoedkeuringen te zijn. Deze verzegeling mag alleen worden verbroken en worden aangebracht door een daartoe bevoegde instantie of persoon zoals beschreven in de Metrologiewet.

2.2. Configuratie van de meetinrichting

2.2.1

[Vervallen]

2.2.2

[Vervallen]

2.3. Gasmeter

2.3.1

De gasmeter is ofwel voorzien van een mechanisch telwerk ofwel gebaseerd op elektronische verwerking van meetsignalen.

2.3.1a

Een gasmeter voorzien van een mechanisch telwerk is uitgerust met een laagfrequente (LF) pulsgever gekoppeld aan het mechanisch telwerk en een hoogfrequente (HF) pulsgever. Dit type gasmeter beschikt over een controlemogelijkheid om de correcte werking van de gasmeter te verifiëren, bijvoorbeeld een HF/LF-controle. Dit type gasmeter is uitgerust met een seriële output waarmee de telwerkstand op afstand uitleesbaar is.

2.3.1b

Een gasmeter gebaseerd op elektronische verwerking van meetsignalen is uitgerust met een seriële output, een elektronisch aangestuurd pulssignaal, seriёle communicatie voor diagnostische doeleinden en een voorziening die de werking van de gasmeter verzekert tijdens uitval van voedingsspanning. Tevens beschikt dit type gasmeter over een elektronisch signaal waarmee het verschil wordt aangegeven tussen een toestand waarin de gasmeter correct functioneert en waarin deze niet correct functioneert.

2.3.2

De gasmeter dient, daar waar beschikbaar, te voldoen aan de (inter)nationale normen (bijvoorbeeld ISO, CEN, NEN) die voor het betreffende type gasmeter gepubliceerd zijn. Voor turbinegasmeters is EN12261, voor rotorgasmeters is EN12480 en voor ultrasone-gasmeters is ISO17089 van toepassing.

2.3.3

De gasmeter moet zijn voorzien van een kalibratiecertificaat van een erkende kalibratieinstelling waarbij geldt dat de gebruikte kalibratiefaciliteit:

2.3.4

Naast de bepalingen uit 2.1.1 geldt dat:

2.3.5

Indien als gasmeter een turbinemeter wordt gebruikt dan is deze toepasbaar in de volgende drukklassen:

Drukklasse Toepasbaar bij een overdruk van Indien gekalibreerd bij een overdruk van
ANSI 150 Alle drukken atmosferisch en 8 bar
ANSI 150 Tussen 4 en 8 bar 8 bar ijk; geen lage druk kalibratie
ANSI 300 Alle drukken 8 bar en 20 of 35 bar
ANSI 600 Alle drukken 8 of 20 bar en 50 of 60 bar
2.3.6

Indien als gasmeter een rotormeter wordt gebruikt dan is deze toepasbaar in de volgende drukklasse:

Drukklasse Toepasbaar bij een overdruk van Indien gekalibreerd bij een overdruk van
ANSI 150 Tot 16 bar atmosferisch en 8 bar
2.3.7

Gasmeters worden ingebouwd volgens het voorschrift van de fabrikant van de gasmeter met dien verstande dat er bij de turbinegasmeter sprake is van een rechte aanstroomlengte van ten minste 5 maal de nominale leidingdiameter (5D), voorafgegaan door een stroomrichter, en een afstroomlengte van tenminste 2D. Voor een rotorgasmeter geldt geen minimale aan- en afstroomlengte. Bij een ultrasone-gasmeter is er sprake van een rechte aanstroomlengte en afstroomlengte volgens ISO 17089.

2.3.8

Aangeslotene controleert periodiek, door middel van een herkalibratie, of in gebruik zijnde gasmeters aan de in 2.3.4. gestelde eisen voldoen. Voor turbinegasmeters en ultrasone gasmeters geldt een herkalibratieperiode van 5 jaar, voor rotormeters een herkalibratietermijn van 10 jaar. De kalibratie wordt uitgevoerd onder condities gelijkwaardig aan die van de meetinrichting. Bij herkalibratie wordt de gasmeter voorafgaand aan de kalibratie niet gereinigd of gereviseerd. Transport van de gasmeter dient plaats te vinden volgens de voorschriften van de fabrikant.

2.3.9

Voor meetinrichtingen met een jaarafname van 250 miljoen m3(n) of meer per meetstraat, wordt met ingang van 1 januari 2014 de door de gasmeter gemeten hoeveelheid gas gecorrigeerd voor de afwijking van de betreffende gasmeter conform het bij deze gasmeter behorende kalibratiecertificaat.

2.4. Bepaling van de hoeveelheid gas onder normaalcondities

2.4.1

Voor de bepaling van de geleverde hoeveelheid gas onder normaalcondities wordt de door de gasmeter bij bedrijfscondities gemeten hoeveelheid gas met behulp van een Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) herleid tot m3(n) volgens de volgende formule:

waarin:

Vn: het aantal m3(n);

V: de gemeten hoeveelheid gas in m3 bij p en t (bedrijfscondities);

p: de absolute druk waaronder het gas de volumemeter passeert in bar;

t: de temperatuur waaronder het gas de volumemeter passeert in °C.

Z: compressibiliteit onder bedrijfscondities

Zn: compressibiliteit onder normaalcondities

2.4.2

De drukopnemer voor het vaststellen van de druk p dient te worden aangesloten op de plaats waar de druk bij kalibratie van de gasmeter maatgevend was. De drukopnemer dient te voldoen aan de eisen gesteld in NEN EN 12405-1:2005 en annex A2:2010.

2.4.3

Indien een turbine- of een ultrasone-gasmeter wordt toegepast, dient de temperatuuropnemer voor het vaststellen van de temperatuur t geplaatst te zijn in een zogenaamde “meet- en impulsring” achter de gasmeter, ofwel direct achter de gasmeter, waarbij de maximale afstand tussen uitlaatflens van de gasmeter en de temperatuuropnemer 0,5 m bedraagt.

Indien een rotorgasmeter wordt toegepast dient de meet- en impulsring zich aan de inlaatzijde van de rotormeter te bevinden.

De temperatuuropnemer dient te voldoen aan de eisen gesteld in NEN EN 12405-1:2005 en annex A2:2010.

2.4.4

Het Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) dient als ingangssignaal voor het bepalen van de gemeten hoeveelheid gas onder bedrijfscondities V de seriële output van de gasmeter te gebruiken.

2.4.5

De berekening van de compressibiliteiten Z en Zn in het Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI) geschiedt conform de SGERG methodiek (ISO 12213-3) of AGA NX19-mod. Methodiek, afhankelijk van de uitvoering van het EVHI.

2.4.6

De voor de werking van het Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI) benodigde ingestelde waarden voor de calorische bovenwaarde, de relatieve dichtheid, het molair percentage CO2 en het molair percentage N2 worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet bepaald op basis van langjarige gemiddelden van het ter plekke voorkomende gas en planningsgegevens van de te verwachten toekomstige gasstromen. Deze waarden worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet op haar website gepubliceerd. Aangeslotene zal deze gepubliceerde waarden hanteren in het EVHI.

2.4.7

Op het volgens 2.4.1 bepaalde geleverde hoeveelheid gas onder normaalcondities wordt door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet nog een correctie toegepast:

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet past achteraf deze correctie toe voor de invloed van de feitelijke gaskwaliteit (op het tijdstip van de meting) op de herleiding van het volume, dat wil zeggen op de door het Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) bepaalde waarde voor de compressibiliteit Z. Deze correctie wordt de Z-correctie genoemd. Bij het bepalen van de omvang van de Z-correctiefactor Cfz worden de in 2.4.6 genoemde ingestelde waarden gebruikt en de volgens 3.1.5 van de Meetcode gas LNB bepaalde gerealiseerde waarden. Ten gevolge van de Z-correctie worden geen extra eisen gesteld aan de in het EVHI geprogrammeerde ingestelde waarden en is er evenmin sprake van een seizoensafhankelijke instelling. Bij deze correctie wordt gewerkt met de SGERG methodiek of een gelijkwaardige methodiek voor de uiteindelijke bepaling van de compressibiliteit.

2.5. [vervallen]

2.6. [vervallen]

2.7. Beheer en onderhoud meetinrichting

2.7.1

Aangeslotene controleert ten minste 3 maal per jaar de gasmeter uitwendig op regelmatig lopend telwerk, afwezigheid van vocht achter glas en op een aanvaardbaar geluidsniveau. Tevens wordt de gasmeter gesmeerd conform voorschrift van de fabrikant.

2.7.2

Aangeslotene controleert het Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI), de temperatuuropnemer, de drukopnemer met controle apparatuur die voldoet aan de onderstaande eisen:

Onderdeel Maximaal toegestane afwijking gemeten waarde t.o.v. referentie-waarde Kalibratiefrequentie
Referentiedrukopnemer 0,1% 2 x per jaar
Referentietemperatuur-opnemer 0,1 K 2 x per jaar
2.7.3

In het controleproces vindt een bewaking plaats op systematische afwijkingen, zijnde afwijkingen tussen meetinstrumenten en controleapparatuur die meermaals in dezelfde richting voorkomen. Deze bewaking vindt plaats volgens ISO 7871 of een vergelijkbare methode. De bewaking staat bekend onder de naam CUSUM techniek. De CUSUM techniek houdt in dat herhaalde afwijkingen in dezelfde richting tot een correctieve actie leiden indien zij gezamenlijk een drempelwaarde overschrijden, terwijl zij ieder voor zich als “niet significant” beoordeeld zouden worden.

2.7.4

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.