Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 juni 2016, nr. WJZ/800938 (6670), houdende regels voor onderwijsinstellingen omtrent het uitzetten van gelden, het aangaan van leningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële derivaten (Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016)

Type Ministeriële regeling
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 148a van de Wet op het primair onderwijs, 143a van de Wet op de expertisecentra, 99a van de Wet op het voortgezet onderwijs, 2.2.4b van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 2.17, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluit:

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Algemene uitgangspunten

Artikel 2. Algemeen uitgangspunt

Het financiële beleid en het beheer van de instellingen is dienstbaar aan het realiseren van de publieke doelstellingen, en is daartoe op transparante wijze gericht op financiële continuïteit.

Artikel 3. Interne organisatie
1.

De instelling die geld belegt of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten, heeft in een treasurystatuut in ieder geval de volgende zaken geregeld:

Indien een instelling in het hoger onderwijs zich wil laten aanmerken als professionele belegger, dient dit ook in het treasurystatuut te zijn vastgelegd.

2.

Daarnaast heeft de instelling die financiële derivaten gebruikt haar interne organisatie op adequate wijze ingericht. In elk geval is geregeld:

3.

De interne toezichthouder toetst of het tweede lid onderdeel uitmaakt van de eisen die het bestuur aan de interne organisatie van de instelling stelt.

Artikel 4. Financiële onderneming
1.

Derivaten of beleggingen worden alleen aangetrokken dan wel uitgezet bij financiële ondernemingen als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, en die:

2.

Beleggingen, leningen en derivaten met publieke middelen worden alleen aangetrokken in euro’s.

Artikel 5. Professioneel en niet- professionele belegger
1.

De instelling die geld belegt, of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten verzoekt de financiële onderneming zich te laten aanmerken als niet-professionele belegger.

2.

Een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een instelling voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek kan, op basis van zijn kennis met betrekking tot het aangaan van beleggingen, leningen en derivaten, bij de bank verzoeken zich te laten aanmerken als professionele belegger, indien de instelling aan de volgende drie voorwaarden heeft voldaan. De instelling heeft:

3.

Indien een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een universiteit zich als professionele belegger wil laten aanmerken, stemt de instelling deze keuze af met de interne toezichthouder en wordt dit in het treasurystatuut opgenomen. Tevens wordt deze keuze aan de externe toezichthouder gemeld.

4.

Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, sluit bij het afsluiten van een financieel derivaat met de financiële onderneming een raamovereenkomst als opgenomen in bijlage I af.

5.

Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, is bij het aangaan van derivatenovereenkomsten gebonden aan de modelovereenkomst die is opgenomen in bijlage II.

§ 3. Specifieke regels

Artikel 6. Beleggingen
1.

Middelen van instellingen die tijdelijk overtollig zijn kunnen in een belegging worden uitgezet.

2.

De periode van het beleggen door instellingen is eindig en de belegging wordt op een vooraf vastgestelde einddatum terugontvangen.

3.

De hoofdsom van de belegging wordt door de financiële onderneming, bedoeld in artikel 4 gegarandeerd. In geval van koerswijzigingen op de belegging kan hier, met instemming van de interne toezichthouder, van af worden geweken.

4.

Instellingen mogen beleggen in staatsobligaties van lidstaten, mits deze lidstaten aan de ratingeisen, genoemd in artikel 4, eerste lid, voldoen.

5.

Instellingen beleggen niet in:

6.

Beleggingen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 7. Leningen
1.

Een instelling kan middels leningen additionele financiële middelen aantrekken.

2.

Instellingen geven geen leningen uit aan derden, noch aan personeel, noch aan andere instellingen of organisaties, tenzij deze lening van toepassing is voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling en binnen het doel van de organisatie past.

3.

Bij het aangaan van leningen gaat de instelling geen extra risico’s aan die het voortbestaan van de instelling of het geven van onderwijs kunnen bedreigen.

4.

Instellingen kunnen lenen bij financiële ondernemingen, overheden, organisaties of fondsen, waarbij de risico’s beperkt zijn. De risico’s zijn beperkt indien deze financiële ondernemingen, overheden, organisaties of fondsen voldoende vermogend zijn, niet een hoger rentetarief in rekening brengen dan in de markt gangbaar is en hierbij geen aanvullende financiële of niet-financiële eisen stellen.

5.

Leningen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 8. Financiële derivaten
1.

Een instelling maakt alleen gebruik van financiële derivaten voor het beperken van opwaartse renterisico’s bij leningen.

2.

Een instelling hanteert uitsluitend rentecaps of payer swaps.

3.

Derivaten worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder voorgelegd.

4.

Een instelling die een financieel derivaat afsluiten, neemt in ieder geval de volgende contractuele voorwaarden in acht:

Artikel 9. Geen ineffectieve positie derivaten
1.

Een derivaat wordt pas aangetrokken vanaf het moment dat de lening is afgesloten.

2.

De nominale waarde van het derivaat is niet groter dan de onderliggende lening.

3.

De looptijd van het derivaat is niet langer dan de onderliggende lening, met een maximum van 30 jaar.

4.

Indien de looptijd van het derivaat langer is dan 15 jaar, wordt dit gemotiveerd in het treasurystatuut.

5.

Bij het ontstaan van een niet-effectieve positie neemt de instelling direct contact op met zowel de interne als de externe toezichthouder.

§ 4. Verantwoording en toezicht

Artikel 10. Externe verantwoording

De instelling doet ieder jaar in de jaarverslaglegging ten aanzien van de publieke middelen verslag van haar beleid ten aanzien van de beleggingen en leningen, de uitvoering van het beleid in de praktijk, de uitstaande beleggingen en leningen, de aangetrokken leningen en afgesloten derivatenovereenkomsten. Hierbij wordt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.