Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 juli 2016, nr. WJZ/16097774, tot aanwijzing van productie-installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee als een subsidiabele categorie voor 2016 in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling windenergie op zee 2016)
Gelet op artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet EZ-subsidies en de artikelen 2, tweede tot en met vierde en zesde lid, 6, derde lid, 7, 8, eerste lid, 19, tweede lid, 20, eerste lid, 22, vijfde lid, 23, derde tot en met vijfde lid, 56, eerste en derde lid, 60, tweede lid en 61, eerste en derde lid van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- kavel: kavel als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;
- kavel III: kavel III van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in Kavelbesluit III windenergiegebied Borssele (Stcrt. 2016, 14523);
- kavel IV: kavel IV van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in Kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele (Stcrt. 2016, 14545);
- kavelbesluit: kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;
- minister: Minister van Economische Zaken;
- netto P50-waarde vollasturen: het aantal vollasturen, waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
- nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik;
- windenergiegebied Borssele: windenergiegebied Borssele, aangewezen in het nationaal waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, zoals vastgesteld voor de periode 2016 tot en met 2021.
§ 2. Windenergie op zee
Artikel 2
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee die is gelegen op kavel III of kavel IV.
Artikel 3
Het nominale vermogen van de productie-installatie, bedoeld in artikel 2, bedraagt:
- a. voor kavel III tenminste 331 MW verminderd met het aantal MW van de windmolen met het minste vermogen in de desbetreffende productie-installatie, en ten hoogste 360 MW.
- b. voor kavel IV tenminste 351 MW verminderd met het aantal MW van de windmolen met het minste vermogen in de desbetreffende productie-installatie, en ten hoogste 380 MW.
Artikel 4
Aanvragen om subsidie worden ontvangen in de periode van de dag na de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot 29 september 2016, 17:00 uur.
Per aanvrager kan in de periode, genoemd in het eerste lid, ten hoogste één niet-gecombineerde aanvraag per kavel en één gecombineerde aanvraag voor beide kavels worden ingediend.
Artikel 5
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
- a. uit de financiële onderbouwing, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel e, van het besluit blijkt dat de omvang van het eigen vermogen van de aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor de desbetreffende productie-installatie of, in geval van een gecombineerde aanvraag, voor beide productie-installaties tezamen;
- b. niet tijdig een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet windenergie op zee;
- c. de aanvraag niet voldoet aan de criteria, gesteld bij of krachtens artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee.
Indien een aanvrager meerdere aanvragen voor een kavel indient, beslist de minister afwijzend op alle aanvragen van die aanvrager voor de desbetreffende kavel. Indien een aanvrager meerdere gecombineerde aanvragen indient, beslist de minister afwijzend op alle gecombineerde aanvragen van die aanvrager.
Op verzoek van de aanvrager wordt voor het bepalen van de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, meegerekend:
- a. indien de aanvrager een samenwerkingsverband is, de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
- b. indien de subsidie-aanvrager of een deelnemer aan een samenwerkingsverband een dochteronderneming is, het overige eigen vermogen van de moederonderneming indien de moederonderneming daar schriftelijk mee instemt.
Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen overeenkomstig het derde lid, wordt het eigen vermogen van een deelnemer aan een samenwerkingsverband of van een moederonderneming meegerekend in het eigen vermogen van ten hoogste twee subsidie-aanvragers. Indien het eigen vermogen van dezelfde entiteit op grond van het derde lid voor de aanvragen van meer dan twee subsidie-aanvragers zou worden meegerekend, wordt dat eigen vermogen bij alle aanvragen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 6
Het subsidieplafond bedraagt € 2.400.000.000 voor kavel III en € 2.600.000.000 voor kavel IV.
De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
De criteria voor rangschikking, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit zijn niet van toepassing.
De aanvragen worden gerangschikt per kavel op basis van het tenderbedrag voor die kavel.
Een gecombineerde aanvraag komt slechts in aanmerking voor subsidie indien de aanvraag in de rangschikking van beide kavels ten minste even hoog is gerangschikt als de hoogst gerangschikte niet-gecombineerde aanvraag.
Indien meerdere gecombineerde aanvragen in de rangschikking van beide kavels hoger worden gerangschikt dan de hoogst gerangschikte niet-gecombineerde aanvraag, wordt de onderlinge rangschikking van deze gecombineerde aanvragen gebaseerd op het gewogen gemiddelde tenderbedrag per kWh van de desbetreffende aanvragen, waarbij het tenderbedrag voor kavel III 33/68e deel meeweegt en het tenderbedrag voor kavel IV 35/68e.
Indien in de rangschikking van beide kavels een niet-gecombineerde aanvraag van dezelfde aanvrager het hoogst wordt gerangschikt en de omvang van het eigen vermogen van die aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor beide productie-installaties tezamen, komt van deze aanvrager slechts de aanvraag met het laagste tenderbedrag per kWh in aanmerking voor subsidie. Indien het tenderbedrag van beide aanvragen gelijk is stelt de minister door middel van loting vast welke van beide aanvragen in aanmerking komt voor subsidie.
Indien voor een kavel meerdere aanvragen als hoogst zijn gerangschikt, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.
Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie aan meer dan één producent per kavel subsidie zou worden verstrekt.
Artikel 7
Het tenderbedrag bedraagt ten hoogste € 0,11975 per kWh.
Artikel 8
Indien de minister aan de aanvrager van een gecombineerde aanvraag subsidie verstrekt, verstrekt de minister per kavel die onderdeel is van de gecombineerde aanvraag een beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 9
De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-ontvanger overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in de bijlage.
De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidie-ontvanger binnen vier weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening aantoont dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de overeenkomst opgenomen in de bijlage is afgegeven.
Indien niet tijdig aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste of tweede lid, is voldaan wordt subsidie voor de desbetreffende kavel verleend voor de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking.
Artikel 10
De subsidie wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 2 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 2 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 23, derde en vierde lid, van het besluit.
Artikel 11
De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie in gebruik binnen 5 jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 12
De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het besluit bedraagt voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2 € 0,03 per kWh.
Het maximale aantal vollasturen, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van het besluit voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2 is gelijk aan de netto P50-waarde vollasturen die is opgenomen in de aanvraag.
Artikel 13
Voor de vaststelling van de correcties ten behoeve van de voorschotverlening voor 2016 wordt voor de elektriciteitsprijs de gemiddelde waarde in de periode 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 gehanteerd.
De correcties op het tenderbedrag ten behoeve van de voorschotverlening worden voor 2016 als volgt vastgesteld:
- a. € 0,037681 per kWh voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
- b. € 0 voor wat betreft de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 14
Wijzigt de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 september 2016.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling windenergie op zee 2016.
Bijlage. behorende bij artikel 9
Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan subsidie is verstrekt op basis van de Regeling windenergie op zee 2016
De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken,;
en
......... ......., gevestigd te ......... (hierna te noemen: Ondernemer);
..................................................
(hierna te samen ook te noemen: Partijen);
overwegen:
Partijen komen daartoe het volgende overeen:
Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie, bedoeld in de Beschikking, tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 11 van de Regeling bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.
Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie
Artikel 3. Vrijval van de garantie
Artikel 4. Boetes
Artikel 5. Vrijwaring
Artikel 6. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
Artikel 7. Domiciliekeuze en berichtgevingen
Artikel 8. Rechtskeuze
Artikel 9. Citeertitel
Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst Wind op zee Staat/...................... kavel ... Borssele ’.
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend
te .......
Ondernemer
te 's-Gravenhage op ....................
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp
Bijlage. behorende bij de Uitvoeringsovereenkomst wind op zee staat/......................
Model bankgarantie
DE ONDERGETEKENDE,
............................., gevestigd te ......., hierna te noemen de ‘Bank’,
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
A. ........................... , gevestigd te ........, (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door ...................., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken op ............. de ‘Uitvoeringsovereenkomst Wind op zee Staat/.... kavel ... Borssele’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;
B. De Ondernemer volgens artikel 2 van de uitvoeringsovereenkomst binnen vier weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld dient te houden voor een bedrag groot € 10.000.000 en binnen 12 maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld dient te houden voor een bedrag groot € 35.000.000, beiden door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie welke luidt conform het model dat als Bijlage bij die overeenkomst behoort;
C. De Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden;
VERKLAART ALS VOLGT
Getekend te
op
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.