Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 juli 2016, nr. IGG-2016.380605, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid die strekken tot inclusieve groene groei gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water worden ingediend in twee openstellingen.
Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 26 september 2016 tot en met 27 februari 2017, 15.00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 1 oktober 2017 tot en met 5 februari 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor een voucher in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 8 december 2017.
Aanvragen voor subsidies en vouchers in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam water worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1english.rvo.nl/FDW
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2017 een subsidieplafond van € 30 miljoen.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2018 een nader bekend te maken subsidieplafond.
Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het daar bedoelde subsidieplafond resteert, is dit beschikbaar voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, vierde lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2018 een subsidieplafond van € 500.000.
Artikel 4
De verdeling van de subsidieplafonds bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.
Bijlage. Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water (FDW)
Paragraaf 1. : Algemeen
1.1. Beleidskader FDW
Het in dit besluit omschreven subsidieprogramma is onderdeel van het beleidskader FDW (hierna beleidskader), waarin naast subsidieverstrekking ook andere instrumenten worden ingezet. Het beleidskader is beschikbaar op de FDW website van RVO.nl (http://english.rvo.nl/fdw).
Door middel van het beleidskader kan een bijdrage worden geleverd aan de uitvoering van de agenda voor hulp, handel en investeringen van het huidige kabinet (‘Wat de wereld verdient’, april 20132https://www.government.nl/documents/letters/2013/04/05/global-dividends-a-new-agenda-for-aid-trade-and-investment.).
Problemen op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid zijn complex van aard en er is vaak sprake van verschillende belangen. Hierdoor kunnen problemen veelal niet door één organisatie worden opgelost of kunnen oplossingen niet door één organisatie worden gefinancierd. Het beleidskader stimuleert het aangaan van publiek private partnerschappen (PPP’s). Door in partnerschap te werken en gebruik te maken van de toegevoegde waarde van overheden, ondernemingen, NGO’s en kennisinstellingen kunnen innovatieve en duurzame oplossingen gevonden worden voor water-gerelateerde problemen. Partnerschappen bieden bovendien kansen voor de Nederlandse watersector en kunnen helpen bij het opbouwen van lokaal MKB.
1.2. Beleidsuitgangspunten FDW
Vanuit het beleidskader wordt gezocht naar initiatieven die substantieel bijdragen aan een systeemdoorbraak. Hiervoor is noodzakelijk dat resultaten opschaalbaar zijn of een sectorale impact hebben en er aandacht is voor de enabling environment en verdienmodellen gericht op de allerarmsten.
De onderstaande beleidsuitgangspunten, waaronder duurzaamheid en gender, staan centraal. De mate waarin, en de manier waarop deze aspecten worden geïntegreerd is afhankelijk van de context. De voorkeur zal uitgaan naar initiatieven waarin deze aspecten een belangrijke rol spelen.
De beleidsuitgangspunten zijn:
Ontwikkelingsfocus:
Inclusieve groene groei door het verbeteren van waterzekerheid en waterveiligheid in ontwikkelingslanden.
Het verbeteren van de levensomstandigheden van kwetsbare groepen.
Het integreren van het thema gender, bij voorkeur door vrouwen te betrekken bij besluitvorming, planning en uitvoering, bijvoorbeeld door ze in te zetten als change agents en activiteiten die bijdragen aan de sociale en economische empowerment van vrouwen of de randvoorwaarden hiervoor.
Ondersteunde initiatieven zijn gebaseerd op een gedegen equity en gender analyse.
Duurzaamheid:
Het gaat uitsluitend om interventies die tot een duurzaam resultaat leiden. Voor de invulling van het begrip duurzaam wordt gebruik gemaakt van het FIETS kader waarin onderscheid wordt gemaakt in duurzaamheid op Financieel, Institutioneel, Ecologisch (milieu en klimaat), Technisch en Sociaal vlak.
1.3. Doelstelling subsidieprogramma FDW
De aanpak van de problematiek waarop FDW zich richt vergt inzet van publiek private partnerschappen. Dergelijke partnerschappen kunnen kansen en problemen aanpakken die de individuele partij overstijgen en zich bevinden op het snijvlak van het publieke en private domein. Een substantiële rol van de lokale publieke partij uit het doelland is van belang voor het rechtvaardigen van een publiek-private samenwerking en voor het welslagen van initiatieven. Voor goed functionerende partnerschappen is het van belang dat heldere afspraken worden gemaakt over de verschillende taken, rollen en verantwoordelijkheden.
Nederlandse kennis en kunde:
Daar waar het meerwaarde voor de te bereiken doelen heeft wordt de inzet van Nederlandse kennis en kunde verlangd.
Integratie van de verschillende thema’s is mogelijk en kan zelfs bijdragen aan het verhogen van de duurzaamheid van de activiteiten.
Het doel van het subsidieprogramma is bijdragen aan inclusieve, groene groei door het verbeteren van waterzekerheid en waterveiligheid in ontwikkelingslanden via publiek private partnerschappen (PPP’s). Uitgangspunt daarbij is dat het zich richt op kansen en knelpunten die juist door inzet van publiek private partnerschappen succesvol opgepakt kunnen worden.
1.4. Uitvoerder
Aan de doelstelling dient via één of meer van de volgende drie thema’s te worden bijgedragen:
1.5. Administratieve lasten
Het subsidieprogramma kent twee subsidiemogelijkheden: de FDW-projectsubsidie (paragraaf 3) en de FDW-voucher (paragraaf 4).
1.4. Uitvoerder
Paragraaf 3:. Fdw-projectsubsidie
1.5. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager bij het subsidieprogramma te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag, de beheerfase, de afronding van het project, waarna de aanvrager een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet indienen, en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 0,4% bedraagt.
Paragraaf 2. : Begripsbepalingen
Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele projectkosten en het maximale subsidiebedrag zijn afhankelijk van het thema waar de aanvraag zich op richt. De maximale subsidiepercentages per thema zijn weergegeven in tabel 1.
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 500.000.
Een FDW-projectsubsidie beoogt PPP’s te ondersteunen bij het uitvoeren van projecten die aansluiten op de doelstellingen van FDW.
3.2. Omvang van de subsidie
Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele projectkosten en het maximale subsidiebedrag zijn afhankelijk van het thema waar de aanvraag zich op richt. De maximale subsidiepercentages per thema zijn weergegeven in tabel 1.
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 500.000.
Aanvragen die zijn ingediend onder het thema ‘Verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s’, maar hier na analyse niet onder vallen, zullen, indien zij (waar nodig) niet tijdig voor de deadline voor het indienen van aanvragen worden aangepast, niet in aanmerking komen voor subsidie.
Ad 1) De genoemde percentages hebben betrekking op het projectbudget van de aanvraag.
3.3. Eigen bijdrage
Het deel van de projectkosten dat niet door subsidie wordt gefinancierd komt uit middelen van het PPP (eigen middelen of middelen verkregen van derden); de eigen bijdrage. De hoogte van de minimaal vereiste eigen bijdrage wordt per thema weergegeven in Tabel 1. Een minimum percentage van de subsidiabele projectkosten moet afkomstig zijn uit middelen van ondernemingen die als projectpartner in de aanvraag zijn opgenomen. De hoogte van dit percentage is per thema weergegeven in Tabel 1. Bij aanvraag van de projectsubsidie maakt het project aannemelijk dat het PPP de eigen bijdrage kan financieren.
De eigen bijdrage mag afkomstig zijn uit verschillende financieringsbronnen zoals andere subsidies, leningen en giften of investeringen door derden in projectpartners of het partnerschap, echter mag niet afkomstig zijn van een reeds eerder verkregen subsidie of bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien de eigen bijdrage wordt gefinancierd uit een lening of investering zal deze bijdrage worden gezien als de bijdrage uit de middelen van de PPP-partner die de lening of investering ontvangt.
Individuele leden van de doelgroep van het FDW-project zijn geen partner in een PPP namens welke een aanvraag voor een projectsubsidie wordt gedaan en hun economische groei of door hen aangegane leningen kunnen niet als ‘eigen bijdrage’ gekapitaliseerd worden. Tevens kan de eigen bijdrage niet worden ingevuld met in de toekomst binnen het project te genereren inkomsten.
Een hogere eigen bijdrage dan minimaal vereist wordt aangemoedigd en werkt positief door in de beoordeling van de aanvragen.
Onder subsidiabele kosten voor technische assistentie (TA) wordt verstaan:
Een projectsubsidie bestaat uit een bijdrage in de kosten direct verbonden met de uitvoering van het project. Kosten komen alleen in aanmerking voor subsidie indien deze rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen en indien wordt voldaan aan de verplichtingen gesteld in de beschikking tot subsidieverlening.
3.5. Extern advies
In relatie tot technische assistentie (TA) wordt voor FDW de standaardmethode ‘Loonkosten plus vaste-opslag-systematiek’ gebruikt om de hoogte van de tarieven van projectpartners te bepalen. Hierbij wordt uitgegaan van een opslag van 50% op de loonkosten.
Onder subsidiabele kosten voor kapitaalgoederen (hardware) wordt verstaan:
Onder subsidiabele kosten voor technische assistentie (TA) wordt verstaan:
3.6. Aanvraag indienen
3.5. Extern advies
De Ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden geven advies over de kwaliteit van de aanvragen. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de aansluiting bij het Meerjarig Strategisch Plan (MJSP) van de ambassade en de inbedding in de lokale context.
RVO.nl kan tijdens de beoordeling advies inwinnen bij externe experts.
RVO.nl legt de resultaten van de beoordeling van de aanvragen voor aan een door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingestelde onafhankelijke adviescommissie FDW. De commissie adviseert de Minister over de uitkomsten van de beoordeling door RVO.nl.
De verdeling van de beschikbare middelen vindt per openstelling plaats op basis van rangschikking van de aanvragen op kwaliteit.
De rangschikking geschiedt per thema op basis van:
Na ontvangst van de aanvragen toetst RVO.nl de aanvraag op ontvankelijkheid. Aanvragen die voldoen aan alle formele vereisten zijn ontvankelijk en worden in behandeling genomen en beoordeeld op drempelcriteria. Slechts de aanvragen die voldoen aan alle drempelcriteria worden (nader) inhoudelijk op rangschikkingscriteria beoordeeld.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO.nl verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden. Hiervoor kan RVO.nl contact zoeken met de partijen in het aanvragende PPP en relevante stakeholders.
3.7.1. Drempelcriteria
De verdeling van de beschikbare middelen vindt per openstelling plaats op basis van rangschikking van de aanvragen op kwaliteit.
3.7.2. Rangschikkingscriteria
De beschikbare subsidie wordt eerst toegekend aan de aanvragen die als eerste gerangschikt zijn binnen een FDW-thema. Vervolgens komen de aanvragen die daaronder gerangschikt zijn voor subsidie in aanmerking in volgorde van rangschikking per thema zolang het subsidiebudget niet is uitgeput.
Indien onvoldoende subsidie beschikbaar is om alle aanvragen die van voldoende kwaliteit gebleken zijn (zie hierna onder Puntenverdeling en bonuspunten) te honoreren, krijgen bij een gelijke rangschikkingspositie aanvragen die zich richten op het thema ‘Verbeterd stroomgebiedbeheer en veilige delta’s’ prioriteit boven aanvragen die zich richten op het thema ‘Efficiënt watergebruik met name in de landbouw’, die weer prioriteit krijgen boven aanvragen die zich richten op het thema ‘Duurzame toegang tot schoon drinkwater en sanitatie’.
Naast de 1.000 punten die te verdienen zijn voor de kwaliteitscriteria worden 50 extra punten toegekend aan aanvragen voor activiteiten in één van de 14 daarvoor kwalificerende partner- of focuslanden voor het beleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels.
3.8. Beslissing subsidieaanvraag en uitvoering
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregels en/of indien het beschikbare budget ontoereikend is gelet op de plaats op de rangschikking per thema van de aanvraag.
3.8.1. Verlening en verplichtingen van de subsidie
Puntenverdeling en bonuspunten
Aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria en ten minste het minimale aantal punten op de rangschikkingscriteria scoren zullen worden gerangschikt aan de hand van de beoordelingsscore en eventueel toegekende bonuspunten. In totaal zijn er 1.000 punten te verdienen in de toets op de rangschikkingscriteria. In onderstaande tabel 2 staat per rangschikkingscriterium het maximum aantal te verdienen punten en het aantal punten dat minimaal behaald moet worden om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.
Naast de 1.000 punten die te verdienen zijn voor de kwaliteitscriteria worden 50 extra punten toegekend aan aanvragen voor activiteiten in één van de 14 daarvoor kwalificerende partner- of focuslanden voor het beleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels.
De subsidieontvanger dient bij afronding van de inceptiefase van het project en vervolgens eenmaal per 12 maanden te rapporteren over de gerealiseerde activiteiten, resultaten en kosten. De voortgangsrapportages worden binnen 4 weken na afloop van de rapportageperiode bij RVO.nl ingediend. De rapportages dienen in het Engels te worden opgesteld volgens het beschikbaar gestelde model (zie http:english.rvo.nl/FDW).
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregels en/of indien het beschikbare budget ontoereikend is gelet op de plaats op de rangschikking per thema van de aanvraag.
Gedurende de gehele uitvoeringsperiode kan RVO.nl uit eigen beweging contact opnemen met elke partner in het PPP voor het opvragen van informatie over het project.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.