Besluit van 23 augustus 2016, houdende eisen opleiding ter voorbereiding op het beroep van gerechtsdeurwaarder, alsmede regeling van het maximum aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders dat ten behoeve van zijn stage onder verantwoordelijkheid van één gerechtsdeurwaarder werkzaam kan zijn (Besluit opleiding en stage gerechtsdeurwaardersambt)
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- –. de wet: de Gerechtsdeurwaarderswet;
- –. stagiair: degene voor wie een stageverplichting in de zin van artikel 26 van de wet geldt.
Artikel 2
Onze Minister erkent een opleiding als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet slechts indien voor deze opleiding een accreditatie, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een toets nieuwe opleiding, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, is verleend.
De opleiding voorziet in ieder geval in gedegen overdracht van kennis en vaardigheden ten aanzien van:
- a. het bepaalde bij en krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet;
- b. het burgerlijk recht en in het bijzonder het recht betreffende rechtspersonen, goederenrecht en verbintenissenrecht;
- c. het burgerlijk procesrecht;
- d. het executie- en beslagrecht;
- e. de beroepsethiek;
- f. het Nederlandse staats- en bestuursrecht, en
- g. de Nederlandse taal.
De opleiding verzorgt in voldoende mate, maar ten minste voor een duur die overeenstemt met artikel 25, tweede lid, van de wet, een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
Artikel 3
Bij een verzoek tot erkenning wordt door de aanvrager een afschrift overgelegd van de voor de opleiding verleende accreditatie bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en van het bijbehorende accreditatierapport bedoeld in artikel 5a.10 van die wet, dan wel van de voor de opleiding verleende toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Onze Minister beslist op een verzoek tot erkenning binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan één maal worden verlengd met nogmaals dertien weken.
Artikel 4
Indien van een erkende opleiding de accreditatie of de toets nieuwe opleiding wordt beëindigd of vervalt, vervalt de erkenning van rechtswege.
Artikel 5
De erkende opleiding meldt aan de KBvG bij welke gerechtsdeurwaarder een stagiair zijn stageverplichting in de zin van artikel 26 van de wet vervult. Desgevraagd geeft de erkende opleiding aan de KBvG inzicht in de voorwaarden waaronder dit geschiedt.
Artikel 6
Het aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders per gerechtsdeurwaarder is ten hoogste twee.
Indien bij een gerechtsdeurwaarder meer dan twee stagiairs tegelijk werkzaam zijn, is het aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders ten hoogste één.
Artikel 7
De erkenning van de Hogeschool Utrecht zoals verleend door de minister van Justitie bij Besluit van 25 augustus 2003, (Stcrt. 2003, 164) en gewijzigd bij Besluit van 5 april 2006 (Stcrt. 2006, 86), zoals die gold voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel U, van de Wet van 17 februari 2016 tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (Stb 2016, 93), geldt als een erkenning in de zin van artikel 2, eerste lid, van dit besluit.
In afwijking van artikel 6 geldt voor de gerechtsdeurwaarder die op 1 juli 2016 op grond van artikel IV, eerste lid, onderdeel b, van de Wet van 17 februari 2016 tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (Stb 2016, 93), drie kandidaat-gerechtsdeurwaarders aan zich toegevoegd heeft, uitsluitend met betrekking tot deze personen en voor de duur van maximaal één jaar, het maximum aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders van drie.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en artikel 7, eerste lid, werkt terug tot en met 1 juli 2016.
Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 27 juni 2016, nr. 777640;
Gelet op de artikelen 25a en 25b, derde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2016, nr. W03.16.0166/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 augustus 2016, nr.784232;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.