← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2016, nr. BVE/998927, houdende regels voor de verstrekking van resultaatafhankelijke bekostiging voortijdig schoolverlaten aan mbo-instellingen (Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo)

Geldende tekst a fecha 2017-08-05

Gelet op artikel 2.2.3, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel regeling

De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks verstrekt ten behoeve van de beleidsdoelstelling voortijdig schoolverlaten welke ten doel heeft het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 22.500 nieuwe voortijdig schoolverlaters in het kalenderjaar 2019, gemeten over het studiejaar 2017/2018.

Artikel 3. Bekostigingsplafond

Voor de kalenderjaren 2018 en 2019 is jaarlijks maximaal € 36.500.000,– beschikbaar.

Artikel 4. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

In afwijking van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder bb, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing op deze regeling.

Artikel 5. Besteding en verantwoording aanvullende bekostiging
1.

De aanvullende bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de instelling waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

2.

De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 6. Verstrekking en betaling aanvullende bekostiging
1.

De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2018 en 2019 ambtshalve aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van een instelling dat voor die instelling aan het regionaal programma in de betreffende RMC-regio uitvoering geeft.

2.

De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks in november betaald, volgend op het bekend worden van de definitieve berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per instelling per soort beroepsopleiding over het desbetreffende studiejaar.

Artikel 7. Berekeningswijze aanvullende bekostiging
1.

De aanspraak op de aanvullende bekostiging voor een instelling wordt per kalenderjaar vastgesteld aan de hand van de verhouding van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar per soort beroepsopleiding ten opzichte van het aantal deelnemers tot 22 jaar binnen die soort beroepsopleiding van de instelling.

2.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters wordt bepaald met de formule, opgenomen in bijlage A.

3.

Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, en 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling gebruik gegevens bron en artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

4.

Bij de berekeningen, bedoeld in dit artikel, wordt uitgegaan van het aantal deelnemers tot 22 jaar op de volgende teldata:

5.

De uitkomst van de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

6.

De instelling komt in aanmerking voor een aanvullende bekostiging voor de betreffende soort beroepsopleiding indien het percentage, bedoeld in het vijfde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm voor die soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1.

7.

De hoogte van de aanvullende bekostiging wordt bepaald aan de hand van het aantal deelnemers tot 22 jaar per soort beroepsopleiding, genoemd in tabel 2.

entreeopleiding basisberoepsopleiding vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding
2016–2017 27,5% 9,5% 3,6% 2,75%
2017–2018 27,5% 9,4% 3,5% 2,75%
Entreeopleiding Entreeopleiding
--- ---
Deelnemers tot 22 jaar Bedrag per instelling
10–50 € 25.000,–
51–250 € 50.000,–
251-500 € 100.000,–
501–1.000 € 200.000,-
Meer dan 1.000 € 300.000,–
Basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding Basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding
--- ---
Deelnemers tot 22 jaar Bedrag per instelling
10–50 € 12.500,–
51–250 € 25.000,–
251–500 € 50.000,–
501–1.000 € 100.000,–
1.001–2.000 € 150.000,–
2.001–4.000 € 300.000,–
4.001–6.000 € 400.000,–
6.001–8.000 € 500.000,–
8.001–10.000 € 600.000,–
Meer dan 10.000 € 700.000,–
Artikel 8. Verdeling niet-uitgeputte middelen
1.

Indien het bekostigingsplafond als bedoeld in artikel 3, voor het kalenderjaar 2018 of 2019 niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende deel verdeeld over de soorten beroepsopleidingen van instellingen die niet voldoen aan één van de procentuele normen, bedoeld in tabel 1, als:

3.

De hoogte van de aanvullende bekostiging per soort beroepsopleiding wordt berekend op grond van de volgende formule:

D = C x maximumbedrag.

Hierin staat:

D = hoogte aanvullende bekostiging

C = (1 – (B / A))

A = (procentuele norm x 1,75) – procentuele norm

B = percentage, bedoeld in artikel 7, vijfde lid – procentuele norm

maximumbedrag = het maximumbedrag dat voor de soort beroepsopleiding is vastgesteld op grond van artikel 7, zesde lid.

4.

Indien door aanspraken van instellingen op een aanvullende bekostiging op grond van dit artikel het bekostigingsplafond als bedoeld in artikel 3, wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende bekostiging naar evenredigheid per soort beroepsopleiding verlaagd.

Artikel 9. Correctiebevoegdheid
1.

Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage A, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit zal leiden tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende instelling, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, als bedoeld in tabel 1.

2.

Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een instelling de toepassing van de teldata, bedoeld in artikel 7, derde lid, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende instelling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Artikel 10. Inwerkingtreding en horizonbepaling
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 oktober 2016.

2.

Deze regeling vervalt per 1 januari 2020.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo.

Artikel 12. Wijziging Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo

Wijzigt de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo.

Bijlage A. behorende bij artikel 7 van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv in het mbo

Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Berekeningswijze aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per mbo-instelling inzake het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters in de studiejaren 2016–2017 en 2017–2018

Voor het middelbaar beroepsonderwijs wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in vier categorieën ingedeeld:

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (tot 23 jaar) uit het vavo-onderwijs, niet zijnde de leerlingen uit het voortgezet onderwijs die zijn uitbesteed naar een roc (de zogenaamde Rutte-leerlingen), wordt wel geteld per mbo-instelling, maar dit aantal wordt niet meegenomen bij de berekening van het aantal vsv’ers in het kader van de resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor het vo en mbo. Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters uit het vavo telt wel mee in het landelijk gepresenteerde cijfer.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per categorie per studiejaar in het middelbaar beroepsonderwijs wordt door de minister berekend op basis van de volgende formule:

X= A – (B1+B2+B3)- (C1+C2+C3+C4+C5+C6+C7+C8+C9+C10) - (D1+D2+D3+D4+D5)

Waarbij:

X = het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per categorie per studiejaar (t) in het middelbaar beroepsonderwijs;

A = het aantal jongeren in de leeftijd tot 22 jaar dat op de teldatum van het studiejaar (t) door de onderwijsinstelling als deelnemer is ingeschreven per categorie in het middelbaar beroepsonderwijs en voor bekostiging wordt meegeteld;

B = het aantal jongeren onder B is de som van B1, B2 en B3:

B1: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t of voor of op teldatum t + 1 is overleden of geëmigreerd naar het buitenland, zoals geregistreerd in de basisregistratie personen;

B2: het aantal jongeren onder A dat woonachtig is in het buitenland of zonder vaste woon- of verblijfplaats op teldatum t of teldatum t + 1;

B3: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t + 1 onder de vrijstellingen van de artikelen 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet 1969 valt en dit als zodanig is bevestigd door de leerplichtambtenaar in het Register vrijstellingen LPW;

C het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende studiejaar (t + 1) nog een opleiding volgt. Het kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding betreffen aan dezelfde of een andere bekostigde instelling dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

C1: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende studiejaar t + 1 is ingeschreven als deelnemer in het middelbaar beroepsonderwijs en voor bekostiging wordt meegeteld en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C2: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 is ingeschreven in het hoger onderwijs en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C3: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het voortgezet onderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C4: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als vavo-deelnemer is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het niet-bekostigd voorgezet onderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C6: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C7: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd vavo is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C8: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd het basisregister;

C9: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer is ingeschreven binnen een traject, zijnde onderdeel van een met de Onderwijsinspectie afgesproken maatschappelijke prestatie;

C10: Het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t+1 als deelnemer aan de politieschool of defensieopleidingen is ingeschreven op basis van het register van het UWV;

D = het aantal jongeren onder A dat een startkwalificatie heeft behaald. D is de som van:

D1: het aantal jongeren onder A dat gedurende het studiejaar (t) een startkwalificatie heeft behaald zoals geregistreerd in het basisregister;

D2: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf 2004 tot aan het studiejaar (t) al een startkwalificatie heeft behaald in het middelbaar beroepsonderwijs zoals geregistreerd in het basisregister, dat een overzicht omvat van behaalde mbo-diploma’s vanaf kalenderjaar 2004;

D3: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf studiejaar 1998–1999 tot het studiejaar (t) voorafgaand aan de inschrijving op het middelbaar beroepsonderwijs of de vavo een startkwalificatie heeft behaald en als zodanig geregistreerd staat in het Examenresultatenregister of basisregister.

D4: het aantal jongeren onder A dat gedurende de eerste drie maanden na de teldatum (t+1) een startkwalificatie heeft behaald en als zodanig geregistreerd staat in het Examenresultatenregister (de zogenoemde verlate startkwalificatie);

D5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar (t+1) een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft behaald en als werkende geregistreerd staat in het register van het UWV.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.