Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 oktober 2016, nr. WJZ / 14161241, houdende regels omtrent de eisen waaraan statische vloeistofhoeveelheidmeters, massameters, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters, CG-dispensers en dynamische weegbruggen moeten voldoen (Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten)

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 8, 11, 14 en 21 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 2
1.

Een statische vloeistofhoeveelheidmeter, massameter, vloeistofhoogtemeter, CG-dispenser, dynamische weegbrug en discontinue brandstofmeter voldoen aan de relevante essentiële eisen in bijlage I van de richtlijn meetinstrumenten en aan de eisen die specifiek voor deze meetinstrumenten worden gesteld in deze regeling.

2.

Voor zover de eisen uit bijlage I van de richtlijn meetinstrumenten onverenigbaar zijn met eisen uit deze regeling, gaan eisen uit deze regeling voor op eisen uit bijlage I.

Artikel 3

Meetinstrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voldoen na ingebruikneming voorts aan de volgende eisen:

Artikel 4

Indien een meetinstrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt aangesloten op onder de werking van de IJkwet toegelaten andere apparatuur en deze apparatuur eveneens het meetresultaat vastlegt en weergeeft, voldoet deze apparatuur wat betreft het vastleggen en weergeven van het meetresultaat aan de eisen van deze regeling en mag de weergave van het meetresultaat op die andere apparatuur niet afwijken van het door het meetinstrument vastgestelde meetresultaat.

Artikel 5
1.

Indien een elektromagnetische storing optreedt in een meetinstrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt de storing gedetecteerd, tenzij de veranderingswaarde in het meetresultaat niet groter is dan de kritische veranderingswaarde van het meetinstrument.

2.

De meting waarbij een elektromagnetische storing wordt gedetecteerd, wordt slechts opgeslagen en verder verwerkt indien zij wordt voorzien van een melding dat de storing is opgetreden.

Hoofdstuk 3. Statische vloeistofhoeveelheidmeter

§ 3.1. Algemene eisen

Artikel 6

Een statische vloeistofhoeveelheidmeter bestaat uit een meetreservoir en:

Artikel 7

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de statische vloeistofhoeveelheidmeter wat betreft:

Artikel 8

Het meetreservoir van de statische vloeistofhoeveelheidmeter is voorzien van de volgende opschriften:

Artikel 9

De minimum te meten hoeveelheid van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan of groter dan de grootste waarde van de minimum te meten hoeveelheid van het meetreservoir dan wel van de peilstok in eenheden van volume, de peilstok in eenheden van lengte, de vloeistofhoogtemeter of de massameter.

Artikel 10
1.

Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een peilstok verdeeld in eenheden van lengte zijn in of aan het meetreservoir voorzieningen aangebracht die geschikt zijn om voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met de peilstok gemeten hoogte van de vloeistofspiegels te kunnen uitvoeren.

2.

Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een vloeistofhoogtemeter is het meetreservoir voorzien van een referentiepunt dat een vaste positie heeft ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter met behulp waarvan voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met de vloeistofhoogtemeter gemeten hoogte van de vloeistofspiegels kunnen worden uitgevoerd.

3.

Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een massameter is het meetreservoir voorzien van een referentiepunt met behulp waarvan:

Artikel 11
1.

Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een peilstok verdeeld in eenheden van lengte, een vloeistofhoogtemeter of een massameter, is een certificaat van meting ter plaatse van de opstelling beschikbaar.

2.

Het certificaat van meting, bedoeld in het eerste lid, vermeldt in ieder geval:

3.

Indien de statische vloeistofhoeveelheidmeter uitsluitend is ingericht ter vaststelling van de volledige inhoud blijft de vermelding, bedoeld in het tweede lid, onder g, achterwege.

Artikel 12
1.

Indien een aanwijsinrichting gescheiden van een meetwaardeopnemer is opgesteld, wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke statische vloeistofhoeveelheidmeter de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

2.

Bij toepassing van gemeenschappelijke inrichtingen wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke statische vloeistofhoeveelheidmeter de aanwijzing of afdruk betrekking heeft.

Artikel 13
1.

Het schaalinterval van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is per gemeten grootheid gelijk.

2.

Het meetresultaat van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is per gemeten grootheid gelijk.

Artikel 14
1.

Een alarmsignalering bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing.

2.

Een alarmsignalering kan alleen door een doelbewuste menselijke handeling worden opgeheven.

Artikel 15
1.

Herleide waarden zijn duidelijk onderscheidbaar van andere waarden.

2.

De omstandigheden waarnaar wordt herleid, zijn duidelijk voor de gebruikers.

3.

Alle niet-herleide waarden en parameters, waaronder eventueel door de gebruiker handmatig ingevoerde waarden en parameters, die nodig zijn om tot de herleide waarde te komen, zijn oproepbaar in de aanwijsinrichting.

4.

De handmatig ingevoerde gegevens kunnen de primair gemeten grootheid niet beïnvloeden.

Artikel 16
1.

Indien de niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing of onder de laagst gepositioneerde meetwaardeopnemer valt, geeft de aanwijsinrichting aan dat de meting foutief is. Verdere verwerking van de meetwaarde is niet mogelijk.

2.

Indien de meetwaardeopnemer boven de vloeistofspiegel in ruststand is gebracht, geeft de aanwijsinrichting aan dat de meting foutief is. Verdere verwerking van de meetwaarde is niet mogelijk.

Artikel 17

De maximaal toelaatbare fout van de gemeten of herleide hoeveelheid bedraagt:

Artikel 18

Het schaalinterval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is niet groter dan 0,625 maal de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel 19

De kritische veranderingswaarde van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan 0,625 maal de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel 20

Een peilstok is voorzien van een opschrift met het serienummer van de peilstok.

Artikel 21

De materialen die worden gebruikt voor een peilstok zijn van dien aard dat variaties in lengte, ten gevolge van temperatuurschommelingen van min 8 °C tot plus 8 °C ten opzichte van de referentietemperatuur, de maximaal toelaatbare fout niet overschrijden.

Artikel 22
1.

Een schaalinterval van de verdeling van een peilstok ingedeeld in eenheden van volume heeft een lengte van tenminste 1 mm en ten hoogste 10 mm.

2.

Een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte is verdeeld in millimeters of in centimeters.

Artikel 23
1.

De maximaal toelaatbare fout van een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte bedraagt van de afstand van het nulpunt van de verdeling tot een willekeurige deelstreep:

waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde waarde van de gemeten hoogte van een vloeistofspiegel in meters aangeeft.

2.

De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid, hoeft niet kleiner te zijn dan:

Artikel 24

Een peilstok in eenheden van lengte die is voorzien van een CE-markering en de aanvullende metrologische markering wordt beschouwd als een peilstok in eenheden van lengte die voldoet aan de toepasselijke eisen in deze regeling.

§ 3.2. Bijzondere voorschriften voor vloeistofhoogtemeters

Artikel 25

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de vloeistofhoogtemeter wat betreft:

Artikel 26

Een vloeistofhoogtemeter is voorzien van de volgende opschriften:

Artikel 27

Het schaalinterval van de aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter is niet groter dan 1 mm.

Artikel 28

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten vloeistofhoogte bedraagt:

Artikel 29

De kritische veranderingswaarde van een vloeistofhoogtemeter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de vloeistofhoogtemeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

§ 3.3. Bijzondere voorschriften voor massameters

Artikel 30

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.