Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 november 2016, MINBUZA-2016.732089, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van mensenrechten die strekken tot het tegengaan van kinderarbeid gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend in twee openstellingen.
Aanvragen voor subsidie voor due diligence projecten worden ingediend vanaf 30 januari 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00.
Aanvragen voor subsidie voor multi stakeholder projecten worden ingediend vanaf 1 maart 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00.
Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1www.rvo.nl/fbk
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid geldt voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 oktober 2021 een subsidieplafond van € 950.000 voor due diligence projecten en een subsidieplafond van € 2.850.000 voor multi stakeholder projecten.
Indien middelen resteren van één van de subsidieplafonds bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, kunnen deze worden ingezet voor de honorering van aanvragen die betrekking hebben op het andere deelplafond, indien deze aanvragen niet kunnen worden gehonoreerd wegens uitputting van het voor die aanvragen geldende deelplafond.
Artikel 4
In het geval dat er voor één van de soorten van projecten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, meer dan één aanvraag op een dag wordt ontvangen, bepaalt de Minister de volgorde van behandeling van deze aanvragen door middel van loting.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 november 2021, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
1. Achtergrond
De betrokkenheid van Nederland bij het internationaal bestrijden van kinderarbeid heeft een lange geschiedenis. Nederland spant zich al jaren in voor normstelling op het gebied van kinderarbeid in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Nederland organiseerde in 1997 de eerste mondiale anti-kinderarbeid conferentie, die leidde tot de breed omarmde ILO-conventie nr. 182 over uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Deze conventie vormt samen met de ILO-conventie 138 over de minimum leeftijd voor arbeid nog steeds het normatieve kader tegen kinderarbeid. Nederland blijft zich inspannen voor verdere ratificatie en vooral betere naleving van deze verdragen. Een belangrijk moment hiervoor was de tweede mondiale anti-kinderarbeid conferentie in 2010 in Den Haag. Tijdens die conferentie werd een ‘Roadmap’ aangenomen die ervoor moest zorgen dat de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 zouden zijn uitgebannen.2http://www.ilo.org/ipecinfo/product/download.do?type=document&id=13453. Er zijn echter wereldwijd nog steeds 168 miljoen kinderen aan het werk. In de nieuwe VN-ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is daarom afgesproken om kinderarbeid uiterlijk in 2025 uit te bannen.
Van kinderarbeid3De ILO-definiëring wordt gebruikt, http://www.ilo.org/ipec/facts/ILOconventionsonchildlabour/lang--en/index.htm en http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ILO_CODE:C138 is sprake wanneer kinderen te jong zijn, het werk te zwaar is, het onderwijs in de weg staat of het ronduit gevaarlijk werk is dat hun lichamelijke en/of geestelijke gezondheid bedreigt. Niet alleen de kinderen zelf wordt hiermee hun toekomst en een beter leven ontnomen, ook de ontwikkeling van de maatschappij waarin ze leven wordt gehinderd door bijvoorbeeld slecht geschoolde volwassenen. Kinderarbeid is niet alleen een gevolg van armoede, het veroorzaakt juist ook armoede. Kinderarbeid vindt met name plaats in opkomende markten en ontwikkelingslanden waar overheden tekortschieten in het beschermen van rechten en waarin bedrijven hooguit een deel van de oplossing van een probleem kunnen bieden. Het onderstaande overzicht geeft enig inzicht in het vóórkomen van kinderarbeid in de wereld.
Bron: https://maplecroft.com/media/updatable/news/child_labour_index_map_2014.jpg
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen4http://www.oesorichtlijnen.nl naleven, en zodoende niet door hun eigen activiteiten mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid in hun internationale productieketens veroorzaken of eraan bijdragen en deze waar ze vóórkomen aanpakken5OESO-richtlijnen – V. Werkgelegenheid en arbeidsverhoudingen. Waar ze er niet aan bijdragen, wordt van de bedrijven verwacht dat ze manieren zoeken om mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid te voorkómen en de effecten te mitigeren als het direct verbonden is met hun operaties, producten en diensten door een zakelijke relatie.6OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikelen 11 en 12 Van bedrijven wordt verwacht dat ze hiertoe een due diligence proces uitvoeren.7OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikel 10 van OESO
Twee jaar geleden kondigde het kabinet aan te streven naar het afsluiten van convenanten op het gebied van internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) met het Nederlands bedrijfsleven en haar stakeholders. Er is een MVO Sectorrisicoanalyse uitgevoerd8Kamerstukken II 2014/15, 26 485, nr. 197, 19 november 2014 met als doel om internationaal MVO en het toepassen van daarop gerichte due diligence bij bedrijven te bevorderen. Naar aanleiding van de resultaten werkt het bedrijfsleven inmiddels meer en meer samen met betrokken partijen om tot verbeteringen op IMVO-gebied te komen. Het eerste convenant dat is gesloten is dat van de kleding- en textielsector (getekend op 4 juli 2016). In alle IMVO-convenanten die worden gesloten in de sectoren waar kinderarbeid als één van de grotere risico’s is geïdentificeerd, moeten de betrokken bedrijven duidelijk maken hoe ze met deze risico’s omgaan. De verantwoordelijkheid om hier overtuigend invulling aan te geven ligt bij het bedrijfsleven.
Naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer op de begrotingswet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 november 2015, heeft de begrotingswetgever middelen ter beschikking gesteld om multi stakeholder initiatieven tegen kinderarbeid van bedrijven, overheden en andere organisaties te stimuleren. Deze middelen benut de minister voor het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid. De minister wil door middel van dit subsidieprogramma (Nederlandse) bedrijven aansporen creatief na te denken over mogelijkheden om kinderarbeid uit de productieketens te bannen. Waarbij het belangrijk is dat bedrijven in dezelfde sector samenwerken. Als bedrijven bijvoorbeeld kunnen laten zien wat zij doen om te zorgen dat hun producten vrij van kinderarbeid zijn, dan kunnen consumenten beter geïnformeerde keuzes maken over hun aankopen. De verbetering van reputaties van Nederlandse bedrijven is daarbij een belangrijk effect, maar is niet de primaire doelstelling van dit subsidieprogramma. Dit subsidieprogramma beoogt bij te dragen aan het daadwerkelijk bestrijden van kinderarbeid en de inzet van de daadwerkelijke invloed die Nederlandse bedrijven daarop kunnen hebben in een multi-stakeholder samenwerking.
2. Doel en aanpak
Dit subsidieprogramma heeft tot doel bij te dragen aan het uitbannen van alle kinderarbeid (volgens de ILO-norm) voor 2025. Dit is het einddoel waar Nederland zich aan heeft verbonden op basis van target 8.7 van de ‘Sustainable Development Goals’.9www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2015/09/28/duurzame-ontwikkelingsdoelen-2030-luiden-nieuwe-fase-in Met het oog daarop worden de volgende subdoelen nagestreefd:
De volgende elementen zijn belangrijk bij het bestrijden van kinderarbeid:
3. Waarom meer inzet van bedrijven tegen kinderarbeid?
Kinderarbeid voorkómen is één van de onderwerpen die veel bedrijven in hun beleid en principes hebben opgenomen. Het belang hiervan is redelijk onomstreden. Er lijkt echter wel sprake van ‘koudwatervrees’ bij bedrijven om kennis over kinderarbeid in hun productketen op te doen: mogelijk in verband met de reputatie van het bedrijf, de onzekerheid wat de gevolgen zijn voor de ‘businesscase’ als kinderarbeid in de keten blijkt voor te komen en de angst in een langdurig, onoverzichtelijk en vooral duur traject te komen waar geen regie meer mogelijk is. Belangrijk is dus dat bedrijven meer kennis kunnen binnenhalen over wat ze kunnen doen. Want bij de bestrijding van kinderarbeid wordt de actieve betrokkenheid van (internationale) bedrijven gemist. Internationale bedrijven hebben bijvoorbeeld meer invloed op ketenpartners en de lokale overheid dan maatschappelijke organisaties.
Bedrijven zijn dus hard nodig zijn om verschil te kunnen gaan maken. Bovendien is het goed voor de bedrijven zelf als zij zich actief inzetten voor de bestrijding van kinderarbeid. Argumenten die gebruikt worden om de businesscase te maken:
4. Begrippen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
5. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van deze beleidsregels opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO.nl zal deze beleidsregels uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.
6. Due diligence projecten
Inleiding
Geen bedrijf wil kinderarbeid in zijn productieketens. In de praktijk weten bedrijven echter te weinig van de problematiek in hun eigen keten verder dan de ‘eerste schakel’ (‘first tier’). In het verlengde daarvan geven ze kinderarbeid te weinig prioriteit en is de interne kennis van en capaciteit voor de aanpak van deze problematiek laag. Ook is er een risico dat interne managementprocessen ongewild aan kinderarbeid bijdragen.
Doelgroep
De minister kan op aanvraag van een onderneming:
Inhoud project
Om tot een due diligence project te komen moet er vanuit de initiatiefnemers expliciete commitment zijn om het verbod op kinderarbeid te respecteren. Met een due diligence project wordt bedoeld het identificeren van kinderarbeid met behulp van de juiste stakeholders en het vervolgens in kaart brengen hoe deze kinderarbeid te bestrijden en hoe daarover verantwoording af te leggen.
Het project bestaat uit de activiteiten zoals opgenomen in annex 1 bij deze bijlage.
Het is de bedoeling dat de activiteiten leiden tot de volgende resultaten:
En uiteindelijk dat (zie ook annex 2):
Aan het einde van het project dient er een eindrapport conform het model dat beschikbaar wordt gesteld door RVO.nl via www.rvo.nl/fbk opgeleverd te worden alsmede een plan van aanpak voor de vervolgstappen van bestrijding van kinderarbeid in de keten.
Duur project
Het project in het kader van dit subsidieprogramma mag maximaal 1 jaar duren. Het project kan deel uit maken van een groter project, maar subsidiabel voor het subsidieprogramma zijn slechts de projectkosten gemaakt na indiening van de aanvraag.
Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per project maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:
Zie voor ‘subsidiabele kosten’ hoofdstuk 8.
7. Multi stakeholder projecten
Inleiding
Kinderarbeid bestrijden is zeer complex. Haal je het weg op één plek, dan verschijnt het op een andere, als je de achterliggende oorzaken (‘root causes’) niet aanpakt. Daarom is een aanpak op lokaal niveau en samenwerking tussen verschillende stakeholders vaak extreem belangrijk. Want de maatregelen die bedrijven nemen, zoals monitoring, zijn op zichzelf staand niet voldoende om de oorzaken aan te pakken. Bedrijven hebben hier bovendien over het algemeen geen kennis en expertise voor in huis. NGO’s en overheden hebben hier meer ervaring in. Door ieder vanuit de eigen rol, verantwoordelijkheid en deskundigheid samen te laten werken, kan kinderarbeid worden bestreden.
Doelgroep
De minister kan op aanvraag van een penvoerder van een samenwerkingsverband voor multi stakeholder projecten eenmalig subsidie verlenen ten behoeve van een multi stakeholder project.
Inhoud project
Voordat er een gericht multi stakeholder project op locatie kan worden uitgevoerd moeten de betrokken bedrijven onderzoek doen en hun bedrijfsprocessen voor wat betreft kinderarbeid hebben doorlopen (bijvoorbeeld door het uitvoeren van een due diligence project). Daaruit blijkt namelijk wat de aard van de relatie tot kinderarbeid is. Mocht daaruit blijken dat bedrijven of andere organisaties kinderarbeid veroorzaken of eraan bijdragen, dan volgt er een verplicht proces om kinderen uit het arbeidsproces te halen (moeten). Wanneer blijkt dat bedrijven of organisaties aan kinderarbeid zijn ‘gelinkt’, dan is bijdragen aan dit proces uit vrije wil (mogen).
Het project bestaat uit de volgende activiteiten:
Het is de bedoeling dat de activiteiten ertoe leiden dat (zie ook annex 2):
Aan het einde van het project dient er een definitief plan van aanpak te zijn waarbij wordt aangegeven hoe een volgende fase van het project wordt ingegaan, welke financiering daarvoor voorhanden is en welke partners zich daaraan committeren (Letter of Intent).
Duur project
Het project in het kader van dit subsidieprogramma mag maximaal 2 jaar duren. Het project kan deel uit maken van een groter project, maar subsidiabel voor het subsidieprogramma zijn slechts de projectkosten gemaakt na indiening van de aanvraag.
Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per project maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 475.000.
8. Subsidiabele kosten
Voor de projectkosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
De subsidiabele kosten betreffen uitsluitend kosten gemaakt na indiening van de aanvraag en het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager en/of partner ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. Deze kosten kunnen worden vermeerderd met:
In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag. In afwijking op het hierboven genoemde vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager en/of partners in het land buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
9. Aanvraag
Er kan pas een aanvraag voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma gedaan worden nadat er een adviestraject heeft plaatsgevonden aan de hand van een daartoe ingediende concept-note/quick scan. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/fbk.
Als het adviestraject is afgerond en een advies van RVO.nl op de concept-note/quick scan is ontvangen kan er overgegaan worden tot het indienen van een aanvraag. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/fbk beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen. Het gaat in ieder geval om een verklaring van ontvangst van het RVO.nl-advies op de concept note/quick scan en de volgende bijlagen:
In geval van een samenwerkingsverband dient bij de aanvraag een schriftelijke en door alle partners ondertekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd te worden die de medewerking van de partners aan de uitvoering van het project en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen jegens de minister. Hiervoor wordt een door RVO.nl beschikbaar gesteld format gebruikt.
De aanvrager en/of partners dienen te verklaren dat zij op de hoogte zijn en zullen handelen naar de OESO richtlijnen (www.oesorichtlijnen.nl), de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk (www.ilo.org), de VN-Conventie inzake Biologische Diversiteit12https://treaties.un.org/doc/Treaties/1992/06/19920605%2008-44%20PM/Ch_XXVII_08p.pdf en www.cbd.int/convention/text/default.shtml?lg=0 en niet staan op de FMO Uitsluitingslijst (www.fmo.nl/exclusion-list).
10. Beoordeling en verdeling van de beschikbare middelen
Voor subsidieverlening in het kader van dit subsidieprogramma geldt een subsidieplafond van € 950.000 voor due diligence projecten en een subsidieplafond van € 2.850.000 voor multi stakeholder projecten.
De aanvragen voor een subsidie ten laste van beide deelplafonds worden behandeld in volgorde van ontvangst van de aanvragen. In het geval dat er voor één van de projectsoorten meer dan één aanvraag op een dag wordt ontvangen, bepaalt de Minister de volgorde van behandeling van deze aanvragen door middel van loting.
Bij de verdeling van de beschikbare middelen wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal sectoren. Ten aanzien van deze sectoren geldt per projectsoort het volgende: voor de sectoren bouw, chemie, detailhandel, elektronica, energie, financiële sector, groothandel, hout & papier, metaal, olie en gas, toerisme en scheepsbouw komt per sector maximaal 1 aanvraag voor subsidie in aanmerking en voor de sectoren land- en tuinbouw, textiel & kleding en voedingsmiddelen komen per sector maximaal 2 aanvragen voor subsidie in aanmerking. De aanvraag dient duidelijk aan te geven op welke sector hij betrekking heeft.
RVO.nl kan bij de beoordeling extern advies inwinnen.
10.1. Beoordeling due diligence projecten
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.