Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2016, kenmerk 159145-CZ houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van ziekenhuizen en de NVZ voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder (Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional)

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-10-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1

De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan ziekenhuizen en de NVZ voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 april 2020.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional.

Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional

1. Inleiding

In de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 2 juli 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013–14, 27 529, nr. 130) is het beleid op het terrein van verbetering van de ICT-infrastructuur bij ziekenhuizen uiteengezet. Doel is dat ziekenhuizen op korte termijn een digitaliseringslag maken om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit houdt in dat ziekenhuizen vóór 2020 op een gestandaardiseerde en veilige manier informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt. Op dit moment zet een beperkt aantal ziekenhuizen al de eerste stappen om informatie digitaal meer te ontsluiten. Duidelijk is ook dat ziekenhuizen dit niet allemaal op dezelfde wijze doen en ook niet dezelfde of geen standaarden gebruiken. Om de zorg echt toekomstbestendig en nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken, is het van belang dat alle ziekenhuizen dezelfde informatie ontsluiten en daarbij dezelfde standaarden gebruiken, zodat de informatie onderling, met de patiënt en met andere zorgverleners gedeeld kan worden. Dit draagt eraan bij dat mensen op termijn binnen digitale persoonlijke gezondheidsomgevingen over hun medische gegevens kunnen beschikken en deze veilig kunnen gebruiken. Binnen het samenwerkingsverband MedMij werken partijen in de zorg samen om ervoor te zorgen dat er websites en applicaties beschikbaar komen die voldoen aan de MedMij-standaarden, die waarborgen dat informatie veilig gewisseld en gebruikt kan worden. De uitgangspunten van MedMij zijn daarmee relevant voor de wijze waarop ziekenhuizen de gegevensuitwisseling tussen de patiënt en de zorgverlener nader vormgeven. Deze uitgangspunten staan opgenomen in bijlage 1. Dit draagt tevens bij aan interoperabiliteit en herbruikbaarheid van deze gegevens in medisch onderzoek, waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de wens van de Europese Commissie dat gegevens die in onderzoek worden gebruikt FAIR zijn: Findable, Accesible, Interoperable and Re-useable. In de wet Cliëntenrechten bij verwerking van elektronische gegevens1Wet van 5 oktober 2016 tot wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens), Stb. 2016, nr. 373. is vastgelegd dat een cliënt die om inzage in zijn dossier verzoekt of een afschrift daarvan vraagt, het recht heeft dat dit langs elektronische weg gebeurt. Dit recht impliceert ook de plicht van de zorgaanbieder dat hij dit kan faciliteren. Deze wet verplicht niet hoe de gegevens moeten worden ontsloten. Uitgangspunt van deze wet is dat de verstrekking van gegevens op veilige2Besluit houdende nadere regels over functionele, technische en organisatorische maatregelen bij elektronische gegevensverwerking door en tussen zorgaanbieders (Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders). wijze moet plaatsvinden. De digitale informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional moet, conform het VN gehandicaptenverdrag3Kamerstukken II, 33990 en 33992. ook toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. Zorgaanbieders dienen uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de wet Cliëntenrechten bij verwerking van elektronische gegevens aan de verplichtingen veilige en toegankelijke gegevensverstrekking te voldoen. Om dit zo snel mogelijk en gestandaardiseerd te realiseren, stel ik voor de jaren 2017, 2018 en 2019 financiële middelen (€ 74,5 miljoen) beschikbaar. Dit beleidskader bevat een uitwerking van het subsidiebeleid voor de benodigde digitaliseringslag en wenselijk geachte versnelling bij ziekenhuizen.

Er zijn een drietal activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen. De hoofdmoot wordt gevormd door een subsidie aan ziekenhuizenzodat zij uiterlijk 2020 gestandaardiseerd informatie kunnen uitwisselen met de patiënt (zie hoofdstuk 2). De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft in dit kader een programma opgesteld, te weten het Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (VIPP). In de tweede plaats is er een subsidie voor de activiteiten van koploperziekenhuizen. Koploperziekenhuizen zijn ziekenhuizen die voorlopen op andere ziekenhuizen in het gedigitaliseerd ontsluiten van gegevens aan patiënten. Koploperziekenhuizen beschikken daarmee over kennis en ervaringen die andere ziekenhuizen missen. Het is gewenst dat deze kennis en ervaringen zo breed mogelijk worden gedeeld. Het doel van deze subsidie is dat de koploperziekenhuizen door middel van samenwerking andere ziekenhuizen zo snel mogelijk kunnen laten leren van hun “geleerde lessen” om te voorkomen dat het wiel telkens opnieuw moet worden uitgevonden en te bevorderen dat positieve effecten en ervaringen zo snel mogelijk kunnen worden gedeeld (zie hoofdstuk 3). Tot slot is er een subsidie aande NVZ voor de begeleiding van ziekenhuizen in het kader van het VIPP-programma (zie hoofdstuk 4). Door de NVZ zal in themabijeenkomsten specifiek aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid van de digitale informatie voor mensen met een (visuele) beperking of lage gezondheidsvaardigheden. In hoofdstuk 5, 6 en 7 wordt ingegaan op de juridische kaders waarbinnen deze regeling valt en de gevolgen voor de administratieve lasten.

Subsidiëring op het terrein van VWS geschiedt op basis van de Kaderwet VWS-subsidies. De subsidies worden verstrekt met inachtneming van de voorschriften van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling). Daarin zijn de verplichtingen die over en weer gelden tussen subsidieontvanger en subsidiegever neergelegd. In artikel 1.2 van de Kaderregeling staat dat subsidies worden verstrekt die passen binnen het beleid van de Kaderwet VWS-subsidies. Overeenkomstig artikel 1.3 kunnen die activiteiten en de voorwaarden waaronder subsidieverstrekking plaatsvindt in beleidsregels nader worden bepaald. Onderhavige beleidsregels vormen het kader voor de subsidieverstrekking.

Op de verstrekking van de subsidies is zowel de Kaderregeling als dit Beleidskader van toepassing.

2. Subsidie aan de ziekenhuizen voor de programma’s Patiënt en informatie en Patiënt en medicatie

De subsidie is bedoeld voor ziekenhuizen. Ziekenhuizen beschikken over een concentratie van voorzieningen, afdelingen en specialismen voor reguliere patiëntenzorg ten behoeve van onderzoek, behandeling en verpleging en voorzien in een integraal aanbod van medisch specialistische zorg. Dit in tegenstelling tot andere instellingen voor medisch specialistische zorg, zoals revalidatie-instellingen, dialysecentra, zelfstandige behandelcentra die zich meer richten op één bepaald specialisme dan wel patiëntendoelgroep. Eveneens uitgezonderd van deze subsidieregeling zijn academische ziekenhuizen/universitair medische centra die op andere wijze worden bekostigd dan de andere instellingen voor medisch specialistische zorg.

In een complexe setting als ziekenhuizen vergt het een behoorlijke inspanning om medische informatie en medicatiegegevens op een veilige manier en gestandaardiseerd te ontsluiten. Om deze inspanning te kunnen realiseren, moeten ziekenhuizen diverse activiteiten uitvoeren. De ziekenhuizen kunnen een subsidie aanvragen voor de uitvoering van de activiteiten in het VIPP-programma. Dit programma bevat twee hoofdonderdelen: het Programma patiënt en informatie en het Programma patiënt en medicatie. Het VIPP-programma heeft tot doel (of leidt er toe) dat een patiënt toegang krijgt tot zijn eigen (digitale) medische informatie en daarmee tot gebruik van de mogelijkheden van app’s en internet voor de zorg voor zichzelf. Hij heeft dan inzicht in zijn eigen gezondheid door zelfmeetgegevens én de gegevens uit de medische dossiers van de professional. Doordat deze basisgegevens dan onderling in verbinding staan en gebruik maken van dezelfde standaarden, heeft de patiënt (en behandelaren die hij de toestemming geeft deze informatie in te zien) een goed overzicht van zijn eigen gezondheidstoestand. Dit sluit aan bij mijn beleid om de patiënt echt meer regie te geven.

De genoemde twee hoofdonderdelen bevatten vervolgens verschillende modules.

Ziekenhuizen kunnen kiezen voor welke onderdelen van het VIPP-programma en voor welke modules daarvan zij subsidie willen aanvragen.

A. Programma patiënt en informatie

Het Programma patiënt en informatie bevat de volgende drie modules:

module A1: activiteiten die ertoe leiden dat het ziekenhuis uiterlijk per 1 juli 2018 minimaal een download van de volgende medische gegevens aan de patiënt aanbiedt:

Onder download wordt verstaan het digitaal, in een formaat leesbaar op een computer (bijvoorbeeld PDF), verstrekken van informatie. De wijze waarop de digitale verstrekking plaatsvindt, wordt niet voorgeschreven. Het ziekenhuis moet ook een proces hebben ingericht voor de digitale aanlevering van de medische gegevensset aan de patiënt. Het aanbieden aan de patiënt houdt in dat het ziekenhuis deze informatie, uiterlijk binnen drie werkdagen nadat de patiënt hierom heeft verzocht, verstrekt.

Of een ziekenhuis module A1 heeft gerealiseerd, wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel H).

module A2: activiteiten die ertoe leiden dat het ziekenhuis uiterlijk 31 maart 2020 beschikt over een beveiligd patiëntenportaal waarin de patiënt zijn gegevens kan raadplegen en in een gestructureerd formaat kan downloaden of een link naar een persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO) waarin het ziekenhuis gestandaardiseerd medische gegevens voor de patiënt kan uploaden, die de patiënt desgewenst kan doorzetten naar een andere zorgverlener. Dit patiëntenportaal of de informatie die naar een PGO wordt geüpload, bevat in elk geval de volgende elementen, dan wel voldoet aan de volgende voorwaarden:

Met de implementatie van module A2 door het ziekenhuis wordt bereikt dat een patiënt via een patiëntenportaal of een link, digitaal de beschikking krijgt over zijn medische gegevens zodat hij deze eenvoudig kan gebruiken in zijn contacten met andere zorgverleners of ten behoeve van een goed overzicht van zijn eigen gezondheidssituatie. Om te zorgen dat de patiënt de benodigde gegevens ontvangt en kan gebruiken, wordt voorgeschreven welke gegevens het ziekenhuis moet verstrekken. Het gaat daarbij om gegevens die het ziekenhuis in het kader van het zorgproces heeft vastgelegd in het Elektronisch Patiënten Dossier (hierna: EPD). Ook moet de BGZ gestandaardiseerd worden verstrekt zodat de gegevens voor de patiënt en via de patiënt voor andere hulpverleners ook bruikbaar zijn. Verder dient het ziekenhuis de genoemde gegevens binnen zeven werkdagen nadat deze informatie beschikbaar is, aan de patiënt beschikbaar te stellen in het patiëntenportaal of via de link. De termijn van zeven werkdagen is een uiterste termijn. Daar waar het kan, is het streven om deze informatie realtime te verstrekken.

Een gestructureerde en uploadbare download van de medische gegevens betekent dat de patiënt de gestandaardiseerde medische gegevens in gestructureerde vorm kan downloaden. Doordat dit bestand gestandaardiseerd en gestructureerd is, kan het hergebruikt worden voor bijvoorbeeld een upload naar een PGO of naar een andere zorgverlener, waarbij er geen betekenis van de gegevens verloren gaat en gegevens niet hoeven te worden overgetypt. Bij het percentage van 10% patiënten gaat het om alle patiënten die in een periode van 30 dagen voorafgaand aan het aanvragen van de onafhankelijke toetsing (zie onderdeel H) contact hebben gehad met het ziekenhuis. Het gaat daarbij om contacten die in het kader van de zorg voor patiënten tussen zorgverlener en patiënt plaatsvinden en die als DBC activiteit worden vastgelegd. De voorwaarde dat ten minste 10% van alle patiënten daadwerkelijk inlogt, is gebaseerd op de verwachting dat niet alle patiënten evenveel belang hebben bij het digitaal beschikken over de betreffende medische gegevens. Patiënten die slechts eenmaal in het ziekenhuis naar een medisch specialist gaan en verder geen behandeling behoeven, zullen veelal weinig belang hebben bij het gebruiken van deze informatie. Patiënten die langdurig onder behandeling staan zullen een hogere informatiebehoefte hebben. Aangezien hier voor één percentage is gekozen voor alle typen patiënten, klinisch en poliklinisch, die daadwerkelijk inloggen is het een relatief laag percentage. Dit relatief lage percentage hangt ook samen met de cultuuromslag die nodig is, zodat de patiënten zelf daadwerkelijk gebruik maken van deze gegevens in hun zorgproces. Uit eerdere ervaringen met portalen blijkt verder dat 10% zeker geen percentage is dat eenvoudig kan worden bereikt.

Of het ziekenhuis voornoemd resultaat heeft behaald, wordt beoordeeld basis van de criteria zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel H).

module A3: activiteiten die ertoe leiden dat het ziekenhuis uiterlijk 31 maart 2020 tenminste drie van de vijf volgende subdoelstellingen bereikt:

De ziekenhuizen die module A3 aanvragen, hebben in de regel module A1 al bereikt bij de publicatie van deze regeling. Met de subdoelstellingen van module A3 zet het ziekenhuis verdere stappen zodat de bij module A2 ontwikkelde functionaliteit breder kan worden toegepast en er meer gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden van ICT om de kwaliteit van zorg te verbeteren. De bredere toepasbaarheid van de functionaliteit kan eruit bestaan dat de patiënt digitaal informatie kan geven aan het ziekenhuis dat de betreffende informatie inzet voor zorg aan deze patiënt of dat de patiënt de digitale informatie gebruikt voor aanpassing van de beschikbare informatie in het dossier (subdoelstellingen 1, 3 en 5). Die bredere toepasbaarheid kan ook worden bereikt door een verhoging van het percentage patiënten dat gebruik maakt van het patiëntenportaal of de link naar een PGO (subdoelstelling 2). Het gaat bij dit gebruik zowel om de klinische als de poliklinische patiënten. Omdat bij chronische patiënten het gebruik hoger zal liggen dan bij patiënten die een enkele keer op de poli komen, is gekozen voor een percentage van tenminste 25%. Bredere toepasbaarheid kan tot slot worden bereikt door de patiënt inzicht te geven welke behandelaren zijn EPD hebben geraadpleegd (subdoelstelling 4). Het verstrekken van een overzicht volstaat om deze subdoelstelling te halen. Er hoeft niet te worden aangetoond dat patiënten dit overzicht daadwerkelijk gebruiken. Door tenminste drie van deze subdoelstellingen te behalen, is gewaarborgd dat ziekenhuizen een substantiële stap zetten in de doorontwikkeling van de functionaliteit.

Of een ziekenhuis voldoet aan voornoemde subsidievoorwaarden voor module A3, wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel H).

B. Programma patiënt en medicatie.

Dit programma bevat de volgende twee modules:

module B1: activiteiten die ertoe leiden dat het ziekenhuis uiterlijk per 1 december 2018 een actueel overzicht van medicatie biedt als onderdeel van het medicatieproces in klinische en poliklinische setting. Dit betreft verstrekkingsinformatie van de openbare apotheek die geïntegreerd in het EPD/ EVS (Elektronisch Voorschrijf Systeem) opgenomen kan worden in poliklinische en klinische setting. Voorwaarde voor de subsidie is dat dit actueel overzicht van medicatie voor de genoemde datum daadwerkelijk wordt gebruikt. Dit is het geval als bij 70% van de klinische en 25% van de poliklinische patiënten de zorgverlener de verstrekkingsinformatie of het complete actueel overzicht van medicatie heeft geraadpleegd, over een periode van dertig dagen voorafgaand aan de aanvraag van de toetsing (onderdeel H). Of het ziekenhuis voornoemd resultaat heeft behaald, wordt beoordeeld op basis van het normenkader voor de onafhankelijke toetsing (zie onderdeel H).

Met module B1 wordt beoogd om het risico van niet beschikbare, onvolledige of gedateerde medicatie-informatie te voorkomen. Nu wordt door het ziekenhuis aan de patiënt zelf gevraagd om bij de openbare apotheek een actueel medicatieoverzicht op te vragen en mee te nemen naar het ziekenhuis. Vervolgens verifieert het ziekenhuis met de patiënt of het actueel overzicht van medicatie overeenkomt met de medicatieafspraken tussen arts en patiënt en het daadwerkelijk gebruik door de patiënt. Door deze medicatie-informatie digitaal beschikbaar te hebben, wordt het risico op onvolledige of gedateerde informatie verlaagd en vervalt de verplichting voor de patiënt om een recent actueel overzicht van medicatie bij de eigen openbare apotheek op te halen.

module B2: activiteiten die ertoe leiden dat het ziekenhuis uiterlijk 31 maart 2020:

Of het ziekenhuis voornoemde resultaten heeft behaald, wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel H).

C. Versnellingsoptie

Binnen het Programma patiënt en informatie (sub A) kan een ziekenhuis ervoor kiezen om module A1 en module A2 in één keer te realiseren vóór 1 januari 2019. Een ziekenhuis hoeft in dat geval slechts één toetsing (onderdeel H) te laten uitvoeren voor de beide stappen in plaats van twee voor elke stap afzonderlijk. De toetsing voor beide stappen zal uiterlijk 31 december 2018 worden aangevraagd, waardoor de tussentijdse toetsing voor module A1 (aanvragen voor 1 juli 2018) overbodig wordt.

Binnen het Programma patiënt en informatie (sub A) kan een ziekenhuis er ook voor kiezen om module A2 en module A3 in één keer te realiseren vóór 1 juli 2019. Een ziekenhuis hoeft in dat geval slechts één toetsing (onderdeel H) te laten uitvoeren voor de beide stappen in plaats van twee voor elke stap afzonderlijk. De toetsing voor beide stappen zal uiterlijk 30 juni 2019 worden aangevraagd, waardoor de tussentijdse toetsing voor module A2 overbodig wordt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.