Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)

Type Ministeriële regeling
Publication 2017-02-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

7.8.3. Vermijden aanvaringen ruige dwergvleermuis

Om de gunstige staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis niet in het geding te brengen wordt een voorschrift aan dit besluit verbonden dat toeziet op het zoveel mogelijk vermijden van aanvaringsslachtoffers in periodes en weersomstandigheden dat slachtoffers verwacht kunnen worden.

Tot dusverre is alleen het verhogen van de zogenaamde cut-in windspeed een maatregel gebleken die effectief is in het verminderen van het aantal aanvaringslachtoffers60http://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Meeting_of_Parties/MoP7.Record.Annex8-Res7.5-WindturbinesandBatPopulations_adopted.pdf.. Onder deze cut-in windspeed moet het aantal rotaties van de rotor verlaagd worden tot minder dan 1 per minuut. De meest gebruikte methode om dit te bewerkstelligen is het uit de wind draaien van de windturbinebladen, ook wel ´pitch´ of ´feathering´ genoemd. Uit de literatuur blijkt dat met het verhogen van de cut-in windspeed een reductie van het aantal aanvaringsslachtoffers tussen de 50 en 90% mogelijk is. De effectiviteit is hierbij sterk afhankelijk van de mate waarin de maatregel is afgestemd op het soortspecifieke voorkomen en gedrag van vleermuizen op de projectlocatie. Dat wil zeggen dat de effectiviteit hoger zal zijn als de cut-in windspeed wordt verhoogd naar een voor die vleermuissoort relevante windsnelheid. In dit besluit wordt daarom de maatregel aangepast op de aanwezigheid van vleermuizen, en meer specifiek de ruige dwergvleermuis, op de Noordzee om zodoende een hoge effectiviteit te behalen.

Uit onderzoeksgegevens61Lagerveld et al. (2014) Monitoring bat activity in offshore wind farms OWEZ and PAWP in 2013. IMARES Report C165/14; Jonge Poerkink et al. (2012) Pilot study Bat activity in the Dutch offshore wind farm OWEZ and PAWP. IMARES report number C026/13 / tFC reportnumber 20120402. op de Noordzee blijkt dat de meeste activiteit van de ruige dwergvleermuis in het najaar plaats vindt, tussen half augustus tot eind september. Tachtig tot negentig procent van de activiteit wordt gemeten op nachten bij windsnelheden van kleiner of gelijk aan 5 m/s. Ongeveer één uur na zonsondergang worden de vleermuizen op zee waargenomen. De activiteit piekt vervolgens tussen 2 à 4 uur na zonsondergang waarna de activiteit weer afneemt. Daarom is gekozen voor een maatregel waar de cut-in windspeed van de turbines wordt verhoogd naar 5,0 m/s op ashoogte gedurende de periode van 15 augustus tot en met 30 september tussen 1 uur na zonsondergang tot 2 uur voor zonsopkomst. Beneden deze windsnelheid moet het aantal rotaties per minuut per windturbine tot minder dan 1 worden gebracht.

7.8.4. Vermijden aanvaringen trekvogels

Om aanvaringsslachtoffers onder trekvogelsoorten tot een minimum te beperken wordt een voorschrift aan dit besluit verbonden dat toeziet op het zoveel mogelijk vermijden van aanvaringsslachtoffers bij migratiepieken.

Tot dusverre lijkt alleen het verlagen van het aantal rotaties van de rotor tot minder dan 1 per minuut een hoge effectiviteit te kunnen hebben in het verminderen van het aantal aanvaringslachtoffers62Cook, A.S.C.P., Ross-Smith, V.H. Roos, S., Burton, N.H.K., Beale, N., Coleman, C., Daniel, H., Fitzpatrick, S., Rankin, E., Norman, K. and Martin, G. Identifying a Range of Options to Prevent or ReduceAvian Collision with Offshore Wind Farmsusing a UK-Based Case Study. BTO Research Report No. 580, may 2011; A.T Marques, H. Batalha, S. Rodrigues, H. Costa, M.J.Ramos Pereira, C. Fonseca, M. Mascarenhas, J. Bernardino. Understanding bird collisions at wind farms: An updated review on the causes and possible mitigation strategies. Biological Conservation. Volume 179, November 2014, Pages 40–52..

Inschattingen van de omvang van de effectiviteit hiervan zijn nauwelijks bekend en bovendien slecht vergelijkbaar of extrapoleerbaar omdat de effectiviteit sterk locatiespecifiek is. De effectiviteit is sterk afhankelijk van de mate waarin de maatregel is afgestemd op het soortspecifieke voorkomen en gedrag van vogels op de projectlocatie. In dit besluit wordt daarom de maatregel aangepast op de aanwezigheid van massale vogeltrek op de Noordzee om zodoende een hoge effectiviteit te behalen.

Migratiepieken komen het meest voor in omstandigheden met mooi weer en rugwind van 3-4 Bft. Vogels vliegen effectiever in condities met rugwind en besparen daardoor energie. Weercondities kunnen echter in korte tijd omslaan van gunstig naar ongunstig (draaiende wind, door regen/mist/bewolking afnemend zicht, enz.). Vanwege het verslechterde zicht zullen vogels dan over het algemeen lager gaan vliegen, waarbij ze in grote getalen op rotorhoogte terecht kunnen komen. Tijdens dit soort condities worden ook de meeste slachtoffers gevonden bij platforms63Hüppop, O., Dierschke, J., Exo, K.-M., Fredrich, E. and Hill, R. (2006), Bird migration studies and potential collision risk with offshore wind turbines. Ibis, 148: 90–109. doi: 10.1111/j.1474-919X.2006.00536.x.. Dergelijke omstandigheden komen niet vaak en onregelmatig voor64Lensink, R., C. Camphuysen, M.F. Leopold, H. Schekkerman & S. Dirksen, 1999. Falls of migrant birds, an analysis of current knowledge. Report 99.55. Bureau Waardenburg / IBN-DLO / CSR Consultancy, Culemborg.. In hun onderzoek identificeerden Lensink et al drie grote gevallen van dergelijke ‘vogeldalingen’ in de periode van 1978 tot 1990. Deze vogeldalingen waren van een dergelijke omvang dat deze over de gehele Zuidelijke Noordzee werden waargenomen. Ondanks het geringe aantal daadwerkelijke waarnemingen werd op basis van de schaarsheid van data op zee geconcludeerd dat vogeldalingen zich jaarlijks voordoen op de Zuidelijke Noordzee.

Om te voorkomen dat jaarlijks zeer hoge aantallen vogels aanvaringsslachtoffer worden, is besloten een voorschrift op te nemen waarin verplicht wordt gesteld dat een systeem moet worden opgenomen dat real-time vogelmigratie waarneemt. Dit systeem moet gekoppeld kunnen worden aan het controlesysteem van de windturbines. De overheid zal de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van één systeem (met meerdere onderdelen) voor alle kavels in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) voor zijn rekening nemen. Wanneer de waargenomen vogeldichtheid een vastgestelde grenswaarde overstijgt, dient het aantal rotaties van de rotoren van de windturbines tot minder dan 1 worden gebracht.

Op basis van data uit Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ) is ook geprobeerd te analyseren bij welke vogeldichtheid deze grenswaarde zou moeten liggen65K.L. Krijgsveld, R.C. Fijn, R. Lensink Occurrence of peaks in songbird migration at rotor heights ofoffshore wind farms in the Netherlands. Report 15-314, Bureau Waardenburg bv.. Het feit dat bij de gemeten hoge fluxen op rotorhoogte ook hoge fluxen boven rotorhoogte werden waargenomen, leidt echter tot de conclusie dat tijdens de onderzoeksperiode geen vogeldalingen zijn waargenomen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat er nachten zullen voorkomen waarin veel hogere concentraties vogels door het windpark zullen vliegen dan nu zijn waargenomen. Op basis van de beschikbare gegevens is gekozen voor een grenswaarde van 500 vogels/km/uur op rotorhoogte. Hieruit blijkt dat bij deze grenswaarde 4% van de slachtoffers tijdens ‘gewone’ migratie wordt voorkomen. Echter, wanneer een vogeldaling zich voordoet zal het aantal voorkomen slachtoffers veel hoger uitvallen. Op basis van de gegevens van OWEZ wordt geschat dat deze maatregel jaarlijks circa dertig uur stilstand van de windturbines tot gevolg zal hebben.

7.8.5. Maatregelen (ontwerp) Natura 2000-beheerplannen in verband met rust- en zoogplaatsen zeehonden en vogelconcentraties

De (onderhouds)schepen van de vergunninghouder zullen bij hun vaarbewegingen rekening houden met de maatregelen ten aanzien van scheepvaart die zijn opgenomen in de (ontwerp)beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Voordelta 2015–2021, Deltawateren 2015–2021, Noordzeekustzone 2015–2021 en Waddenzee 2015–2021.

In de Voordelta zal gedurende de winter een afstand van 1.500 meter aangehouden moeten worden (vanwege de aangewezen rustgebieden zoals opgenomen in het beheerplan Voordelta).

In de Waddenzee zullen (onderhouds)schepen minimaal 1.500 meter afstand houden tot rust- en zoogplaatsen van zeehonden en minimaal 500 meter afstand houden van vogelconcentraties van topper en eider.

In de Deltawateren mogen rust- en foerageergebieden voor zeehonden en vogels niet te dicht benaderd worden indien buiten de vaargeul wordt gevaren. Om negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen te beperken, dient ervoor te worden gezorgd dat (onderhouds)schepen een minimale afstand van 500 meter ten opzichte van foeragerende vogels en 1200 meter van op de plaat rustende zeehonden wordt aangehouden.

In de Noordzeekustzone moeten onderhoudsschepen minimaal 500 meter afstand houden van vogelconcentraties van topper, eidereend en zwarte zee-eend alsmede 1.200 meter van het deel van de zandplaat(platen) waarop zich grijze of gewone zeehonden bevinden.

7.8.6. Monitoring

In het MER, de Passende Beoordeling en het KEC worden kennisleemtes aan de orde gesteld met betrekking tot de ecologische effecten tijdens de bouw, exploitatie en verwijdering van het windpark. Daarom zal op grond van dit kavelbesluit monitoring en evaluatie plaatsvinden. In het monitorings- en evaluatieprogramma wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan die onderwerpen waarvoor mitigerende maatregelen zijn opgesteld. De kennis die uit het programma volgt kan ingezet worden om de voorschriften in de kavelbesluiten te optimaliseren. Het monitorings- en evaluatieprogramma wordt door de Minister van Economische Zaken betaald en vastgesteld66Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr 26.. Onderdelen in het monitorings- en evaluatieprogramma betreffen:

De vergunninghouder zal zover redelijk en zonder financiele tegenprestatie meewerken aan dit monitorings- en evaluatieprogramma waarbij gedacht kan worden aan toegang tot het windpark, het (laten) bevestigen van apparatuur op of aan (onderdelen van) windturbines en het bieden van ruimte op de datakabels vanuit de turbines naar een verzamelpunt om de informatie van de sensoren op de juiste plaatsen te krijgen. Hiertoe is een voorschrift opgenomen. De vergunninghouder zal zo tijdig mogelijk op de hoogte worden gebracht van de beoogde installaties en activiteiten.

7.8.7. Bevordering biodiversiteit

Het aanleggen en in gebruik nemen van windparken kan negatieve effecten met zich meebrengen voor biodiversiteit. Om daar op verantwoorde wijze mee om te gaan, kent dit besluit onder meer voorschriften voor mitigerende maatregelen. Daarnaast kunnen windparken in potentie ook voordelen met zich meebrengen voor een gezonde zee en behoud en duurzaam gebruik van van nature in Nederland voorkomende soorten en habitats. Naast het realiseren van bepaalde duurzame vormen van medegebruik (zie paragraaf 6.14), kan door zogeheten natuurinclusief ontwerpen en bouwen ook direct of indirect worden bijgedragen aan behoud en duurzaam gebruik van van nature voorkomende soorten en habitats in Nederland, bijvoorbeeld doordat bepaalde organismen kunnen profiteren van de toegepaste materialen.

Mede vanuit het beleidsdoel om de trend van verslechtering van het mariene ecosysteem om te buigen naar een ontwikkeling in de richting van herstel, is in het besluit een voorschrift opgenomen (voorschrift 2, vijftiende lid) dat de vergunninghouder de verplichting oplegt zich in te spannen het park natuurinclusief te ontwerpen en te realiseren, zodat het park actief bijdraagt aan versterking van een gezonde zee en versterking van behoud en duurzaam gebruik van soorten en habitats die van nature in Nederland voorkomen.

Natuurinclusief ontwerpen en bouwen kan voorzieningen betreffen die direct zijn gerelateerd aan de op te richten windturbines. Tegelijk zijn andere benaderingen die actief bijdragen aan de hiervoor aangegeven doelstellingen niet uitgesloten. Extra installaties en eventuele voorzieningen zijn mogelijk wel vergunningplichtig op grond van de Waterwet als deze niet direct gerelateerd zijn aan de op te richten windturbines.

Nota van beantwoording op zienswijzen over de ontwerpkavelbesluiten I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)

Inhoudsopgave

1. Inleiding en leeswijzer

1.1. Inleiding

Begin juli 2016 zijn de ontwerpkavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid) gepubliceerd op de website van het Bureau Energieprojecten en is in de Staatscourant van 7 juli 2016 een vooraankondiging hierover gepubliceerd. Op 18 augustus 2016 is in onder andere de Staatscourant de kennisgeving gepubliceerd. De ontwerpkavelbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 19 augustus 2016 tot en met 29 september 2016 ter inzage gelegen. Tot en met 29 september 2016 was een ieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen op de ontwerpkavelbesluiten. Overheden konden een reactie geven.

In aanvulling op de bovengenoemde kennisgeving is een aantal overheden en instanties afzonderlijk geïnformeerd. Het betreft onder andere:

Dit document bevat een overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen en reacties, alsmede de beantwoording daarvan. De volledige geanonimiseerde zienswijzen en reacties zijn te vinden op www.bureau-energieprojecten.nl in de ‘Inspraakbundel, Zienswijzen op ‘ONTWERPKAVELBESLUITEN I EN II WINDENERGIEGEBIED HOLLANDSE KUST (ZUID)’ respectievelijk ‘Reactiebundel Reacties op ‘ONTWERPKAVELBESLUITEN I EN II WINDENERGIEGEBIED HOLLANDSE KUST (ZUID)’, beiden van oktober 2016. In beide bundels is ook een ‘Opzoektabel mondelinge, schriftelijke en digitale zienswijzen/reacties’ opgenomen, waarin met het registratienummer het nummer van de reactie of zienswijze kan worden opgezocht. Ook zijn de vooraankondiging en kennisgeving in deze bundels opgenomen.

In de uitvoering van de kabinetsdoelstelling voor windenergie op zee wordt een aantal verschillende besluitvormingsprocedures doorlopen die sterk met elkaar samenhangen. Zo lag tegelijk met de ontwerpkavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid) de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op zee Aanvulling gebied Hollandse Kust ter inzage. Uit de zienswijzen en reacties blijkt dat een nadere toelichting op de samenhang gewenst is. Uit de zienswijzen blijkt ook dat veel reacties over min of meer dezelfde onderwerpen gaan. Omwille van de zelfstandige leesbaarheid van deze nota van beantwoording volgt daarom hieronder een algemeen kader en een algemene beantwoording en toelichting op een aantal aspecten die te maken hebben met de samenhang tussen de procedures of onderwerpen waar veel reacties over zijn ingediend.

1.2. Procedure

Tijdens de m.e.r.-procedure kon gedurende de ter inzage legging van de concept notitie reikwijdte en detailniveau (concept-NRD) van 29 januari tot en met 10 maart 2016 een zienswijze worden ingediend. Binnen de inspraaktermijn zijn in totaal 137 zienswijzen waarvan 111 uniek ontvangen van particulieren en bedrijven. Daarnaast hebben 9 betrokken overheden een reactie gegeven. De betrokken bestuursorganen en wettelijk adviseurs zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau. De notitie reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport kavelbesluit I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) is op 7 juni 2016 vastgesteld.

De Commissie m.e.r. is om advies gevraagd op de ontwerpkavelbesluiten. Op 14 juli 2016 bracht zij een voorlopig toetsingsadvies uit. De Commissie m.e.r. heeft de ontvangen zienswijzen en reacties meegenomen in haar uiteindelijke toetsingsadvies van 31 oktober 2016. Op 31 oktober 2016 is het advies van de Commissie m.e.r. ontvangen over de MER-en van de kavels I en II Hollandse Kust (zuid). De Commissie is van oordeel dat alle informatie in beide MER-en aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de kavelbesluiten.

Op grond van voornoemde stukken zijn de ontwerpkavelbesluiten I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) tot stand gekomen. Tijdens de terinzagelegging van de ontwerpkavelbesluiten, inclusief de MER-en, kon eenieder wederom zijn zienswijzen indienen, die in deze nota worden beantwoord en kunnen leiden tot aanpassing van de kavelbesluiten.

Op de ontwerpkavelbesluiten zijn in totaal 94 zienswijzen (waarvan 76 uniek) en 6 reacties van overheden ontvangen, die in deze nota zullen worden beantwoord.

1.3. Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt kort weergegeven welke plek de kavelbesluiten innemen tussen de andere besluiten over windenergie op zee.

In deze Nota van beantwoording is ervoor gekozen om zo veel mogelijk in samenhang te reageren op de in de zienswijzen veel voorkomende thema’s. Dit gebeurt in hoofdstuk 3 in de vorm van thematische beantwoording en toelichting. Deze thema’s dekken een groot deel van de onderwerpen die verscheidene indieners in hun zienswijze aansnijden.

Hoofdstuk 4 bevat het gehele overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen en reacties, alsmede de beantwoording daarvan. Dit gebeurt in een tabel waarin de zienswijzen op thema zijn opgedeeld in de verschillende opmerkingen. In de rechterkolom wordt de zienswijze beantwoord. Waar mogelijk, verwijst de beantwoording naar hoofdstuk 2 en/of het relevante thema in hoofdstuk 3.

Deze nota van beantwoording eindigt met een transponeringstabel waarin de indiener kan zien waar zijn of haar zienswijzen worden beantwoord.

2. De kavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid) in groter kader

2.1. Windenergie op zee algemeen

De besluitvorming over de kavelbesluiten I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) past in een reeks besluiten die het kabinet in de afgelopen jaren heeft genomen over de groei van windenergie op zee. Inzet is geweest om windenergie op zee te stimuleren tegen zo laag mogelijke kosten. De daarvoor te zetten stappen zijn in besluiten vastgelegd. De duidelijkheid die hiermee ontstaat, is voor het bedrijfsleven van groot belang, om tijdig te kunnen werken aan business cases voor windmolenparken en om te kunnen besluiten over de grote investeringen die hiermee gemoeid zijn. Duidelijkheid is ook goed voor burgers en lokale besturen die immers moeten weten wat ze van het kabinet kunnen verwachten als er meer windmolenparken in hun regio en leefomgeving zullen komen.

In het SER-Energieakkoord voor Duurzame groei67SER (sept. 2013). Energieakkoord voor duurzame groei. Den Haag. (verder: Energieakkoord) is afgesproken dat in 2023 op de Noordzee in totaal 4.450 MW windturbinevermogen operationeel moet zijn. Dat impliceert dat er vanaf 2015 nog 3.500 MW aan opwekkingsvermogen moet worden ontwikkeld. Marktpartijen streven hierbij naar een kostenreductie van 40% bij bouw en exploitatie van windmolenparken. Het kabinet zal zorgen voor een goed investeringsklimaat en voor voldoende geschikte gebieden op de Noordzee. Sinds de medeondertekening van Energieakkoord heeft het kabinet achtereenvolgens een aantal onderzoeken gedaan en ruimtelijke besluiten genomen die hieronder kort worden besproken.

2.1.1. Haalbaarheidsstudie (2013)

Deze studie richtte zich op de vraag, of het mogelijk is om gebieden binnen de grens van 12 zeemijl uit de kust te ontwikkelen als windenergiegebieden. Dit zou naar verwachting goedkoper zijn dan verder weg op zee. Vijf gebieden vanaf 5,5 km uit de kust zijn bestudeerd. Daarbij is gezocht langs de gehele kustlijn in de strook tussen 3 en 12 zeemijl en is gekeken naar de mogelijke nadelen voor andere belangen en activiteiten op zee. Conclusie was, dat de beste mogelijkheden voor windmolenparken liggen aan de landzijdige kant van de al aangewezen gebieden Hollandse Kust (zuid) en (noord). Hier heeft aanvulling de grootste toegevoegde waarde voor het uitgeven van elke keer twee kavels met gezamenlijke capaciteit van 700 MW. Daarnaast kan – door slechts minimaal gebruik te maken van de 12-mijlszone – op deze wijze rekening worden gehouden met de zorgen van kustbewoners over windparken dichtbij de kust. Van de vijf gebieden is daarom na onderzoek besloten, er maar twee voor een deel te benutten; zie onderstaande figuur.

2.1.2. Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee 2014 en Nationaal Waterplan 2009–2015

In deze rijksstructuurvisie heeft het kabinet de windenergiegebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden aangewezen. In het Nationale Waterplan 2009–2015 waren al de windenergiegebieden Borssele en IJmuiden Ver aangewezen.

2.1.3. Routekaart (2014)

In deze brief van 26 september 2014 aan de Tweede Kamer68https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33561-11-n1.html. maakte het kabinet bekend, hoe de opgave uit het Energieakkoord voor windenergie op zee wordt gerealiseerd. Het uitgangspunt voor de routekaart is, dat de opgave voor windenergie op zee het meest kosteneffectief kan worden gerealiseerd door jaarlijks 700 MW windenergiecapaciteit aan te sluiten. Als eerste zal het gebied Borssele voor de Zeeuwse kust worden ontwikkeld. Daarna worden de windparken voor de Zuid-Hollandse en Noord-Hollandse Kust gerealiseerd. Achtereenvolgens worden tenders gehouden voor: Borssele I en II in 2015, Borssele III en IV in 2016, Hollandse Kust (zuid) I en II in 2017, Hollandse Kust (zuid) III en IV in 2018 en Hollandse Kust (noord) V en VI in 2019. Conform het Energieakkoord zullen de windparken vervolgens circa vier jaar later gebouwd zijn, zodat dit alles in 2023 operationeel is. In Hollandse Kust wordt er 2100 MW aan opwekkingsvermogen toegevoegd. De uitgifte van steeds twee kavels van 350 MW houdt verband met de manier waarop aansluiting van windmolenparken op het landelijke transportnet voor elektriciteit zal plaatsvinden. TenneT realiseert dit kosteneffectief via één transformatorstation van 700 MW in zee en twee aanlandingskabels naar de kust.

2.1.4. Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee Aanvulling gebied Hollandse Kust (2016)

In deze rijksstructuurvisie heeft het kabinet het definitieve besluit genomen over de precieze afmeting en ligging van de aanvullingen van de gebieden Hollandse Kust (zuid) en (noord). In de routekaart heeft het kabinet een belangenafweging gemaakt, zoals hierboven is toegelicht. De routekaart (2014) maakt het nodig om twee stroken tussen de 10 en 12 zeemijl toe te voegen aan de al aangewezen gebieden. In de rijksstructuurvisie wordt de principekeuze uit de routekaart getoetst door aanvullend onderzoek en consultaties van stakeholders. Daarbij zijn de mogelijke nadelen die recreatie en toerisme aan de kust ondervinden van de betere zichtbaarheid van windmolenparken op zee nogmaals afgewogen tegen het kostenvoordeel van windmolenparken nabij de kust. Ook zijn de gevolgen voor andere gebruikers van de Noordzee en de natuur nader onderzocht. Deze informatie heeft niet tot nieuwe inzichten geleid die een andere afweging zouden rechtvaardigen.

Ten opzichte van het kaartje in de routekaart zijn twee onderdelen van de aanvulling iets vergroot, namelijk iets meer naar het zuiden bij Hollandse Kust (zuid) en bij Hollandse Kust (noord) aan de noordzijde buiten de 12-mijlszone. Met die extra aanvullingen kan de taakstelling worden gerealiseerd.

In de rijksstructuurvisie heeft het kabinet het zogenaamde voorkeursalternatief definitief aangewezen. Dat is het alternatief uit de ontwerpfase waarin de twee hiervoor genoemde gebiedsaanvullingen in de vergrote afmeting worden toegevoegd aan de windenergiegebieden Hollandse Kust (noord) en (zuid).

2.1.5. Nationaal Waterplan 2016–2021

In het Nationaal Waterplan wordt onder meer het beleid voor de Noordzee vastgelegd (in de Beleidsnota Noordzee, die hier integraal deel van uit maakt). Vervolgens zijn in het Nationaal Waterplan 2016–2021 de stroken tussen de 10 en 12 zeemijl als zoekgebied aangewezen, onder verwijzing naar de nadere besluitvorming in de Rijkstructuurvisie. Ook kunnen al sinds de Nota Ruimte 2005 zichtbare objecten binnen de 12-mijlszone onder voorwaarden worden toegestaan, mits het gaat om werken van nationaal belang.

2.1.6. Net op zee

Op grond van de Elektriciteitswet 1998 is TenneT aangewezen als netbeheerder van een net op zee om daarmee het transport van met windenergie opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet te realiseren en te exploiteren. Ook voor het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) is TenneT voornemens om een net op zee te realiseren dat zorgt voor de stroomverbinding van de windturbines met het landelijke hoogspanningsnet. Het net op zee Hollandse Kust (zuid) bestaat uit:

Dit (deel) project kent zijn eigen procedure binnen het gehele project windenergie op zee, zie www.bureau-energieprojecten.nl. Ook voor dit project wordt een MER opgesteld, waarmee (mogelijke) milieueffecten, bijvoorbeeld op leefomgevingskwaliteit (mens), gezondheid, landschap, natuur, bodem en water in beeld gebracht zodat deze effecten een volwaardige rol kunnen spelen bij de besluitvorming. Het MER zal ook een passende beoordeling bevatten om mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. De concept notitie reikwijdte en detailniveau heeft van vrijdag 29 januari tot en met donderdag 10 maart 2016 ter inzage gelegen. In juni 2016 is de definitieve NRD vastgesteld. Op 20 oktober 2016 heeft de Minister van Economische Zaken het voorkeursalternatief bekendgemaakt: aanlanding op Maasvlakte Noord. De komende periode wordt het voorkeursalternatief uitgewerkt in een door de Ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu te ondertekenen voorbereidingsbesluit, dat bekend zal worden gemaakt door middel van publicaties in de Staatscourant en lokale kranten. Het ontwerp-inpassingsplan wordt naar verwachting in het 2e kwartaal van 2017, samen met het MER en de overige benodigde ontwerpvergunningen, ter inzage gelegd, zodat iedereen gedurende 6 weken een zienswijze kan indienen.

2.2. De kavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid)

De kavelbesluiten worden op grond van de Wet windenergie op zee vastgesteld volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze kavelbesluiten bepalen waar in de op grond van bovenstaande beleid aangewezen windenergiegebieden en onder welke voorwaarden de windparken gebouwd kunnen worden. Na vaststelling van deze kavelbesluiten en publicatie van de subsidieregeling kunnen marktpartijen meedoen aan een subsidietender. Tegelijk met de subsidiebeschikking krijgt de winnaar van de tender ook de vergunning om het windpark te realiseren.

De kavelbesluiten I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) liggen in het aangewezen windgebied Hollandse Kust buiten de 12-mijlzone.

Ten behoeve van de individuele kavelbesluiten zijn milieueffectrapporten (MER-en) opgesteld om te beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) niet op voorhand zijn uit te sluiten, zijn ook Passende Beoordelingen opgesteld.

Op grond van voornoemde stukken zijn de onderhavige ontwerpkavelbesluiten I en II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) tot stand gekomen. Tijdens de terinzagelegging van de ontwerpkavelbesluiten, inclusief de MER-en, kon eenieder wederom zijn zienswijzen indienen. Deze zijn in deze nota van beantwoording beantwoord en leiden soms tot aanpassing van de kavelbesluiten.

3. Beantwoording van de zienswijzen, per algemeen thema

Zoals in de Leeswijzer in paragraaf 1.3 is aangekondigd, reageert het bevoegd gezag in dit hoofdstuk op vaker in zienswijzen gemaakte opmerkingen. Het bevoegd gezag doet dit in de vorm van thematische uiteenzettingen; dit maakt een beantwoording en toelichting mogelijk met meer samenhang en betoogkracht. Dit is ook duidelijker voor de indieners van zienswijzen dan een verbrokkelde beantwoording op alle afzonderlijke opmerkingen.

Dit hoofdstuk begint met een rubriek over energiebeleid en de alternatieve windenergiegebieden. Daarna volgen twee rubrieken met thema’s die van belang zijn voor de bewoners van de kust (bewoners en ondernemers in recreatie en toerisme).

A. Energiebeleid en keuze windenergiegebieden

1. Energiebeleid; alternatieven voor windenergie

Zienswijzen:

Een beperkt aantal indieners van zienswijzen geeft aan dat zij niet overtuigd is van de urgentie van de bouw van windmolens op zee. Voor een deel hiervan geldt, dat zij niet overtuigd zijn dat met het opwekken van windenergie de uitstoot van CO2 verregaand wordt verminderd en indieners zien graag de impact van de windparken op de CO2 vermindering in de besluiten terug. Voor andere indieners geldt, dat zij menen dat andere duurzame energiebronnen binnen afzienbare tijd zodanig grootschalig kunnen worden benut dat windenergie niet of niet in de door de Nederlandse overheid nagestreefde mate nodig is.

Beantwoording:

Nederland voert al enige kabinetten lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van CO2 en het besparen van energiegebruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius69In het klimaatakkoord zoals dat in december 2015 in Parijs is afgesproken wordt zelfs gestreefd naar 1,5 graad Celsius, hiervoor is echter nog geen nieuw beleid vastgesteld. om aldus ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Over dit streven bestaat in feite mondiale eenstemmigheid, gezien de ondertekening van het klimaatakkoord van Parijs (2015) en de inwerkingtreding ervan in oktober 2016. Het uiteindelijke doel hierbij is, om in 2050 een nagenoeg CO2-neutrale economie te bereiken.

Binnen de Europese Unie zijn hiervoor tussendoelen gesteld, namelijk 14% inzet van duurzame energie in 2020 (in het geval van Nederland) en 27% inzet van duurzame energie in 2030 (gemiddeld voor de gehele EU). In het Energieakkoord is 16% inzet van duurzame energie in 2023 afgesproken. In het Energieakkoord is een pakket aan maatregelen afgesproken waarmee die 16% in Nederland haalbaar is, waaronder de bouw van grootschalige windmolenparken in de Noordzee. Besparingen op energiegebruik zijn ook afgesproken en vormen onderdeel van het maatregelenpakket. Er moet 3.500 MW aan windenergie-opwekkingsvermogen op zee worden bijgebouwd. De routekaart (2014) van het kabinet geeft aan, hoe dit doel kan worden bereikt. In hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de nota van beantwoording is toegelicht, welke besluiten het kabinet inmiddels heeft genomen om die 3.500 MW aan windmolenparken op zee mogelijk te maken.

Om de afgesproken doelstelling van 16% duurzame energie in 2023 te halen, zijn alle vormen van duurzame energie nodig. Het kabinetsstandpunt hierover is neergelegd in het Energierapport ‘Transitie naar duurzaam’ van januari 201670https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31510-50.html. Hierin wordt gesteld dat Nederland vanwege zijn windrijke ligging goede mogelijkheden heeft voor windenergie, met name op zee. Alhoewel de opbrengsten op zee hoog zijn, is windenergie op zee vanwege de moeilijke fysieke omstandigheden duurder dan windenergie op land. Bovendien nemen de aansluitkosten sterk toe naarmate de afstand tot de kust groter wordt. De potentiële productie door windenergie op zee bedraagt 34 GigaWatt en dat van windenergie op land op 8 GigaWatt. Om deze reden is op de Noordzee een aantal windenergiegebieden aangewezen die een veel grotere capaciteit hebben dan de nu voor 2023 nagestreefde 4.450 MW. Deze korte-termijn-doelstelling kan worden gerealiseerd in meest nabij de kust gelegen windenergiegebieden. Als de kosten van offshore windenergie voldoende dalen, kunnen ook de verder weg gelegen windenergiegebieden van Hollandse Kust en het gebied IJmuiden Ver in gebruik worden genomen.

In de kamerbrief bij het aanbieden van het Energierapport is aangegeven, dat een dialoog over de transitie naar een duurzame energievoorziening moet bijdragen aan de verdere vormgeving van de energietransitie. De dialoog zal uitmonden in een beleidsagenda met concrete voorstellen die eind 2016 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Vooralsnog zijn veel duurzame energietechnologieën duurder dan fossiel opgewekte energie. Om projecten van de grond te krijgen, is financiële ondersteuning voor de meerkosten nodig. Op 19 mei 2015 zijn de maximale tenderbedragen zoals die volgen uit het Energieakkoord voor de tenders in Hollandse Kust bekend gemaakt. Op 5 juli 2016 is de uitslag van de tender voor de eerste twee parken in het windpark Borssele bekend gemaakt. De uitslag laat zien, dat de kosten (en daarmee de benodigde financiële ondersteuning vanuit de Stimuleringsregeling Duurzame Energie+) steeds verder dalen. De verwachting is dat deze trend zich doorzet.

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van windenergie op zee een goede en kostenefficiënte keuze is voor het gevoerde klimaatbeleid en een noodzakelijke keuze voor het bereiken van 16% duurzame energie in 2023.

2. Ruimtelijke alternatieven en de kosten van gebieden

Zienswijzen:

Een deel van de indieners heeft voorkeur voor bouw in het windenergiegebied IJmuiden Ver. Deze indieners geven aan, dat zij menen dat de kosten van de bouw in IJmuiden Ver niet (veel) hoger behoeven te zijn dan in Hollandse Kust (zuid). Met verwijzing naar een rapport (Benchmarking onderzoek Hollandse Kust en IJmuiden Ver, Ardo de Graaf) van Stichting Vrije Horizon stellen zij, dat de berekening van de effecten op de business case van windmolenparken in IJmuiden Ver om meerdere redenen niet klopt. Ten eerste kan in dat gebied een groter schaalvoordeel worden gehaald dan nu gebeurt omdat het gebied maar ten dele wordt gebruikt. Ten tweede heeft de tender voor de kavels I en II windenergiegebied Borssele aangetoond dat de kosten inmiddels lager liggen dan waarmee ECN heeft gerekend.

Beantwoording:

In het afgelopen jaar heeft de Minister van Economische Zaken meerdere malen gerapporteerd over de kostenverschillen tussen de verschillende windenergiegebieden Hollandse Kust en IJmuiden Ver in brieven van 12 februari 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr. 24), 12 mei 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr. 28) en laatstelijk 15 november 2016 (Kamerstukken II, 2016/17, 33 561, nr. 33).

In de brief van 12 mei 2016 informeerde de Minister de tweede kamer over de meerkosten van 3 miljard euro voor realisatie van de volledige 2.100 MW windenergie op zee op de locatie IJmuiden Ver in plaats van op de dichterbij gelegen locaties voor de Noord- en Zuid-Hollandse Kust conform de routekaart (Kamerstukken I/II, 2014/15, 33 561, nr. 11). Deze bedragen kwamen overeen met de eerdere kostenramingen van ECN uit 2015 waarop ook het Decisio-rapport is gebaseerd.

Adviesbureau Decisio heeft de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) voor het bouwen van windmolens binnen de 12-mijlszone uit 2014 verder uitgewerkt en verfijnd en de vraag beantwoord, wat de effecten op de werkgelegenheid en economie van de kustgemeenten zullen zijn. Dit laatste deel is ook een uitvoering van de motie Van Veldhoven en Mulder (Kamerstukken II, 2014/15, 34 058, nr. 30).

Uit het rapport van bureau Decisio van januari 201671Kamerbrief https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33561-24.html, rapport Decisio (jan. 2016). Regionale effecten windmolenparken op zee; maatschappelijke effecten en analyse regionaal economische impact. Amsterdam. wordt duidelijk dat, ook indien men zou uitgaan van pessimistische veronderstellingen ten aanzien van de belevingseffecten van de windparken, er sprake is van een robuust maatschappelijk voordeel bij de realisatie van windenergie binnen de strook van 10 tot 12 zeemijl uit de kust ten opzichte van verder uit de kust gelegen gebieden. De kostenbesparing is namelijk een veelvoud van het mogelijke maatschappelijke nadeel in de sfeer van zichtbeleving. Vanwege de veel lagere subsidiekosten voor de eerste tender Borssele is door ECN opnieuw gekeken naar de kosten zoals die eerder zijn geraamd. Daaruit blijkt dat de subsidiekosten voor IJmuiden Ver 1,6 miljard euro hoger zijn dan voor Hollandse Kust. Decisio heeft op basis van de nieuwe ECN ramingen zijn MKBA-cijfers opnieuw bezien. De conclusies van deze herberekening worden samengevat in onderstaande tabel.

Bij de berekening van de gevolgen voor recreatie en toerisme is gewerkt met cijfers over verblijfsrecreanten van Nederlandse en buitenlandse herkomst en met twee schattingen van het aantal dagrecreanten langs de kust van Noord- en Zuid-Holland tussen Scheveningen en Bergen aan Zee. In de berekening zijn de gemiddelde uitgaven gebruikt die deze recreanten doen tijdens hun verblijf. De schadeberekening voor recreatie is gebaseerd op een hoog scenario voor het wegblijven van dag- en verblijfsrecreanten ingeval de zone van 10 – 12 zeemijl zou worden bebouwd. Het is echter onzeker of ze dat daadwerkelijk zullen doen: uit onderzoek is gebleken dat mensen vaak niet doen wat ze in enquêtes zeggen te zullen doen.

Bureau Decisio onderscheidt daarom een bandbreedte voor de gedragseffecten: voor Nederlandse verblijfs- en dagrecreanten zou in het meest ongunstige geval – namelijk, dat mensen die zeggen weg te blijven ook echt wegblijven – een daling van bezoeken optreden van 10%. Voor buitenlandse toeristen is dat 5%. Zoals gezegd, is het echter niet waarschijnlijk dat die extreme situatie zich zal voordoen. In het gunstigste geval zijn er geen effecten.

Bureau Motivaction heeft in 2016 nieuw onderzoek gedaan naar de beleving van de windparken. Daarbij is gebleken dat als je mensen onbevangen laat reageren op realistische foto’s met en zonder windparken hooguit 0–5% aangeeft niet of minder naar het strand te zullen gaan vanwege de zichtbaarheid van windparken. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat als je mensen laat reageren op expliciet voorgelegde foto’s met en zonder windparken, 60–70% aangeeft dat ze een strand met windparken net zo aantrekkelijk vinden als een strand zonder. Circa 20% vindt het strand iets minder aantrekkelijk, en 5–7% vindt het veel minder aantrekkelijk. Daar staat tegenover dat 3–7% het strand iets aantrekkelijker vindt, en 2–5% het veel aantrekkelijker vindt. Bureau Motivaction concludeert dat het over het algemeen weinig effect verwacht van de zichtbaarheid van de windparken voor het strandtoerisme.

Op de berekening van de effecten op de business case van windmolenparken in IJmuiden Ver is kritiek geuit door Stichting Vrije Horizon, die zich baseert op een rapport van bureau De Graaf. Door veel indieners wordt naar deze kritiek verwezen. De kritiek komt erop neer, dat de bouw- en onderhoudskosten in IJmuiden Ver te hoog zijn ingeschat, de elektriciteitsopbrengst in dit windrijke gebied is onderschat en dat te behalen schaalvoordelen niet zijn meegerekend. Wat kosten betreft, wordt gewezen op de uitkomst van de tender van windkavels I en II in het windenergiegebied Borssele. De Stichting wijst er ook op, dat met de bouw in IJmuiden Ver de nadelen voor het toerisme aan de kust kunnen worden vermeden.

In de brief van 15 november 2016 (Kamerstukken II, 2016/17, 33 561, nr. 33). reageert de Minister op het rapport van Stichting de Vrije Horizon. De uitslag van de eerste tender voor Borssele, waaruit bleek dat de kosten van windenergie op zee flink zijn gedaald, was voor de Minister aanleiding om aan ECN te vragen om het kostenverschil tussen het plaatsen van windturbines in de gebieden van de routekaart (inclusief de strook van 10–12 mijl uit de kust) en verder weg op zee nogmaals tegen het licht te houden. Dit onderzoek van ECN geeft aan dat het plaatsen van windmolens in de gebieden uit de routekaart, inclusief de strook van 10-12 mijl uit de kust, goedkoper is en blijft dan plaatsing in IJmuiden Ver. Het verschil bedraagt, rekening houdend met alle kostenreducties die blijkens de uitslag van de eerste tender voor Borssele hebben plaatsgevonden, naar de huidige inzichten 1,6 miljard euro. Deze meerkosten zijn weliswaar lager dan de 3 miljard euro die ECN in mei 2016 had becijferd, maar nog steeds substantieel.

De aanpassing van de raming van de meerkosten wordt grotendeels veroorzaakt door lagere kapitaallasten en de inmiddels gebleken grotere commerciële inzetbaarheid van 6-8 MW turbines. Tot dusver werd er vanuit gegaan dat turbines in de klasse van 6-8 MW nog niet rijp waren voor grootschalig commercieel gebruik. De technische ontwikkeling gaat op dit gebied echter sinds 2015 sneller dan verwacht en laat een schaalsprong zien, zodat in Borssele al turbines van 8 MW kunnen worden geplaatst. Deze turbines maken het mogelijk om de voordelen van de locatie IJmuiden Ver, zoals de hogere windsnelheid, beter te benutten. Een tegengestelde beweging treedt op bij de onderhoudskosten. Deze kosten zijn over de gehele linie fors gedaald, maar voor de locaties voor de Hollandse Kust meer dan voor de locatie IJmuiden Ver. ECN concludeert dat bij de huidige prijsinzichten het plaatsen van windmolens op de locatie IJmuiden Ver significant duurder blijft dan op de locaties voor de Hollandse Kust.

De meerkosten van 1,6 miljard euro in de geactualiseerde raming vloeien grotendeels voort uit de meerkosten van de netaansluiting. Het simpele feit dat IJmuiden Ver vier maal zo ver uit de kust ligt als de gebieden voor de Hollandse Kust verklaart in hoofdzaak het kostenverschil. Ook de windparken zelf blijken op de locatie IJmuiden Ver nog steeds iets duurder vanwege de grotere afstand en grotere waterdiepte. De meerkosten worden slechts ten dele gecompenseerd door de hogere windopbrengsten van de windparken in IJmuiden Ver.

Het nader onderzoek verricht door ECN in haar studie ‘Kosten IJmuiden Ver in relatie tot Hollandse Kust’ in opdracht van Stichting Vrije Horizon was vooral gericht op het verkennen van mogelijkheden om tot kostenbesparingen bij IJmuiden Ver te komen. Het ECN-onderzoek bevestigt dat bouwen verder op zee aanzienlijk duurder blijft. Vervolgens heeft de stichting een second opinion op deze studie laten uitvoeren door bureau Ardo de Graaf, genaamd ‘Benchmarking onderzoek offshore wind Hollandse Kust en IJmuiden Ver’. De verschillen tussen het onderzoek van ECN en het onderzoek van bureau Ardo de Graaf zijn daarna door de stichting samengevat in een white paper ‘Vergelijkend onderzoek kosten offshore wind Hollandse Kust en IJmuiden Ver’.

De second opinion door bureau Ardo de Graaf levert een aanzienlijk gunstiger beeld op van de kosten van het plaatsen van windmolens op de locatie IJmuiden Ver ten opzichte van de locaties voor de Hollandse Kust. De Minister van Economische Zaken heeft diverse deskundigen (TenneT, TU Delft, Deltares en bedrijven uit de windenergiesector) gevraagd het rapport van bureau Ardo de Graaf te beoordelen. Deze second opinion bevat naar de mening van deze deskundigen op een groot aantal onderdelen fouten, waardoor een verkeerd beeld wordt geschetst van het relatieve kostenverschil tussen de locatie IJmuiden Ver en voor de Hollandse Kust. Dit commentaar is in lijn met opmerkingen die door diverse deskundigen zijn geplaatst tijdens een rondetafelgesprek dat op 13 oktober jl. in de Tweede Kamer plaatsvond. In het kader van deze nota van beantwoording gaat het te ver om in detail op alle kritiekpunten op het rapport van bureau Ardo Graaf in te gaan. Hiervoor wordt verwezen naar de brief van 15 november 2016 (Kamerstukken II, 2016/17, 33 561, nr. 33).

Op basis van de bevindingen van de bureaus Decisio en Motivaction en de beoordeling van de kritiek van Stichting Vrije Horizon heeft het bevoegd gezag afgewogen, dat de met zekerheid te verwachten financiële nadelen van het ontwikkelen van windmolenparken buiten het zicht van de kust (IJmuiden Ver) of de windenergiegebieden Hollandse Kust (zuid) en (noord) duidelijk zwaarder moeten wegen dan de mogelijke (maar onzekere) economische nadelen voor de badplaatsen. Ook heeft meegewogen, dat de andere windenergiegebieden op de Noordzee waarschijnlijk op enig moment eveneens benodigd zijn voor de bouw van windmolenparken. Deze windenergiegebieden zijn immers niet aangewezen om vervolgens elkaars alternatief te vormen. De ontwikkeling van windenergie op de Noordzee zal doorgaan zolang het een in vergelijking met andere klimaatmaatregelen en in de transitie naar duurzame energiehuishouding een kosteneffectieve optie is.

3. Zuinig omgaan met de waarden van de kust

Zienswijzen:

Een aantal indieners (zowel personen als gemeenten) wijst erop dat het dicht bij de kust bouwen van windmolenparken een blijvende aantasting is van een kernwaarde van de kust, namelijk het uitzicht op de vrije horizon. Ze wijzen op het voorlopig Kustpact waarin de ondertekenende partijen zullen onderschrijven dat de kwaliteit van de kustzone samenhangt met de kernkwaliteiten en collectieve waarden van de kustzone.

Beantwoording:

De Minister deelt de mening van de indieners, dat het uitzicht op een vrije horizon boven zee één van de kernkwaliteiten is van de kust. De belangrijkste andere kernkwaliteiten zijn de concentratie van woonbebouwing en de aanwezigheid van hoogwaardige natuurgebieden. Deze kernkwaliteiten dragen bij aan de leefbaarheid van de Randstad en aan het internationale vestigingsmilieu aldaar.

Daarom hebben voorgaande kabinetten al regels vastgelegd in beleidsnota’s die beogen deze kernkwaliteiten te beschermen. Dit gebeurde in de Nota Ruimte, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het eerste Nationale Waterplan 2009–2015. Daar zijn deze kernkwaliteiten vertaald in een vrije horizon tot 12 zeemijl (inclusief een verbod op de bouw van zichtbare permanente werken), een bescherming van het kustfundament en een sterke beperking van de bouwmogelijkheden op de kust zelf. Daarnaast zijn enkele jaren geleden vrijwel alle duingebieden langs de kust aangewezen als Natura2000-gebied.

In het eerste Nationaal Waterplan 2009–2015 is bij de formulering van het beleid voor zicht op een vrije horizon tevens vastgelegd dat een uitzondering op het verbod op de bouw van zichtbare permanente werken mogelijk is ingeval van een nationaal belang en als er geen reële alternatieven zijn, en dat de bouw van windmolens een dergelijk belang is. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is het ‘zicht op de vrije horizon’ opgenomen als kernkwaliteit van de Noordzeekust. Dit beleid is herbevestigd in het (tweede) Nationale Waterplan 2016–2021.

Concluderend stelt de Minister dat er het nodige beleid is vastgesteld waarmee de kernkwaliteiten van de kust worden beschermd. Wel is steeds in beleidsnota’s over de Noordzee bij de bescherming van het zicht op een vrije horizon een mogelijkheid gecreëerd voor het toestaan van windmolenparken, omdat hiermee een nationaal belang gemoeid is.

B. Mogelijke effecten voor gebruikers van de kust

1. Mogelijke gevolgen voor bewoners: zicht en huizenprijzen

Zienswijzen:

Veel bewoners van dorpen aan de kust geven aan dat zij zicht op windmolens in zee als een ernstige verstoring van hun vrije uitzicht op zee ervaren. Ook ’s nachts wordt de verlichting van de windmolens als hinderlijk ervaren. Veel bewoners zijn met vrij uitzicht opgegroeid en eraan gehecht; anderen zijn mede vanwege het uitzicht en de ruimtebeleving aan de kust gaan wonen. Enkele indieners benadrukken dat dit uitzicht letterlijk bijdraagt aan hun geestelijke gezondheid. Door een aantal indieners wordt de cijfers over de zichtbaarheid van windmolenparken bestreden. Indieners noemen veel hogere percentages die zij baseren op eigen waarnemingen of op KNMI-gegevens. In een tiental zienswijzen wordt door bewoners de zorg uitgesproken dat de bouw van windmolenparken nadelige gevolgen heeft voor de huizenprijzen.

Beantwoording:

Uiteraard kan het bevoegd gezag begrip opbrengen voor de gevoelens van bewoners van de kust die negatief oordelen over de zichtbaarheid van windmolenparken op zee en de aantasting van de beleving van de vrije horizon en het effect op de ondergaande zon. In de kavelbesluiten heeft het bevoegd gezag hierin een zorgvuldige afweging gemaakt. Daarom is het realiseren van windenergie die betaalbaar en op korte termijn realiseerbaar is, gecombineerd met het streven om de zichthinder voor kustbewoners zoveel mogelijk te beperken.

Naar de effecten van de zichtbaarheid van windmolenparken langs de Hollandse Kust ten gevolge van de bouw van windmolens in de aanvullingen van Hollandse Kust heeft adviesbureau Motivaction onderzoek gedaan. Hierop wordt in thema B2 dieper ingegaan.

Samenvattend blijkt uit het onderzoek van bureau Motivaction, dat als je mensen onbevangen laat reageren op realistische foto’s met en zonder windparken, hooguit 0–5% aangeeft niet of minder naar het strand te zullen gaan vanwege de zichtbaarheid van windparken. Uit hetzelfde onderzoek blijkt, dat als je mensen laat reageren op expliciet voorgelegde foto’s met en zonder windparken, 60–70% aangeeft dat ze een strand met windparken net zo aantrekkelijk vinden als een strand zonder. Circa 20% vindt het strand iets minder aantrekkelijk en 5–7% vindt het veel minder aantrekkelijk. Daar staat tegenover dat 3–7% het strand juist iets aantrekkelijker vindt, en 2–5% het veel aantrekkelijker vindt. Bureau Motivaction concludeert, dat het over het algemeen weinig effect verwacht van de zichtbaarheid van de windparken voor het strandtoerisme.

In zienswijzen wordt gesteld dat de zichtbaarheid van het windmolenpark Luchterduinen al erg hinderlijk is en dat daarmee een grens is bereikt. Ook de inbreng van enkele indieners, dat het KNMI voor Schiphol een zicht tot meer dan 22,2 km heeft vastgesteld voor meer dan 50% van de tijd, is een selectief gegeven, aangezien deze meting is gebaseerd op één steekproef van anderhalve maand in de periode augustus en september.

In hoofdstuk 9 van de MER-en voor Kavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid) worden de effecten beschreven van de zichtbaarheid van de windmolens vanaf het strand. De afstand tot de kust van deze windturbines is over het algemeen dermate groot, dat de meteorologische omstandigheden de zichtbaarheid van de windturbines sterk beperken. De kortste afstand tussen de windturbines op zee in kavel I en het strand bedraagt 22,2 kilometer (Noordwijk). Op deze afstand is een windpark in de zomerperiode gemiddeld overdag 18,8%van de tijd zichtbaar. Gebruik is gemaakt van zichtbaarheidsdata van KNMI weerstations die zijn verzameld over enkele decennia en geven daarmee een betrouwbaar beeld. Voor de kavelbesluiten I en II is gekozen voor data die beschikbaar zijn van weerstation 225 IJmuiden. Er is voor dit weerstation gekozen aangezien deze het dichtstbijzijnde station is. In bijlage 10 bij de MER-en is een vergelijking gemaakt met het gebruik van data van weerstation de Kooy. In tabel 9.7 zijn de langjarige gemiddelde zichtafstanden, gemeten over 1971 – 2002 in station IJmuiden, van een windpark in kavel I en II weergegeven voor de zomerperiode (mei-september). Ook is het percentage gegeven van de tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Op basis van tabel 9.8 kan berekend worden dat 18,8% van de tijd de meteorologische omstandigheden in de zomerperiode overdag zo zijn dat (een deel van) het windpark op 22,2 km afstand zichtbaar is. Op grotere afstand van het windpark nemen de zichtbaarheidspercentages sterk af. Ondanks deze gegevens, beseft het bevoegd gezag, dat juist de bewoners van de kust op heldere dagen doorgaans in staat zullen zijn windmolenparken te zien.

De verlichting ten behoeve van de luchtvaartveiligheid waaraan onder andere windmolens moeten voldoen, is vastgelegd in specifieke regelgeving. Naar aanleiding van onderzoek dat hiernaar recent is verricht, is deze regelgeving zodanig aangepast dat het mogelijk wordt de verlichting van windmolens meer te dimmen naarmate het zicht beter is, zodat dit minder effect heeft op de omgeving72https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2016/11/15/informatiebladen-windturbines.. In de kavelbesluiten wordt voorgeschreven dat de verlichting vastbrandend is in plaats van knipperend. Dit is uiteraard getoetst aan de veiligheid voor scheepvaart en luchtvaart.

Het bevoegd gezag heeft concluderend afgewogen, dat een toename van de zichtbaarheid van de windmolenparken minder zwaar weegt dan de gevolgen voor de subsidiebehoefte van windmolenparken indien deze verder weg op zee moeten worden gebouwd. Daarnaast zijn er ten behoeve van het zicht ’s nachts goede mitigerende maatregelen beschikbaar om de in zienswijzen geuite hinder en overlast zo veel mogelijk te beperken.

Over de vrees dat huizenprijzen aan de kust zullen dalen als er windmolenparken zichtbaar in zee staan, merkt het bevoegd gezag het volgende op. Over dit aspect van de economie van de kustregio is door bureau Decisio gerapporteerd. Uit een onderzoek, dat in het kader van de Haalbaarheidsstudie door de Vrije Universiteit en het Kadaster is uitgevoerd bij Nederlandse woningen met zicht op windmolens in zee, is er bij woningen die in de periode 1993 en 2012 tweemaal zijn verkocht geen significant verschil gevonden met de ontwikkeling van de woningprijzen aan de kust zonder zicht op windmolens73Brugman, L., Rouwendal, J. en Levkocich, O. (2013). Effecten van offshore windmolenparken op woningprijzen. VU & Kadaster.. Ook uit verschillende internationale onderzoeken blijkt volgens bureau Decisio, dat geen significant verschil optreedt in de woningprijzen voor en na de bouw van windmolenparken.

Het bevoegd gezag ziet concluderend op basis van de bevindingen met betrekking tot woningprijzen geen reden om af te zien van de het vaststellen van de kavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid).

2. Zicht en beleving door recreanten

Zienswijzen:

Veel indieners zijn van mening dat de conclusies van Motivaction over de percentages bewoners en bezoekers van de kust die negatief oordelen over zichtbare windturbines op zee niet juist zijn.

Reactie:

Naar de gevolgen van de toenemende zichtbaarheid van windmolenparken langs de Hollandse Kust ten gevolge van de bouw van windmolens in de windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) heeft adviesbureau Motivaction onderzoek gedaan. Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van foto’s van strand-/zeegezichten die een zo realistisch mogelijke indruk geven van de zichtbaarheid bij helder weer van een zee zonder windmolenparken en van een zee met windmolenparken op respectievelijk 10 en 12 zeemijl uit de kustlijn. Bureau Motivaction heeft op basis van bestaande panoramafoto’s van strand/zeegezichten tien uitsneden gemaakt die verschillen in contextuele factoren, zoals weersomstandigheden, tijdstip waarop de foto is gemaakt, objecten op het strand, mensen op het strand, boten in zee, reeds bestaande windmolens in zee en de kijkrichting en kijkhoek. De weersomstandigheden en het tijdstip waarop de foto is gemaakt, zijn direct van invloed op de zichtbaarheid van de molens. De geselecteerde foto’s zijn allemaal realistische beelden die passen in een spectrum van geringe tot sterke zichtbaarheid.

De belangrijkste bevindingen van het publieksonderzoek staan in onderstaande tekstbox.

In dit onderzoek zijn ook foto’s van strand/zeegezichten aan dagtoeristen en verblijfstoeristen getoond. De uitkomsten hiervan staan in onderstaande tekstbox.

Uit het onderzoek van bureau Motivaction blijkt dus, dat als je mensen onbevangen laat reageren op realistische foto’s met en zonder windparken hooguit 0 – 5% aangeeft niet of minder naar het strand te zullen gaan vanwege de zichtbaarheid van windparken. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat als je mensen laat reageren op expliciet voorgelegde foto’s met en zonder windparken, 60 – 70% aangeeft dat ze een strand met windparken net zo aantrekkelijk vinden als een strand zonder. Circa 20% vindt het strand iets minder aantrekkelijk en 5 – 7% vindt het veel minder aantrekkelijk. Daar staat tegenover dat 3 – 7% het strand iets aantrekkelijker vindt, en 2 – 5% het veel aantrekkelijker vindt. Bureau Motivaction concludeert dat het over het algemeen weinig effect verwacht van de zichtbaarheid van de windparken voor het strandtoerisme.

Concluderend onderschrijft het bevoegd gezag de bevindingen van bureau Motivaction. Dit overziende, acht het bevoegd gezag het effect voor de beleving van de vrije horizon op zee beperkt en aanvaardbaar.

3. Mogelijke gevolgen voor ondernemers: toerisme, economie en werkgelegenheid

Zienswijzen:

Veel indieners vinden dat het rapport van bureau Decisio de meerkosten van windmolenparken in IJmuiden Ver en Hollandse Kust (west) niet op de juiste manier vergelijkt met de verminderde inkomsten uit recreatie en toerisme in de badplaatsen en de daaruit voortvloeiende verliezen aan banen. Die meerkosten slaan neer op de Nederlandse samenleving (en zijn berekend voor 20 jaar) terwijl de verminderde inkomsten hevig worden gevoeld in de dorpsgemeenschappen. Daarbij voeren indieners ook aan dat er waarden zijn, zoals ervaring van schoonheid, die niet in geld kunnen worden uitgedrukt. Indieners met een belang bij het toerisme vinden dat de schade aan de regionale economie zo groot is, dat voor een ander alternatief moet worden gekozen. Sommige indieners menen dat bureau Decisio werkt met een verkeerde omrekenfactor voor de afleiding van het verlies aan banen.

Andere indieners wijzen erop, dat de berekening van de effecten op de business case van windmolenparken in IJmuiden Ver om meer redenen niet klopt. Zie hiervoor ook bij Thema A2. Dit brengt enkele indieners ertoe, voor te stellen dat de meevaller bij de tender van Borssele I en II wordt gebruikt om de ondernemers in de toeristische sector langs de Hollandse Kust te compenseren voor hun schade. Ook vinden indieners, dat niet kan worden gesteld dat dit banenverlies zal worden gecompenseerd door meer werkgelegenheid in de offshore-industrie. Daar heeft de regionale arbeidsmarkt van verschillende badplaatsen niets aan, want die banen komen terecht in de grote zeehavens.

Beantwoording :

Wat betreft de kritiek op de benadering van kosten, wijst het bevoegd gezag er op, dat het bij beslissingen over de inrichting van Nederland vrijwel altijd te maken heeft met een nationaal belang en met lokale en regionale belangen, en dat die niet zelden strijdig zijn. Om toch zulke beslissingen te kunnen nemen, worden die belangen politiek gewogen en zo goed mogelijk gemotiveerd. Beperking van nadelen voor de regio speelt daarin altijd een rol.

Bij de berekening van de gevolgen voor recreatie en toerisme heeft bureau Motivaction gewerkt met cijfers over verblijfsrecreanten van Nederlandse en buitenlandse herkomst en met twee schattingen van het aantal dagrecreanten langs de Hollandse Kust. In rekening zijn gebracht de gemiddelde uitgaven die deze recreanten doen tijdens hun verblijf. Het gaat hierbij om de volgende aantallen per jaar en uitgaven:

Wanneer er door de aanleg van windparken op de aangewezen gebieden dichter op de kust mogelijk minder toeristen naar de kust komen, dan heeft dat ook een impact op de werkgelegenheid in de recreatiesector. In het Decisio-rapport wordt dit effect berekend op tussen de 0 en 1.250 voltijdbanen. Dat aantal van 1.250 minder voltijdbanen treedt alleen op in het hoge scenario, het scenario dus, waarin alle mensen die zeggen weg te zullen blijven na de komst van de windparken ook echt wegblijven. Zoals gezegd is het echter niet waarschijnlijk dat die extreme situatie zich zal voordoen. Het onderzoek van bureau Motivaction bevestigt, dat de werkgelegenheidseffecten zich binnen de bandbreedte van het rapport van bureau Decisio zullen bevinden. In het lage scenario zijn er geen negatieve effecten op het aantal bezoekers.

Het bouwen en exploiteren van een windpark genereert banen. Voor de assemblage en aanleg gaat het dan om ongeveer 1.600 voltijdbanen aan tijdelijke Nederlandse werkgelegenheid. Het onderhoud en de exploitatie van de windparken biedt permanent werk aan ongeveer 475 mensen. Die permanente werkgelegenheid zal voor een deel in de kustregio ontstaan in en rond plaatsen met een haven (Den Helder, IJmuiden, Rotterdam en Scheveningen).

Geconcludeerd kan worden dat er bij realisatie van windparken op de aangewezen gebieden weliswaar verschuivingen van werkgelegenheid kunnen optreden tussen en binnen sectoren en regio’s, maar dat het netto-effect op de lange termijn gering zal zijn.

Veel indieners geven aan dat zij hun kritiek baseren op het onderzoek van Stichting Vrije Horizon. In de brief van 15 november 2016 (Kamerstukken II, 2016/17, 33 561, nr. 33) heeft de Minister van Economische Zaken een reactie gegeven op het onderzoekrapport van Stichting Vrije Horizon. Hij concludeert hierin, dat ook na actualisatie van de business case op basis van de nieuwe ECN-gegevens het kostenvoordeel van dichterbij de kust bouwen nog steeds substantieel groter is dan het ingeschatte maatschappelijk nadeel in termen van verminderde zichtbeleving en schade aan toerisme. Met dezelfde argumentatie als in deze brief worden ook de zienswijzen over werkgelegenheid hier weerlegd.

Indien toch blijkt dat nadeel wordt ondervonden door betrokkenen kan een separaat besluit genomen worden over de vraag of nadeelcompensatie verschuldigd is aan degenen die mogelijkerwijs hinder ondervinden van de aangewezen kavels. In die besluiten wordt overeenkomstig de criteria voor nadeelcompensatie getoetst of eventuele schade voorzienbaar was, of sprake is van een bijzondere last en of de last het normale bedrijfsrisico te boven gaat.

Het bevoegd gezag ziet, samenvattend, in de aangevoerde opmerkingen over de schade aan de regionale economie geen reden om een andere afweging te maken in de kavelbesluiten I en II Hollandse Kust (zuid).

4. Tabel: beantwoording van de afzonderlijke zienswijzen

1 In bijlage 4 wordt per abuis verwezen naar pagina 20 – alinea 3.

Verklarende woordenlijst kavelbesluit

III. Voorschriften

Voorschrift 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Windpark en bandbreedten

Voorschrift 3. De vergunning

De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 30 jaar.

Voorschrift 4. Mitigerende maatregelen.

Voorschrift 5. Monitorings- en evaluatieprogramma

Voorschrift 6. Verwijdering

De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning.

Voorschrift 7. Financiële zekerheid

Bijlage. bij de voorschriften

Voorschrift 2, eerste lid

Voorschrift 2, tweede lid en derde lid

Voorschrift 2, veertiende lid

Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta75http://www.noordzeeloket.nl/images/Beheerplan%20Voordelta%20definitief%2016%20juli%202008_924.pdf., het Beheerplan Deltawateren76http://www.rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/DW+documenten/default.aspx., Ontwerpbeheerplan Noordzeekustzone77http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/beheerplan/noordzeekustzone-ontwerpbeheerplan.pdf. en Ontwerpbeheerplan Waddenzee78http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/001/beheerplan/waddenzee-ontwerpbeheerplan.pdf..

Het om de volgende rustgebieden:

Bij deze gebieden zijn de volgende voorwaarden beschreven:

Verder gaat het in het gebied om de volgende belangrijke platen:

Hiervan zijn als rustgebieden aangewezen:

Platen en rustgebieden in de Waddenzee en Noordzeekustzone staan weergegeven in:

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/001/beheerplan/Waddenzee-kaartenbijlage-ontwerpbeheerplan.pdf

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/beheerplan/Noordzeekustzone-kaartenbijlage-ontwerpbeheerplan.pdf

Bij de aanwezigheid van op de platen rustende zeehonden zal een minimale afstand van 1.200 m aangehouden moeten worden.

Ten aanzien van concentraties rustende vogels dient er buiten de vaargeul een afstand te worden gehouden van 500 meter.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)