Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 22 december 2016, Minbuza-2016.773162, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2017–2020)
Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;1Stb. 2005, 137.
Gelet op artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;2Stcrt. 2005, 251.
Besluiten:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Voor subsidieverlening in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 ten behoeve van activiteiten, bedoeld in artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie Buitenlandse Zaken 2006, geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2021 een subsidieplafond van EUR 21,55 miljoen.
De op grond van het in het eerste lid genoemde plafond beschikbare middelen zijn als volgt verdeeld over de volgende thema’s:
| a. | Mensenrechtenverdedigers: | EUR 2.900.000; |
|---|---|---|
| b. | Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en personen met een interseksconditie (LHBTI): waarvan EUR 1.100.000 beschikbaar is voor activiteiten gericht op Rusland en Centraal Azië; | EUR 3.200.000, |
| c. | Ernstigste schendingen: | EUR 2.000.000; |
| d. | Vrijheid van meningsuiting: waarvan EUR 1.450.000 beschikbaar is voor activiteiten gericht op het faciliteren van juridische bijstand, verzekeringen en veiligheidstrainingen van (Nederlandse) journalisten in nood in het buitenland; | EUR 4.350.000, |
| e. | Internetvrijheid: | EUR 2.900.000; |
| f. | Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging: | EUR 2.100.000; |
| g. | Mensenrechten en bedrijfsleven: | EUR 2.100.000; |
| h. | Straffeloosheid van internationale misdrijven: | EUR 2.000.000. |
Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:43 van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3
Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier3https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.
Aanvragen voor een subsidie kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met vrijdag 31 augustus 2018, 23:59 uur Nederlandse tijd.
Artikel 4
Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan komt van de op die dag gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen, die voldoen aan de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Subsidiebeleidskader mensenrechtenfonds 2017–2020
1. Inleiding
1.1. Relevantie voor het Nederlandse mensenrechtenbeleid
Mensenrechten vormen het fundament van menselijke waardigheid, vrijheid en ontwikkeling en staan aan de basis van open en vrije samenlevingen overal ter wereld. Zonder de bevordering en bescherming van deze rechten kan er geen sprake zijn van een democratie en een rechtsstaat. Nederland heeft een rijke traditie als het gaat om de inzet voor mensenrechten in binnen- en buitenland. Deze inzet is een morele plicht en een rechtsplicht. Bovendien leidt de naleving van mensenrechten tot een stabiele en welvarende wereld waar ook Nederland baat bij heeft. Binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid is een aantal beleidsprioriteiten met bijbehorende doestellingen opgesteld. Deze prioriteiten zijn uitgebreid opgenomen in de beleidsbrief ‘Respect en Recht voor ieder mens’5Kamerstukken II 2012-2013, 32 735, nr. 78.
Het Mensenrechtenfonds subsidieert organisaties die zich inzetten voor mensenrechten wereldwijd. De binnen dit fonds beschikbare middelen zijn bestemd voor de financiering van activiteiten ter ondersteuning van de prioriteiten uit bovengenoemde beleidsbrief.
Onderdeel van het Mensenrechtenfonds is dit subsidiebeleidskader Mensenrechtenfonds 2017–2020 (hierna: MRF 2017–2020). Dit subsidiebeleidskader is bedoeld voor het subsidiëren van activiteiten die betrekking hebben op de volgende thema’s:
Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat deze selectie van thema’s waarop het MRF 2017–2020 zich richt niet volledig overeenkomt met alle prioriteiten in de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’. In het kader van het MRF 2017–2020 is een nadere selectie gemaakt. Bovendien zijn ook binnen de geselecteerde thema’s algemene doelstellingen geformuleerd waarop projecten zich moeten richten om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit het MRF 2017–2020.
1.2. Opbouw van dit kader
In dit subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de financiële middelen en het tijdpad geschetst. Hoofdstuk 3 bevat een algemene toelichting op de selectiecriteria en het selectieproces. In hoofdstuk 4 worden de algemene en specifieke doelstellingen die worden beoogd met het verstrekken van subsidies uit de beschikbare middelen uitgewerkt, waarna hoofdstuk 5 is gewijd aan de formele vereisten aan de aanvraag en verdere procedure. In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria en inhoudelijke criteria uiteen gezet.
Bij dit subsidiebeleidskader behoort een zevental appendices. Dit betreft onder meer het aanvraagstramien en het logframe. Deze worden gepubliceerd op de website: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds.
2. Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad projecten
2.1. Beschikbare middelen
Het totaal beschikbare subsidieplafond voor het MRF 2017–2020 bedraagt EUR 19 miljoen. Een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 zal minimaal EUR 500.000 en maximaal EUR 2 miljoen bedragen. De looptijd van een project kan variëren tussen de twee en vier jaar, mits binnen het tijdvak van 23 januari 2017 tot en met 31 december 2021 en met dien verstande dat projecten niet later dan 30 november 2018 mogen beginnen.
2.2. Verdeling beschikbare middelen
De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat de totaal beschikbare middelen al op voorhand zijn gespreid over de thema’s waarop het MRF 2017–2020 zich richt en dat de volgorde van binnenkomst dus per thema zal worden bepaald. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient een aanvraag betrekking te hebben op één van deze thema’s. Zie hierover verder hoofdstuk 4.
De verdeling van de beschikbare middelen over de thema’s is als volgt:
2.3. Gelijktijdig binnengekomen aanvragen
Indien gelijktijdig binnengekomen aanvragen bij toekenning het subsidieplafond voor een thema zouden overschrijden, dan komt van die aanvragen, voor zover ze voldoen aan de maatstaven die in dit subsidiekader zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.
2.4. (voorlopige) uitputting van de middelen
Binnen ieder thema zullen de aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld. Vanaf het moment dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen op grond van drempelcriteria en inhoudelijke criteria lijken te worden uitgeput, zullen later binnengekomen aanvragen nog niet in behandeling worden genomen. Slechts indien blijkt dat eerdere aanvragen alsnog afvallen (op basis van de organisatietoets, zie 3.5) zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, vanzelfsprekend per thema op volgorde van binnenkomst.
2.5. Resterende middelen
Het is mogelijk dat na goedkeuring van één of meer aanvragen op een thema nog middelen resteren, maar dat dit restant minder bedraagt dan EUR 500.000 (het minimumbedrag voor een aanvraag). Hierdoor zal er geen volgend project meer op dat thema kunnen worden goedgekeurd. Projecten zullen namelijk niet gedeeltelijk worden gefinancierd. Deze resterende middelen zullen worden overgeheveld naar een eventuele volgende subsidieronde onder het Mensenrechtenfonds.
2.6. Oda en non-oda
De voorliggende beleidsregels gelden zowel voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die volgens de OESO-DAC-criteria6http://www.oecd.org/dac/stats/officialdevelopmentassistancedefinitionandcoverage.htm toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven, als voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die die daaraan niet toerekenbaar zijn. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat er in het kader van het MRF 2017–2020 geen landenlijst wordt gehanteerd, d.w.z. dat de activiteiten in alle landen mogen worden uitgevoerd, met een minimum van twee verschillende landen. Ook worden er inhoudelijke eisen gesteld aan de keuze voor de landen, zie criterium I.3.
2.7. Termijn voor indiening
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf het moment van publicatie van het MRF 2017–2020 tot en met uiterlijk 31 augustus 2018, 23:59 uur CET. Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag zal op de aanvraag worden besloten.
De genoemde uiterste datum voor indiening laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, de voor de onderscheiden thema’s beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. Indien de middelen voor een thema zijn uitgeput, wordt een aanvraag voor dat thema afgewezen.
3. Selectiecriteria- en proces
3.1. Voor wie is het MRF 2017–2020 bedoeld?
Subsidies in het kader van het MRF 2017–2020 zijn bedoeld voor projecten van zelfstandige maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de bescherming en bevordering van mensenrechten. Onder maatschappelijke organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.
Organisaties kunnen zelfstandig een subsidieaanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin, die een gezamenlijk project uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst. De penvoerder dient in een dergelijk geval namens de alliantie een aanvraag in voor het project van de alliantie als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van het project van de alliantie.
Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het project gebruik maken van andere organisaties zonder winstoogmerk of van bedrijven. Een dergelijke samenwerking betreft geen samenwerking in het kader van een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld, maar samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die enkele onderdelen van het project lokaal uitvoert.
3.2. Thematische minimumvereisten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient minimaal 80% van de totale middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten zich te richten op de algemene doelstellingvan het gekozen thema, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van dit beleidskader. De overige middelen dienen (met uitzondering van het percentage overhead) evenzeer gericht te zijn op de promotie en bescherming van mensenrechten, maar hoeven zich niet uitsluitend te richten op de algemene doelstelling van het gekozen thema uit dit beleidskader. Voornoemd percentage wordt vastgesteld aan de hand van het logframe, waarbij het gaat om een optelsom van de middelen die aan de basis liggen van de activiteiten, outputs en outcomes7Zie voor de definities van outputs en outcomes: https://www.oecd.org/dac/evaluation/2754804.pdf op het terrein van de beoogde algemene doelstelling.
3.3. Formele vereisten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient een aanvraag te voldoen aan de formele vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 5.
3.4. Drempelcriteria
Zowel aanvrager/penvoerder en alle mede-indieners, als het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria(D.1 t/m D.13, zie hoofdstuk 6) om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Drempelcriteria zijn criteria met betrekking tot het soort organisatie, de financiële onafhankelijkheid, de bezoldiging van het management en bestuur, evenals criteria met betrekking tot het project.
3.5. Inhoudelijke criteria
Indien voldaan is aan de drempelcriteria zal beoordeeld worden of in voldoende mate wordt voldaan aan de inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.9).
Om voor subsidieverlening in het kader van het MRF 2017–2020 in aanmerking te kunnen komen dient de kwaliteit van een aanvraag goed te zijn. Dit wordt uitgedrukt in een score. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore, waarbij bovendien voor enkele individuele criteria ook een minimum aantal punten moet worden behaald (dit wordt aangegeven in het aanvraagstramien). Beoogd wordt op deze manier de aanvragen te selecteren die niet slechts van voldoende kwaliteit zijn, maar die zich ook daadwerkelijk in positieve zin onderscheiden bij de bevordering en bescherming van mensenrechten.
3.6. Organisatorische capaciteit
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient de aanvrager/penvoerder in staat te zijn tot een adequaat financieel beheer en dient hij door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten te kunnen waarborgen.8Artikel 4 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze capaciteit wordt alleen getoetst van die aanvragers wier aanvraag aan de drempeltoets voldoet en op grond van de uitkomsten van de beoordeling volgens de inhoudelijke criteria in aanmerking kan komen voor subsidie. Deze aanvragers worden daarna door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de gelegenheid gesteld om de voldoende kwaliteit van hun organisatorische capaciteit aan te tonen. Indien deze kwaliteit voldoende blijkt, komt hun aanvraag in aanmerking voor subsidie. Zo niet, dan wordt de aanvraag afgewezen. Ook indien de gevraagde aanvullende informatie niet of niet tijdig wordt aangeleverd, wordt de aanvraag alsnog afgewezen. Meer informatie hierover kunt u vinden in het aanvraagstramien.
3.7. Aanvraagstramien verplicht
Voor het indienen van een aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het door de ministers daartoe vastgestelde aanvraagstramien waarin de criteria nogmaals zijn opgenomen en van een toelichting zijn voorzien. Het aanvraagstramien kan worden gevonden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds.
Aanvragen die niet volgens dit stramien zijn opgesteld worden vooralsnog niet in behandeling genomen. De aanvrager krijgt in dat geval de gelegenheid het verzuim te herstellen conform art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de aanvrager niet binnen de gegeven termijn het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen.
In dit kader wordt nadrukkelijk gewezen op art. 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien gebruik wordt gemaakt van art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt als datum van ontvangst van de aanvraag aangemerkt de datum waarop de aanvulling is ontvangen.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in het aanvraagstramien uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagstramien niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op een minder aantal punten of zelfs afwijzing van de aanvraag.
3.8. Vereisten na subsidieverlening
Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dient de organisatie conform de IATI standaard te rapporteren. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de BZ publicatierichtlijnen getiteld ‘How to use the IATI standard’?9https://www.government.nl/documents/publications/2015/12/01/open-data-and-development-cooperation Voor organisaties die nog niet conform IATI standaard kunnen rapporteren geldt dat zij in de gelegenheid zullen worden gesteld dit alsnog mogelijk te maken binnen een nader via een verplichting in de subsidieverleningsbeschikking vast te stellen termijn.
4. De thema’s
Voor een verdere toelichting op het Nederlandse mensenrechtenbeleid wordt in algemene zin verwezen naar de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ en recente Mensenrechtenrapportages10Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2015-2016, 32 735, nr. 154 en Kamerstukken II 2014-2015, 32 735, nr. 130 (via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/06/21/mensenrechtenrapportage-2015 en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/jaarverslagen/2015/06/05/mensenrechtenrapportage-2014)..
Zoals hiervoor vermeld is voor het MRF 2017–2020 een aantal thema’s geselecteerd. Voor elk thema is een algemene doelstelling omschreven (zie hierna). Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient de aanvraag, zoals ook aangegeven in hoofdstuk 2, zich te richten op één van deze thema’s en daarbinnen op de voor dat thema geformuleerde algemene doelstelling. Hiervoor dient minimaal 80% van de begrote middelen te zijn beoogd voor activiteiten die aan de basis liggen van outputs en outcomes op het terrein van de algemene doelstelling van dat thema. Deze algemene doelstellingen moeten steeds worden begrepen binnen de kaders van de beleidsbrief.
De mate waarin een project daarbinnen eveneens bijdraagt aan de specifieke doelstellingen wordt meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag volgens de criteria opgenomen in I.2. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat deze specifieke doelstellingen steeds binnen de algemene doelstellingen vallen.
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Mensenrechtenverdedigers is het wereldwijd beschermen en steunen van mensenrechtenverdedigers.
De specifieke doelstelling is:
De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema LHBTI’s is het wereldwijd bevorderen van gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekseconditie (LHBTI).
De specifieke doelstellingen zijn:
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Ernstigste mensenrechtenschendingen is tweeledig, namelijk 1) de bestrijding van de doodstraf in landen waar deze straf feitelijk wordt opgelegd en ten uitvoer wordt gelegd en/of 2) het wereldwijd tegengaan van foltering.
De specifieke doelstelling is:
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bevorderen van vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid.
De specifieke doelstellingen zijn:
In aanvulling op de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ wordt er voor het Nederlandse beleid ten aanzien van dit thema ook verwezen naar de kabinetsreactie op de adviezen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Adviesraad Internationale Vraagstukken over buitenlands internetbeleid11https://www.government.nl/documents/parliamentary-documents/2016/05/19/government-response-to-aiv-and-wrr-reports-on-the-internet.
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Internetvrijheid is het bevorderen van naleving van mensenrechten online en/of het verbeteren van online vrijheid en veiligheid van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld.
De specifieke doelstellingen zijn:
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is de bevordering van een ieders vrijheid om haar of zijn religieuze of levensbeschouwelijke identiteit vorm te geven.
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Mensenrechten en bedrijfsleven is het waarborgen van het naleven/garanderen van mensenrechten in wereldwijde waardeketens door de bevordering en de implementatie van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights12http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf en/of het hierop gebaseerde Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten13https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2013/12/20/nationaal-actieplan-mensenrechten-en-bedrijfsleven-knowing-en-showing waarin is duidelijk gemaakt hoe Nederland deze standaard omzet in eigen beleid.
De specifieke doelstellingen zijn:
De algemene doelstellingvan het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bestrijden van straffeloosheid van internationale misdrijven te weten genocide, oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid.
De specifieke doelstellingen zijn:
5. Formele vereisten aanvraag en verdere procedure
6. Drempelcriteria (D.1 t/m D.13)
De aanvrager/penvoerder/mede-indieners en het project waarvoor subsidie wordt gevraagd dienen te voldoen aan de hiernavolgende drempelcriteria. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat gebruik dient te worden gemaakt van het aanvraagstramien en dat kortheidshalve verwijzing naar andere delen van de aanvraag, naar een website of naar bijlagen niet voldoende is. In het aanvraagstramien worden de criteria nader toegelicht.
Drempelcriteria ten aanzien van de organisatie
Drempelcriteria ten aanzien van het project
7. Inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.9)
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient de kwaliteit van de aanvraag, beoordeeld aan de hand van de hierna volgende inhoudelijke criteria, goed te zijn. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore. De criteria I.2 en I.3 fungeren bovendien als ‘valluik’: hiervoor geldt dat daarvoor een minimumscore behaald moet worden. Is dit niet het geval dan wordt de aanvraag afgewezen.
Track record
Beleidsmatige criteria ten aanzien van het project
In de aanvraag dient uiteengezet te worden welke verandering beoogd wordt te bewerkstelligen die ten dienste staat van de bevordering, bescherming en verbetering van mensenrechten. Ingediende aanvragen zullen worden beoordeeld op hun beleidsrelevantie aan de hand van de hiernavolgende criteria.
Technische criteria voor het project en de organisatie
Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.4idem