← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017)

Geldende tekst a fecha 2020-01-01

Gelet op artikel 13, eerste lid, van de Landbouwwet en artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. (begripsbepalingen)
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van deze regeling worden maart en april 2017 aangeduid als periode 1, mei en juni 2017 aangeduid als periode 2, juli en augustus 2017 aangeduid als periode 3, september en oktober 2017 aangeduid als periode 4 en november en december 2017 aangeduid als periode 5.

Artikel 2. (omrekeningsfactor GVE)

Onder rund als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen d, e en l, de artikelen 4, derde tot en met negende lid, 6, tweede tot en met achtste lid, 7, 9, eerste, tweede, vijfde, zesde en achtste tot en met tiende lid, 11, 12, eerste en tweede lid, en 13, wordt verstaan GVE overeenkomstig de volgende omrekeningsfactoren:

Artikel 3. (verminderingspercentage)
1.

Het verminderingspercentage, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, bedraagt:

2.

De verminderingspercentages voor de perioden 4 en 5 worden telkens uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande periode door de minister vastgesteld en bekendgemaakt in de Staatscourant en bedragen niet minder dan het verminderingspercentage van de voorafgaande periode.

Artikel 4. (geldsom)
1.

De minister legt de houder de verplichting op tot betaling van een geldsom in euro’s.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt voor elk van de perioden 1, 2, 3, 4 en 5.

3.

De hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, komt voor periode 1 overeen met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:

(het gemiddeld aantal runderen in april van periode 1 verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 480.

4.

De hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, komt voor elk van de perioden 2, 3, 4 en 5 overeen met de hoogste uitkomst van de volgende vermenigvuldigingen:

5.

In zoverre in afwijking van het vierde lid wordt de hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, voor periode 2, 3, 4 of 5 uitsluitend berekend op grond van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, mits in het geval bij afvoer op of na 1 juni in periode 2, of in de desbetreffende periode 3, 4 of 5, van runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd, deze door de houder uitsluitend zijn afgevoerd voor slacht, export of wel in verband met sterfte.

6.

De geldsom, bedoeld in het eerste lid, is voor periode 1 niet verschuldigd indien in de maand april van periode 1:

7.

De geldsom, bedoeld in het eerste lid, is voor periode 2, 3, 4 onderscheidenlijk 5, niet verschuldigd indien in juni, augustus, oktober onderscheidenlijk december van die perioden:

8.

In zoverre in afwijking van het zevende lid is de geldsom, bedoeld in het eerste lid, voor periode 2, 3, 4 onderscheidenlijk 5 niet verschuldigd, indien in juni, augustus, oktober onderscheidenlijk december van die perioden:

een en ander mits, in het geval van afvoer op of na 1 juni in periode 2 of in de desbetreffende periode 3, 4 of 5 van runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd, deze door de houder uitsluitend zijn afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte.

9.

Zodra na toepassing van het vijfde lid in een periode runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd worden afgevoerd anders dan voor slacht, export of in verband met sterfte, is dat lid, alsmede het achtste lid, op de houder voor de toepassing van dit artikel niet van toepassing voor die periode en de eventuele daarna nog volgende periode of perioden.

Artikel 5. (geldsom houders runderen overig)

Vervallen

Artikel 6. (solidariteits-geldsom)
1.

De minister legt de houder over elk van de perioden 1, 2, 3, 4 en 5 de verplichting tot betaling van een solidariteits-geldsom in euro’s op.

2.

De hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, komt voor elk van de perioden 2, 3, 4 en 5 overeen met de hoogste uitkomst van de volgende vermenigvuldigingen:

3.

De minister legt de houder, bedoeld in het eerste lid, de verplichting tot betaling van een geldsom op over periode 1, waarbij de hoogte van de geldsom overeenkomt met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:

(het gemiddeld aantal runderen in april van periode 2 verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 112.

4.

In zoverre in afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de geldsom, bedoeld in het eerste lid, voor periode 2, 3, 4 of 5 uitsluitend berekend op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel a, mits in het geval bij afvoer op of na 1 juni in periode 2, of in de desbetreffende periode 3, 4 of 5, van runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd, deze door de houder uitsluitend zijn afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte.

5.

De solidariteits-geldsom, bedoeld in het eerste lid, is voor periode 1 niet verschuldigd indien in de maand april van periode 1:

6.

De solidariteits-geldsom, bedoeld in het eerste lid, is voor periode 2, 3, 4 onderscheidenlijk 5 niet verschuldigd indien in juni, augustus, oktober onderscheidenlijk december van die perioden:

7.

In zoverre in afwijking van het zesde lid is de solidariteits-geldsom, bedoeld in het eerste lid, voor periode 2, 3, 4 onderscheidenlijk 5 niet verschuldigd, indien in juni, augustus, oktober onderscheidenlijk december van de perioden 2, 3, 4 of 5:

8.

Zodra na toepassing van het vierde lid in een periode runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd worden afgevoerd anders dan voor slacht, export of in verband met sterfte, is dat lid, alsmede het zevende lid, op de houder voor de toepassing van dit artikel niet van toepassing voor die periode en de eventuele daarna nog volgende periode of perioden.

Artikel 7. (referentieaantal grondgebonden bedrijf)

Indien houder runderen hield op 2 juli 2015 op een grondgebonden bedrijf, is het referentieaantal voor de toepassing van de artikelen 4 en 6 niet verminderd met 4%.

Artikel 8. (inwinning)

De geldsommen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden door de minister uiterlijk ingewonnen in de tweede maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd.

Artikel 9. (bonus-geldsom)
1.

De minister kent de houder van runderen uit de opbrengsten van de artikelen 4 en 6 over juni van periode 2, augustus van periode 3, oktober van periode 4, onderscheidenlijk december van periode 5, een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag in euro’s bedraagt dat overeenkomt met de laagste uitkomst van de volgende vermenigvuldigingen:

2.

De minister kent de houder, bedoeld in het eerste lid, uit de opbrengsten van de artikelen 4 en 6 over de maand april van periode 1 een bonus-geldsom toe indien het gemiddeld aantal runderen in die maand lager is dan het referentieaantal, waarbij de hoogte van de geldsom een bedrag bedraagt in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging:

(het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in april) vermenigvuldigd met 120.

3.

In afwijking van het eerste lid en tweede lid, bedraagt, indien de uitkomst van de in die leden tussen haken geplaatste aftreksom lager is dan het referentieaantal verminderd met 10%, de hoogte van de geldsom een bedrag in euro’s dat overeenkomt met de uitkomst van de volgende vermenigvuldiging:

(het referentieaantal verminderd met het referentieaantal verminderd met 10%) vermenigvuldigd met 120 in april, juni en augustus van perioden 1, 2 en 3 en met 300 in oktober en december van perioden 4 en 5.

4.

In het geval de opbrengsten, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontoereikend zijn om aan alle houders een bonus-geldsom te verstrekken overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, worden de bonus-geldsommen naar rato van het ontstane tekort verlaagd.

5.

In het geval na toekenning van de bonus-geldsommen over de periode 1 tot en met 5 er een batig saldo aan opbrengsten resteert, kan de minister elke houder van runderen die in december 2017 gemiddeld minder runderen hield dan het aantal dat hij op 1 oktober 2016 hield een bonusplus-geldsom toekennen, die wordt gefinancierd uit het door de minister uit het hiervoor bedoelde batig saldo beschikbaar gestelde bedrag, waarbij de hoogte van de geldsom per rund een bedrag bedraagt in euro’s dat gelijk is aan: de hoogte van het hiervoor bedoelde beschikbaar gestelde bedrag gedeeld door het totaal aantal runderen van alle hiervoor bedoelde houders op 1 oktober 2016 verminderd met de uitkomst van de optelsom van het aantal runderen dat door die houders gemiddeld in december 2017 werd gehouden.

6.

In het geval de houder runderen hield op 2 juli 2015 op een grondgebonden bedrijf, is het referentieaantal voor de toepassing van dit artikel niet verminderd met 4%.

7.

De geldsommen, bedoeld in dit artikel, zijn de-minimissteun als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 en worden uitsluitend aan de houder toegekend indien de houder uiterlijk op 31 december 2020 bij de minister een verklaring als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 heeft ingediend.

8.

In zoverre in afwijking van het eerste lid wordt de hoogte van de bonus-geldsom, voor periode 2, 3, 4 of 5 uitsluitend berekend op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, mits in het geval bij afvoer op of na 1 juni in periode 2, of in de desbetreffende periode 3, 4 of 5, van runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd, deze door de houder uitsluitend zijn afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte.

9.

Zodra na toepassing van het achtste lid in een periode runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd worden afgevoerd anders dan voor slacht, export of in verband met sterfte, is dat lid op de houder voor de toepassing van dit artikel niet van toepassing voor die periode en de eventuele daarna volgende periode of perioden.

Artikel 10. (uitkering bonus-geldsom)

De geldsom, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt uitgekeerd uiterlijk in de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht op de geldsom is ontstaan.

Artikel 11. (in- en uitscharing)
1.

Indien een houder aantoont dat hij op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 naar een inschaarder zijn gegaan, op 2 juli 2015 door die inschaarder werden gehouden en die uiterlijk op 31 december 2015 zijn teruggekomen op het bedrijf van de houder, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend zijn referentieaantal verhogen in de periode 1 en 5 mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal in die perioden.

2.

De verhoging en de verlaging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 2 juli 2015 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen.

3.

Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gehonoreerd, wordt in het geval de houder tevens in 2016 runderen had uitgeschaard het doelstellingsaantal van de houder in de periode 1 en 5 verhoogd en, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, het doelstellingsaantal van de inschaarder in die periode verlaagd, met het aantal runderen dat op 1 oktober 2016 was uitgeschaard bij de inschaarder.

4.

Indien een houder aantoont dat hij geen runderen in 2015 had uitgeschaard maar wel in 2016, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend het doelstellingsaantal van die houder in de periode 1 en 5 verhogen mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn doelstellingsaantal in die perioden.

5.

De verhoging en de verlaging, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten hoogste het aantal op 1 oktober 2016 uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde runderen.

6.

Indien een houder aantoont dat hij in 2015 of 2016 runderen had uitgeschaard en verklaart in 2017 geen runderen uit te scharen, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend:

7.

Indien het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aanhef en onderdeel a, wordt gehonoreerd en de houder, bedoeld in de aanhef van het zesde lid, tevens in 2016 runderen had uitgeschaard, wordt het zesde lid, aanhef en onderdeel b, toegepast.

8.

De verhoging en de verlaging, bedoeld in:

9.

Een houder die een verzoek heeft ingediend als bedoeld in het eerste of vierde lid kan voor de toepassing van deze regeling tevens bij de minister voor 20 mei 2017 een verzoek indienen voor berekening van het jongveegetal in de perioden 2, 3 en 4 op de volgende, van artikel 1, eerste lid, onderdeel l, afwijkende berekeningswijze: (het aantal runderen van de houder op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd verminderd met het aantal uitgeschaarde runderen overeenkomstig het tweede lid) gedeeld door het aantal runderen van de houder op 28 april 2017 dat ten minste eenmaal heeft gekalfd.

Artikel 12. (bedrijfsovername en bijzondere omstandigheden)
1.

Indien de houder, meldt en aantoont dat na 2 juli 2015 een beëindigd bedrijf is overgenomen, kan de minister het referentieaantal of het doelstellingsaantal van die houder op zijn verzoek verhogen met het referentieaantal of het doelstellingsaantal dat op grond van deze regeling van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname kan het referentieaantal of het doelstellingsaantal naar rato worden verhoogd.

2.

Indien de houder, meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, kan de minister op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

3.

Een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt uiterlijk op 1 april 2017 ingediend, dan wel, indien het een verzoek betreft als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 maand na de bedrijfsoverdracht indien de overdracht na 1 maart 2017 heeft plaatsgevonden.

Artikel 13. (uitzonderingen)
1.

Bij het gemiddeld aantal runderen, bedoeld in de artikelen 4, 6 en 9, is niet inbegrepen:

2.

Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is uitsluitend van toepassing indien de houder van de runderen op een door de minister aangegeven wijze meldt welke runderen het betreft.

Artikel 14. (inwerkingtreding)

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2017.

Artikel 15. (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling fosfaatreductieplan 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 9a. (herberekening)
1.

Telkens in het geval een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd door de houder na 28 april 2017 in het I&R-systeem is afgemeld en binnen 4 maanden na die afmelding terugkeert in het I&R-systeem van die houder, past de minister, met ingang van de periode dat het rund door de houder in het I&R-systeem was afgemeld, voor die houder de artikelen 4, 6 en 9 voor de perioden 2 tot en met 5 opnieuw toe waarbij dat rund, voor zover van toepassing, alsnog meetelt bij het gemiddeld aantal runderen dat in de tweede maand van periode 2, onderscheidenlijk in de desbetreffende maanden van de perioden 3, 4 en 5, werd gehouden.

2.

In het geval de toepassing van het eerste lid leidt tot:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.