Wet van 22 maart 2017, houdende regels inzake het beheer, de informatievoorziening, de controle en de verantwoording van de financiën van het Rijk, inzake het beheer van publieke liquide middelen buiten het Rijk en inzake het toezicht op het beheer van publieke liquide middelen en publieke financiële middelen buiten het Rijk (Comptabiliteitswet 2016)

Type Wet
Publication 2023-09-26
State In force
Source BWB
artikelen 207
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de Comptabiliteitswet 2001 te vervangen door nieuwe wettelijke bepalingen over het beheer, de informatievoorziening, de controle en de verantwoording inzake de financiën van het Rijk, mede ter uitvoering van de artikelen 78 en 105 van de Grondwet, en dat het wenselijk is daarin bepalingen op te nemen over het beheer van publieke liquide middelen buiten het Rijk en over het toezicht op het beheer van publieke liquide middelen en publieke financiële middelen buiten het Rijk;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begrippen

  • agentschap: een baten-lastenagentschap of een verplichtingen-kasagentschap;
  • Auditdienst Rijk: het dienstonderdeel van het Ministerie van Financiën dat belast is met de uitoefening van de auditfunctie bij het Rijk;
  • baten-lastenagentschap: een dienstonderdeel van een ministerie, dat op grond van artikel 2.20, eerste lid, als baten-lastenagentschap is aangewezen;
  • baten-lastenstelsel: het financieel-administratieve stelsel van rekeningen waarin als uitgaven en ontvangsten in een jaar worden opgenomen de geldswaarden van het verbruik van goederen en diensten (lasten) in dat jaar, respectievelijk de geldswaarden van de rechten op ontvangsten (baten), die in dat jaar ontstaan;
  • bedrijfsvoering: het inzetten van personeel en materieel ter ondersteuning van het beleid of de taak;
  • begrotingsbeheer: het sturen en beheersen van het begrotingsproces, waaronder de begrotingsuitvoering en de zorg voor het ramen van de ontvangsten en de uitgaven;
  • begrotingsreserve: een geoormerkte, meerjarige budgettaire voorziening die wordt aangehouden op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën;
  • begrotingsstelsel: het baten-lastenstelsel, het kasstelsel of het verplichtingen-kasstelsel;
  • boeken binnen begrotingsverband: het boeken van de geldswaarden van handelingen die betrekking hebben op het financieel beheer op een rekening in de financiële administratie, waarvan het saldo wordt opgenomen in een begrotingsartikel in een begrotingsstaat;
  • boeken buiten begrotingsverband: het boeken van de geldswaarden van handelingen die betrekking hebben op het financieel beheer op een rekening in de financiële administratie, waarvan het saldo niet wordt opgenomen in een begrotingsartikel in een begrotingsstaat;
  • budgetdisciplinesector: een onderdeel van de collectieve sector dat budgettair afzonderlijk wordt onderscheiden;
  • college: de Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet van de Koning, het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao, het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten, de Kiesraad en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
  • dienstonderdeel: een organisatieonderdeel van een ministerie of een college;
  • financieel beheer: het sturen en beheersen van de financiële aspecten van het beleid en de bedrijfsvoering, waaronder de zorg voor:
  • a. het aangaan van financiële verplichtingen;
  • b. het heffen van belastingen en het opleggen van andere heffingen;
  • c. het in rekening brengen van kosten;
  • d. het beheer van de financiële bezittingen en schulden;
  • e. het kasbeheer;
  • financiële begrotingsinformatie: de in een begroting opgenomen informatie over de financiële aspecten van het voorgenomen beleid en de voorgenomen bedrijfsvoering;
  • financiële verantwoordingsinformatie: de in een jaarverslag opgenomen informatie over de financiële aspecten van het gevoerde beleid en de gevoerde bedrijfsvoering;
  • financiële verplichting: de voorwaardelijke of onvoorwaardelijke verplichting tot het in de toekomst doen van een kasbetaling aan een derde of aan een ander dienstonderdeel;
  • kasreserve: een niet-geoormerkte, meerjarige budgettaire reserve die wordt aangehouden op een rekening-courant bij het Ministerie van Financiën;
  • kasstelsel: het financieel-administratieve stelsel van rekeningen waarin als uitgaven en ontvangsten in een jaar worden opgenomen de kasuitgaven en de kasontvangsten in dat jaar;
  • materieelbeheer: de zorg voor het onderhoud en de instandhouding van roerende en onroerende zaken vanaf het moment van inbeheer- of ingebruikneming tot aan het moment van afstoting;
  • materiële bedrijfsvoering: de materiële aspecten van het beleid en de bedrijfsvoering, toegespitst op:
  • a. het verwerven van materieel;
  • b. het materieelbeheer;
  • c. het afstoten van materieel;
  • niet-financiële verantwoordingsinformatie: de in een jaarverslag opgenomen informatie over de niet-financiële aspecten van het gevoerde beleid en de gevoerde bedrijfsvoering;
  • rechtspersoon met een wettelijke taak: een rechtspersoon die een bij of krachtens een wet geregelde taak uitvoert en die daartoe geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd uit de opbrengst van een bij of krachtens een wet ingestelde heffing, met uitzondering van de gemeenten, provincies, waterschappen, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen uitgezonderd de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen waaraan vanwege het Rijk wordt deelgenomen;
  • saldibalans: het overzicht van de saldi van de financiële activa en passiva zoals deze op een bepaalde datum uit de financiële administratie blijken;
  • schatkist van het Rijk: de departementale kassen en de centrale kassen van het Rijk tezamen;
  • schatkistbankieren: het aanhouden van liquide middelen op een bankrekening van de schatkist van het Rijk;
  • slotverschil: het verschil op het niveau van een begrotingsartikel dat na afloop van een begrotingsjaar wordt vastgesteld tussen de realisatie van de uitgaven, onderscheidenlijk de ontvangsten, en de raming van de uitgaven, onderscheidenlijk de ontvangsten, in de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten, bedoeld in artikel 2.23, en de wijzigingen die daarin zijn aangebracht door middel van de wetten tot wijziging van de begrotingsstaten, bedoeld in artikel 2.26;
  • transactiestelsel: het financieel-administratieve stelsel van rekeningen waarin als uitgaven en ontvangsten in een jaar worden opgenomen de geldswaarden van de economische transacties die in dat jaar ontstaan;
  • verplichtingen-kasagentschap: een dienstonderdeel van een ministerie, dat op grond van artikel 2.20, eerste lid, als verplichtingen-kasagentschap is aangewezen;
  • verplichtingen-kasstelsel: de combinatie van het verplichtingenstelsel en het kasstelsel waarin de kasuitgaven en de financiële verplichtingen geïntegreerd worden geadministreerd;
  • verplichtingenstelsel: het financieel-administratieve stelsel van rekeningen waarin als uitgaven en ontvangsten in een jaar worden opgenomen de geldswaarden van de in dat jaar aangegane of ontstane financiële verplichtingen die tot kasuitgaven leiden of kunnen leiden.

Hoofdstuk 2. De begroting en verantwoording van het Rijk

§ 1. Rijksbegroting

Artikel 2.1. Samenstelling en inhoud van de rijksbegroting

1.

Tot de rijksbegroting behoren de departementale en de niet-departementale begrotingen van de ministeries en de colleges.

2.

Onze Ministers, ieder met betrekking tot het beleid waarvoor hij verantwoordelijk is, stellen voor de aanvang van een begrotingsjaar een begroting op.

3.

Voor elk ministerie is er één departementale begroting en kunnen er één of meer niet-departementale begrotingen zijn.

4.

Voor elk college is er een niet-departementale begroting.

5.

Als niet-departementale begroting worden voorts uitsluitend aangemerkt:

  • a. de begroting van de Koning, bedoeld in artikel 2.9, en de begroting van Nationale Schuld, bedoeld in artikel 2.10;
  • b. de begroting van koninkrijksrelaties, tenzij de uitgaven en ontvangsten die samenhangen met koninkrijksrelaties worden opgenomen in de betrokken departementale begroting;
6.

Een departementale begroting bevat de weergave van het beleid en de bedrijfsvoering van het ministerie, met uitzondering van de beleidsaangelegenheden die worden opgenomen in een begroting als bedoeld in het vijfde lid.

7.

De niet-departementale begroting van een college bevat de weergave van de taken en van de bedrijfsvoering van het college.

8.

Een programmabegroting, onderscheidenlijk een begroting van een begrotingsfonds, bevat de weergave van het afgezonderde beheer, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, respectievelijk artikel 2.11, eerste lid. Een programmabegroting, onderscheidenlijk een begroting van een begrotingsfonds, bevat geen weergave van de bedrijfsvoering die met dat afgezonderde beheer samenhangt.

§ 2. Inrichting van de begroting

Artikel 2.2. Presentatie van een begroting

Een begroting bestaat uit een begrotingsstaat en een daarbij behorende toelichting.

Artikel 2.3. Autorisatie van een begroting

1.

Een begrotingsstaat wordt afzonderlijk bij wet vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen twee of meer begrotingsstaten waarvoor Onze Minister die het aangaat verantwoordelijk is, in één wet worden vastgesteld.

3.

Autorisatie van een begrotingsstaat vindt plaats op het niveau van een begrotingsartikel.

4.

Het geautoriseerde bedrag voor de uitgaven geldt als maximum.

5.

Structurele wijzigingen van de begrotingsstaat die op voorstel van een of meer leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn aangebracht, worden, indien dit met dit voorstel beoogd is, tevens in de begrotingsstaten van de daaropvolgende jaren opgenomen, tenzij een zwaarwegende reden zich hiertegen verzet. In dat geval informeert Onze betrokken Minister de Tweede Kamer der Staten-Generaal hierover.

Artikel 2.4. Periodiciteit

Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Artikel 2.5. Begrotingsstaat

De begrotingsstaat bestaat uit begrotingsartikelen en bevat per begrotingsartikel de volgende gegevens:

  • a. het artikelnummer;
  • b. de artikelomschrijving;
  • c. het geraamde bedrag voor financiële verplichtingen;
  • d. het geraamde bedrag voor kasuitgaven;
  • e. het geraamde bedrag voor kasontvangsten.

Artikel 2.6. Financiële staat van agentschappen

1.

Een agentschap heeft een afzonderlijke financiële staat die wordt opgenomen bij de begrotingsstaat van de departementale begroting van het ministerie waaronder het agentschap ressorteert.

2.

De financiële staat van een agentschap bevat, al naar gelang van toepassing, de geraamde totaalbedragen van de financiële verplichtingen, de kasuitgaven en de kasontvangsten of de lasten en de baten.

Artikel 2.7. Bijzonder begrotingsartikel Nog onverdeeld

1.

Een begrotingsartikel met de omschrijving Nog onverdeeld kan in een begrotingsstaat worden opgenomen ten behoeve van de voorlopige verwerking van de loon- en prijsindexering, een taakstelling of een ander nog te verdelen begrotingsbedrag.

2.

Het begrotingsartikel Nog onverdeeld is een administratief artikel ten laste waarvan geen uitgaven worden gedaan of ten gunste waarvan geen ontvangsten worden gerealiseerd.

3.

Het bedrag voor de uitgaven dat wordt opgenomen in de begrotingsstaat bij het begrotingsartikel Nog onverdeeld kan zowel positief als negatief zijn.

Artikel 2.8. Bijzonder begrotingsartikel Geheim

Een begrotingsartikel met de omschrijving Geheim kan in een begrotingsstaat worden opgenomen ten behoeve van uitgaven en ontvangsten waarvoor geldt dat openbaarmaking via de toedeling aan een ander begrotingsartikel niet in het belang van de Staat is.

Artikel 2.9. Begroting van de Koning

De begroting van de Koning bevat:

  • a. de uitkeringen aan leden van het koninklijk huis;
  • b. de uitgaven die functioneel met het koningschap samenhangen.

Artikel 2.10. Begroting van Nationale Schuld

1.

De begroting van Nationale Schuld bevat:

  • a. de uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit transacties op de financiële markten, voor zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben van langer dan één jaar;
  • b. de mutatie per 31 december van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het voorgaande jaar in het saldo van uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit transacties op de financiële markten, voor zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben van maximaal één jaar;
  • d. de mutatie per 31 december van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het voorafgaande jaar in het totaalsaldo van de rekeningen-courant, inclusief de daaraan gekoppelde termijndeposito’s, die derden en dienstonderdelen in het kader van schatkistbankieren aanhouden bij de schatkist van het Rijk;
  • e. de uitgaven en ontvangsten aan rente, boete, kosten en provisie die voortvloeien uit de transacties, bedoeld onder b, alsmede uit de rekeningen-courant, bedoeld onder d;
  • f. de uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit het betalingsverkeer met een centrale kas van het Rijk;
  • g. andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit vermogens- of financieringstransacties.
2.

In afwijking van de aanhef van het eerste lid kan de begroting van Nationale Schuld geen mutaties als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, bevatten. Na afloop van het begrotingsjaar worden deze mutaties als slotverschil weergegeven in het voorstel van wet tot vaststelling van de slotverschillen van de begroting van Nationale Schuld.

Artikel 2.11. Begrotingsfondsen

1.

Een begrotingsfonds kan worden ingesteld ten behoeve van het afzonderlijk beheren van ontvangsten en uitgaven van het Rijk die voor een specifiek doel bestemd zijn.

2.

Het instellen van een begrotingsfonds geschiedt bij wet. De wet tot instelling van een begrotingsfonds wordt mede door Onze Minister van Financiën ondertekend.

3.

De wet tot instelling van een begrotingsfonds bepaalt voor dat fonds in elk geval:

  • a. de aard van de uitgaven en de ontvangsten;
  • b. wie van Onze Ministers met het beheer is belast.
4.

Een voordelig jaarsaldo van een begrotingsfonds wordt ten gunste van de begroting van het fonds van het daarop volgende jaar gebracht; een nadelig jaarsaldo wordt ten laste van die begroting gebracht.

Artikel 2.12. Programmabegrotingen

1.

Een programmabegroting kan ten behoeve van een minister die niet belast is met de leiding van een ministerie worden ingesteld, indien het wenselijk is bepaalde ontvangsten en uitgaven van een ministerie afgezonderd van een departementale begroting te beheren.

2.

Het instellen van een programmabegroting geschiedt bij een wet tot vaststelling van de begrotingsstaten.

3.

De wet tot instelling van een programmabegroting bepaalt wie van Onze Ministers belast is met het beheer van die begroting.

§ 3. Begrotingsstelsel en beginselen

Artikel 2.13. Verplichtingen-kasstelsel

1.

Het begrotingsbeheer en het financieel beheer worden gevoerd met toepassing van het verplichtingen-kasstelsel.

2.

Het verplichtingen-kasstelsel wordt zodanig toegepast, dat aan de financiële administratie per begrotingsartikel in elk geval per ultimo van een begrotingsjaar ten minste kunnen worden ontleend:

  • a. het deel van de geraamde financiële verplichtingen dat is aangegaan of ontstaan;
  • b. het deel van de geraamde kasuitgaven dat tot betaling heeft geleid;
  • c. per aangegane of ontstane financiële verplichting het deel dat nog niet tot betaling heeft geleid;
  • d. het deel van de geraamde kasuitgaven waarvoor nog geen financiële verplichtingen zijn aangegaan of ontstaan;
  • e. het deel van de geraamde kasontvangsten dat is ontvangen.

Artikel 2.14. Verplichtingen

1.

Tot een financiële verplichting wordt gerekend:

  • a. een financiële verplichting aan een derde op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking of een controleerbaar vastgelegde afspraak;
  • b. een financiële verplichting aan een ander dienstonderdeel op grond van een controleerbaar vastgelegde afspraak.
2.

Bepalend voor het begrotingsjaar ten laste waarvan een aangegane of ontstane financiële verplichting wordt gebracht, is de datum waarop de verplichting ten opzichte van een derde of een ander dienstonderdeel controleerbaar vastligt.

3.

In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Financiën categorieën financiële verplichtingen aanwijzen waarbij het jaar waarin de kasbetaling is gedaan, kan worden aangemerkt als het begrotingsjaar waarin de met de kasbetaling samenhangende verplichting is aangegaan of is ontstaan.

4.

Een in een jaar aangegane of ontstane financiële verplichting die na de jaarafsluiting van de financiële administratie blijkt, wordt geboekt op het overeenkomstige begrotingsartikel in het dan lopende begrotingsjaar.

Artikel 2.15. Kasuitgaven en -ontvangsten

1.

Tot een kasuitgave, respectievelijk een kasontvangst, wordt gerekend:

  • a. een betaling met liquide middelen, respectievelijk een ontvangst van liquide middelen;
  • b. de financiële waarde die wordt afgestaan, respectievelijk wordt ontvangen, bij een transactie waarbij de onderlinge schulden en vorderingen met elkaar worden verrekend;
2.

Bepalend voor het begrotingsjaar ten laste waarvan een kasuitgave, respectievelijk ten gunste waarvan een kasontvangst wordt gebracht, is:

  • a. de datum waarop de betaling is verricht, respectievelijk de ontvangst is verkregen, voor een betaling met liquide middelen of een ontvangst van liquide middelen;
  • b. de datum waarop de transactie controleerbaar is vastgelegd voor een transactie waarbij de onderlinge schulden en vorderingen met elkaar worden verrekend;
  • c. de datum waarop de toevoeging of de onttrekking in de boekhouding is vastgelegd voor een kasreserve en een begrotingsreserve.

Artikel 2.16. Universaliteit

1.

Elke uitgave van Onze Ministers of de colleges wordt binnen begrotingsverband geboekt onder de uitgaven.

2.

Elke ontvangst van Onze Ministers of de colleges wordt binnen begrotingsverband geboekt onder de ontvangsten.

Artikel 2.17. Afwijking universaliteit: boeken buiten begrotingsverband

1.

In afwijking van artikel 2.16 kunnen Onze Ministers of de colleges uitgaven en ontvangsten buiten begrotingsverband boeken, indien:

  • a. deze worden doorberekend ten laste van, respectievelijk ten gunste van, een andere begroting van het Rijk;
  • b. deze worden doorberekend ten laste van, respectievelijk ten gunste van, een andere publiekrechtelijke rechtspersoon of een rechtspersoon met een wettelijke taak;
  • c. deze worden doorberekend ten laste van, respectievelijk ten gunste van, een derde, niet zijnde een andere staat of een volkenrechtelijke organisatie, en Onze Minister die het aangaat of het college uitsluitend is belast met de administratieve verwerking van de uitgaven of ontvangsten;
  • d. deze worden doorberekend ten laste van, respectievelijk ten gunste van, een andere staat of een volkenrechtelijke organisatie en Onze Minister die het aangaat of het college uitsluitend afspraken uitvoert die voortvloeien uit een verdrag, een besluit van een volkenrechtelijke organisatie of een internationale afspraak die controleerbaar is vastgelegd.
2.

Onze Minister die het aangaat of het college dat met toepassing van het eerste lid uitgaven of ontvangsten buiten begrotingsverband boekt, boekt tevens de doorberekeningen die met die uitgaven of ontvangsten samenhangen, buiten begrotingsverband.

3.

Uitgaven en ontvangsten die buiten begrotingsverband zijn geboekt, worden alsnog binnen begrotingsverband geboekt in het jaar waarin wordt geconcludeerd dat een doorberekening niet plaatsvindt.

4.

Financiële waarden die aan de staat zijn toevertrouwd of die door de staat in beheer zijn genomen zonder dat deze aan de staat toebehoren, worden zolang deze niet aan de staat zijn vervallen, buiten begrotingsverband geboekt.

Artikel 2.18. Afwijking universaliteit: salderen

In afwijking van artikel 2.16 kunnen Onze Ministers of de colleges uitgaven en ontvangsten salderen ingeval van:

  • a. ontvangen terugbetalingen in verband met eerder in hetzelfde jaar gedane uitgaven;
  • b. terugbetalingen op eerder verkregen ontvangsten;
  • c. onderlinge betalingen voor personeel en materieel tussen verschillende begrotingsstaten;
  • d. onderlinge betalingen binnen dezelfde begrotingsstaat;
  • e. uitgaven in de vorm van ontvangstenderving die op een wettelijke regeling zijn gebaseerd;
  • f. ontvangsten uit een geldlening die is aangegaan ter conversie van een uitstaande schuld.

Artikel 2.19. Kasstelsel en transactiestelsel

In afwijking van artikel 2.13, eerste lid, worden het begrotingsbeheer en het financieel beheer van de begroting van Nationale Schuld gevoerd met toepassing van het kasstelsel, met uitzondering van de rente-uitgaven en de rente-ontvangsten die gebaseerd worden op het transactiestelsel.

Artikel 2.20. Agentschappen

1.

Indien voor een dienstonderdeel van een ministerie een afwijkend beheer wenselijk is, kan Onze Minister die het aangaat met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onder g, besluiten een dienstonderdeel als baten-lastenagentschap of als verplichtingen-kasagentschap aan te wijzen.

2.

Een dergelijk besluit wordt genomen, indien:

  • a. Onze Minister die het aangaat van oordeel is dat het aanwijzen een doelmatige taakuitvoering bevordert;
  • b. Onze Minister van Financiën met het besluit instemt.
3.

Een dergelijk besluit wordt niet eerder genomen dan 30 dagen nadat het voornemen daartoe schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

4.

Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn van 30 dagen ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadere inlichtingen vraagt, wordt het besluit niet genomen dan 14 dagen nadat de inlichtingen zijn verstrekt.

5.

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op het intrekken van een eerder genomen besluit tot het aanwijzen van een dienstonderdeel als baten-lastenagentschap of verplichtingen-kasagentschap.

6.

Een dienstonderdeel van een ministerie dat krachtens het eerste lid, als baten-lastenagentschap is aangewezen, past als begrotingsstelsel het baten-lastenstelsel toe.

7.

Een dienstonderdeel van een ministerie dat krachtens het eerste lid als verplichtingen-kasagentschap is aangewezen, past als begrotingsstelsel het verplichtingen-kasstelsel toe.

8.

Een dienstonderdeel van een ministerie dat krachtens het eerste lid als verplichtingen-kasagentschap is aangewezen, kan een kasreserve aanhouden.

Artikel 2.21. Begrotingsreserve

1.

Een dienstonderdeel van een ministerie dat niet krachtens artikel 2.20 als agentschap is aangewezen, kan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ten laste van een begrotingsartikel een begrotingsreserve aanhouden.

2.

De toelichting van het begrotingsartikel ten laste waarvan een begrotingsreserve wordt aangehouden bevat:

  • a. de motieven voor het aanhouden van de begrotingsreserve;
  • b. de verwachte omvang van de begrotingsreserve aan het begin van het begrotingsjaar;
  • c. indien mogelijk, de in het begrotingsjaar verwachte toevoeging en onttrekking aan de reserve.

§ 4. Het indienen en wijzigen van de begroting

Artikel 2.22. Aanbieden van stabiliteitsprogramma en nationaal hervormingsprogramma

Onze Minister van Financiën en Onze Minister die het mede aangaat bieden het stabiliteitsprogramma, onderscheidenlijk het nationaal hervormingsprogramma, jaarlijks aan de Kamers der Staten-Generaal aan.

Artikel 2.23. Indienen van de rijksbegroting

1.

Wij dienen de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

3.

Onze Minister van Financiën biedt op de dag van de indiening van de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten de Miljoenennota aan de Staten-Generaal aan.

4.

De Miljoenennota bevat in elk geval:

  • a. het budgettaire totaalbeeld voor het betrokken begrotingsjaar en de vier daaropvolgende jaren van de rijksbegroting en de niet tot de rijksbegroting behorende budgetdisciplinesectoren;
  • b. de budgettaire beschouwingen over het voorgenomen beleid voor de collectieve sector;
  • c. een overzicht van de uitgaven en de ontvangsten in de begrotingen voor het begrotingsjaar en de vier daarop aansluitende jaren.

Artikel 2.24. Inwerkingtreding van voorstellen van wet inzake de begrotingsstaten

De voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten voorzien in een bepaling die de inwerkingtreding regelt. Deze bepaling bepaalt de inwerkingtreding op 1 januari van het jaar waarop de begrotingsstaten betrekking hebben.

Artikel 2.25. Uitvoering van voorstellen van wet inzake de begrotingsstaten

1.

Zolang een voorstel van wet tot vaststelling van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt lopend beleid dat ten grondslag ligt aan die begrotingsstaat met terughoudendheid in uitvoering genomen.

2.

Zolang een voorstel van wet tot vaststelling van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt nieuw beleid dat ten grondslag ligt aan die begrotingsstaat, niet in uitvoering genomen, tenzij uitstel van de uitvoering naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat niet in het belang van het Rijk is en hij de Staten-Generaal daarover heeft geïnformeerd.

Artikel 2.26. Indienen van voorstellen van wet inzake de suppletoire begrotingsstaten

1.

Wij dienen in elk geval uiterlijk op 1 juni en op 1 december van het begrotingsjaar de voorstellen van wet tot wijziging van de begrotingsstaten bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen van wet tot wijziging van de begrotingsstaten bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

3.

Onze Minister van Financiën biedt uiterlijk op 1 juni en op 1 december van het begrotingsjaar de Voorjaarsnota, respectievelijk de Najaarsnota, aan de Staten-Generaal aan.

4.

De Voorjaarsnota bevat in elk geval:

  • b. een overzicht van de wijzigingen in de uitgaven en de ontvangsten in de begrotingen voor het begrotingsjaar en de vier daarop aansluitende jaren.
5.

De Najaarsnota bevat in aansluiting op de Voorjaarsnota in elk geval:

  • b. een overzicht van de nadere wijzigingen in de uitgaven en de ontvangsten in de begrotingen voor het begrotingsjaar.

Artikel 2.27. Uitvoering van voorstellen van wet inzake de suppletoire begrotingsstaten

1.

Zolang een voorstel van wet tot wijziging van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt lopend beleid dat ten grondslag ligt aan die wijziging met terughoudendheid in uitvoering genomen.

2.

Zolang een voorstel van wet tot wijziging van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt nieuw beleid dat ten grondslag ligt aan die wijziging, niet in uitvoering genomen, tenzij uitstel van de uitvoering naar het gemotiveerde oordeel van Onze Minister die het aangaat niet in het belang is van het Rijk en hij de Staten-Generaal daarover naar het onverwijlde oordeel van de Staten-Generaal deugdelijk heeft geïnformeerd.

Artikel 2.28

Onze Ministers, ieder met betrekking tot het beleid waarvoor hij verantwoordelijk is, zenden jaarlijks in december, uiterlijk drie dagen voor aanvang van het reces van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan beide Kamers der Staten-Generaal, een overzicht van majeure wijzigingen in de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten van het begrotingsjaar, die niet zijn opgenomen in de op grond van artikel 2.26 uiterlijk op 1 december in te dienen voorstellen van wet.

§ 5. De verantwoording van het Rijk

Artikel 2.29. Samenstelling en de inhoud van de verantwoording van het Rijk

1.

Tot de verantwoording van het Rijk behoren:

  • b. het Financieel jaarverslag van het Rijk, bedoeld in artikel 2.35.
2.

Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, stellen na afloop van een begrotingsjaar een jaarverslag op.

3.

Onze Minister van Financiën stelt na afloop van een begrotingsjaar het Financieel jaarverslag van het Rijk op.

Artikel 2.30. Slotverschillen

Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, stellen na afloop van een begrotingsjaar de slotverschillen op.

§ 6. Inrichting van het jaarverslag en de slotverschillen

Artikel 2.31. Presentatie van een jaarverslag

Een jaarverslag bestaat in elk geval uit:

  • a. een uiteenzetting over het gevoerde beleid;
  • b. een uiteenzetting over de gevoerde bedrijfsvoering;
  • c. een verantwoordingsstaat, voorzien van een toelichting per artikel;
  • d. indien van toepassing, een financiële staat van een agentschap als bedoeld in artikel 2.33;
  • e. een saldibalans, voorzien van een toelichting.

Artikel 2.32. Verantwoordingsstaat

1.

De verantwoordingsstaat wordt op basis van het van toepassing zijnde begrotingsstelsel opgesteld.

2.

De verantwoordingsstaat bevat, in de volgorde van de begrotingsartikelen in de begrotingsstaat, per begrotingsartikel in elk geval de volgende gegevens:

  • a. het artikelnummer;
  • b. de artikelomschrijving;
  • c. het bedrag dat voor financiële verplichtingen in de begrotingsstaat behorende bij de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten is vastgesteld, met daarnaast opgenomen het gerealiseerde bedrag;
  • d. het bedrag dat voor kasuitgaven in de begrotingsstaat behorende bij de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten is vastgesteld, met daarnaast opgenomen het gerealiseerde bedrag;
  • e. het bedrag dat aan kasontvangsten in de begrotingsstaat behorende bij de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten is vastgesteld, met daarnaast opgenomen het gerealiseerde bedrag.
3.

Het gerealiseerde bedrag voor de uitgaven dat wordt opgenomen in de verantwoordingsstaat bij het begrotingsartikel Nog onverdeeld is nihil.

Artikel 2.33. Financiële staat van agentschappen

1.

Een agentschap heeft een afzonderlijke financiële staat die wordt opgenomen bij de verantwoordingsstaat van het ministerie waaronder het agentschap ressorteert.

2.

De financiële staat van een agentschap wordt opgesteld op basis van het van toepassing zijnde begrotingsstelsel.

3.

De financiële staat van een agentschap bevat de bedragen die in de financiële staat, bedoeld in artikel 2.6, bij de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten zijn vastgesteld met daarnaast opgenomen de gerealiseerde bedragen.

Artikel 2.34. Saldibalans

1.

De saldibalans bevat in elk geval de saldi, zoals deze aan het eind van het begrotingsjaar uit de financiële administratie blijken, van:

  • a. de kasuitgaven en de kasontvangsten die binnen en buiten begrotingsverband zijn geboekt;
  • c. de openstaande financiële verplichtingen ten aanzien van derden met uitzondering van de garantieverplichtingen;
  • d. de garantieverplichtingen ten aanzien van derden;
  • e. de vorderingen en de schulden ten aanzien van derden met inbegrip van de voorschotten;
  • f. de departementale kassen.
2.

De toelichting bij de saldibalans biedt inzicht in de mutaties in de saldi ten opzichte van de stand van die saldi in de voorafgaande saldibalans.

Artikel 2.35. Financieel jaarverslag van het Rijk

1.

Het Financieel jaarverslag van het Rijk bevat met betrekking tot het begrotingsjaar in elk geval:

  • a. het gerealiseerde budgettaire totaalbeeld van de rijksbegroting en de niet tot de rijksbegroting behorende budgetdisciplinesectoren;
  • b. een uiteenzetting over het financieel beheer van de ministeries en de colleges;
  • c. de rijksrekening;
  • d. de rijkssaldibalans.
2.

De rijksrekening is het verantwoordingsoverzicht van het Rijk, waarin per begroting zijn opgenomen:

  • a. de totaalbedragen van alle geraamde uitgaven en ontvangsten, zoals deze in de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten zijn vastgesteld;
  • b. de totaalbedragen van alle gerealiseerde uitgaven en ontvangsten, zoals deze uit de verantwoordingsstaten blijken;
  • c. het verschil tussen de bedragen, bedoeld onder a en b.
3.

De uitgaven en ontvangsten, bedoeld in het tweede lid, worden opgenomen op basis van het begrotingsstelsel dat voor die uitgaven en ontvangsten geldt.

4.

De rijkssaldibalans is het verantwoordingsoverzicht van het Rijk, waarin in elk geval de totaalbedragen van alle saldibalansen, bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder e, en de saldi, bedoeld in artikel 2.34, zijn opgenomen.

Artikel 2.36. Autorisatie van de slotverschillen

De slotverschillen worden per begrotingsstaat bij wet vastgesteld.

§ 7. Het aanbieden van de jaarverslagen en de slotverschillen

Artikel 2.37. Aanbieden van de jaarverslagen

1.

Onze Minister van Financiën zendt de jaarverslagen, bedoeld in artikel 2.31, jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het begrotingsjaar voor onderzoek naar de Algemene Rekenkamer. De rapporten over de jaarverslagen die zijn opgesteld door de Auditdienst Rijk worden gelijktijdig meegestuurd.

2.

Onze Minister van Financiën biedt de door de Algemene Rekenkamer onderzochte jaarverslagen op de derde woensdag van mei volgend op het jaar waarop de jaarverslagen betrekking hebben aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan, tenzij deze datum valt in een periode wanneer de Tweede Kamer der Staten-Generaal met reces is of wanneer een nationale feestdag is. In dat geval biedt Onze Minister van Financiën de jaarverslagen, na overleg met de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de president van de Algemene Rekenkamer, uiterlijk op 1 juni van hetzelfde jaar aan.

3.

In voorkomende gevallen zendt Onze Minister die het aangaat zijn standpunt over het bezwaar van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór de behandeling van het jaarverslag door de Tweede Kamer der Staten-Generaal, naar die Kamer.

Artikel 2.38. Aanbieden van het Financieel jaarverslag van het Rijk

1.

Onze Minister van Financiën zendt het Financieel jaarverslag van het Rijk, bedoeld in artikel 2.35, uiterlijk op 21 april van het jaar volgend op het begrotingsjaar voor onderzoek naar de Algemene Rekenkamer. Het rapport over het jaarverslag dat is opgesteld door de Auditdienst Rijk wordt gelijktijdig meegestuurd.

2.

Onze Minister van Financiën biedt het door de Algemene Rekenkamer onderzochte Financieel jaarverslag van het Rijk op de derde woensdag van mei volgend op het jaar waarop het begrotingsjaar betrekking heeft aan de Staten-Generaal aan, tenzij deze datum valt in een periode wanneer de Tweede Kamer der Staten-Generaal met reces is of wanneer een nationale feestdag is. In dat geval biedt Onze Minister van Financiën het Financieel jaarverslag van het Rijk, na overleg met de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de president van de Algemene Rekenkamer, uiterlijk op 1 juni van hetzelfde jaar aan.

Artikel 2.39. Indienen van voorstellen van wet inzake de slotverschillen

1.

Wij dienen op de derde woensdag van mei volgend op het jaar waarop de begrotingsstaten betrekking hebben de voorstellen van wet tot vaststelling van de slotverschillen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in, tenzij deze datum valt in een periode wanneer de Tweede Kamer der Staten-Generaal met reces is of wanneer een nationale feestdag is. In dat geval dienen Wij de voorstellen van wet, na overleg met de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de president van de Algemene Rekenkamer, uiterlijk op 1 juni van hetzelfde jaar in.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen van wet tot vaststelling van de slotverschillen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

§ 8. Dechargeverlening

Artikel 2.40. Dechargeverlening

1.

Decharge aan Onze Ministers, ieder met betrekking tot het door hem gevoerde financieel beheer, wordt verleend aan de hand van het betrokken jaarverslag door een daartoe strekkende uitspraak van elk van de Kamers der Staten-Generaal.

2.

Decharge wordt niet eerder verleend dan nadat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, is ontvangen en het voorstel van wet tot vaststelling van de slotverschillen, bedoeld in artikel 2.39, en in voorkomende gevallen een voorstel van een indemniteitswet als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, zijn aangenomen.

3.

Nadat de Tweede Kamer der Staten-Generaal decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van de decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken. De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt het jaarverslag vervolgens aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

4.

Nadat de Eerste Kamer der Staten-Generaal decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van de decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken. De voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal zendt het jaarverslag vervolgens aan Onze Minister van Financiën.

Hoofdstuk 3. Begrotingsbeheer en financieel beheer: normering

§ 1. Normering algemeen

Artikel 3.1. Voorstellen, voornemens en toezeggingen

Voorstellen, voornemens en toezeggingen bevatten een toelichting waarin wordt ingegaan op:

  • a. de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd;
  • b. de beleidsinstrumenten die worden ingezet;
  • c. de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren.

Artikel 3.2. Begrotingsbeheer

Onze Ministers en de colleges zijn verantwoordelijk voor de ordelijkheid en controleerbaarheid van het begrotingsbeheer.

Artikel 3.3. Financieel beheer

Onze Ministers en de colleges zijn verantwoordelijk voor de doelmatigheid, rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer.

Artikel 3.4. Materiële bedrijfsvoering

Onze Ministers en de colleges zijn verantwoordelijk voor de doelmatigheid, rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid van het verwerven, het beheren en het afstoten van materieel.

§ 2. Normering van de financiële administratie en de informatievoorziening

Artikel 3.5. Financiële administratie

1.

Financiële administraties worden betrouwbaar en controleerbaar ingericht en gevoerd.

2.

De financiële administratie wordt zodanig ingericht dat daaraan de financiële informatie kan worden ontleend die krachtens het in hoofdstuk 2 bepaalde en de nadere regels, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, in de begroting en het jaarverslag wordt opgenomen.

Artikel 3.6. Financiële begrotingsinformatie

Financiële begrotingsinformatie voldoet aan:

  • a. de norm van betrouwbaarheid en ordelijkheid;

Artikel 3.7. Niet-financiële begrotingsinformatie

Voor niet-financiële begrotingsinformatie geldt dat deze:

  • a. voldoet aan de norm van betrouwbare totstandkoming;
  • b. niet strijdig is met de financiële begrotingsinformatie.

Artikel 3.8. Financiële verantwoordingsinformatie

1.

Financiële verantwoordingsinformatie voldoet aan:

  • a. de norm van betrouwbaarheid en ordelijkheid;
  • b. de norm van rechtmatigheid;
2.

De financiële verantwoordingsinformatie in de rijksrekening en de rijkssaldibalans van het Financieel jaarverslag van het Rijk, bedoeld in artikel 2.35, tweede en vierde lid, sluit aan op de financiële verantwoordingsinformatie in de verantwoordingsstaten en de saldibalansen van de jaarverslagen, bedoeld in artikel 2.31.

Artikel 3.9. Niet-financiële verantwoordingsinformatie

Voor niet-financiële verantwoordingsinformatie geldt dat deze:

  • a. voldoet aan de norm van betrouwbare totstandkoming;
  • b. niet strijdig is met de financiële verantwoordingsinformatie.

Artikel 3.10. Normen voor het rapporteren over de rechtmatigheid

Onze Minister van Financiën stelt regels met betrekking tot de normen die gelden voor het rapporteren van fouten en onzekerheden in de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in artikel 2.31.

Hoofdstuk 4. Begrotingsbeheer en financieel beheer: verantwoordelijkheden

§ 1. Beleid en bedrijfsvoering door Onze Ministers

Artikel 4.1. Begrotingsbeheer en bedrijfsvoering: algemeen

1.

Onze Ministers, ieder met betrekking tot het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt, zijn verantwoordelijk voor:

  • a. het ontwikkelen, vaststellen en uitvoeren van het beleid;
  • b. het toezicht houden op het uitvoeren van het beleid;
  • c. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid;
  • d. de in de begroting opgenomen informatie;
  • e. de in het jaarverslag opgenomen informatie.
2.

Onze Ministers die belast zijn met de leiding van een ministerie, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, zijn verantwoordelijk voor:

  • a. de bedrijfsvoering van het ministerie;
  • b. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van die bedrijfsvoering;
  • c. het begrotingsbeheer en de daartoe gevoerde administraties;
  • d. het financieel beheer en de daartoe gevoerde administraties;
  • e. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op roerende zaken en de daartoe gevoerde administraties.

Artikel 4.2. Verantwoording bij gedeelde verantwoordelijkheden

1.

Indien Onze Minister het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt niet zelf uitvoert, daarop toezicht houdt of de bedrijfsvoering verzorgt, draagt hij zorg voor het verkrijgen van de informatie die nodig is voor het afleggen van verantwoording in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.31.

2.

Indien een organisatie die niet tot het Rijk behoort direct, indirect of voorwaardelijk een financiële bijdrage ontvangt uit verschillende begrotingen als bedoeld in artikel 2.1 dan wordt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 2.31 opgenomen in het jaarverslag van Onze Minister die als eerste verantwoordelijk is voor de bijdrage.

3.

Indien bij of krachtens de wet aan de ontvanger van de financiële bijdrage, bedoeld in het tweede lid, geen jaarlijkse verantwoording verplicht is gesteld, volstaat Onze Minister die het aangaat met het opnemen in het jaarverslag van de verantwoordingsinformatie die volgens het wettelijk voorschrift door de ontvanger aan Onze Minister die het aangaat wordt verstrekt.

Artikel 4.3. Beheer niet-departementale begrotingen

1.

Onze Minister van Algemene Zaken is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van de Koning.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van koninkrijksrelaties.

3.

Onze Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van Nationale Schuld.

§ 2. Beheer door colleges

Artikel 4.4. Beheer begrotingen colleges

1.

Onze Minister van Algemene Zaken is verantwoordelijk voor het beheer van de begrotingen van het Kabinet van de Koning en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer van de begrotingen van de Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao, het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten en de Kiesraad.

3.

De colleges zijn belast met het begrotingsbeheer, het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering en de daartoe gevoerde administraties.

4.

Onze Ministers die het aangaan maken met de colleges over het beheer van hun begrotingen afspraken, waarin recht wordt gedaan aan de staatsrechtelijke positie van de colleges.

Artikel 4.5. Begroting van de Staten-Generaal

1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overlegt jaarlijks met elk van de Kamers der Staten-Generaal over de door de Kamers opgestelde ramingen van de uitgaven en de ontvangsten ten behoeve van hun taakuitvoering.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neemt de ramingen, zoals opgesteld door de Kamers der Staten-Generaal, op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van de Staten-Generaal, tenzij een evident zwaarwegende reden zich hiertegen verzet.

3.

Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ramingen wegens evident zwaarwegende redenen niet of niet geheel opneemt, dan licht hij dit gemotiveerd toe.

§ 3. Privaatrechtelijke rechtshandelingen

Artikel 4.6. Verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling

1.

Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, verrichten namens de Staat de privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit het beleid en de bedrijfsvoering die aan hun begrotingen ten grondslag liggen, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een van Onze andere Ministers de rechtshandeling verricht.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de colleges elk met betrekking tot de uitvoering van de taak waarvoor het verantwoordelijk is.

3.

Onverminderd artikel 4.18, aanhef en onder b, kunnen Onze Ministers een overeenkomst tot het aangaan van een geldlening namens de Staat sluiten voor zover Onze Minister van Financiën daaraan zijn medewerking verleent in de vorm van het mede verrichten van de privaatrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 4.7. Voorhangprocedure voor een privaatrechtelijke rechtshandeling

1.

De volgende privaatrechtelijke rechtshandelingen worden niet eerder door de Staat verricht dan 30 dagen, nadat het voornemen daartoe schriftelijk ter kennis is gebracht van de Kamers der Staten-Generaal:

  • a. het oprichten, mede oprichten of doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon;
  • b. het verstrekken aan een privaatrechtelijke rechtspersoon van eigen vermogen, leningen met wezenlijke kenmerken van eigen vermogen of garanties ten aanzien van de omvang van het eigen vermogen;
  • c. het overnemen van schuldtitels of aandelen van een privaatrechtelijke rechtspersoon die door een derde worden gehouden;
  • d. het overnemen van risico’s van financiële activa van een privaatrechtelijke rechtspersoon, indien dat overnemen bedoeld is ter versterking van de solvabiliteit van de privaatrechtelijke rechtspersoon.
2.

Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn van 30 dagen ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers der Staten-Generaal nadere inlichtingen vraagt, wordt de privaatrechtelijke rechtshandeling niet verricht dan 14 dagen nadat de inlichtingen zijn verstrekt.

3.

De procedure, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een voornemen tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, indien:

  • a. een wettelijke regeling voorziet in een rechtsgrond voor het verrichten van die rechtshandeling;
  • b. de rechtshandeling ziet op het verstrekken van eigen vermogen dat voortvloeit uit een eerder verstrekte garantie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
  • c. de rechtshandeling ziet op het deelnemen in het aandelenkapitaal van een vennootschap waarbij de handeling niet ten doel heeft het relatieve belang van de Staat in het eigen vermogen van de betrokken rechtspersoon te verhogen;
  • d. het volgen van de voorhangprocedure in strijd is met een wettelijke regeling;
  • e. met de rechtshandeling een geringer financieel belang is gemoeid dan de door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedragen die betrekking hebben op de rechtshandelingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d.
4.

Onze Minister die het aangaat voert overleg met de Algemene Rekenkamer over een voornemen tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Onze Minister die het aangaat verbindt een redelijke termijn aan het overleg met de Algemene Rekenkamer. Na het overleg met de Algemene Rekenkamer legt Onze Minister die het aangaat het voorgenomen besluit aan de ministerraad voor.

Artikel 4.8. Informatieverstrekking over belangen in privaatrechtelijke rechtspersonen

1.

Onze Minister van Financiën informeert de Kamers der Staten-Generaal jaarlijks over het beleid en het gevoerde beleid met betrekking tot:

  • a. het verwerven, het bezit en het vervreemden van vermogen in privaatrechtelijke rechtspersonen, indien aan dat vermogen wezenlijke kenmerken van eigen vermogen zijn verbonden;
2.

De verstrekte informatie bevat met betrekking tot het vervreemden van vermogen als bedoeld in het eerste lid, onder a, en het overdragen van risico’s als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in elk geval de daarbij te hanteren of gehanteerde uitgangspunten.

3.

Onze Minister van Financiën vermeldt de gerealiseerde afstoting van de belangen, bedoeld in het tweede lid, in zijn departementale jaarverslag.

Artikel 4.9. Geldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling

De geldigheid van privaatrechtelijke rechtshandelingen door de Staat wordt niet aangetast, indien de bij of krachtens deze wet gestelde regels niet worden nageleefd, tenzij het betreft het niet naleven van de regels over de bevoegdheid van de handelende personen, gesteld bij of krachtens de artikelen 4.6 en 4.18, aanhef en onderdeel b.

§ 4. Publiekrechtelijke rechtshandelingen

Artikel 4.10. Horizonbepaling bij subsidieregelingen

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder subsidieregeling verstaan een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling op grond waarvan voor de in die regeling bedoelde activiteiten op aanvraag en met inachtneming van de in die regeling opgenomen voorschriften een subsidie wordt verstrekt, waarop titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en waarvan de verstrekking als een subsidie is aangemerkt in de begroting, bedoeld in artikel 2.1.

2.

Een subsidieregeling bevat een tijdstip waarop de regeling vervalt. Dit tijdstip valt niet later dan vijf jaren na de inwerkingtreding van de regeling. Een subsidieregeling die bij de inwerkingtreding van deze wet geen tijdstip kent waarop de regeling vervalt, wordt voor zover het een wet betreft binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet van een dergelijk tijdstip voorzien.

3.

In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, kan een subsidieregeling een tijdstip bevatten waarop de subsidieregeling vervalt, dat is gelegen later dan vijf jaren, doch niet later dan tien jaren, na de inwerkingtreding van de subsidieregeling, indien:

  • a. uit de toelichting van de subsidieregeling blijkt dat het vervallen van de regeling binnen vijf jaren na inwerkingtreding ervan, gelet op de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, afbreuk doet aan de effectiviteit van die activiteiten, en
  • b. door Onze Minister die het aangaat gedurende de looptijd van de subsidieregeling een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de subsidie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gezonden.
4.

Een subsidieregeling die een tijdstip als bedoeld in het derde lid bevat, wordt voor zover die subsidieregeling een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling betreft niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die subsidieregeling schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

5.

Indien binnen de in het vierde lid genoemde termijn van 30 dagen ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadere inlichtingen vraagt, wordt de subsidieregeling, bedoeld in het vierde lid, niet vastgesteld dan 14 dagen nadat de inlichtingen zijn verstrekt.

6.

Een subsidieregeling die strekt tot het verstrekken van subsidie onder hoofdzakelijk dezelfde voorwaarden voor overwegend dezelfde activiteiten als van een vervallen subsidieregeling als bedoeld in het tweede lid, wordt voor zover die subsidieregeling een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling betreft, niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die subsidieregeling schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

7.

Een subsidieregeling die strekt tot wijziging van het tijdstip waarop een subsidieregeling vervalt, wordt voor zover die subsidieregeling een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling betreft, niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die subsidieregeling schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Coördinatie van het begrotingsbeheer en het financieel beheer

Artikel 4.11. Begroting, financieel beheer en verantwoording

1.

Onze Minister van Financiën is met betrekking tot het Rijk belast met de coördinatie van:

  • a. het begrotings- en het verantwoordingsproces;
  • b. het begrotingsbeheer.
2.

Onze Minister van Financiën bevordert de doelmatigheid van het financieel beheer van het Rijk.

Artikel 4.12. Budgettair toezicht

1.

Onze Minister van Financiën is belast met het toezicht op het begrotingsbeheer van het Rijk.

2.

Onze Minister van Financiën kan voorafgaand financieel toezicht instellen. Dit toezicht houdt in dat hij begrotingsartikelen aanwijst ten laste waarvan bepaalde financiële verplichtingen niet mogen worden aangegaan, voordat hij daarmee heeft ingestemd.

3.

Onze Minister van Financiën bepaalt welke informatie hem ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstrekt.

4.

Onze Minister van Financiën maakt tegen een ontwerpbegroting of een ontwerpwijziging van een begroting bezwaar, voor zover:

  • a. deze niet overeenstemming is met het algemene financiële beleid of het doelmatige beheer van de financiële middelen van het Rijk;
  • b. de in een ontwerpbegroting of ontwerpwijziging van een begroting opgenomen bedragen niet in een redelijke verhouding staan tot de doelstellingen van het beleid dat aan die begroting ten grondslag ligt;
  • c. indien het toezicht, bedoeld in het eerste lid, hem daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4.13. Voorstellen met financiële gevolgen

1.

Voorstellen, niet zijnde voorstellen van wet tot vaststelling of wijziging van een begrotingsstaat, alsmede voornemens en toezeggingen met financiële gevolgen voor het Rijk worden door Onze Ministers niet aan de ministerraad of aan de Staten-Generaal aangeboden, kenbaar gemaakt dan wel gedaan, dan nadat Onze Minister van Financiën daarover zijn oordeel heeft gegeven.

2.

Artikel 4.12, vierde lid, is op deze voorstellen, voornemens en toezeggingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.14. Informeren over wijzigingen

1.

Onze Ministers en de colleges informeren Onze Minister van Financiën over voorstellen tot wijziging van:

  • a. de inrichting van de begroting en het jaarverslag;
  • b. de inrichting van de financiële administratie;
  • c. de organisatorische inrichting van en de uitvoering van de taken door het dienstonderdeel van een ministerie dat belast is met financieel-economische aangelegenheden.
2.

Onze Ministers en de colleges brengen geen structurele wijzigingen aan in de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en c, dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met Onze Minister van Financiën.

Artikel 4.15. Informeren en toegang Onze Minister van Financiën

1.

Onze Ministers verstrekken Onze Minister van Financiën op zijn verzoek de informatie die naar zijn oordeel noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in de artikelen 4.11 tot en met 4.13.

2.

Onze Ministers verlenen Onze Minister van Financiën te allen tijde toegang tot dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers.

Artikel 4.16. Bedenkingen en bezwaren

Onze Minister van Financiën deelt Onze Ministers de bedenkingen en bezwaren mee, waartoe de informatie, bedoeld in de artikelen 4.14 en 4.15, hem aanleiding geeft.

§ 6. Balansbeheer en overige taken Onze Minister van Financiën

Artikel 4.17. Centraal beheer van de schatkist van het Rijk

1.

De aan het Rijk toebehorende en toevertrouwde gelden en geldswaardige papieren worden in de schatkist van het Rijk aangehouden.

2.

Onze Minister van Financiën is belast met het centraal beheer van de schatkist van het Rijk. Dit beheer omvat het beheer van de centrale kassen van het Rijk en de coördinatie van het beheer van de departementale kassen.

3.

Onze Minister van Financiën kan aan de ambtenaren die belast zijn met het beheer van departementale kassen algemene aanwijzingen geven voor het beheer van die kassen.

4.

Onze Minister van Financiën is belast met de centrale administratie van de schatkist van het Rijk.

5.

Onze Minister van Financiën neemt jaarlijks, nadat de dechargeverlening, bedoeld in artikel 2.40 heeft plaatsgevonden, de saldi van de begrotingsontvangsten en de begrotingsuitgaven op de departementale en niet-departementale saldibalansen over in de centrale administratie van de schatkist van het Rijk.

Artikel 4.18. Centraal beheer van de staatsschuld

Onze Minister van Financiën is belast met:

  • a. het beheer van de staatsschuld;
  • b. het sluiten van overeenkomsten tot het aangaan van geldleningen door de staat voor de tekortfinanciering en de herfinanciering van aflopende geldleningen.

Artikel 4.19. Specifieke taken

1.

Onze Minister van Financiën is in afwijking van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onderdeel e, belast met het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de overtollige roerende zaken van het Rijk.

2.

Onze Minister van Financiën is belast met het afstoten van overtollige roerende zaken van het Rijk.

3.

Onze Minister van Financiën is mede belast met het beheer van de leningen en garanties die door Onze Ministers aan een derde zijn verstrekt met uitzondering van de leningen en garanties die bij of krachtens de wet zijn bepaald.

Artikel 4.20. Regelgeving

1.

Onze Minister van Financiën stelt voor het Rijk nadere regels over:

  • a. het inrichten van de rijksbegroting, bedoeld in artikel 2.1, en van de verantwoording van het Rijk, bedoeld in artikel 2.29;
  • b. het begrotings- en het verantwoordingsproces;
  • c. de begrotings- en de verantwoordingsinformatie;
  • d. het begrotingsbeheer en het financieel beheer;
  • e. de financiële administratie;
  • f. het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Staat.
2.

Onze Minister van Financiën kan voor het Rijk regels stellen over:

  • a. de samenstelling, de organisatie en de doelen van een periodiek interdepartementaal overleg over financieel-economische aangelegenheden;
  • b. de samenstelling, de organisatie, de taken en de informatievoorziening van het adviesorgaan van een ministerie met betrekking tot audit- en bedrijfsvoeringsaangelegenheden;
  • c. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de roerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
  • d. het afstoten van overtollige roerende zaken van het Rijk;
  • e. het toepassen van financiële beleidsinstrumenten;
  • f. de voorstellen, voornemens en toezeggingen, bedoeld in artikel 3.1, aanhef, en het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en de bedrijfsvoering;
  • g. de inrichting en het beheer van de agentschappen.
3.

De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, en het tweede lid, onderdeel f, worden niet vastgesteld, dan nadat daarover op hoofdlijnen overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gevoerd.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. de taken en de organisatie van het dienstonderdeel van een ministerie dat belast is met financieel-economische aangelegenheden;
  • b. de taken, de organisatie en de kwaliteitsbeheersing van de Auditdienst Rijk.
5.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor het Rijk regels stellen over:

  • a. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de onroerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
  • b. het privaatrechtelijk beheer van de onroerende zaken van het Rijk.

Hoofdstuk 5. Beheer van publieke liquide middelen buiten het Rijk

§ 1. Algemeen

Artikel 5.1. Aanwijzing door Onze Minister van Financiën

1.

Onze Minister van Financiën wijst op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat aan:

  • b. de rechtspersonen die hun liquide middelen uitzetten, bedoeld in artikel 5.7.
2.

Onze Minister van Financiën maakt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, openbaar. De aanwijzing is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 2. Schatkistbankieren

Artikel 5.2. Verplicht schatkistbankieren

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)