Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juni 2017, kenmerk 1143247-164699-CZ, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 en intrekking van het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties
Gelet op artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Artikel 1
De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies voor het subsidiëren van eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Deze beleidsregels vervallen met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat dit beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan worden verstrekt.
Artikel 2
Het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties, vastgesteld op 19 januari 2015, vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat dit beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan zijn verstrekt.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 en intrekking van het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties
Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018
Inleiding
De zorg binnen de eerstelijn kenmerkt zich door een generalistische zorgverlening en laagdrempelige toegang. Deze zorg in de buurt is gericht op de mens in zijn omgeving en heeft een ambulant karakter. Geïntegreerde eerstelijnszorg betreft multidisciplinaire eerstelijnszorg, die door meerdere zorgaanbieders met verschillende disciplinaire achtergronden in samenhang wordt geleverd.
De gebruikelijke manier waarop geïntegreerde eerstelijnszorg tot stand komt is dat er, in een reeds bestaande woonwijk, verschillende zorgprofessionals gaan samenwerken. Geïntegreerde eerstelijnscentra (hierna te noemen gezondheidscentra) worden in bestaande wijken meestal opgestart voor een beoogde populatie vanaf circa 8.000 inschrijvingen. Deze schaalgrootte is doorgaans voldoende om een breed geïntegreerd zorgaanbod te organiseren.
Het opstarten van gezondheidscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties gaat gepaard met specifieke aanloopproblemen. Zo zijn zorgverzekeraars terughoudend met het doen van investeringen, omdat het onduidelijk is of er voldoende verzekerden in de wijk komen wonen. Door uitgestelde oplevering van huizen loopt de instroom van bewoners en dus ingeschreven patiënten dikwijls vertraging op. Daarnaast verstrekken banken vaak onvoldoende krediet, of tegen hoge rentelasten, om de aanloopfase van het centrum gefinancierd te krijgen. Er zijn dus diverse problemen voor het realiseren van geïntegreerde eerstelijnszorg op grootschalige nieuwbouwlocaties. Door deze specifieke marktproblemen kunnen gezondheidscentra daar niet van de grond komen.
Vanwege dit marktfalen en gelet op het publieke belang wordt in de periode tot en met 2013 het ontwikkelen en aanbieden van geïntegreerde eerstelijnszorg tijdens de realisatie van grootschalige nieuwbouwlocaties in voorheen onbebouwd gebied aangewezen als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) in de zin van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 november 2005 (2005/842/EG). Gezondheidscentra, zijnde ondernemingen, zullen bij overeenkomst worden belast met de uitvoering van deze dienst. Ter compensatie ontvangen zij gedurende de aanloopfase van het realiseren van het gezondheidscentrum een instellingssubsidie op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Deze compensatie houdt rekening met de werkelijke kosten en opbrengsten, opdat overcompensatie wordt voorkomen. In dit tijdelijke beleidskader wordt het subsidiebeleid voor geïntegreerde eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties uiteengezet.
Achtereenvolgens komen hierin aan de orde:
1. Nieuwbouwlocaties
Dit subsidiebeleid is gericht op grootschalige nieuwbouwlocaties in voorheen onbebouwd gebied. Bekende grootschalige nieuwbouwlocaties werden ook wel VINEX-gebieden genoemd. VINEX- gebieden zijn in 1993 door de toenmalige Minister van VROM aangewezen als uitbreidingsgebieden voor steden. Het betreft de woningproductie tussen 1995 en 2005 in het kader van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. De woningproductie na 2005 is per definitie geen VINEX. Om beter aan te sluiten bij de gebieden waarin zich problemen voordoen bij de opstart van grote eerstelijns samenwerkingsverbanden wordt hierna gesproken over ‘grootschalige nieuwbouwlocaties in voorheen onbebouwd gebied’.
Criteria waaraan een grootschalige nieuwbouwlocatie moet voldoen zijn de volgende:
2. Geïntegreerde eerstelijnscentra
Dit subsidiebeleid is voorts gericht op geïntegreerde eerstelijnscentra ofwel gezondheidscentra.
Gezondheidscentra kunnen in hoofdlijnen op twee verschillende manieren georganiseerd zijn. In de meest eenvoudige vorm bestaat een gezondheidscentrum uit een enkele rechtspersoon die het centrum exploiteert en het (medisch) personeel in dienst heeft voor het verlenen van de eerstelijns gezondheidszorg. In dat geval komt de desbetreffende rechtspersoon voor subsidie in aanmerking. De essentie van de andere wijze van organiseren van gezondheidscentra is dat er een rechtspersoon is die het gezondheidscentrum exploiteert en dat andere (rechts)personen in dat centrum de eerstelijns gezondheidszorg aanbieden. De zorgaanbieders betalen voor het gebruik van het centrum. Ook in dit geval komt de rechtspersoon die het gezondheidscentrum exploiteert voor subsidie in aanmerking.
De rechtspersoon, zijnde de onderneming, die een gezondheidscentrum exploiteert wordt hier verder aangeduid als exploitant.
3. Subsidievoorwaarden
De exploitant van een gezondheidscentrum in een grootschalige nieuwbouwlocatie kan worden belast met een dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat de exploitant de taak heeft om tijdens de realisatie van die nieuwbouwlocatie geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiervoor kan aan de exploitant op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS jaarlijks een instellingssubsidie worden verstrekt.
Subsidie kan worden verkregen voor praktijkkosten zijnde onder andere kosten voor personeel, huisvesting en automatisering voor zover deze kosten aanvaardbaar zijn in vergelijking met de kosten van soortgelijke gezondheidscentra. Voorts is het toegestaan een voorziening te treffen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid tot maximaal 7,56% van de loonsom. Uiteraard wordt slechts subsidie verstrekt voor kosten die niet door anderen vergoed worden of kunnen worden. De subsidie bedraagt jaarlijks minimaal € 125.000 en maximaal € 300.000 per gezondheidscentrum. De subsidie wordt uitsluitend verleend in de eerste vijf kalenderjaren na de start van het zorgaanbod in het gezondheidscentrum en zolang er binnen die periode naar verwachting in het desbetreffende subsidiejaar nog geen 8.000 inwoners zijn. Dit geldt ook als het gezondheidscentrum van exploitant wisselt, bijvoorbeeld als gevolg van een fusie.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, dient aan de volgende criteria te worden voldaan:
Indien de realisatie van woningen in het grootschalige nieuwbouwgebied zodanige vertraging oploopt dat het aantal inwoners onvoldoende is om het gezondheidscentrum na vijf jaar zonder subsidie te exploiteren, kan de subsidieperiode met maximaal twee jaren verlengd worden. In alle gevallen is de maximale subsidie over de gehele subsidieperiode € 1.500.000.
In de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is de wijze van verstrekking van de instellingssubsidie geregeld. Hier wordt onder meer gewezen op de bepalingen met betrekking tot de aanvraag en de verantwoording. Uit de aanvraag dient te blijken dat voldaan wordt aan de in dit beleidskader omschreven criteria om voor subsidie in aanmerking te komen. Daartoe is onder andere een meerjarenbegroting nodig waaruit blijkt dat het gezondheidscentrum na afloop van de jaren waarin de subsidie wordt verstrekt zonder subsidie kan worden geëxploiteerd. Bij het opstellen van de meerjarenbegroting wordt uitgegaan van de bekostigingssystematiek zoals die op dat moment geldt. Tevens is van belang een onderbouwde raming van de ontwikkeling van het inwonertal in het nieuwbouwgebied. Vanzelfsprekend worden bij de aanvraag ook de genoemde overeenkomsten meegestuurd.
4. Verplichtingen
Aan de subsidie is de verplichting verbonden tot het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst tussen het gezondheidscentrum en het Ministerie van VWS. In deze overeenkomst wordt de exploitant belast met de onderhavige dienst van algemeen economisch belang, te weten het verlenen en verder ontwikkelen van geïntegreerde eerstelijnszorg tijdens de realisatie van het desbetreffende nieuwbouwgebied.
Indien de rechtspersoon naast het uitvoeren van de dienst van algemeen economisch belang nog andere activiteiten uitvoert, dient sprake te zijn van een gescheiden boekhouding, zodat de lasten en baten van de verschillende activiteiten gescheiden zijn en duidelijk is welke daarvan betrekking hebben op de uitvoering van de dienst van algemeen economisch belang.
Voor het overige gelden de gebruikelijke verplichtingen uit hoofde van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Zo wordt bij de vaststelling van een subsidie bezien wat de werkelijke kosten en opbrengsten zijn. Subsidiegelden die na uitvoering van de subsidiabele activiteiten niet besteed zijn, worden toegevoegd aan een zogenaamde egalisatiereserve. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van de verleende subsidie. Indien de egalisatiereserve meer dan 10% bedraagt zal dit worden teruggevorderd. Zolang er gesubsidieerd wordt, kan de egalisatiereserve in het daaropvolgende jaar worden ingezet als de subsidie tekortschiet. Aldus vindt geen overcompensatie plaats.
5. Tot slot
Dit beleidskader is een actualisatie van het kader 2015 dat een vervolg was op het subsidiebeleid ten aanzien van gezondheidscentra zoals opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer van 5 september 2011 (Kamerstukken 2010-2011, 29 247, nr. 150). In de brief aan de Tweede Kamer van 19 mei 2014 is de regeling verlengd tot eind 2017. In afwachting van de evaluatie van de regeling wordt de regeling met een jaar verlengd tot eind 2018. In deze evaluatie wordt bezien of en zo ja hoe, de onderhavige financiering na 2018 kan plaatsvinden. Dit mede in relatie tot de doorontwikkeling van het nieuwe bekostigingsmodel, waarin nader bekeken moet worden welke rol verzekeraars kunnen oppakken en of deze regeling onderdeel kan gaan uitmaken van de reguliere bekostiging.
Aan aanvragers die ten behoeve van 2017 voor het eerst subsidie hebben verkregen kan voor de subsidiejaren 2017 tot en met 2021 subsidie worden verstrekt, op basis van het beleidskader 2015.
Aan aanvragers die ten behoeve van 2018 voor het eerst subsidie zullen verkrijgen kan voor de subsidiejaren 2018 tot en met 2022 subsidie worden verstrekt. Nieuwe aanvragers kunnen in de periode 2019-2024 alleen dan voor subsidie in aanmerking komen als aan hen ten behoeve van 2018 subsidie is verstrekt op basis van het beleidskader 2018.
Aanvragen tot verlening van subsidie ten behoeve van 2018 kunnen volgens de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS uiterlijk 1 oktober 2017 worden ingediend. Voor de aanvraag van de subsidie wordt een speciaal formulier gebruikt. Meer informatie hierover is te verkrijgen via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I), www.dus-i.nl.
Het besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.