Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juli 2017, 617-165745-CZ, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van overige instellingen voor medisch specialistische zorg, voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder (Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2)

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-10-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet VWS-subsidies en artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1

De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan overige instellingen voor medisch specialistische zorg en Zelfstandige Klinieken Nederland voor het stimuleren van gestandaardiseerde elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

2.

Dit besluit vervalt met ingang van 1 april 2020.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2.

Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2

1. Inleiding

In vervolg op het Besluit vaststelling Beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (Stcrt. 21december 2016, nr. 68985 ), waarbij ziekenhuizen in aanmerking kunnen komen voor een subsidie zodat zij uiterlijk 2020 gestandaardiseerd informatie kunnen uitwisselen met de patiënt (verder VIPP fase 1), bevat dit beleidskader een uitwerking van een vergelijkbare subsidieregeling voor de overige instellingen voor medisch specialistische zorg (zie hoofdstuk 2).

Net als bij VIPP fase 1 wordt de achtergrond van dit beleidskader gevormd door de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 2 juli 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013–14, 27 529, nr. 130), waarbij het beleid op het terrein van verbetering van de ICT-infrastructuur is uiteengezet. Doel is dat instellingen voor medisch specialistische zorg op korte termijn een digitaliseringslag maken om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit houdt in dat instellingen voor medisch specialistische zorg vóór 2020 op een gestandaardiseerde en veilige manier informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt. Op dit moment zet een beperkt aantal instellingen voor medisch specialistische zorg al de eerste stappen om informatie digitaal meer te ontsluiten. Duidelijk is ook dat instellingen voor medisch specialistische zorg dit niet allemaal op dezelfde wijze doen en ook niet dezelfde of geen standaarden gebruiken. Om de zorg echt toekomstbestendig en nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken, is het van belang dat alle instellingen voor medisch specialistische zorg dezelfde informatie ontsluiten en daarbij dezelfde standaarden gebruiken, zodat de informatie onderling, met de patiënt en met andere zorgverleners gedeeld kan worden. Dit draagt eraan bij dat mensen op termijn binnen digitale persoonlijke gezondheidsomgevingen over hun medische gegevens kunnen beschikken en deze veilig kunnen gebruiken. Binnen het samenwerkingsverband MedMij werken partijen in de zorg samen om ervoor te zorgen dat er websites en applicaties beschikbaar komen die voldoen aan de MedMij-standaarden, die waarborgen dat informatie veilig gewisseld en gebruikt kan worden. De uitgangspunten van MedMij zijn daarmee relevant voor de wijze waarop instellingen voor medisch specialistische zorg de gegevensuitwisseling tussen de patiënt en de zorgverlener nader vormgeven. Deze uitgangspunten staan opgenomen in bijlage 1. Dit draagt tevens bij aan interoperabiliteit en herbruikbaarheid van deze gegevens in medisch onderzoek, waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de wens van de Europese Commissie dat gegevens die in onderzoek worden gebruikt FAIR zijn: Findable, Accesible, Interoperable and Re-useable. In de wet Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens1Wet van 5 oktober 2016 tot wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens), Stb. 2016, nr. 373. is vastgelegd dat een cliënt die om inzage in zijn dossier verzoekt of een afschrift daarvan vraagt, het recht heeft dat dit langs elektronische weg gebeurt. Dit recht, dat per 1 juli 2020 in werking treedt, impliceert ook de plicht van de zorgaanbieder dat hij dit kan faciliteren. Deze wet verplicht niet hoe de gegevens moeten worden ontsloten. Uitgangspunt van deze wet is dat de verstrekking van gegevens op veilige2Besluit houdende nadere regels over functionele, technische en organisatorische maatregelen bij elektronische gegevensverwerking door en tussen zorgaanbieders (Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders). wijze moet plaatsvinden. In dit beleidskader wordt door het stellen van eisen ten aanzien van authenticatie voorgesorteerd op deze ontwikkelingen. De digitale informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional moet, conform het VN gehandicaptenverdrag3Kamerstukken II, 33 990 en 33 992. ook toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. Zorgaanbieders dienen uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de wet Cliëntenrechten bij verwerking van elektronische gegevens aan de verplichtingen veilige en toegankelijke gegevensverstrekking te voldoen. Om dit zo snel mogelijk en gestandaardiseerd te realiseren, stel ik voor de jaren 2017, 2018 en 2019 financiële middelen (€ 32,5 miljoen) beschikbaar. Dit beleidskader bevat een uitwerking van het subsidiebeleid voor de benodigde digitaliseringslag en wenselijk geachte versnelling bij de overige instellingen voor medisch specialistische zorg (zie hoofdstuk 2).

Er zijn een tweetal activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen. De hoofdmoot wordt gevormd door een subsidie aan de overige instellingen voor medisch specialistische zorgzodat zij, net als ziekenhuizen, uiterlijk 2020 gestandaardiseerd informatie kunnen uitwisselen met de patiënt (zie hoofdstuk 2). In de tweede plaats is er een subsidie aanZelfstandige Klinieken Nederland (ZKN) voor de begeleiding van overige instellingen voor medisch specialistische zorg (zie hoofdstuk 3). ZKN heeft in dit kader het ondersteuningsprogramma Uitwisseling Programma ZKN opgesteld. Door ZKN zal in themabijeenkomsten specifiek aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid van de digitale informatie voor mensen met een (visuele) beperking of lage gezondheidsvaardigheden. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) komt op grond van VIPP fase 1 reeds in aanmerking voor subsidie voor activiteiten in het kader van het uitvoeren van het VIPP-programma. Deze subsidie aan de NVZ omvat ook de activiteiten van de NVZ in het kader van deze subsidieregeling (fase 2). In hoofdstuk 4, 5 en 6 wordt ingegaan op de juridische kaders waarbinnen deze regeling valt en de gevolgen voor de administratieve lasten.

Subsidiëring op het terrein van VWS geschiedt op basis van de Kaderwet VWS-subsidies. De subsidies worden verstrekt met inachtneming van de voorschriften van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling). Daarin zijn de verplichtingen die over en weer gelden tussen subsidieontvanger en subsidiegever neergelegd. In artikel 1.2 van de Kaderregeling staat dat subsidies worden verstrekt die passen binnen het beleid van de Kaderwet VWS-subsidies. Overeenkomstig artikel 1.3 kunnen die activiteiten en de voorwaarden waaronder subsidieverstrekking plaatsvindt in beleidsregels nader worden bepaald. Onderhavige beleidsregels vormen het kader voor de subsidieverstrekking.

Op de verstrekking van de subsidies is zowel de Kaderregeling als dit Beleidskader van toepassing.

2. Subsidie aan de overige instellingen voor medisch specialistische zorg voor de programma’s Patiënt en informatie en Patiënt en medicatie

De subsidie is bedoeld voor de overige instellingen voor medisch specialistische zorg. De overige instellingen voor medisch specialistische zorg beschikken over een toelating op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) en leveren verzekerde zorg aan eigen patiënten. Indien deze overige instellingen voor medisch specialistische zorg deel uitmaken van een groep (concern) 4In de zorg komt het veel voor dat vooral de wat grotere organisaties gebruik maken van een holdingstructuur. Er is dan een holdingvennootschap of een moederstichting die direct of indirect zeggenschap heeft over dochtermaatschappijen waarin de zorgactiviteiten plaatsvinden. is op basis van deze subsidieregeling slechts één subsidie per groep mogelijk. Onder overige instellingen voor medisch specialistische zorg vallen revalidatie-instellingen, dialysecentra, epilepsiecentra, radiotherapeutische centra, zelfstandige behandelcentra en categorale instellingen.

Uitgezonderd van de subsidieregeling in dit beleidskader zijn academische ziekenhuizen/universitair medische centra die op andere wijze worden bekostigd dan de overige instellingen voor medisch specialistische zorg. Om diezelfde reden zijn instellingen voor medisch specialistische zorg die uitsluitend geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verlenen, uitgezonderd van deze subsidieregeling.

Ziekenhuizen die op grond van VIPP fase 1 in aanmerking komen voor subsidie zijn eveneens uitgezonderd van deze regeling. Overige instellingen voor medisch specialistische zorg die geen zelfstandig EPD-systeem hebben maar gebruik maken van de ict-voorzieningen van een ziekenhuis dat reeds in aanmerking komt voor een subsidie op grond van VIPP fase 1 zijn ook uitgezonderd van de subsidieregeling in dit beleidskader.

Voor de overige instellingen voor medisch specialistische zorg vergt het een behoorlijke inspanning om medische informatie en medicatiegegevens op een veilige manier en gestandaardiseerd te ontsluiten. Om deze inspanning te kunnen realiseren, moeten deze instellingen diverse activiteiten uitvoeren. Afhankelijk van de soort en de grootte van de overige instelling van medisch specialistische zorg kan de omvang van de benodigde activiteiten en de daarbij horende te maken kosten verschillen (zie verder hoofdstuk 2, onder E). Om die reden is in de categorie overige instellingen voor medisch specialistische zorg een onderverdeling gemaakt in soorten instellingen. Doel van de onderverdeling is dat de instellingen een subsidie kunnen aanvragen die een goede stimulans is voor de eigen veranderopgave, waarbij er geen risico is op overcompensatie.

Voor de onderverdeling van de overige instellingen voor medisch specialistische zorg is zoveel mogelijk aangesloten bij de indeling zoals die ten tijde van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (WZV) en het Besluit aanwijzing inrichtingen WZV nog werd gehanteerd. Te weten categorale instellingen en zelfstandige behandelcentra (Stb. 2005, 575 p. 12/13). Onder categorale instellingen vallen:

Voor de precieze indeling in categorieën is vervolgens gekeken naar complexiteitscriteria (peildatum 1 januari 2017), zoals aantal locaties, aantal specialismen, aantal behandelingen/typen patiënten, in hoeverre spoedzorg wordt geleverd, aantal patiënten, of er volwassenen en kinderen worden behandeld en de DBC-omzet 20166Het gaat om de DBC-omzet die is opgenomen in de met gebruikmaking van het model-jaardocument opgestelde jaarrekening 2016, die is goedgekeurd door de accountant. (in geld).

Dit heeft geleid tot de volgende onderverdeling van de overige instellingen voor medisch specialistische zorg in deze subsidieregeling:

De overige instellingen voor medisch specialistische zorg kunnen een subsidie aanvragen voor de uitvoering van de activiteiten in het VIPP fase 2-programma. Dit programma bevat twee hoofdonderdelen: het Programma patiënt en informatie en het Programma patiënt en medicatie. Het VIPP fase 2-programma heeft tot doel (of leidt er toe) dat een patiënt toegang krijgt tot zijn eigen (digitale) medische informatie en daarmee tot gebruik van de mogelijkheden van app’s en internet voor de zorg voor zichzelf. Hij heeft dan inzicht in zijn eigen gezondheid door zelfmeetgegevens én de gegevens uit de medische dossiers van de professional. Doordat deze basisgegevens dan onderling in verbinding staan en gebruik maken van dezelfde standaarden, heeft de patiënt (en de behandelaren die hij de toestemming geeft deze informatie in te zien) een goed overzicht van zijn eigen gezondheidstoestand. Dit sluit aan bij mijn beleid om de patiënt echt meer regie te geven.

De genoemde twee hoofdonderdelen bevatten vervolgens verschillende modules.

Instellingen voor medisch specialistische zorg kunnen kiezen voor welke onderdelen van het VIPP fase 2-programma en voor welke modules daarvan zij subsidie willen aanvragen.

A. Programma patiënt en informatie

Het Programma patiënt en informatie bevat de volgende drie modules:

module A1: activiteiten die ertoe leiden dat de overige instelling voor medisch specialistische zorg uiterlijk per 1 oktober 2018 minimaal een download van de volgende medische gegevens8De download bevat alleen de medische gegevens die onderdeel zijn van het zorgproces van de patiënt. Vanwege specialisatie van overige instellingen van medisch specialistische zorg kan het voorkomen dat niet alle opgesomde informatie van toepassing is. aan de patiënt aanbiedt:

Een instelling kan uitstel vragen om uiterlijk per 1 oktober 2018 een download van genoemde medische gegevens aan te bieden als hij aannemelijk maakt dat het noodzakelijk is om van ICT-leverancier te wisselen. Het verzoek om uitstel moet vóór 1 oktober 2018 worden gedaan.

Onder download wordt verstaan het digitaal, in een formaat leesbaar op een computer (bijvoorbeeld PDF), verstrekken van informatie. De wijze waarop de digitale verstrekking plaatsvindt, wordt niet voorgeschreven. De overige instelling voor medisch specialistische zorg moet ook een proces hebben ingericht voor de digitale aanlevering van de medische gegevensset aan de patiënt. Het aanbieden aan de patiënt houdt in dat de overige instelling voor medisch specialistische zorg deze informatie, uiterlijk binnen drie werkdagen nadat de patiënt hierom heeft verzocht, verstrekt.

Of een instelling module A1 heeft gerealiseerd, wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel G).

module A2: activiteiten die ertoe leiden dat de overige instelling voor medisch specialistische zorg uiterlijk 31 maart 2020 beschikt over een beveiligd patiëntenportaal waarin de patiënt zijn gegevens kan raadplegen en in een gestructureerd formaat kan downloaden of een link naar een persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO) waarin de overige instelling voor medisch specialistische zorg gestandaardiseerd medische gegevens voor de patiënt kan uploaden, die de patiënt desgewenst kan doorzetten naar een andere zorgverlener. Dit patiëntenportaal of de informatie die naar een PGO wordt geüpload, bevat in elk geval de volgende elementen9De download bevat alleen de medische gegevens die onderdeel zijn van het zorgproces van de patiënt. Vanwege specialisatie van overige instellingen van medisch specialistische zorg kan het voorkomen dat niet alle opgesomde informatie van toepassing is., dan wel voldoet aan de volgende voorwaarden:

Met de implementatie van module A2 door de overige instelling voor medisch specialistische zorg wordt bereikt dat een patiënt via een patiëntenportaal of een link, digitaal de beschikking krijgt over zijn medische gegevens zodat hij deze eenvoudig kan gebruiken in zijn contacten met andere zorgverleners of ten behoeve van een goed overzicht van zijn eigen gezondheidssituatie. Om te zorgen dat de patiënt de benodigde gegevens ontvangt en kan gebruiken, wordt voorgeschreven welke gegevens de overige instelling voor medisch specialistische zorg moet verstrekken. Het gaat daarbij om gegevens die de overige instelling voor medisch specialistische zorg in het kader van het zorgproces heeft vastgelegd in het Elektronisch Patiënten Dossier (hierna: EPD). Ook moet de BGZ gestandaardiseerd worden verstrekt zodat de gegevens voor de patiënt en via de patiënt voor andere hulpverleners ook bruikbaar zijn. Verder dient de overige instelling voor medisch specialistische zorg de genoemde gegevens binnen zeven werkdagen nadat deze informatie beschikbaar is, aan de patiënt beschikbaar te stellen in het patiëntenportaal of via de link. De termijn van zeven werkdagen is een uiterste termijn. Daar waar het kan, is het streven om deze informatie realtime te verstrekken.

Een gestructureerde en uploadbare download van de medische gegevens betekent dat de patiënt de gestandaardiseerde medische gegevens in gestructureerde vorm kan downloaden. Doordat dit bestand gestandaardiseerd en gestructureerd is, kan het hergebruikt worden voor bijvoorbeeld een upload naar een PGO of naar een andere zorgverlener, waarbij er geen betekenis van de gegevens verloren gaat en gegevens niet hoeven te worden overgetypt. Bij het percentage van 10% patiënten gaat het om alle patiënten die in een periode van 30 dagen voorafgaand aan het aanvragen van de onafhankelijke toetsing (zie onderdeel G) contact hebben gehad met de instelling. Het gaat daarbij om contacten die in het kader van de zorg voor patiënten tussen zorgverlener en patiënt plaatsvinden en die als DBC activiteit worden vastgelegd. De voorwaarde dat ten minste 10% van alle patiënten daadwerkelijk inlogt, is gebaseerd op de verwachting dat niet alle patiënten evenveel belang hebben bij het digitaal beschikken over de betreffende medische gegevens. Patiënten die slechts eenmaal in de overige instelling voor medisch specialistische zorg naar een medisch specialist gaan en verder geen behandeling behoeven, zullen veelal weinig belang hebben bij het gebruiken van deze informatie. Patiënten die langdurig onder behandeling staan zullen een hogere informatiebehoefte hebben. Dit relatief lage percentage hangt ook samen met de cultuuromslag die nodig is, zodat de patiënten zelf daadwerkelijk gebruik maken van deze gegevens in hun zorgproces. Uit eerdere ervaringen met portalen blijkt verder dat 10% zeker geen percentage is dat eenvoudig kan worden bereikt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.