Besluit van 23 augustus 2017 tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk)

Type AMvB
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei 2017, nr. 2017-0000080440;

Gelet op de artikelen 1.45, vierde lid, 1.49, tweede lid, 1.50, tweede lid, 1.51a, vijfde lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid, 2.2, derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede lid en 2.9a, vijfde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2017, nr. W12.17.0150/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000133405;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang

Artikel 19a. Vrijstellingen

De artikelen 6, eerste en tweede lid, 9, vierde en vijfde lid, en 15, eerste en tweede lid, zijn niet toepassing op een ouderparticipatiecrèche.

Artikel 19b. Het pedagogisch beleidsplan
1.

De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikelen 3 en 12, in concrete termen op welke wijze hij zorg draagt voor de geschiktheid van de participerende ouder voor het verzorgen van ouderparticipatieopvang waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

2.

De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikel 3, in concrete termen op welke wijze hij zorg draagt voor de herkenbaarheid van personen waarbij in ieder geval dient te worden ingegaan op:

3.

De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikelen 3 en 12, in concrete termen:

Artikel 19c. Veiligheid en gezondheid

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/324.

1.

De houder heeft voor elke peuterspeelzaal een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in het peuterspeelzaalwerk conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

2.

De houder of voorgenomen houder stelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid schriftelijk vast en verstrekt dit, conform artikel 11, tweede lid, onder d, van het Besluit registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, aan het college. De houder evalueert, en indien nodig actualiseert, het veiligheids- en gezondheidsbeleid binnen drie maanden na opening van de peuterspeelzaal. Daarna houdt de houder het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel.

3.

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat in ieder geval:

4.

In het kader van de in het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, onder c, te beschrijven maatregelen die gericht zijn op het inperken van het risico op grensoverschrijdend gedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 3°, beschrijft de houder in ieder geval de wijze waarop hij het peuterspeelzaalwerk zodanig organiseert dat een beroepskracht, beroepskracht in opleiding of stagiair de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene.

5.

De houder draagt er zorg voor dat er gedurende het peuterspeelzaalwerk te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan deze kwalificatie.

Artikel 19d. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/324.

1.

De door de houder voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:

2.

Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:

Artikel 19e. Opleidingseisen

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/324.

1.

Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen.

3.

Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

Artikel 19f. Aantal beroepskrachten

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/324.

1.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een peuterspeelzaalgroep wordt afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de peuterspeelzaalgroep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.

2.

De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een peuterspeelzaalgroep wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a, bij dit besluit en de daarbij behorende rekenregels. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.

3.

Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 19b, derde lid, onder b, de peuterspeelzaalgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal op of, indien de activiteit buiten de peuterspeelzaal plaatsvindt, vanuit de peuterspeelzaal in te zetten beroepskrachten ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.

4.

Indien bij peuterspeelzaalwerk per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het tweede lid, met inachtneming van artikel 19b, derde lid, onder a, en vierde lid, voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat gedurende de uren dat minder beroepskrachten worden ingezet ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet. De in de eerste zin bedoelde afwijkende inzet kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

5.

Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in de peuterspeelzaal aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in de peuterspeelzaal aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij de peuterspeelzaal werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.

6.

Indien op grond van het vierde lid slechts één beroepskracht op de peuterspeelzaal wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in de peuterspeelzaal aanwezig.

7.

Indien een peuterspeelzaalgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c, bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.

8.

Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs wordt rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.

9.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires waarbij kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel.

10.

De pedagogisch beleidsmedewerker kan worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel voor zover deze in het kader van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden tevens op de peuterspeelzaalgroep bezig is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.

Artikel 19g. Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/324.

1.

Het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers in het peuterspeelzaalwerk inzet, wordt afgestemd op het aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal peuterspeelzalen dat de houder exploiteert waarbij, naarmate er meer beroepskrachten worden ingezet, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden en naarmate de houder meer peuterspeelzalen exploiteert, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.