Besluit van 4 oktober 2017, houdende regels inzake het brandveilig gebruik van overige plaatsen en de basishulpverlening op die plaatsen (Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen)
Artikel 5.10. Veilig gebruik verbrandingstoestel
Een verbrandingstoestel wordt uitsluitend gebruikt indien:
- a. de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en de voorziening voor afvoer van rookgas, als bedoeld in artikel 3.30, niet zijn afgesloten;
- b. de capaciteit van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht, van de voorziening voor afvoer van rookgas, als bedoeld in artikel 3.30, en van de daarop aangesloten aansluitleidingen, niet kleiner zijn dan de voor het adequaat functioneren van het verbrandingstoestel noodzakelijke capaciteit;
- c. de opstelling van het verbrandingstoestel met inbegrip van een aansluitleiding tussen het toestel en de voorziening voor de afvoer van rookgas brandveilig is;
- d. de voorziening voor afvoer van rookgas doeltreffend is gereinigd, en
- e. het verbrandingstoestel met een aansluitmogelijkheid op een voorziening voor afvoer van rookgas adequaat op de voorziening aangesloten is.
Van een brandveilige opstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c, is sprake indien de opstelling brandveilig is, bepaald volgens NEN 3028.
Artikel 5.11. Veilig gebruik installaties
Een toestel of een installatie wordt uitsluitend door een deskundig persoon gerepareerd of veranderd.
Een gasfles of een gastank wordt tot niet meer dan 80% gevuld. Een lege gasfles wordt met gesloten afsluiter bewaard.
Bij een verbruikstoestel zijn de toepasselijke specificaties voor gebruik en onderhoud vanwege de leverancier aanwezig.
De in het derde lid bedoelde specificaties worden overeenkomstig nageleefd.
Een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 4.7 wordt niet gebruikt op een wijze die gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
Een voorziening voor de afvoer van rook wordt na brand uitsluitend gebruikt indien die voorziening is gereinigd en hersteld.
Binnen handbereik van een baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand kunnen worden afgedekt.
Artikel 5.12. Stalling voertuigen of pleziervaartuigen
Tijdens de stalling van voertuigen of pleziervaartuigen is het niet toegestaan om:
- a. gasflessen en losse brandstoftanks in het voer- of pleziervaartuig achter te laten;
- b. de verwarming van het voer- of pleziervaartuig te gebruiken zonder direct toezicht, en
- c. brandgevaarlijke werkzaamheden aan, op of in het voer- of pleziervaartuig te verrichten of te laten verrichten buiten de daartoe door de beheerder aangewezen plek.
§ 5.2. Veilig gebruik van bakkramen en bakwagens
Artikel 5.13. Aansturingsartikel
De opstelling van een voorziening ten behoeve van kook-, bak-, braad- of frituuractiviteiten is veilig.
Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 5.14. Bakkramen en bakwagens
De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een gebouw bedraagt ten minste 2 m, of ten minste 5 m indien in die kraam of wagen wordt gefrituurd.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. het aangestraalde vlak van het bouwsel, gebouw of ander object een overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft van ten minste 60 minuten, of
- b. de bakkraam of bakwagen is uitgerust met een automatische brandblusinstallatie.
De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een andere bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een elektrische installatie waarin wordt gefrituurd, en een andere bakkraam of bakwagen of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
Bij het bepalen van de afstand als bedoeld in dit artikel wordt de buitenzijde van de bakkraam of bakwagen als meetpunt bedoeld.
§ 5.3. Veilig vluchten bij brand
Artikel 5.15. Aansturingsartikel
Het gebruik van een plaats is zodanig dat bij brand veilig kan worden gevlucht.
Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Bij een bijeenkomsttent wordt aan het eerste lid voldaan door toepassing van NEN 8020-41.
Artikel 5.16. Doorgangen in vluchtroutes
Een doorgang op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen op de plaats uitsluitend gesloten indien die doorgang tijdens het vluchten, zonder gebruik te maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.
In afwijking van het eerste lid kan een doorgang op een vluchtroute als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, op slot zijn, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat de doorgang tijdens het vluchten onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.
Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.
Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesfunctie.
Artikel 5.17. Opstelling zitplaatsen en verdere inrichting
De inrichting van een besloten ruimte is zodanig dat:
- a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
- b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;
- c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
Indien op een plaats meer dan 100 zitplaatsen gezamenlijk zijn opgesteld, zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, indien die zitplaatsen in een cluster van meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.
Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
Indien in een rij als bedoeld in het derde lid tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte, bedoeld in dat lid.
Een rij zitplaatsen die slechts aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.
Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
- a. 16 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
- b. 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
- c. 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.
Artikel 5.18. Gangpaden
Een gangpad tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een plaats is ten minste 1,1 m breed.
Voor een uitgang in een plaats als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
Artikel 5.19. Beperking van gevaar voor letsel
Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.
Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
Aankleding in een besloten ruimte geeft bij brand geen druppelvorming boven een gedeelte van een vloer, bestemd voor gebruik door personen.
In afwijking van het tweede en derde lid hoeven materiaal en ophanging van plafonds, en horizontale en verticale afscheidingen niet te worden onderspannen indien die ten minste voldoen aan klasse B van NEN-EN 13501-1.
Artikel 5.20. Voorkomen van hinder bij vluchten
Een kabel, slang of leiding in een vluchtroute is zodanig opgehangen, afgeplakt of onder matten weggeborgen dat personen er tijdens het vluchten niet door gehinderd worden.
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
Artikel 6.1. Belemmeringen en hinder
Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een plaats voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor:
- a. brandgevaar wordt veroorzaakt;
- b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt;
- c. melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
- d. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of
- e. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.
Artikel 6.2. Melden van brand en broei
Eenieder in een natuurgebied die brand of broei ontdekt of vermoedt, meldt dit onmiddellijk aan de centrale voor de hulpverleningsdiensten, tenzij hij weet dat een dergelijke melding reeds door een ander is gedaan.
Artikel 6.3. Natuurbranden
Eenieder in een natuurgebied is verplicht de voorschriften op te volgen, die het bevoegd gezag in geval van extreme droogte geeft tot het voorkomen van natuurbranden en het beperken van de gevolgen van natuurbranden.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 7.1. Overgangsbepalingen
Indien een gebruiksvergunning op grond van de verordening, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is verleend voor gebruik waarvoor op grond van artikel 2.1 van dit besluit een melding is vereist, blijft artikel 2.1 buiten toepassing.
Indien de gebruiksvergunning, bedoeld in het eerste lid, onder voorwaarden is verleend, blijven deze voorwaarden van kracht, tenzij deze niet als nadere voorwaarden in de zin van artikel 2.4, derde lid, opgelegd zouden kunnen worden.
Een aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt beschouwd als melding, bedoeld in artikel 2.1 van dit besluit, indien op grond van laatstgenoemd artikel een melding is vereist.
Indien een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanhangig bezwaar of beroep tegen de verlening van een gebruiksvergunning op grond van de verordening, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio's, is gericht tegen een aan de vergunning verbonden voorwaarde, wordt het bezwaar of beroep aangemerkt als een bezwaar of beroep dat is gericht tegen een voorwaarde die op grond van artikel 2.4, derde lid, opgelegd zou kunnen worden na een melding.
Artikel 7.2. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen ervan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 7.3. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)