Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2018
Gelet op de artikelen 32, vijfde lid en 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet, Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering, de Regeling risicoverevening 2018 en de brief van de Minister van VWS van 9 oktober 2017, kenmerk 1238742-168225-Z,
heeft in zijn vergadering van 9 oktober 2017 besloten:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
Deze beleidsregels verstaan onder:
- a. het Zorginstituut: Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
- b. zwaarte: het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse;
- c. macroverzekerden- raming: de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2018;
- d. FKG GGZ: FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering;
- e. DKG GGZ: DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering;
- f. PKB: persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2017 is de peildatum 1 mei 2017 en de aanleverdatum 1 juni 2017;
- g. VPPKB: verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar en viercijferige postcode bevat. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het VPPKB 2018 is de aanleverdatum 1 juni 2019;
- h. verzekerde woonachtig in het buitenland: een persoon die een zorgverzekering heeft afgesloten en geen ingezetene van Nederland is;
- i. vereveningsbijdrage: een bijdrage, bedoeld in de artikelen 32 en 34 van de Zorgverzekeringswet;
- j. wet: de Zorgverzekeringswet;
- k. Regeling: Regeling risicoverevening 2018;
- l. trendtabel: door het Zorginstituut per criterium opgestelde tabel met trendfactoren die voor het betreffende criterium de geraamde prevalentieontwikkeling weergeeft, zoals gepubliceerd op de website van het Zorginstituut. De trendfactor geeft de mutatie van verzekerden per risicoklasse weer;
- m. jaarstaat: de jaarstaat, bedoeld in de regeling, bedoeld in artikel 90 van de wet.
Artikel 2. Algemene bepaling
Het Zorginstituut past de bepalingen uit het Besluit zorgverzekering en de Regeling met betrekking tot de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan de zorgverzekeraars toe met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregels.
Artikel 3. Zorgverzekeraars
Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2018 en de berekening van de normatieve bedragen en de vereveningsbijdragen ervan uit dat alle zorgverzekeraars die gedurende 2017 actief zijn geweest ook in 2018 als zorgverzekeraar actief zullen zijn.
Hoofdstuk II. Toekenning van de vereveningsbijdrage 2018 aan een zorgverzekeraar
Artikel 4. Algemene bepaling voor de raming van de verzekerdenaantallen
Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2018 op de macroverzekerdenraming.
Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2018 per zorgverzekeraar op het PKB 2017 met als peildatum 1 mei 2017, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2017.
Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer niet in bij een criterium.
Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.
Artikel 5. De verzekerdenaantallen 2018 voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten
Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten verzekerden in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en VGG.
Het Zorginstituut deelt verzekerden woonachtig in het buitenland uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, HKG’s, AVI, MHK, FDG en VGG. Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG’s in in de klasse 'Geen FKG', voor het criterium primaire DKG’s in de klasse ‘Geen primaire DKG’, voor het criterium secundaire DKG’s in de klasse ‘Geen secundaire DKG’, voor het criterium HKG’s in de klasse ‘Geen HKG’, voor het criterium MHK in de klasse ‘Geen MHK’, voor het criterium FDG in de klasse ‘Geen FDG’ en voor het criterium VGG in de klasse ‘Geen VGG’.
Artikel 6. De verzekerdenaantallen 2018 voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verzekerden van achttien jaar en ouder in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK.
Het Zorginstituut deelt verzekerden woonachtig in het buitenland uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, GGZ-MHK en AVI. Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG GGZ in in de klasse 'Geen FKG psychische aandoeningen' en voor het criterium DKG GGZ in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’.
Artikel 7. De verzekerdenaantallen 2018 voor de normatieve eigen risico opbrengst
Het Zorginstituut deelt voor de normatieve eigen risico opbrengst verzekerden van achttien jaar en ouder die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen primaire DKG’, ‘Geen secundaire DKG’, ‘Geen HKG’, en ‘Geen FDG’ vallen en niet worden ingedeeld bij MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, in bij de criteria leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK.
Het Zorginstituut deelt voor het normatieve eigen risico verzekerden woonachtig in het buitenland uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, AVI en MHK. Met inachtneming van artikel 8, derde lid van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium MHK in in de klasse ‘Geen MHK’.
Artikel 8. Leeftijd en geslacht
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op het PKB 2017.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke leeftijds- en geslachtsklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 9. FKG’s
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in FKG klassen 2018 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 1 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2017 van declaraties farmaceutische hulp 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
- c. de opgave per 1 juni 2017 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
- d. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties farmaceutische hulp 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2017 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van artikel 9, tweede lid, van de Regeling en bijlage 1 van deze Beleidsregels, in welke FKG klassen de verzekerde valt. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG’s 2018 de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel.
Het Zorginstituut past op de verzekerden in de FKG klasse auto-immuunziekten op basis van add-on, de FKG klasse kanker op basis van add-on, de FKG klasse groeistoornissen op basis van add-on, de FKG klasse Extreem hoge kosten cluster 1, de FKG klasse Extreem hoge kosten cluster 2 en de FKG klasse Extreem hoge kosten cluster 3 een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft met het VPPKB 2016.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2017 voor het eerst voorkomen per FKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 10. Primaire DKG’s
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium primaire DKG’s per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in primaire DKG klassen 2018 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2017 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2015 geopend zijn;
- c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2016 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2014 geopend zijn.
Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2016 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke primaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘15’ de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer primaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium primaire DKG’s de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, twee keer met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2016 voor het eerst voorkomen per primaire DKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het VPPKB 2016 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2017, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘15’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen primaire DKG’.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium primaire DKG’s naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 11. Secundaire DKG’s
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium secundaire DKG’s per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in secundaire DKG klassen 2018 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2017 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2015 geopend zijn;
- c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2016 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2014 geopend zijn.
Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2016 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke secundaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘7’ de verzekerde valt. Bij de indeling naar secundaire DKG klassen sluit het Zorginstituut declaraties die tot een primaire DKG hebben geleid uit. Als een verzekerde in meer secundaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.