Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, beleidsregels
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit van 1 december 2015, nr. BLKB2015/1193M, Stcrt. 2015, 45344 , dat hiermee wordt ingetrokken. Onder 1.4 is een nieuwe beleidsregel opgenomen op grond waarvan de inspecteur onder voorwaarden kan toestaan om een maandverklaring als bedoeld in artikel 2 van het besluit achterwege te laten.
Gebruikte begrippen en afkortingen
De hoofdstukindeling van dit besluit is voor zover mogelijk gelijk aan de hoofdstukindeling van de wet. De inhoudsopgave ziet er daarom als volgt uit:
De beleidsregels zijn onder de betreffende hoofdstukken (1 t/m 6) opgenomen.
1. Inleidende bepalingen
1.1. Tijdelijk buiten de inrichting brengen van alcoholvrije dranken
Indien alcoholvrije dranken tijdelijk buiten de IVV worden gebracht om ze elders een bewerking te laten ondergaan is op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet sprake van uitslag. Indien de alcoholvrije dranken weer binnen de IVV worden gebracht, kan de verbruiksbelasting worden teruggevraagd.
Ik keur goed dat de inspecteur toestaat dat alcoholvrije dranken tijdelijk buiten de IVV worden gebracht om elders een eenvoudige bewerking te ondergaan. Dit wordt dan niet aangemerkt als uitslag. De toestemming wordt in de vergunning voor de IVV opgenomen en kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:
1.2. Rechtstreekse aflevering van alcoholvrije dranken
1.2.1. Inleiding
Het vervoer van alcoholvrije dranken kan onder schorsing van verbruiksbelasting onder andere plaatsvinden tussen:
Het vervoer onder schorsing van verbruiksbelasting vindt in deze situaties plaats onder geleide van een vervoersopdracht (tussen IVV's) of een bescheid (vanuit een andere lidstaat naar een IVV).
Er is ook sprake van vervoer onder schorsing van verbruiksbelasting indien de alcoholvrije dranken vanuit een derde land in Nederland in het vrije verkeer van de EU gebracht worden zonder betaling van de verbruiksbelasting en deze goederen worden overgebracht naar een IVV. In deze situatie moet het vervoer ook plaatsvinden met een vervoersopdracht.
In de praktijk is gebleken dat er bij vergunninghouders van een IVV uit logistieke overwegingen behoefte bestaat om de alcoholvrije dranken rechtstreeks door hun leverancier af te (laten) leveren bij hun afnemer.
Rechtstreekse aflevering is op grond van de wet niet mogelijk. Alleen een vergunninghouder van een IVV mag immers, op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel b, van de wet, alcoholvrije dranken onder schorsing van verbruiksbelasting ontvangen. Onder uitslag wordt volgens artikel 3, eerste lid, van de wet verstaan het brengen van alcoholvrije dranken buiten de IVV. Indien goederen rechtstreeks worden afgeleverd bij hun afnemers, vindt er geen fysieke handeling plaats die als uitslag aangemerkt kan worden. Dit heeft tot gevolg dat de verbruiksbelasting derhalve niet bij de vergunninghouder van de IVV kan worden geheven.
Hoewel de wet rechtstreekse aflevering van alcoholvrije dranken niet mogelijk maakt ben ik van mening dat sprake is van een gerechtvaardigde wens van het bedrijfsleven.
Daarom is er aanleiding een regeling te treffen die tegemoet komt aan deze wens van het bedrijfsleven, maar tevens bewerkstelligt dat de heffing van de verbruiksbelasting voldoende is verzekerd.
1.2.2. Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur op schriftelijk verzoek van een vergunninghouder van een IVV (hierna: vergunninghouder-geadresseerde) onder voorwaarden toestaat dat hij alcoholvrije dranken onder schorsing van de verbruiksbelasting ontvangt zonder dat hij deze goederen fysiek in de ruimte van de IVV inslaat, maar rechtstreeks aflevert of laat afleveren aan zijn afnemer.
De situatie dat alcoholvrije dranken niet worden afgeleverd bij de vergunninghouder die de geadresseerde is, maar bij de afnemer van die vergunninghouder, wordt in dit kader rechtstreekse aflevering genoemd.
Voordat toestemming wordt verleend, moet de desbetreffende vergunninghouder voldoende waarborgen treffen om de heffing van de verbruiksbelasting veilig te stellen en het toezicht daarop mogelijk maken.
De toestemming wordt opgenomen in de vergunning van de houder van de IVV die de goederen rechtstreeks aflevert of laat afleveren bij zijn afnemer in Nederland.
Als het tijdstip van uitslag als bedoeld in artikel 18 van de wet wordt aangemerkt de datum waarop de goederen door de afnemer zijn ontvangen.
Bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van de onder punt 1.2.3 hierna genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, wordt de verleende toestemming ingetrokken.
Een toestemming kan niet worden verleend:
1.2.3. Voorwaarden
De inspecteur kan nog nadere voorwaarden stellen met het oog op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden.
1.3. Onderbreken vervoer onder schorsing. Overlading en tijdelijke opslag buiten een inrichting voor alcoholvrije dranken
Vanuit logistiek oogpunt is het vaak wenselijk dat alcoholvrije dranken tijdens de overbrenging onder schorsing van verbruiksbelasting worden overgeladen in een ander vervoermiddel. Indien directe overlading in het opvolgende vervoermiddel niet mogelijk is, bestaat de behoefte bij bedrijven (hierna: logistieke dienstverleners) om de alcoholvrije dranken, in afwachting van het opvolgende vervoermiddel, tijdelijk op te slaan buiten een IVV (hierna: tijdelijke opslag. Dit moet niet worden verward met het begrip ‘tijdelijke opslag’ uit de douanewetgeving). De logistieke dienstverlener is niet de afzender of de geadresseerde van de alcoholvrije dranken, maar fungeert alleen als dienstverlener in de vervoersketen. De oorspronkelijke vervoersbescheiden blijven gewoon in stand.
De wetgeving voorziet niet in tijdelijke opslag. Opslag onder schorsing van verbruiksbelasting moet plaatsvinden in een IVV. De logistieke dienstverlener beschikt vaak niet over een vergunning voor een IVV.
Indien alcoholvrije dranken die worden overgebracht onder schorsing van verbruiksbelasting met het oog op de overlading in een opvolgend vervoermiddel gedurende een korte tijd worden opgeslagen, kan deze tijdelijk opslag plaats vinden buiten een IVV. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is sprake van uitslag op grond van het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken waarvan de belasting niet is geheven als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet.
1.4. Achterwege laten van een maandverklaring als bedoeld in artikel 2 van het besluit
Op grond van artikel 2, zesde lid, van het besluit kan de inspecteur toestaan dat onder bepaalde voorwaarden het overbrengen van alcoholvrije dranken tussen twee IVV’s niet plaatsvindt met een vervoersopdracht, maar gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring. Indien deze regeling wordt toegepast door een vergunninghouder van een IVV die tevens vergunninghouder is van andere IVV’s, moet deze vergunninghouder ook maandverklaringen afgeven voor de overbrengingen van en naar die IVV’s onderling.
Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek toestemming kan verlenen om een maandverklaring als bedoeld in artikel 2 van het besluit achterwege te laten. Naast de in artikel 2 van het besluit genoemde voorwaarden gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
2. Definities van de goederen en tarieven
Gereserveerd
3. Uitslag en Invoer
3.1. Inrichting zonder fysieke opslag (fictieve inrichting)
Vanaf 1 januari 1993 is het niet meer mogelijk om communautaire goederen met communautaire douanedocumenten binnen de EU te vervoeren. In het geval er sprake is van kettingverkopen (verkopen tijdens het vervoer of de vervoersopslag) is het daardoor niet meer mogelijk om belastingvrij te leveren. Aangezien er geen fysieke opslag plaatsvindt, kan er ook geen IVV worden afgegeven.
In verband daarmede keur ik goed dat de inspecteur een vergunning voor een IVV als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet verleent zonder dat de vergunninghouder de producten fysiek in opslag neemt (een zogenaamde fictieve inrichting).
De vergunning kan slechts worden toegepast als de handelaren opdracht geven alcoholvrije dranken over te brengen van een fysieke IVV naar
Het is niet toegestaan om alcoholvrije dranken onder schorsing van de verbruiksbelasting over te brengen vanuit derde landen naar het regime van een fictieve IVV.
De koop en verkoop van alcoholvrije dranken tussen handelaren behoeft niet (terstond) gepaard te gaan met de daadwerkelijke aflevering van de goederen. Veelal worden alcoholvrije dranken meer malen doorverkocht voordat ze daadwerkelijk worden afgeleverd. De alcoholvrije dranken blijven in die periode opgeslagen in een fysieke IVV.
In die gevallen hebben de koop en verkoop voor de verbruiksbelasting geen gevolgen. Slechts in het geval dat de koper opdracht geeft de goederen fysiek te verplaatsen naar een andere IVV, een lidstaat van de EU of een derde land, kan van de vergunning voor de (fictieve) IVV gebruik worden gemaakt
Ten aanzien van de zekerheidsstelling moeten aan de vergunninghouder voor een fictieve IVV dezelfde voorwaarden worden gesteld als aan de vergunninghouder die wel in het bezit is van een IVV met fysieke opslag.
In de vergunningen moeten, naast de wettelijk voorgeschreven voorwaarden, in ieder geval de volgende voorwaarden worden opgenomen:
3.2. Achterwege laten van een verzoek tot het doen van weekaangifte
Op grond van artikel 21, tweede lid, van de wet kan een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een IVV, op verzoek toestemming krijgen om in plaats van een dagaangifte een weekaangifte te doen voor het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken.
In artikel 53a, tweede lid, van de Wet op de accijns is bepaald dat een geregistreerde geadresseerde weekaangifte voor de verschuldigde accijns doet.
Aangezien handelaren in alcoholhoudende dranken (waaronder geregistreerde geadresseerden) ook handelen in alcoholvrije dranken, kunnen zij worden geconfronteerd met verschillende procedures.
Deze handelwijze brengt zowel voor het bedrijfsleven als voor de belastingdienst onnodige administratieve handelingen met zich mee.
In verband hiermee keur ik goed dat bij uitslag van alcoholvrije dranken in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet de belasting die in een week op de voet van artikel 19 van de wet verschuldigd is geworden uiterlijk de vrijdag van de week daaropvolgend op aangifte wordt voldaan. De aan de inspecteur te vragen toestemming, zoals bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet wordt daarbij geacht te zijn verleend.
4. Vrijstellingen en teruggaaf
4.1. Handelaar in alcoholvrije dranken die zijn vrijgesteld van verbruiksbelasting
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de wet kan alleen aan degene die aan alcoholvrije dranken een vrijstellingsbestemming geeft een vergunning worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat een handelaar in alcoholvrije dranken alleen met betaling van de verbruiksbelasting aan een vrijstellingsgenietende kan leveren. De vrijstellingsgenietende kan vervolgens teruggaaf van verbruiksbelasting vragen. De handelaar zou alleen met een IVV onder schorsing van de verbruiksbelasting aan een vrijstellingsgenietende kunnen leveren.
Ik keur, mede ter voorkoming van administratieve lasten, goed dat aan handelaren die regelmatig alcoholvrije dranken aan vrijstellingsgenietenden leveren ook een vrijstellingsvergunning wordt verleend als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet.
Naast de wettelijk voorgeschreven voorwaarden, kan de inspecteur in de vergunning nadere voorwaarden stellen. Zo kan worden bepaald dat aan de inspecteur een overzicht wordt verstrekt waaruit blijkt aan welke vrijstellingsgenietenden de goederen met vrijstelling worden afgeleverd.
4.2
(Vervallen per 01-01-2011)
5. Bijzondere bepalingen
5.1
(Vervallen per 01-01-2013)
5.2
(Vervallen per 01-01-2013)
5.3
(Vervallen per 01-06-2012)
5.4. Voorwaarden voor het salderen van meer- en minderbevindingen in een IVV
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet worden minderbevindingen in een IVV aangemerkt als uitslag. Als de daadwerkelijk in de IVV aanwezige voorraad verbruiksbelasting-goederen kleiner is dan de voorraad die volgens de administratie aanwezig zou moeten zijn, is sprake van een minderbevinding. Als de daadwerkelijk in de IVV aanwezige voorraad verbruiksbelasting-goederen groter is dan de administratie aangeeft, is sprake van een meerbevinding.
De Hoge Raad der Nederlanden (arrest nr. 34.000 van 23 december 1998, BNB 1999/126) is voor de accijns van oordeel dat een redelijke toepassing van de Wet op de accijns meebrengt dat saldering van verschillen binnen groepen van accijnsgoederen geoorloofd is. Daarbij mogen alle accijnsgoederen in de vergelijking worden betrokken, mits zij zijn onderworpen aan hetzelfde accijnstarief. De meer- en minderbevindingen mogen geen gevolg zijn van andere verschillen zoals productieverliezen, productieoverschotten of vervoersverschillen.
De Hoge Raad overwoog daarbij dat van belanghebbende, die een onbetwist deugdelijke administratie voert, niet kan worden verlangd dat hij de oorzaken van de verschillen aangeeft. Het gaat immers om verschillen die uitsluitend volgen uit die administratie en niet verklaarbaar zijn.
Dit betekent, aldus de Hoge Raad, dat de minderbevonden accijnsgoederen pas worden aangemerkt als te zijn uitgeslagen, nadat de meerbevonden accijnsgoederen met hetzelfde accijnstarief daarop in mindering zijn gebracht. De minderbevinding en de meerbevinding moeten betrekking hebben op verschillen tussen de voorraad volgens de administratie en de daadwerkelijke opgeslagen voorraad.
In een IVV kunnen producten bij vergissing worden omgewisseld. Bij die omwisseling ontstaat een minderbevinding bij het ene artikel en een meerbevinding bij het andere artikel. In dat geval is het redelijk om onder bepaalde voorwaarden toe te staan dat een minderbevinding met een meerbevinding wordt gesaldeerd. Mede gelet op de jurisprudentie keur ik onder de volgende voorwaarden goed dat meer- en minderbevindingen worden gesaldeerd.
De administratie van een IVV moet op elk moment een juiste weergave geven van de daadwerkelijke voorraad. In verband daarmee wordt de voorraad regelmatig geïnventariseerd. Vervolgens wordt na die inventarisatie de administratie in overeenstemming gebracht met de werkelijke voorraad waarbij alle afzonderlijke meer- en minderbevindingen in de administratie moeten worden opgenomen.
Saldering van de meer- en minderbevindingen moet daarom direct na de inventarisaties plaatsvinden, ongeacht het aantal inventarisaties.
Dit betekent dat ook bedrijven die hun voorraad in gedeelten inventariseren (partiële inventarisaties) direct na die gedeeltelijke inventarisatie de meer- en minderbevindingen moeten salderen.
Het opnemen van meer- en minderbevindingen op een aparte lijst na elke partiële inventarisatie en daarna eenmaal per jaar alle meer- en minderbevindingen salderen, is hiermee niet in overeenstemming.
Indien na inventarisatie, saldering en aanpassing van de administratie een minderbevinding resteert, wordt dit aangemerkt als uitslag in de zin van artikel 3, eerste lid, van de wet. Deze minderbevinding moet worden opgenomen in de periodieke aangifte van de maand waarin de minderbevinding is geconstateerd.
6. Verbodsbepalingen en strafbepalingen
6.1
(Vervallen per 01-01-2013)
6.2
(Vervallen per 01-01-2013)
7. Ingetrokken regeling(en)
Het besluit van 1 december 2015, nr. BLKB2015/1193M (Stcrt. 2015, 45344) is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.
8. Inwerkingtreding en vervaldatum
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.
Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.