Regeling van de Minister van Financiën van 21 november 2017, houdende regels over het schatkistbankieren door rechtspersonen met een wettelijke of publieke taak en rechtspersonen die publieke liquide middelen beheren (Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen)
Gelet op artikel 5.9 van de Comptabiliteitswet 2016;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- actuele marktwaarde: de waarde die wordt berekend op basis van de actuele marktrente behorend bij de resterende looptijden van toekomstige rente- en aflossingsbedragen van een deposito of lening;
- betaalrekening: een rekening die de rechtspersoon bij een bank aanhoudt;
- borgtocht: een overeenkomst als bedoeld in artikel 850 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op basis waarvan een derde kan beschikken over een overeengekomen maximaal bedrag van de liquide middelen die de rechtspersoon aanhoudt in de schatkist van het Rijk;
- daggeldrente: de dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de Euro Short Term Rate (€STR), zijnde de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend in de eurogeldmarkt (afgerond op 2 decimalen);
- deposito: het creditbedrag op een aan een rekening-courant gekoppelde depositorekening van de schatkist van het Rijk, waarover een vooraf vastgestelde rente wordt vergoed en waarover de rechtspersoon gedurende een vooraf vastgestelde periode niet vrij kan beschikken;
- inleenrente: de rente waartegen de Staat zichzelf financiert op de internationale geld- en kapitaalmarkt via de uitgifte van Dutch Treasury Certificates en Dutch State Loans;
- lening: de lening, bedoeld in de artikelen 5.5, eerste en tweede lid, en artikel 5.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016;
- rechtspersoon: de rechtspersoon met een wettelijke of publieke taak en de rechtspersoon die publieke liquide middelen beheert, bedoeld in artikel 5.2, eerste en derde lid, respectievelijk 5.4 van de Comptabiliteitswet 2016;
- rekening-courant: de rekening die een rechtspersoon bij de schatkist van het Rijk aanhoudt;
- rekening-courantkrediet: het maximaal toegestane debetsaldo op een rekening-courant, bedoeld in artikel 5.5, eerste en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016;
De begrippen van artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016 zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.
§ 2. Rekening-courant, deposito en lening
Artikel 2. Rekening-courant en deposito
De Minister van Financiën opent op naam van de rechtspersoon een rekening-courant, waar de rechtspersoon zijn publieke liquide middelen aanhoudt.
De Minister van Financiën koppelt de betaalrekening aan de rekening-courant. Aan de rekening-courant kan een depositorekening worden gekoppeld.
Een deposito kan iedere gewenste looptijd hebben tot een maximum van 30 jaar. De omvang van een deposito bedraagt minimaal € 10.000.
Het vervroegd laten vrijvallen van een deposito geschiedt tegen de actuele marktwaarde en is uitsluitend mogelijk voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de wettelijke of publieke taak van de rechtspersoon.
Artikel 3. Lening
De Minister van Financiën sluit ten behoeve van het verstrekken van een lening een overeenkomst met de rechtspersoon.
De Minister van Financiën kan in overeenstemming met de betrokken Minister nadere voorwaarden verbinden aan de lening.
Een lening heeft een looptijd van minimaal twaalf maanden.
De Minister van Financiën kan in overeenstemming met de rechtspersoon en de betrokken Minister een rentevastperiode overeenkomen die korter is dan de looptijd van een lening.
Een lening kan in termijnen worden opgenomen en kan geheel of in gedeelten vervroegd worden afgelost.
Een vervroegde gehele of gedeeltelijke aflossing van een lening geschiedt in overeenstemming met de betrokken Minister en tegen de actuele marktwaarde.
Artikel 4. Rente
De Minister van Financiën vergoedt aan de rechtspersoon rente over de liquide middelen die hij op de rekening-courant aanhoudt. De rente is gelijk aan de daggeldrente.
De Minister van Financiën vergoedt aan de rechtspersoon rente over een deposito. De rente is gelijk aan de inleenrente die behoort bij de looptijd van het betreffende deposito.
De Minister van Financiën brengt over een lening rente in rekening bij de rechtspersoon. De hoogte van de rente is gelijk aan de inleenrente die behoort bij de looptijd van de lening waarbij rekening wordt gehouden met de reguliere aflossingen die gedurende de looptijd plaatsvinden. De rente wordt vastgesteld op de ingangsdatum van de lening, tenzij de rechtspersoon ervoor kiest de rente al voor de ingangsdatum van de lening vast te stellen.
In afwijking van het derde lid is voor een lening die een rentevastperiode heeft die korter is dan de looptijd de rente gelijk aan de bij die rentevastperiode behorende inleenrente plus een opslag.
De Minister van Financiën brengt over een rekening-courantkrediet rente in rekening. De hoogte van de rente is gelijk aan de daggeldrente.
Wanneer de rente, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, negatief is, wordt deze rente in afwijking van dit artikel gelijk gesteld aan nul.
§ 3. Rekening-courantkrediet en borgtocht
Artikel 5. Rekening-courantkrediet
De Minister van Financiën kan op verzoek van de rechtspersoon krediet ten laste van de rekening-courant verstrekken. Het krediet wordt in de vorm van een rekening-courantkrediet verstrekt.
De rechtspersoon geeft in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, de gewenste omvang van het rekening-courantkrediet aan.
De Minister van Financiën stelt in overeenstemming met de betrokken Minister de omvang van het rekening-courantkrediet vast.
De Minister van Financiën kan in overeenstemming met de betrokken Minister nadere voorwaarden verbinden aan een rekening-courantkrediet.
Artikel 6. Overschrijding rekening-courantkrediet
Bij het overschrijden van het rekening-courantkrediet maakt de rechtspersoon de overschrijding onverwijld ongedaan.
Indien de rechtspersoon de overschrijding, bedoeld in het eerste lid, niet binnen vijf werkdagen ongedaan maakt, is zij van rechtswege in verzuim. De Minister van Financiën stelt de rechtspersoon en de betrokken Minister schriftelijk in kennis van het verzuim, tenzij naar het oordeel van de Minister van Financiën voldoende aannemelijk is dat het verzuim binnen vijf werkdagen ophoudt te bestaan.
De Minister van Financiën kan het gebruik van de betaalrekening door de rechtspersoon gedurende het verzuim beperken. De Minister van Financiën stelt de rechtspersoon en de betrokken Minister hiervan onverwijld in kennis. De beperking wordt ongedaan gemaakt zodra het verzuim eindigt.
De rechtspersoon is, gedurende de periode waarin zij in verzuim is, een boeterente van één procent verschuldigd over het bedrag van de overschrijding van het rekening-courantkrediet.
De Minister van Financiën is bevoegd om het bedrag waarmee het rekening-courantkrediet is overschreden te verrekenen met de door de betrokken Minister aan de rechtspersoon te verstrekken middelen.
De Minister van Financiën is bevoegd hetgeen hij verder van de rechtspersoon te vorderen heeft uit welken hoofde dan ook te verrekenen met hetgeen hij aan de rechtspersoon verschuldigd is.
Artikel 7. Borgtocht
De Minister van Financiën kan voor de rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 5.2 en 5.4 van de Comptabiliteitswet 2016, een borgtocht toestaan ten aanzien van de liquide middelen die de rechtspersoon in de schatkist van het Rijk aanhoudt, indien die rechtspersoon daartoe een verzoek bij de Minister van Financiën heeft ingediend en de liquide middelen die de rechtspersoon in de schatkist van het Rijk aanhoudt toereikend zijn.
§ 4. Uitvoeringstechnische bepalingen
Artikel 8. Uitvoering
Voor het verplicht schatkistbankieren, bedoeld in artikel 5.2 van de Comptabiliteitswet 2016, zijn de bepalingen 1 tot en met 6 van de bijlage van deze regeling van toepassing.
Voor het vrijwillig schatkistbankieren, bedoeld in artikel 5.4 van de Comptabiliteitswet 2016, zijn de bepalingen 1 tot en met 7 van de bijlage van deze regeling van toepassing.
Artikel 9. Nadere voorwaarden
De Minister van Financiën kan in overeenstemming met de betrokken Minister in een overeenkomst met een rechtspersoon die deelneemt aan schatkistbankieren nadere voorwaarden verbinden aan de deelname van de rechtspersoon.
§ 5. Het beheer van liquide middelen
Artikel 10. Prudent beheer van liquide middelen
De producten, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016, hebben uitsluitend de vorm van:
- a. producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de looptijd intact is, uitgezet bij een financiële instelling die voldoet aan de in het tweede lid bedoelde eisen;
- b. vastrentende waarden, uitgegeven door een financiële instelling die voldoet aan de in het tweede lid bedoelde eisen.
.De financiële instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2 van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 11. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2018.
Artikel 12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen.
Bijlage. behorend bij artikel 8 van de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen
Bepaling 1. Begrippen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bepaling 2. Rekening-courant
Bepaling 3. Saldoregulatie
Bepaling 4. Rente
Bepaling 5. Deposito’s
Bepaling 6. Informatievoorziening en geheimhouding
Bepaling 7. Beëindiging van deelname aan schatkistbankieren
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.