Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 25 september 2017, CvTE-17.01518, houdende vaststelling van het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2019 (Regeling examenprogramma Staatsexamens Nt2 2019)
Gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens;
en artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal;
Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 4 december 2017, kenmerk 1285060.
Besluit:
Artikel 1. Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2019
Het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal voor het examenjaar 2019 wordt vastgesteld zoals aangegeven in de bijlage.
Artikel 2. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 31 december 2019.
Artikel 3. Citeertitel en bekendmaking
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma Staatsexamens Nt2 2019.
Bijlage
behorende bij artikel 1
Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal
1. Examenstof
Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal heeft tot doel personen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is in staat te stellen een bewijs van voldoende taalbeheersing te behalen. Het examen toetst of de kandidaat voldoende kennis, inzicht en vaardigheden verworven heeft om zich op adequate wijze van het Nederlands te kunnen bedienen in het kader van werk en opleiding, alsmede in het kader van het maatschappelijk functioneren en de sociale contacten die daaruit voortvloeien.
In het Staatsexamen Nederlands als tweede taal worden onderzocht:
Het examenprogramma is ontleend aan de examenstof zoals omschreven in het Eindrapport van de Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal1Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal (1991), Certificaten Nederlands als tweede taal. Startbewijzen voor onderwijs en arbeidsmarkt. Publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.. De inhoud van de opdrachten is, conform dit advies, gerelateerd aan Nederlandse opleidings- en werksituaties en aan situaties in het openbare dagelijkse leven in Nederland. Het examen doet daarmee tevens een beroep op kennis van de Nederlandse samenleving.
Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal kent, conform de artikelen 7.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 2 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, twee programma’s. Programma I toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in opleidingen op mbo-niveau en bijbehorende functies op de arbeidsmarkt. Programma II toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in het hoger onderwijs en in middenkader en hogere functies op de arbeidsmarkt.
2. Beoordeling
Het College voor Toetsen en Examens stelt de cesuur vast op voordracht van de toetsconstructeurs. Deze kan, nadat het examenonderdeel is afgenomen en de gegevens bekend zijn, door het College eventueel bijgesteld worden. De kandidaat is geslaagd indien het resultaat voldoende is.
Het examenwerk van de examenonderdelen Lezen en Luisteren wordt automatisch gescoord. Het examenwerk van de examenonderdelen Spreken en Schrijven wordt door onafhankelijke daartoe door het College voor Toetsen en Examens bevoegd verklaarde beoordelaars beoordeeld. Het examen van een kandidaat wordt ten behoeve van de beoordeling opgedeeld in losse opdrachten en elke opdracht wordt door tenminste twee beoordelaars beoordeeld. Gemiddeld zijn er 10-15 verschillende beoordelaars betrokken bij het beoordelen van een schrijfexamen en een spreekexamen. Bij de beoordeling wordt afhankelijk van de aard van de opdrachten gebruik gemaakt van verschillende dichotome en meerpuntsschalen.
Nadere toelichting per examenonderdeel
a. Leesvaardigheid
Het examenonderdeel Lezen wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt met behulp van een computer een aantal vragen naar aanleiding van in een boekje afgedrukte teksten. Daaruit moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.
Handelingen
Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:
Onderscheid Programma I en Programma II
Onderscheid Programma I en Programma II
Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Frequency dictionary of Dutch, list Core en list General, (Tiberius & Schoonheim, 2004). Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen.
Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Frequency dictionary of Dutch, list Core en list General, (Tiberius & Schoonheim, 2004). Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen.
Het examenonderdeel Luisteren wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt een aantal meerkeuzevragen naar aanleiding van luisterteksten in de vorm van audio- en videofragmenten. Deze fragmenten worden samen met de meerkeuzevragen aangeboden via de computer.
b. Luistervaardigheid
Het examenonderdeel Luisteren wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt een aantal meerkeuzevragen naar aanleiding van luisterteksten in de vorm van audio- en videofragmenten. Deze fragmenten worden samen met de meerkeuzevragen aangeboden via de computer.
Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:
Onderscheid Programma I en Programma II
Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I. De informatiedichtheid in Programma I is gemiddeld, maar kan in Programma II hoger dan gemiddeld zijn. Er is in Programma I herhaling van informatie-eenheden mogelijk. In Programma II is de redundantie laag.
Condities
c. Schrijfvaardigheid
Het examenonderdeel Schrijven wordt afgenomen in één zitting. In Programma I worden zinnen, deelschrijftaken en korte schrijftaken onderscheiden. In Programma II worden zinnen, korte schrijftaken en middellange schrijftaken onderscheiden. In het examenonderdeel schrijven wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.
Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Frequency dictionary of Dutch, list Core en list General, (Tiberius & Schoonheim, 2004). Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen.
Bovenstaande handelingen monden uit in teksten met de volgende kenmerken:
De duur van het examen kan per examen verschil uitmaken, omdat het opdrachten met luisterfragmenten betreft die qua lengte iets kunnen verschillen. En omdat er meerdere fragmenten zijn, kan vervolgens het totale luisterexamen iets langer en soms iets korter uitvallen.
Onderscheid tussen Programma I en Programma II
Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concreet, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.
d. Spreekvaardigheid
Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in één zitting en kent verschillende typen opdrachten. In Programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in Programma II korte, middellange en lange opdrachten. De opdrachten worden zowel mondeling als schriftelijk (op een beeldscherm) aangeboden.
Kwaliteit van de uitvoering
Handelingen
Onderscheid tussen Programma I en Programma II
Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concreet, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.
De duur van het examen is 120 minuten.
d. Spreekvaardigheid
Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in één zitting en kent verschillende typen opdrachten. In Programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in Programma II korte, middellange en lange opdrachten. De opdrachten worden zowel mondeling als schriftelijk (op een beeldscherm) aangeboden.
Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in een digitaal talenpracticum. In het examenonderdeel Spreken wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.
Handelingen
Bovenstaande handelingen monden uit in spreekopdrachten met de volgende kenmerken:
Kwaliteit van de uitvoering
Condities
Onderscheid Programma I en Programma II
Het onderscheid tussen Programma I en Programma II komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.
De duur van het examen is ongeveer 30 minuten.
De duur van het examen kan per examen verschillen, omdat het opdrachten met ingesproken teksten betreft die qua lengte iets kunnen verschillen. Omdat er meer opdrachten zijn, kan daarom het totale examen soms iets langer en soms iets korter uitvallen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, de gekozen werk- en opleidingssituaties en het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.
b. Luistervaardigheid
Uit het beantwoorden van de vragen moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.
Handelingen
Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Frequency dictionary of Dutch, list Core en list General, (Tiberius & Schoonheim, 2004). Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen.
Handelingen
Kwaliteit van de uitvoering
Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in een digitaal talenpracticum. In het examenonderdeel Spreken wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.
Bovenstaande handelingen monden uit in spreekopdrachten met de volgende kenmerken:
Kwaliteit van de uitvoering
Onderscheid Programma I en Programma II
Het onderscheid tussen Programma I en Programma II komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.