Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 67
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 8, derde lid, 9, vierde lid, 17, eerste lid, 24, derde lid, en 25, tweede lid, van de Wet basisregistratie ondergrond;

BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • controlerende partij: onafhankelijke en deskundige partij die de controle uitvoert in opdracht van de Minister;
  • Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • Organisatie: Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet;

Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie ondergrond

Artikel 2

De basisregistratie ondergrond wordt vormgegeven aan de hand van een systeembeschrijving, die wordt gevormd door de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond, en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond, beide opgenomen in bijlage I bij deze regeling.

Artikel 3

Bij de administratieve inrichting van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, worden de processen ter uitvoering van de verplichtingen die bij of krachtens de wet op de Organisatie rusten op een zorgvuldige, transparante, consistente en gebruiksvriendelijke wijze vormgegeven, uitgevoerd en gemonitord.

Artikel 4

Bij de technische inrichting van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, wordt:

  • a. voor het houden van de basisregistratie ondergrond een uitwijkconfiguratie beschikbaar gesteld, en
  • b. van de in de basisregistratie ondergrond opgenomen gegevens en modellen iedere werkdag een back-up gemaakt.

Artikel 5

Met betrekking tot beveiliging van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, treft de Organisatie technische en organisatorische maatregelen om gegevens en modellen, in het bijzonder persoonsgegevens, te beveiligen tegen inbreuk, verlies en onrechtmatige verwerking.

Hoofdstuk 3. Controle van de basisregistratie ondergrond

Artikel 6

De controle van het operationeel beheer, bedoeld in artikel 6 van de wet, wordt uitgevoerd met volledige medewerking van de Organisatie en bestaat uit een primaire controle en, als bij de primaire controle tekortkomingen zijn geconstateerd die zijn opgenomen in het oordeel van de controlerende partij, een hercontrole.

Artikel 7

1.

Bij de primaire controle vindt in ieder geval een beoordeling plaats van de adequate uitvoering van de volgende aspecten binnen de Organisatie:

  • a. de opzet en het bestaan van maatregelen en procedures die in de borging van de wettelijke eisen moeten voorzien met inachtneming van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 2, en
  • b. de werking van de getroffen maatregelen en procedures.
2.

De primaire controle is in ieder geval gericht op de volgende elementen:

  • a. de inrichting en organisationele inbedding van en interne besluitvorming over de basisregistratie ondergrond,
  • c. de conformiteit en de continuïteit van de gebruikte in beheer en in ontwikkeling zijnde systemen,
  • d. de kwaliteit en kwantiteit van de in de basisregistratie ondergrond beschikbare gegevens en modellen,
  • e. de verwerking van persoonsgegevens, en

Artikel 8

1.

De resultaten van de primaire controle worden neergelegd in een primair controlerapport.

2.

Uiterlijk één week na de primaire controle wordt een concept van dat rapport ter bevestiging van de geconstateerde feiten aan de Organisatie gezonden.

3.

Het primair controlerapport wordt uiterlijk één maand na de primaire controle door de controlerende partij vastgesteld en aan de Organisatie en de Minister gezonden.

Artikel 9

1.

Als bij de primaire controle tekortkomingen zijn geconstateerd die zijn opgenomen in het oordeel van de controlerende partij, stelt de Organisatie binnen één maand na de vaststelling van het primair controlerapport een verbeterrapport op, waarin de maatregelen worden beschreven die getroffen zijn ter verbetering van de geconstateerde tekortkomingen.

2.

Het verbeterrapport wordt na vaststelling onverwijld aan de Minister gezonden.

3.

Op basis van het verbeterrapport vindt een hercontrole plaats. De hercontrole heeft alleen betrekking op de punten ten aanzien waarvan tekortkomingen zijn geconstateerd en heeft tot doel het op systematische wijze toetsen of door de Organisatie zodanige maatregelen zijn getroffen dat aan de wet en de daarop berustende bepalingen op dat moment op adequate wijze uitvoering is gegeven.

4.

De resultaten van de hercontrole worden in een hercontrolerapport vastgelegd.

5.

Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘primaire controle’ wordt gelezen: hercontrole.

Hoofdstuk 4. Het bronhouderportaal

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk 5. Standaarden voor de registratie ondergrond

Artikel 11

De catalogus bestaat uit de onderdelen:

  • a. geotechnisch sondeeronderzoek, opgenomen in bijlage II bij deze regeling;
  • b. booronderzoek – bodemkundige boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse, opgenomen in bijlage III bij deze regeling;
  • c. booronderzoek – geologische boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse, opgenomen in bijlage IV bij deze regeling;
  • d. booronderzoek – geotechnische boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse, opgenomen in bijlage V bij deze regeling;
  • e. wandonderzoek – bodemkundige wandbeschrijving en wandmonsteranalyse, opgenomen in bijlage VI bij deze regeling;
  • f. grondwatermonitoringput, opgenomen in bijlage VII bij deze regeling;
  • g. grondwatermonitoringnet, opgenomen in bijlage VIII bij deze regeling;
  • h. grondwatersamenstellingsonderzoek, opgenomen in bijlage IX bij deze regeling;
  • i. grondwaterstandonderzoek, opgenomen in bijlage X bij deze regeling;
  • j. bodemkaart, opgenomen in bijlage XI bij deze regeling;
  • k. geomorfologische kaart, opgenomen in bijlage XII bij deze regeling;
  • l. hydrogeologisch model, opgenomen in bijlage XIII bij deze regeling;
  • m. GeoTop, opgenomen in bijlage XIV bij deze regeling;
  • n. digitaal geologisch model, opgenomen in bijlage XV bij deze regeling;
  • o. formatieweerstandonderzoek, opgenomen in bijlage XVI bij deze regeling;
  • p. model grondwaterspiegeldiepte, opgenomen in bijlage XVII bij deze regeling;
  • q. grondwatergebruiksysteem, opgenomen in bijlage XVIII bij deze regeling;
  • r. grondwaterproductiedossier, opgenomen in bijlage XIX bij deze regeling;
  • s. mijnbouwconstructie, opgenomen in bijlage XX bij deze regeling;
  • t. mijnbouwwetvergunning, opgenomen in bijlage XXI bij deze regeling;
  • u. milieuhygiënisch bodemonderzoek, opgenomen in bijlage XXII bij deze regeling; en
  • v. overheidsbesluit bodemverontreiniging, opgenomen in bijlage XXIII bij deze regeling.

Hoofdstuk 6. Inzage in en verstrekking van gegevens

Artikel 12

1.

De verlening van inzage in de registratie ondergrond, het register brondocumenten en het register inzake meldingen modellen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet, vindt plaats via een website, een webservice en de generieke digitale infrastructuur van de overheid.

2.

De verlening van inzage vindt plaats met inachtneming van de catalogus.

3.

De verlening van inzage via de generieke digitale infrastructuur, bedoeld in het eerste lid, vindt tevens plaats met inachtneming van door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen op grond van richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PbEU, L 108) inzake dataspecificaties.

Artikel 13

1.

Als de bronhouder bij de levering van een brondocument gemotiveerd heeft aangegeven dat het gegevens bevat waarvan verstrekking achterwege kan blijven op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid, wordt in die gegevens geen inzage verleend en worden die gegevens niet op verzoek verstrekt, met inachtneming van artikel 24, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van inzage door en verstrekking aan bronhouders als de gegevens via een beveiligde digitale koppeling door of namens een bronhouder zijn geleverd.

Artikel 14

1.

Voor het op verzoek verstrekken van gegevens of authentieke modellen anders dan door middel van internet of anders dan op digitale of geautomatiseerde wijze is op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet, per kwartier of een gedeelte van een kwartier dat een medewerker van de Organisatie daaraan heeft besteed, verschuldigd:

  • a. als het een administratief medewerker betreft: € 19,50;
  • b. als het een technisch medewerker betreft: € 24,–;
  • c. als het een senior technisch medewerker betreft: € 26,–;
  • d. als het een projectleider of technisch specialist betreft: € 28,50;
  • e. als het een assistent projectmanager betreft: € 31,50;
  • f. als het een projectmanager betreft: € 34,–.
2.

Onverminderd het eerste lid is een vergoeding ter hoogte van de kostprijs verschuldigd voor de middelen die zijn gebruikt voor het verstrekken als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 15

Voor zover in de bijlagen I tot en met XXIII bij deze regeling ten aanzien van producten technische voorschriften zijn gesteld als bedoeld in de richtlijn (EU) nr. 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241), worden met die producten gelijkgesteld producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met die technische voorschriften wordt nagestreefd.

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling basisregistratie ondergrond.

Bijlage I. behorend bij artikel 2 van de Regeling basisregistratie ondergrond

Deze bijlage betreft de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

Bijlage II. behorend bij artikel 11 van de Regeling basisregistratie ondergrond

Deze bijlage betreft de catalogus en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1a

Aan de Organisatie wordt een uitsluitend recht verleend voor het in opdracht van de Minister uitvoeren van het operationeel beheer van de basisregistratie ondergrond.

Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie ondergrond

Hoofdstuk 3. Controle van de basisregistratie ondergrond

Hoofdstuk 4. Het bronhouderportaal

Hoofdstuk 4a. Controle door de bronhouder

Artikel 10a

1.

De controle door de bronhouder, bedoeld in artikel 9a van de wet, heeft betrekking op:

  • a. de uitvoering van zijn wettelijke taak in werkprocessen;
  • b. de actualiteit van de gegevens in de brondocumenten;
  • c. de volledigheid van de gegevens in de brondocumenten;
  • d. de controle van de juistheid van de gegevens in de brondocumenten.
2.

De bronhouder maakt voor zijn rapportage gebruik van een daarvoor door de Minister langs elektronische weg beschikbaar gesteld instrument. Dit instrument omvat ten minste een vragenlijst.

Hoofdstuk 5. Standaarden voor de registratie ondergrond

Hoofdstuk 5a. Het maken, actualiseren en controleren van modellen

Artikel 11a

1.

De Minister die het aangaat legt uiterlijk twee jaar voorafgaand aan de levering of actualisering van een model als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet aan de Minister ter goedkeuring de beschrijving van de te hanteren software, het algoritme, de parametrisatie en de werkprocessen van het model voor.

2.

De Minister die het aangaat legt uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de levering of actualisering van een model als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet aan de Minister ter goedkeuring een standaard toetsprotocol voor interne kwaliteitstoetsing van het model voor.

Artikel 11b

1.

Bij de oplevering van een nieuw of geactualiseerd authentiek model wordt een totstandkomingsrapport opgeleverd met daarin een beschrijving van de gebruikte gegevens en methoden bij het maken of actualiseren van het model.

2.

De Minister komt met de Minister die het aangaat een updatefrequentie en schaalniveau van het model overeen. De maker van het model adviseert over de updatefrequentie en schaalniveau van het model. Hierbij kan onderscheid bestaan tussen landsdekkende en regionale modellen.

3.

Na de oplevering van een nieuw of geactualiseerd authentiek model voert de maker ervan een interne kwaliteitstoets uit op basis van een standaard toetsprotocol als bedoeld in artikel 11a, tweede lid. Het toetsrapport wordt aan de Minister gezonden ter goedkeuring. Na goedkeuring van het rapport wordt het model ingeschreven als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet.

4.

De Minister verstrekt op verzoek het totstandkomingsrapport en het toetsrapport.

Artikel 11c

1.

De controle op de wijze van uitvoering van artikel 7, eerste lid, van de wet door de op grond van dat lid aangewezen partij is in ieder geval gericht op de volgende elementen:

  • a. de algemene werkwijze bij de vervaardiging van het model;
  • b. de gebruikte algoritmen, parametrisatie en methoden;
  • c. de validatie van het model aan de hand van statistische procedures waarbij wordt onderzocht in hoeverre het model overeenkomt met een validatieset dan wel of het model de gegevens bevat die op basis van crossvalidatie te verwachten zijn;
  • d. de berekeningen met het rekenprogramma;
  • e. de gebruikte meta-informatie;
  • f. de opvolging van meldingen, gebruikersverzoeken en klachten.
2.

De artikelen 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11d

1.

De maker van een authentiek model draagt zorg voor de samenhang van het model met de andere modellen in de basisregistratie ondergrond.

2.

Op basis van een door de Minister beschikbaar gesteld toetsprotocol controleert de maker ten minste één keer per jaar de samenhang.

3.

De Organisatie stelt op verzoek van de Minister een toetsprotocol op.

Hoofdstuk 6. Inzage in en verstrekking van gegevens

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 2 van de Regeling basisregistratie ondergrond

Deze bijlage betreft de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond en is gepubliceerd op https://basisregistratieondergrond.nl/publish/pages/162257/03-04-2017_globale_architectuurschets_gas_1.pdf.

Bijlage II. bij artikel 11, onderdeel a, van de Regeling basisregistratie ondergrond

Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek, versie 1.1 met datum 1 september 2022, en is gepubliceerd op https://docs.geostandaarden.nl/bro/def-im-CPT-20220901/.

Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

Basisregistratie Ondergrond (BRO) catalogus geotechnisch sondeeronderzoek

Datum 10 september 2019

Versie 1.01

Inhoudsopgave

Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

1.1. Registratieobject

1.2. Entiteiten en attributen

1. Geotechnisch sondeeronderzoek

2. Registratiegeschiedenis

3. Aangeleverde locatie

4. Aangeleverde verticale positie

5. Gestandaardiseerde locatie

6.0. Sondeonderzoek

6.1. Traject

6.2. Bewerking

6.3. Sondeerapparaat

6.4. Nulmeting

6.5. Bepaalde parameters

6.6. Conuspenetratietest

6.7. Conuspenetratietest resultaat

6.8. Dissipatietest

6.9. Dissipatietest resultaat

7.0. Aanvullend onderzoek

7.1. Verwijderde laag

Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten

2.1. Enumeraties

2.2. Codelijsten

1. CoördinaatTransformatie

2. Kader Aanlevering

2.2. Codelijsten

Toelichting

1. Inleiding

6. MethodeLocatiebepaling

1.1. Geotechnisch sondeeronderzoek

8. Referentiestelsel

9. Registratiestatus

1.2. Sonderen

11. Sondeernorm

12. Stopcriterium

2. Belangrijkste entiteiten

2.1. Geotechnisch sondeeronderzoek

1. Inleiding

De catalogus voor het geotechnisch sondeeronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van sondeeronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geotechniek is uitgevoerd. In de geotechniek wordt sondeeronderzoek routinematig en op gestandaardiseerde wijze uitgevoerd. Sondeeronderzoek wordt sporadisch binnen andere vakgebieden uitgevoerd, bijvoorbeeld in de bodemkunde, en dat onderzoek valt buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond.

1.1. Geotechnisch sondeeronderzoek

Geotechnisch sondeeronderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten in de grond-, weg- en waterbouw en in de woning- en utiliteitsbouw. Het heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond te onderzoeken om de locatie, het ontwerp, de uitvoering of de toestand van bouwwerken te kunnen vaststellen. Geotechnisch sondeeronderzoek is de formele naam die in de basisregsitratie ondergrond gebruikt wordt en de term verwijst naar een onderzoekstechniek die gewoonlijk sonderen wordt genoemd.

Het sondeonderzoek vormt de kern van het geotechnisch sondeeronderzoek. Het is de typering van het geheel van activiteiten dat binnen het sondeeronderzoek is uitgevoerd om met het sondeerapparaat de waarde van bepaalde parameters te meten en die metingen voor de opdrachtgever tot een resultaat te bewerken. De nauwkeurigheid van de gemeten parameters wordt impliciet verantwoord doordat het geotechnisch sondeeronderzoek in zijn geheel aan een bepaalde norm voldoet.

1.2. Sonderen

De meetresultaten worden altijd bewerkt. De activiteiten die uitgevoerd zijn om de metingen te bewerken voor de uiteindelijke rapportage worden apart vastgelegd (de bewerking).

De techniek is oorspronkelijk ontwikkeld om inzicht te krijgen in het dragend vermogen van de ondergrond om op basis daarvan funderingen te ontwerpen. De grootheid die daartoe gemeten werd en wordt, is de weerstand die de conus op de weg naar beneden ondervindt. In de afgelopen decennia heeft de sondeertechniek zich sterk ontwikkeld en inmiddels is het mogelijk routinematig een breed scala aan grootheden te meten. De techniek wordt in Nederland overigens nog steeds in hoofdzaak gebruikt voor het ontwerp van funderingen, maar de resultaten kunnen ook veel breder worden gebruikt omdat zij in meer algemene zin inzicht geven in de eigenschappen en de opbouw van de ondergrond.

2. Belangrijkste entiteiten

2.5. Sondeerapparaat

Het sondeerapparaatis een typering van het apparaat dat bij het sondeeronderzoek is gebruikt. Het belangrijkste onderdeel van het apparaat wordt de sondeerconus genoemd en dat is het eigenlijke meetinstrument oftewel de sonde. De sondeerconus bestaat uit twee functionele onderdelen, de kleefmantel en de conuspunt. De conuspunt omvat niet alleen het kegelvormig uiteinde van de sondeerconus maar ook het cilindrisch deel daar direct boven. De kleefmantel zit daar weer boven.

2.2. Registratiegeschiedenis

De registratiegeschiedenis van een geotechnisch sondeeronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer een object is geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

2.3. Sondeonderzoek

Het sondeonderzoek vormt de kern van het geotechnisch sondeeronderzoek. Het is de typering van het geheel van activiteiten dat binnen het sondeeronderzoek is uitgevoerd om met het sondeerapparaat de waarde van bepaalde parameters te meten en die metingen voor de opdrachtgever tot een resultaat te bewerken. De nauwkeurigheid van de gemeten parameters wordt impliciet verantwoord doordat het geotechnisch sondeeronderzoek in zijn geheel aan een bepaalde norm voldoet.

Het sondeonderzoek koppelt de resultaten die eruit voortkomen aan het door de sonde bemeten deel van de ondergrond (traject). Het sondeonderzoek bestaat altijd uit het uitvoeren van een conuspenetratietest. De conuspenetratietest kan één of meer keren onderbroken worden om een dissipatietest uit te voeren. Dat is een ander type test, met een eigen resultaat.

Deze bijlage betreft de catalogus van de registratieobjecten booronderzoek – bodemkundige boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

Basisregistatie ondergrond (BRO) catalogus booronderzoek bodemkundige boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse

Datum 25 maart 2020

Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

Het sondeerapparaatis een typering van het apparaat dat bij het sondeeronderzoek is gebruikt. Het belangrijkste onderdeel van het apparaat wordt de sondeerconus genoemd en dat is het eigenlijke meetinstrument oftewel de sonde. De sondeerconus bestaat uit twee functionele onderdelen, de kleefmantel en de conuspunt. De conuspunt omvat niet alleen het kegelvormig uiteinde van de sondeerconus maar ook het cilindrisch deel daar direct boven. De kleefmantel zit daar weer boven.

Voor de meeste gemeten parameters kan vóór en na het uitvoeren van het sondeonderzoek de waarde worden afgelezen die het apparaat aangeeft zonder belasting (nulmeting). De nulmetingen worden gebruikt om vast te stellen of en in hoeverre het apparaat tijdens het sonderen aan betrouwbaarheid heeft ingeboet.

3. Entiteiten en attributen

In sommige gevallen worden er in het veld aanvullend onderzoek gedaan. Het gaat om waarnemingen die vaak met het blote oog worden gedaan. Wanneer de ondergrond tot een bepaalde diepte wordt weggegraven voordat met het sondeonderzoek wordt begonnen, wordt er een beschrijving van de weggehaalde lagen gemaakt (verwijderde laag).

3.1.1. BRO-ID

3.1.2. bronhouder

Catalogus

Bodemkundig booronderzoek

Inhoudsopgave

3.1.6. kader aanlevering

3.1.7. kader inwinning

3.1.8. vakgebied

3.1.9. rapportagedatum onderzoek

3.1.10. terreintoestand bepaald

3.1.11. strooisellaag onderzocht

3.1.12. uitvoerder onderzoek

3.2. Registratiegeschiedenis

3.2.1. tijdstip registratie object

3.2.2. registratiestatus

3.2.3. tijdstip laatste aanvulling

3.2.4. tijdstip voltooiing registratie

3.2.5. gecorrigeerd

3.2.6. tijdstip laatste correctie

3.2.7. in onderzoek

3.2.8. in onderzoek sinds

3.2.9. uit registratie genomen

3.2.10. tijdstip uit registratie genomen

3.2.11. weer in registratie genomen

3.2.12. tijdstip weer in registratie genomen

3.3. Rapportagegeschiedenis

3.3.1. startdatum rapportage

3.3.2. einddatum rapportage

3.4. Tussentijdse gebeurtenis

3.4.1. naam gebeurtenis

3.4.2. datum gebeurtenis

3.5. Aangeleverde locatie

3.5.1. coördinaten

3.5.2. referentiestelsel

3.5.3. datum locatiebepaling

IndicatieJaNeeOnbekend

3.5.5. uitvoerder locatiebepaling

3.6. Aangeleverde verticale positie

3.6.1. lokaal verticaal referentiepunt

3.6.2. verschuiving

3.6.3. waterdiepte

3.6.4. verticaal referentievlak

3.6.5. datum verticale positiebepaling

3.6.6. methode verticale positiebepaling

3.6.7. uitvoerder verticale positiebepaling

3.7. Gestandaardiseerde locatie

3.7.1. coördinaten

3.7.2. referentiestelsel

3.7.3. coördinaattransformatie

3.8. Boring

3.8.1. startdatum boring

Coördinaattransformatie

3.8.3. uitvoerder boring

3.8.4. verbuizing gebruikt

3.8.5. boorspoeling

3.8.6. stopcriterium

3.8.7. traject verwijderd

3.9. Boorprocedure

3.9.1. boornorm

3.10. Verwijderd traject

3.10.1. begindiepte

3.10.2. einddiepte

3.11. Verwijderde laag

3.11.1. bovengrens

3.11.2. ondergrens

3.11.3. verwijderd materiaal

3.12. Geboord traject

3.12.1. begindiepte

3.12.2. einddiepte

3.13. Boorapparaat

3.13.1. boortype

3.13.2. boordiameter

3.14. Geboord interval

3.14.1. begindiepte

3.14.2. einddiepte

3.15. Terreintoestand

3.15.1. landgebruik

3.15.2. gedraineerd

3.15.3. gemiddeld hoogste grondwaterspiegel

3.15.4. gemiddeld laagste grondwaterspiegel

3.16. Boormonsterbeschrijving

3.16.1. datum voltooiing beschrijving

3.16.2. beschrijfmethode

3.16.3. beschrijflocatie

3.16.4. uitvoerder beschrijving

3.16.5. fractieverdeling bepaald

De catalogus voor het bodemkundig booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving.

Eenbooronderzoek is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment en op een specifieke locatie in Nederland is uitgevoerd en onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.

Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vier verschillende vakgebieden. Naast bodemkunde zijn dat geotechniek, geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vier catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.

3.17.2. bewortelbare diepte bereikt

Bodemkundig booronderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van het bovenste deel van de ondergrond te onderzoeken. Het perspectief van waaruit dat gebeurt is dat van de landbouw, de landinrichting, het natuurbeheer of de winning van oppervlaktedelfstoffen. Bij uitzondering is het doel er één van meer wetenschappelijke aard.

Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten die zich richten op een bepaald gebied. Veel van het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van bodemkartering.

3.17.5. gemiddeld hoogste grondwaterstand

Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in de bodemkunde triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In bodemkundig onderzoek wordt de boor altijd met de hand de grond in gedreven

3.18. Strooisellaag

Bodemkundig booronderzoek omvat ten hoogste drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt nooit uitgevoerd. Van de drie deelonderzoeken is alleen de boormonsterbeschrijving in deze versie van de catalogus opgenomen (figuur 1). De beschrijving is gebaseerd op de Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften (1995), uitgegeven door DLO Staring Centrum, nu Wageningen Environmental Research.

3.18.2. ondergrens

3.18.3. horizontcode

Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft het informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).

Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd1De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..

3.19. Zuurgraad strooisellaag

De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

3.19.2. pH

De activiteiten in het veld houden altijd in dat er op een bepaalde datum een boring wordt gezet. Het is van belang te weten hoe er geboord is en met welke apparatuur, welk deel van de ondergrond is doorboord, en welk deel is verwijderd voordat met boren is begonnen.

3.20.1. bovengrens

Voor of tijdens het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein.

3.20.3. antropogeen

Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op beschrijven van de monsters met als doel een boorprofiel te maken en, omdat het om een bodemkundige beschrijving gaat, een bodemclassificatie.

3.21. Zuurgraad bodemlaag

Het boorprofiel is het eerste resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het beschrijft de laagopbouw van het doorboorde deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel.

In figuur 2 is geschetst hoe het boorprofiel tot stand komt.

Van iedere bodemlaag wordt de grondsoort en de horizontcode en meestal ook de verdeling van de verschillende korrelgroottefracties beschreven. Voor de grondsoort worden in de bodemkunde soms andere namen gebruikt dan in andere vakgebieden.

3.22.1. volumepercentage

De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het boorprofiel is vastgelegd. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.

3.22.3. horizontcode

3.22.4. verzadigde doorlatendheid

Catalogus

Booronderzoek – Geotechnische boormonsteranalyse & Geotechnische boormonsterbeschrijving

Inhoudsopgave

3.23.3. bodemkundige grondsoortnaam

3.23.4. organische stofklasse

3.23.5. zandmediaan

3.23.6. veensoort

3.23.7. kalkklasse

3.23.8. rijpingsklasse

3.23.9. grindhoudend

3.23.10. grindgehalteklasse

3.23.11. schelpmateriaalhoudend

3.23.12. klasse schelpmateriaalgehalte

3.24. Fractieverdeling

3.24.1. grindgehalte

3.24.2. schelpmateriaalgehalte

3.24.3. organische stofgehalte

3.24.4. gehalte fijne fractie

3.25. Verdeling fijne fractie

3.25.1. lutumgehalte

3.25.2. siltgehalte

3.25.3. zandgehalte

3.26. Onvolledige fractiespecificatie

3.26.1. organische stofgehalte

3.26.2. lutumgehalte

3.26.3. siltgehalte

3.26.4. zandgehalte

3.27. Vast gesteentelaag

3.27.1. bovengrens

3.27.2. ondergrens

3.27.3. horizontcode

3.27.4. gesteentesoort

3.28. Bodemclassificatie

3.28.1. codegroep

3.28.2. standaardpuntencode

3.28.3. bijzonderheid bovenin

3.28.4. bodemklasse

3.28.5. textuurklasse

3.28.6. veenklasse

3.28.7. ondergrond veen

3.28.8. veenondergrens

3.28.9. ondergrond duinvaaggrond

3.28.10. profielverloop

11.10 Uitgebreide verdeling fractie kleiner63um

3.28.12. vergravingsklasse

3.28.13. grondwatertrap

3.28.14. afwijkend grondwaterregime

3.28.15. bijzonderheid locatie

3.29. Bijzonderheid onderin

3.29.1. bijzonderheid

3.29.2. begindiepte

3.30. Boormonsteranalyse

3.30.1. rapportagedatum analyse

3.30.2. soort analyse

3.30.3. locatiespecifiek

3.30.4. onderzocht oppervlak

3.30.5. uitvoerder analyse

3.31. Onderzocht interval

3.31.1. begindiepte

3.31.2. einddiepte

3.31.3. locatiespecifiek

3.31.4. horizontcode

3.31.5. karakteristiek gemodelleerd

3.32. Bepaling zuurgraad

3.32.1. bepalingsprocedure

3.32.2. bepalingsmethode

3.32.3. pH

3.33. Bepaling korrelgrootteverdeling

3.33.1. bepalingsprocedure

3.33.2. bepalingsmethode

3.33.3. korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd

3.33.4. fractieverdeling

3.33.5. dispersiemethode

3.33.6. bijzonderheid uitvoering

3.34. Basis korrelgrootteverdeling

3.34.1. fractie kleiner50um

3.34.2. fractie 50tot63um

3.34.3. fractie 63tot2000um

3.35. Minimale verdeling fractie kleiner50um

3.35.1. fractie 0tot2um

3.35.2. fractie 2tot50um

3.36. Standaard verdeling fractie kleiner50um

3.36.1. fractie 0tot2um

3.36.2. fractie 2tot16um

3.36.3. fractie 16tot50um

3.37. Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um

3.37.1. fractie 0tot2um

3.37.2. fractie 2tot4um

3.37.3. fractie 4tot8um

3.37.4. fractie 8tot16um

3.37.5. fractie 16tot25um

3.37.6. fractie 25tot35um

3.37.7. fractie 35tot50um

3.38. Standaard verdeling fractie 63tot2000um

3.38.1. fractie 63tot105um

3.38.2. fractie 105ot210um

3.38.3. fractie 210tot420um

3.38.4. fractie 420tot2000um

3.39. Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

3.39.1. fractie 63tot105um

3.39.2. fractie 105ot210um

3.39.3. fractie 210tot300um

3.39.4. fractie 300tot420um

3.39.5. fractie 420tot600um

3.39.6. fractie 600tot850um

3.39.7. fractie 850tot1200um

3.39.8. fractie 1200tot1700um

3.39.9. fractie 1700tot2000um

3.40. Niet gestandaardiseerde fractie

3.40.1. ondergrens

3.40.2. bovengrens

3.40.3. aandeel

3.41. Bepaling organischestofgehalte

3.41.1. bepalingsprocedure

3.41.2. Bepalingsmethode

3.41.3. rapportagegrens

3.41.4. lutumcorrectie toegepast

3.41.5. vrij ijzercorrectie toegepast

3.41.6. organischestofgehalte

3.42. Bepaling organisch koolstofgehalte

3.42.1. bepalingsprocedure

3.42.2. bepalingsmethode

3.42.3. rapportagegrens

3.42.4. bijzonderheid uitvoering

3.42.5. organisch koolstofgehalte

3.43. Bepaling droge bulkdichtheid

3.43.1. bepalingsprocedure

3.43.2. bepalingsmethode

3.43.3. ringdiameter

3.43.4. ringhoogte

3.43.5. droogtemperatuur

3.43.6. volume waterverzadigd

3.43.7. bijzonderheid materiaal

3.43.8. droge bulkdichtheid

3.44. Bepaling krimpverloop

3.44.1. bepalingsprocedure

3.44.2. bepalingsmethode

3.44.3. verstoord

3.44.4. temperatuur

3.44.5. bijzonderheid materiaal

3.45. Krimpverloop

3.46. Krimptoestand

3.46.1. massa

3.46.2. volume

3.46.3. hoogte

3.46.4. diameter

3.47. Bepaling waterdoorlatendheid

3.47.1. bepalingsID

3.47.2. bepalingsprocedure

3.47.3. bepalingsmethode

3.47.4. verticaal bemonsterd

3.47.5. ringdiameter

3.47.6. ringhoogte

3.47.7. stroming neerwaarts

3.47.8. gebruikt medium

3.47.9. water ontgast

3.47.10. temperatuur

De catalogus voor het geotechnisch booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geotechniek is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving, en van een deel van de gegevens die voortkomen uit het analyseren van boormonsters.

Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vier verschillende vakgebieden. Naast geotechniek zijn dat bodemkunde, geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vier catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.

3.47.13. verzadigde waterdoorlatendheid

Geotechnisch booronderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten in de grond-, weg- en waterbouw en in de woning- en utiliteitsbouw. Het onderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond te onderzoeken om de locatie, het ontwerp, de uitvoering of de toestand van bouwwerken te kunnen vaststellen. Het kan een verkennend karakter hebben en dan is het veelal voldoende de opbouw van de ondergrond globaal te bepalen. Vaker wil men precies weten hoe de ondergrond is opgebouwd en uit welk soort materiaal die bestaat en laat men monsters onderzoeken om bepaalde eigenschappen te bepalen om die in allerlei berekeningen te kunnen gebruiken. Het uiteindelijke doel daarbij is bijvoorbeeld het draagvermogen, het zettingsgedrag of de stabiliteit van de ondergrond in algemenere zin te bepalen of aspecten als de erosiebestendigheid.

De verscheidenheid in geotechnisch booronderzoek is groot. Het wordt zowel op land als op zee uitgevoerd en kan tot wel 150 meter diepte onder maaiveld of waterbodem reiken. In het grootste deel van Nederland bestaat de ondergrond op die diepte uit grond, maar in het zuiden en oosten wordt op bepaalde plaatsen het gesteente bereikt.

Voorts beperkt geotechnisch onderzoek zich niet tot de natuurlijke ondergrond, maar richt het zich ook op grondlichamen die door de mens zijn neergelegd.

Om de informatie die voortkomt uit geotechnisch booronderzoek te kunnen standaardiseren zijn grenzen gesteld aan de verscheidenheid en worden niet alle resultaten of alle vormen van onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. Het accent ligt op standaard geotechnisch booronderzoek. Wat dat inhoudt is in de gegevensdefinitie2In de huidige versie geldt dit alleen voor de boormonsterbeschrijving. Voor boormonsteranalyse is nu maar een deel van de standaardbepalingen opgenomen. vastgelegd. Uitgangspunt daarbij is dat de informatie in de basisregistratie ondergrond alleen betrekking heeft op boringen die verticaal bedoeld zijn. Gegevens die niet onder het standaard onderzoek vallen zijn niet opgenomen. Wanneer de grenzen verlegd worden, en dat zal in de toekomst zeker gebeuren, zal de gegevensdefinitie moeten worden aangepast.

Geotechnisch booronderzoek is een van de vier soorten booronderzoek in de basisregistratie ondergrond en het komt voor dat booronderzoek vanuit een combinatie van vakgebieden is uitgevoerd. De bijzondere eisen die voor een dergelijke combinatie gelden, worden in de catalogus die voor het booronderzoek in zijn geheel gaat gelden vastgelegd.

Archeologisch en milieukundig booronderzoek vallen buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond. Wanneer geotechnisch onderzoek wordt gecombineerd met archeologisch of milieukundig onderzoek wordt alleen het geotechnische onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. In zo’n geval wordt wel gepreciseerd dat slechts een deel van de resultaten is geregistreerd.

3.50.1. bepalingsID

Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in verreweg de meeste gevallen triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In de definities wordt duidelijk dat er ook andere manieren zijn om een gat in de ondergrond te maken en die worden gemakshalve toch tot het boren gerekend. Er worden ook gaten in de ondergrond gemaakt met afwijkende methoden die buiten het bereik van deze catalogus vallen. Dat zijn allemaal methoden die op water worden gebruikt en die tot doel hebben een hap uit de waterbodem te nemen. Apparaten die daarvoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld de boxcorer en de Van Veen-bodemhapper. Onderzoek dat gebaseerd is op dergelijke technieken valt buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond en de reden daarvoor is dat de resultaten een zeer geringe waarde voor hergebruik hebben, omdat de diepte van het bemonsterde interval niet goed bepaald is en de waterbodem binnen korte tijd kan veranderen.

3.50.3. bepalingsmethode

De gegevens over de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond die uit geotechnisch booronderzoek voortkomen, zijn gebaseerd op monsters die uit de ondergrond genomen zijn. Voor het hergebruik van de gegevens is het van belang te weten in welke mate de monsters waarop de waarnemingen en metingen zijn gebaseerd representatief geacht kunnen worden voor de situatie in-situ. Anders gezegd, voor hergebruik is het van belang de kwaliteit van de monsters vast te leggen.

De kwaliteit van de monsters is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoe er geboord is, hoe de monsters genomen zijn, met wat voor apparaat, hoe de monsters boven de grond zijn behandeld, getransporteerd en opgeslagen. De gegevens over het boren, bemonsteren en de relevante specificaties van het apparaat zijn in deze catalogus opgenomen. Die gegevens bepalen het maximaal te bereiken kwaliteitsniveau. Om die kwaliteit in het verdere proces te kunnen behouden, zijn binnen het werkveld procedures opgesteld. Monsters worden ingedeeld in categorieën en voor iedere categorie is vastgelegd hoe de monsters behandeld moeten worden vanaf het moment dat ze boven de grond zijn gekomen. In de catalogus wordt verwezen naar die procedures. In hoeverre de kwaliteit op het moment dat de monsters worden beschreven of geanalyseerd afwijkt van de initiële kwaliteit, wordt vastgelegd als onderdeel van het onderzoek.

De eisen die een gebruiker van de basisregistratie aan de gegevens over de kwaliteit van monsters stelt worden vooral bepaald door het detail dat hij zoekt. Wil de gebruiker een globaal inzicht in de opbouw van de ondergrond verkrijgen, dan zal het voldoende zijn te weten of de monsters geroerd of ongeroerd zijn. Wil een geotechnisch adviseur gegevens uit de boormonsteranalyse gebruiken in berekeningen, dan zal hij de details willen kennen om de waarde van een gegeven te kunnen bepalen.

3.50.7. temperatuur

Geotechnisch booronderzoek omvat gewoonlijk drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en, de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt weinig uitgevoerd. Van de vier deelonderzoeken zijn er twee in deze versie van de catalogus opgenomen, de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse (figuur 1).

In de boormonsterbeschrijving wordt het materiaal dat uit de ondergrond naar boven is gehaald, beschreven op een manier die inzicht geeft in de opbouw van de ondergrond en de globale eigenschappen ervan. In het laboratorium worden allerlei proeven uitgevoerd om de samenstelling en een grote verscheidenheid aan eigenschappen nauwkeurig te bepalen. De verscheidenheid aan bepalingen is groot en iedere bepaling vraagt een eigen definitie. Dat vergt tijd en om die reden wordt de standaardisatie van boormonsteranalyse in twee fasen gerealiseerd. Deze versie van de catalogus dekt alleen de bepalingen uit de eerste fase.

3.50.10. droogtemperatuur

Sinds 2017 is onder verantwoordelijkheid van NEN gewerkt aan een Nederlandse annex op NEN-EN-ISO 14688-1. Dat deel van de norm gaat over de identificatie van grond en vervangt binnen de wereld van de geotechniek NEN 5104. De verandering is groot omdat er op een manier naar grond wordt gekeken die wezenlijk anders is dan wat gebruikelijk was. In NEN-EN-ISO 14688-1 is de identificatie van grond geheel en al gebaseerd op visuele en tactiele waarneming, op zien en voelen. Bij het voelen staan de aspecten centraal die over het gedrag van grond gaan.

De oude NEN 5104 was eerder een classificatiesysteem waarmee het mogelijk was een willekeurig mengsel precies te benoemen wanneer het gehalte aan grind, zand, silt, lutum en organische stof nauwkeurig was bepaald. Die benadering werkt prima wanneer de gehaltes werkelijk gemeten zijn door proeven uit te voeren. Om de benadering toe te passen bij het beschrijven van monsters gebaseerd op alleen zintuigelijke waarneming, moesten referentiemonsters waarvan de samenstelling door metingen was bepaald gebruikt worden. Dat bleef in de praktijk dikwijls achterwege. Bovendien kende de methode bezwaren van meer fundamentele aard, waardoor al lange tijd werd ervaren dat de norm niet meer goed aansloot op de eisen van het geotechnisch werkveld.

3.50.13. droge bulkdichtheid

In de basisregistratie ondergrond kunnen niet alleen beschrijvingen die onder NEN-EN-ISO 14688-1 zijn gemaakt, maar ook beschrijvingen die onder NEN 5104 zijn gemaakt worden geregistreerd. De verandering in de methode van beschrijven maakt dat het verschil tussen een boormonsterbeschrijving die onder NEN 5104 tot stand is gekomen en een die onder NEN-EN-ISO 14688 is gemaakt groot is. Onder NEN 5104 worden minder gegevens vastgelegd, is de samenhang minder strikt geborgd en kan de betekenis van gegevens anders zijn. Sommige gegevens kunnen alleen bestaan onder NEN 5104, andere gegevens kunnen juist niet bestaan onder die norm. Een ander verschil is dat de nieuwe methode een strikt onderscheid maakt tussen gegevens die uit het beschrijven en de gegevens die uit het meten voortkomen. In het verleden was dat niet het geval met als gevolg dat niet altijd duidelijk is waarop de gegevens van een oude beschrijving berusten.

Overigens valt een boormonsterbeschrijving die onder NEN 5104 tot stand is gekomen per definitie onder booronderzoek met kwaliteitsregime IMBRO/A.

3.51. Waterretentie

Hoewel het meeste geotechnisch booronderzoek zich richt op grond, kan het ook betrekking hebben op gesteente of een combinatie van grond en gesteente. De procedures voor het beschrijven van grond en gesteente verschillen; in de beschrijfwijze van gesteente is de afgelopen jaren geen verandering gekomen. Voor gesteente geldt sinds 2004 NEN-EN-ISO 14689, en in februari 2018 is daarvan een nieuwe versie gepubliceerd. Voor deze norm bestaat geen Nederlandse annex. Wel is de totstandkoming van de Nederlandse annex op NEN-EN-ISO 14688-1 aangegrepen om binnen Nederland af te spreken welke gegevens van gesteente moeten worden vastgelegd. Het resultaat is in deze catalogus opgenomen.

3.52.1. bodemvochtpotentiaal

3.52.2. volumetrisch watergehalte

Booronderzoekis het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment gekoppeld aan een specifieke locatie in Nederland onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.

Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd3De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..

3.53.1. bepalingsID

De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

3.53.3. bepalingsmethode

De resultaten van het booronderzoek worden niet in een keer maar per deelonderzoek gerapporteerd. Wanneer een deelrapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object booronderzoek.

3.53.5. ringdiameter

De kernactiviteit in het veld is het maken van het gat, de boring. Voor het onderzoek is het van het grootste belang de gegevens vast te leggen die van invloed zijn op de uiteindelijke resultaten van het onderzoek. Daarnaast betekent boren dat men de toestand van de ondergrond verandert. Om de gevolgen van die ingreep later te kunnen beoordelen is het van belang te weten hoe men de ondergrond heeft achtergelaten.

Aan het maken van een boorgat kunnen voorbereidende werkzaamheden zijn voorafgegaan. Het weggraven van materiaal is een bijzondere vorm van voorbereiding omdat daaruit ook gegevens over de opbouw van de ondergrond kunnen voortkomen. Wanneer het weggegraven materiaal globaal is beschreven wordt dat apart vastgelegd (Weggegraven laag) en niet als onderdeel van het deelonderzoek Boormonsterbeschrijving.

Bij het boren gebruikt men een bepaalde techniek om het apparaat dat men gekozen heeft de grond in te drijven. Bij verkennend onderzoek dat zich tot geringe diepte beperkt boort men vaak met de hand, voor ander onderzoek gebeurt dat veelal mechanisch. Tijdens het boren kan men herhaaldelijk van techniek wisselen, en voor een goed begrip van de onderzoeksresultaten is het van belang te weten welk deel van de ondergrond met welke techniek is doorboord (Geboord interval).

Wanneer men tevoren weet dat men in gesteente gaat boren wordt ook de Boorsnelheid vastgelegd. Die geeft namelijk informatie over de opbouw van de ondergrond.

Het doel van het boren is dat er monsters uit de ondergrond worden gehaald. Dat kan op allerlei manieren gebeuren en tijdens het boren kan men herhaaldelijk van manier wisselen (Bemonsterd interval).

Heeft men kernen genomen in gesteente dan wordt ook de opbrengst van het gekernde traject vastgelegd (Kernopbrengst).

Tijdens het boren kan men constateren dat er in bepaalde intervallen sporen van verontreiniging voorkomen (Verontreinigd interval) en dat wordt dan vastgelegd om latere gebruikers te kunnen informeren.

Wanneer men ten slotte klaar is met boren kan het ontstane gat op een bepaalde manier worden afgewerkt. Dat kan weer per diepte-interval verschillen (Afgewerkt interval).

3.54.2. lengte

In het geval men monsters gestoken of gekernd heeft worden ook specificaties vastgelegd van het apparaat dat daarvoor gebruikt is. In figuur 2 en figuur 3 wordt geïllustreerd wat de belangrijkste kenmerken zijn.

3.54.4. diepte 1

Voor, tijdens of direct na het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd.

3.54.6. diepte 3

Bij boren op water kan er op de waterbodem een laag slib blijken te liggen. Wanneer dat voor het onderzoek relevant geacht is, worden enkele kenmerken daarvan vastgelegd.

3.55. Waterretentie verdamping

Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de monsters met als doel een of meer boorprofielen te maken. Er kunnen twee procedures gelden, omdat het beschrijven van grond en gesteente gecombineerd kan worden.

Historische beschrijvingen van grond die onder NEN 5104 gemaakt zijn, verschillen fundamenteel van beschrijvingen van grond onder NEN-EN-ISO 14688-1. In het eerste geval is altijd sprake van één boorprofiel, in het tweede geval kunnen binnen een onderzoek drie verschillende boorprofielen gemaakt zijn.

3.56.2. bodemvochtpotentiaal diepte 1

Een boorprofiel is een resultaat van de boormonsterbeschrijving en beschrijft de laagopbouw van het deel van de ondergrond dat bemonsterd is.

Een boorprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit. Onder NEN 5104 heeft dat begrip eigenlijk geen onderscheidende waarde, omdat er altijd maar een profiel is. De kwaliteit daarvan wordt niet gespecificeerd omdat gewoonlijk niet meer te achterhalen is waarop de gegevens precies zijn gebaseerd.

Onder NEN-EN-ISO 14688-1 heeft het begrip beschrijfkwaliteit wel onderscheidende waarde. Het betekent dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Figuur 4 illustreert het geval waarin een booronderzoek twee boorprofielen oplevert.

Een geval waarin een boormonsterbeschrijving NEN-EN-ISO 14688-1 twee boorprofielen oplevert is wanneer op een bepaalde plaats een boring is gezet die op twee manieren bemonsterd is. Over het hele boortraject zijn monsters met een relatief lage kwaliteit, geroerde monsters, genomen. Daarnaast zijn van bepaalde dieptes monsters met een hoge kwaliteit, ongeroerde monsters, verkregen. Het verschil in kwaliteit is zo groot dat de monsters apart beschreven moeten worden. In het eerste geval ontstaat een continu profiel, in het tweede een discontinu profiel.

Een derde profiel is nodig wanneer bovendien een deel van de monsters, gewoonlijk uit het bovenste deel van de ondergrond, beschreven is onder de eisen die aan verkennend onderzoek zijn gesteld. Die eisen zijn laag en dekken maar een deel van kenmerken.

Het uitgangspunt is in alle gevallen dat het boorprofiel alle met een bepaalde kwaliteit bemonsterde intervallen dekt en het hele traject compleet in lagen is beschreven. Het kan echter zijn dat dit niet gelukt is, bijvoorbeeld omdat er per ongeluk een monster verdwenen is. De intervallen die niet beschreven konden worden, worden expliciet in het profiel opgenomen (Niet-beschreven interval) en de reden waarom het niet beschreven is wordt vastgelegd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)