Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 november 2017, nr. Minbuza-2017.1277810, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op de artikelen 8.1 en 8.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 8.1 en artikel 8.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het internationaal cultuurbeleid (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020) gelden voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels en een subsidieplafond van € 5,2 miljoen.
Artikel 2
De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst.
Artikel 3
Aanvragen worden ingediend aan de hand van een daartoe door de minister vastgesteld formulier en voorzien van de op het formulier vermelde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op www.rvo.nl/CreativeTwinning.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op voor die datum verleende subsidies.
Bijlage. Subsidieprogramma creative twinning 2018–2020
1. Inleiding
Het subsidieprogramma vormt het richtsnoer voor de beoordeling van subsidieaanvragen die cultuur en creativiteit inzetten om sociale cohesie te stimuleren. Het subsidieprogramma is opgesteld met inachtneming van het Kabinetsstandpunt over de motie Van Veen.3Kamerstukken II 2015/16, 31 482, nr. 103.
Het gaat hier om onder andere de disciplines als beeldende- en podiumkunsten, film, letteren, alsmede multidisciplinaire kunstvormen, het cultureel erfgoed en de ontwerpsectoren (architectuur, design en nieuwe media).
Het subsidietijdvak betreft de periode 2018–2020. In totaal is voor deze periode € 5,2 miljoen (non-ODA) beschikbaar.
Het internationaal cultuurbeleid(icb) 2017–2020 kent drie hoofddoelstellingen:
Dit subsidieprogramma heeft betrekking op de tweede hoofddoelstelling.
De uitgangspunten van het icb zijn neergelegd in de Kamerbrief ‘Beleidskader internationaal cultuurbeleid 2017–2020’ van 4 mei 2016, in een aanvullende Kamerbrief over de uitwerking van het internationaal cultuurbeleid van 17 november 2016, en in een Kamerbrief op 15 februari 2017 met daarin de Kabinetsreactie op de motie Van Veen.4Kamerstukken II 2015/2016, 31 482, nr. 97; nr. 101; nr. 103. Genoemde documenten vormen de basis voor dit subsidieprogramma.
2. Beleidsuitgangspunten
2.1. Relevantie
Nederland heeft belang bij een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld, een hoofddoelstelling van het buitenlands beleid van de Nederlandse regering. In zo'n wereld heeft iedere burger en kunstenaar het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven. Dat recht is een essentiële voorwaarde voor een bloeiende cultuursector met maatschappelijke betekenis.
Tegelijkertijd staan veiligheid en stabiliteit in de regio’s aan de grenzen van Europa onder grote druk. Dat geldt in toenemende mate ook voor de relaties tussen de landen in deze regio en Europa. We zien de ruimte voor cultuur in deze regio afnemen. Kunstenaars raken geïsoleerd. Burgers zien hun recht om deel te nemen aan een divers cultureel leven in het gedrang komen. Dit geldt in het bijzonder in landen en steden die te maken hebben met grote aantallen vluchtelingen en migranten. Open dialoog over culturele verschillen wordt moeilijker en maakt soms plaats voor culturele confrontatie of zelfs doelbewuste vernietiging.
Cultuur en creativiteit kunnen deze problematiek niet oplossen. Ze kunnen wel bijdragen aan wederzijds begrip en dialoog. Ze helpen ook bij het zoeken naar en verbeelden van alternatieven en oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Wederzijds begrip en vertrouwen groeien door gedeelde culturele ervaringen, niet alleen tussen gemeenschappen maar ook tussen landen.
Cruciaal daarbij zijn lokaal initiatief en draagvlak. De inzet en gedrevenheid van professionals, kunstenaars, ontwerpers en erfgoeddeskundigen daar én hier zijn het uitgangspunt. Ook jeugd verdient in dit verband speciale aandacht. Als jongeren geen toekomstperspectief in eigen land hebben, of geen verbondenheid (meer) voelen, ondergraaft dat op termijn de maatschappelijke samenhang en politieke stabiliteit. Het is daarom van groot belang ook jongeren, als kunstenaar of cultuurliefhebber, in eigen land meer kansen te geven en ze weerbaarder te maken, door hun vermogen te versterken om zelf creatieve en innovatieve oplossingen te vinden.
Zoals wordt aangegeven in voornoemde beleidsbrieven zet het icb 2017–2020 hiermee in op de verbindende rol die cultuur kan spelen op lokaal, nationaal en internationaal niveau.
2.2. Doel
Het subsidieprogramma is bedoeld voor het subsidiëren van projecten die cultuur inzetten bij het bevorderen van sociale cohesie (conform hoofddoelstelling 2 van het icb).
Met project wordt bedoeld een planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning en kosten daarvan, die een alliantie zal verrichten met het oog op de in het subsidieprogramma genoemde (sub)doelstellingen.
Met het subsidieprogramma worden projecten ondersteund die leiden tot of bijdragen aan één of meerdere van de volgende subdoelstellingen:
Te subsidiëren projecten moeten bovendien bijdragen aan een groter vertrouwen en dialoog tussen Nederland en de betrokken landen. Daarnaast dienen de te subsidiëren projecten zich te richten op jeugd/jongeren (in de leeftijd van 15–24 jaar).
Het subsidieprogramma is bedoeld voor meerjarige en strategische samenwerkingsverbanden (‘allianties’) van Nederlandse, internationale en lokale culturele organisaties (waaronder non-profit organisaties en bedrijven met een cultureel profiel), die beschikken over een groot en relevant netwerk. Deze allianties kunnen subsidie vragen voor projecten gericht op de hierboven genoemde doelstellingen en gericht op de landen aan de grenzen van de Europese Unie, waar veiligheid en stabiliteit onder druk staan. Binnen die projecten wordt cultuur ingezet om sociale cohesie te vergroten en vertrouwen en dialoog tussen Nederland en de betrokken landen te versterken. De beoogde subsidieontvangers werken bij voorkeur regionaal. Dit is in lijn met en additioneel aan de geografische focus van andere beleidsinstrumenten op het gebied van het icb.
2.3. Opbouw subsidieprogramma
In dit subsidieprogramma worden in hoofdstuk 3 de financiële middelen en het tijdpad weergegeven. Hoofdstuk 4 bevat een algemene toelichting op de selectiecriteria en het selectieproces. In hoofdstuk 5 worden de met de te verstrekken subsidies beoogde hoofd- en subdoelstellingen uitgewerkt. Hoofdstuk 6 betreft de uitvoering van het subsidieprogramma. Hoofdstuk 7 is gewijd aan de formele vereisten aan de aanvraag en de verdere procedure. In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria (hoofdstuk 8) en inhoudelijke criteria (hoofdstuk 9) uiteen gezet.
3. Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad
3.1. Beschikbare middelen
Het totaal beschikbare subsidieplafond voor het subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020 bedraagt € 5,2 miljoen. Een subsidie zal minimaal € 600.000 en maximaal € 1,4 miljoen bedragen. Hiermee kunnen maximaal 8 aanvragen worden gehonoreerd. De looptijd van een project kan variëren (minimaal 24 maanden en maximaal 33 maanden), mits deze valt binnen het tijdvak van 1 april 2018 tot en met 31 december 2020 en met dien verstande dat projecten niet later dan 1 januari 2019 mogen beginnen.
3.2. Verdeling beschikbare middelen
De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan de drempelcriteria (waaronder eisen aan de alliantie) en dient een minimumscore behaald te worden op inhoudelijke (programma)criteria. Zie hierover verder de hoofdstukken 8 en 9.
3.3 Voorkomen overschrijding plafond door gelijktijdig binnengekomen aanvragen
Indien gelijktijdig binnengekomen aanvragen bij toekenning het subsidieplafond zouden overschrijden, dan komt van die aanvragen, voor zover ze voldoen aan de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.
3.4. (voorlopige) uitputting van de middelen
Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen op grond van drempelcriteria en inhoudelijke criteria zullen worden uitgeput, zal behandeling van later binnengekomen aanvragen worden opgeschort. Slechts indien blijkt dat eerdere aanvragen alsnog afvallen (op basis van de beoordeling aan de hand van de criteria opgenomen in hoofdstuk 8 en hoofdstuk 9, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, vanzelfsprekend op volgorde van binnenkomst.
3.5. Resterende middelen
Het is mogelijk dat na goedkeuring van een aantal aanvragen nog middelen resteren, maar dat dit restant minder bedraagt dan € 600.000 (het minimumbedrag voor een aanvraag). Hierdoor zal er geen volgend project meer kunnen worden goedgekeurd. Projecten zullen namelijk niet gedeeltelijk worden gefinancierd indien dit zou leiden tot verlening van een subsidie kleiner dan het minimumbedrag voor een aanvraag.
3.6. Termijn voor indiening
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf twee weken na bekendmaking van dit subsidieprogramma in de Staatscourant, tot en met uiterlijk 31 augustus 2018, 12:00 uur Nederlandse tijd. Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag zal op de aanvraag worden beslist. De genoemde uiterste datum voor indiening laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, de beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. Indien de middelen zijn uitgeput, wordt een aanvraag afgewezen.
4. Selectiecriteria- en proces
4.1. Welke partijen kunnen subsidie aanvragen?
De subsidie is bedoeld voor projecten die worden uitgevoerd door allianties, bestaande uit zelfstandige culturele organisaties (waaronder non-profit organisaties en bedrijven met een cultureel profiel)5Zie voor een begripsomschrijving hoofdstuk 8.. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst.
Alle partijen binnen een alliantie dienen te beschikken over rechtspersoonlijkheid. Alleen rechtspersonen komen in aanmerking voor subsidie.
Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een penvoerder namens een alliantie. Dit ‘penvoerderschap’ staat open voor zowel Nederlandse als buitenlandse partijen. De penvoerder is een culturele niet-gouvernementele organisatie. Bedrijven met een cultureel profiel kunnen derhalve niet optreden als penvoerder, maar kunnen wel als mede-indiener onderdeel uitmaken van een alliantie.
Alleen bovengenoemde organisaties kunnen deel uitmaken van een alliantie (en dus niet bijvoorbeeld amateurclubs, hobbyverenigingen en particuliere initiatieven). Van de partijen die onderdeel uitmaken van de alliantie is ten minste één partij gevestigd in Nederland en één partij gevestigd in het land/één van de landen waar de projecten zich op richten.
NB: Zowel penvoerders als mede-indieners kunnen ten hoogste éénmaal in aanmerking komen voor subsidie, dan wel participeren in een alliantie die via een penvoerder subsidie ontvangt. Het is derhalve niet mogelijk om als begunstigde penvoerder dan wel als mede-indiener van een begunstigde alliantie in een andere begunstigde alliantie te participeren, of als mede-indiener van een begunstigde alliantie ook als penvoerder subsidie te ontvangen.
Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het project gebruik maken van derde partijen. Een dergelijke samenwerking betreft geen samenwerking in het kader van een alliantie zoals hiervoor bedoeld, maar samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die (in opdracht) enkele onderdelen van het project lokaal uitvoert.
Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, zal de penvoerder de subsidieontvanger zijn en als zodanig verantwoordelijk voor de uitvoering van het project van de alliantie. Ook is hij jegens de minister ten volle aansprakelijk voor de naleving van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ook al strekt de subsidie mede tot bekostiging van de activiteiten van mede-indieners in de alliantie en worden de activiteiten (deels) uitgevoerd door (een) mede-indiener(s). Dit geldt ook in het geval van wijzigingen in de alliantie, zoals toetredingen, uittredingen of het geheel stoppen van een alliantie.
De penvoerder dient wijzigingen in de alliantie aan de minister voor te leggen ter goedkeuring. De minister behoudt zich het recht voor om subsidiegelden geheel of gedeeltelijk terug te vorderen op de subsidieontvanger.
Omdat de subsidieontvanger voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en voor de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen afhankelijk is van zijn mede-indieners, moet deze medewerking expliciet in een overeenkomst zijn vastgelegd. Tevens moet uit de samenwerkingsovereenkomst blijken dat alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Een schriftelijke en door alle participerende partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst moet de medewerking van partijen aan de uitvoering van de te subsidiëren activiteiten en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgen, evenals de naleving van de aan een subsidieverleningsbeschikking verbonden verplichtingen jegens de minister.
De doelgroep van de te subsidiëren projecten is de specifieke groep mensen op wie de activiteiten uit het voorstel gericht zijn. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie richten allianties hun activiteiten op jongeren in de leeftijd van 15–24 jaar (bijvoorbeeld als publiek, deelnemer, of beide). Individuele leden van de doelgroep kunnen geen partner zijn in de alliantie; organisatievormen die de doelgroep legitiem vertegenwoordigen (belangenorganisatie, coöperatie, formeel geregistreerd bedrijf) kunnen dat wel indien zij voldoen aan de aan penvoerders en mede-indieners gestelde vereisten. Het project moet duidelijk positieve resultaten voor de doelgroep hebben geformuleerd (zie ook criterium I.4).
4.2. Formele vereisten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan de formele vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 7.
4.3. Drempelcriteria
Zowel de penvoerder en alle mede-indieners, als het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria(D.1 t/m D.12, zie hoofdstuk 8) om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder (inhoudelijk) worden beoordeeld. De drempelcriteria hebben betrekking op de alliantie en het soort organisaties en op het project.
4.4. Inhoudelijke criteria
Indien voldaan is aan de drempelcriteria zal beoordeeld worden of in voldoende mate wordt voldaan aan de inhoudelijke criteria(I.1 t/m I.8, hoofdstuk 9), aan de hand waarvan de kwaliteit van een aanvraag wordt beoordeeld.
Om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen dient de kwaliteit van een aanvraag goedte zijn. Dit wordt uitgedrukt in een score. De minimaal te behalen score bedraagt 70% van de maximaal te behalen totaalscore, waarbij bovendien voor enkele individuele criteria (zie hoofdstuk 9) ook een minimum aantal punten moet worden behaald (het aantal wordt aangegeven in de aanvraagdocumenten). Beoogd wordt op deze manier de aanvragen te selecteren die niet slechts van voldoende kwaliteit zijn, maar die zich ook daadwerkelijk in positieve zin onderscheiden bij de inzet van cultuur voor de bij 2.2 genoemde (sub)doelstellingen.
4.5. Organisatorische capaciteit
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient de penvoerder in staat te zijn tot een adequaat financieel beheer en dient hij door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot het project waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten te kunnen waarborgen.6Artikel 4, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4.6. Vereisten na subsidieverlening
In geval een aanvraag wordt gehonoreerd en er subsidie wordt verleend, dient de penvoerder te rapporteren over de voortgang van het project. De eisen die gesteld worden aan deze rapportages worden neergelegd in de verleningsbeschikking, evenals overige aan de subsidieverlening te verbinden verplichtingen.
5. De Programmalogica
Zoals eerder vermeld is voor de tweede doelstelling van het icb 2017–2020 een zogenoemde Programmalogica7De term Programmalogica volgt de opzet en uitgangspunten van een zgn. Theory of Change. opgesteld. Deze sluit aan bij het huidige icb 2017–2020 8Kamerstukken II 2015/2016, 31 482, nr. 97; nr. 101; nr. 103.. Voor een verdere toelichting op het Nederlandse internationale cultuurbeleid wordt in algemene zin verwezen naar eerder genoemde Kamerbrieven (zie 1. Inleiding).
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dienen de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zoals ook aangegeven in hoofdstuk 2, zich te richten op één of meerdere van de in 2.2 geformuleerde subdoelstellingen.
Projecten dienen derhalve in ieder geval te leiden tot het leveren van een bijdrage aan of bereiken van één of meerdere van de volgende subdoelstellingen (outcomes):
Activiteiten die hier onder kunnen vallen (outputs), richten zich bijvoorbeeld op ontwikkeling, productie en presentatie van cultuuruitingen; op samenwerking rondom sociale/maatschappelijke innovaties; op het bieden van oplossingsrichtingen voor stedelijke uitdagingen; en op kennisuitwisseling bij en ontwikkeling van herbestemmingsprojecten voor cultureel erfgoed.
Bovenstaande elementen bieden ruimte voor allianties om verschillende invalshoeken voor het inhoudelijke en praktische ontwerp van projecten te kiezen. Dit laat onverlet dat binnen een voorstel inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre de gekozen benadering aansluit bij de Programmalogica en op welke wijze de voorgestelde activiteiten zich verhouden tot de beoogde (sub)doelstellingen en de gewenste uitkomsten (criterium D.9 en I.2).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.