Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2018, nr. 2018-0000004839, tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor de bescherming van werknemers die beroepsmatig blootgesteld kunnen worden aan ioniserende straling (Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 7.1, negende lid, 7.2, tweede en zevende lid, 7.5, vijfde lid, 7.6, tweede lid, 7.7, vierde lid, 7.9, tweede lid, 7.11, vijfde lid, 7.12, zesde lid, 7.15, derde lid, 7.17, derde en vijfde lid, 7.21, achtste lid, 7.22, derde lid, 7.27, tweede lid, 7.31, tweede lid, 7.33, tweede lid, en 7.38, vijfde en zevende lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Risico-inventarisatie en -evaluatie

Artikel 2.1. Nadere eisen risico-inventarisatie en -evaluatie met het oog op de risico’s van blootstelling van werknemers aan ioniserende straling
1.

De identificatie van het risico op blootstelling aan ioniserende straling, de bepaling van die blootstelling en de evaluatie van dat risico worden gedaan overeenkomstig Bijlage A bij deze regeling en vastgelegd in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.

2.

De risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de maatregelen gericht op het voorkomen van blootstelling aan ioniserende straling, de registratie van blootstellingsituaties en de ter zake getroffen maatregelen en bevat daartoe ten minste de elementen, bedoeld in Bijlage A bij deze regeling.

3.

De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt beoordeeld, en indien nodig aangepast, zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of -omstandigheden of stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven en tenminste eenmaal per vijf jaar.

Artikel 2.2. Bepaling verwachte jaardosis vliegtuigbemanning

Voor het bepalen van de beroepsmatige blootstelling aan kosmische straling van een werknemer die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning, ten behoeve van de identificatie van blootgestelde werknemers voorafgaand aan de arbeid en de indeling van die werknemers in categorie A of B, maakt de ondernemer gebruik van een methode als bedoeld in bijlage B bij deze regeling.

§ 3. Het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming

Artikel 3.1. Registratie stralingsarts

De registratie, herregistratie en buitengewone registratie, bedoeld in deze paragraaf, in het door de Autoriteit beheerde Register stralingsartsen geschieden door de Autoriteit indien is voldaan aan de eisen die in deze paragraaf en de Bijlagen C en D bij deze regeling aan de registratie, herregistratie en buitengewone registratie worden gesteld.

Artikel 3.2. Criteria registratie stralingsarts
1.

Degene die geregistreerd wordt als stralingsarts:

2.

Registratie in het Register stralingsartsen is eenmalig en heeft een duur van maximaal vijf jaar.

Artikel 3.3. Criteria herregistratie stralingsarts
1.

Degene die geherregistreerd wordt als stralingsarts:

2.

Herregistratie in het Register stralingsartsen heeft telkens een duur van maximaal vijf jaar.

Artikel 3.4. Criteria buitengewone registratie stralingsarts
1.

Degene die buitengewoon geregistreerd wordt als stralingsarts:

2.

Een buitengewone registratie in het Register stralingsartsen is eenmalig en heeft een duur van maximaal vijf jaar.

Artikel 3.5. Het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming en verantwoordelijkheden ter zake
1.

Voor zover het betreft de medische onderzoeken en periodieke keuringen, bedoeld in artikel 7.21, vierde lid, onder a, b en c, en vijfde lid, van het besluit, is de stralingsarts ter zake verantwoordelijk jegens de ondernemer.

2.

Voor zover het betreft de maatregelen, bedoeld in artikel 7.21, zesde lid, van het besluit, is de door de ondernemer ingeschakelde arbodienst ter zake verantwoordelijk jegens de ondernemer.

Artikel 3.6. Samenwerking arbodienst en stralingsarts bij het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming
1.

Indien de arbodienst het noodzakelijk oordeelt dat een medisch onderzoek wordt gevolgd door maatregelen als bedoeld in artikel 7.21, zesde lid, van het besluit, geeft hij geen uitvoering aan zijn oordeel alvorens de stralingsarts in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening daaromtrent te geven.

2.

Indien de arbodienst uitvoering wil geven aan zijn oordeel als bedoeld in het eerste lid, dat afwijkt van de mening van de stralingsarts, dan doet hij de reden van de afwijking zo spoedig mogelijk gemotiveerd en schriftelijk toekomen aan de stralingsarts.

3.

De door de ondernemer ingeschakelde arbodienst en de stralingsarts maken schriftelijke afspraken omtrent de wijze waarop de stralingsarts zijn mening als bedoeld in het eerste lid, kan geven, de wijze waarop de arbodienst op die mening reageert en hoe zij omgaan met een situatie van blijvend verschil van inzicht.

§ 4. Waarschuwingssignalering

Artikel 4.1. Waarschuwingsborden en gevarenpictogrammen algemeen
1.

In de situaties, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het besluit, wordt een waarschuwingsbord of gevarenpictogram aangebracht overeenkomstig het model, bedoeld in bijlage XVIII, onderdeel 2, bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dat waarschuwt voor de mogelijke aanwezigheid van radioactieve stoffen, toestellen of versnellers.

2.

Het bord of pictogram is minimaal 7,5 cm breed, tenzij dit in de situatie waarin het moet worden aangebracht, technisch niet mogelijk is.

3.

Op het aanbrengen van het bord of pictogram is artikel 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2. Tekst bij waarschuwingsbord of gevarenpictogram algemeen
1.

Onder of naast het bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, bevinden zich een of meer gele, rechthoekige borden of pictogrammen met een zwarte rand, met daarop in het zwart de goed leesbare tekst:

2.

De teksten, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, gaan, indien het mogelijk aanwezige dosisequivalenttempo in de zone meer dan 10 μSv/uur bedraagt, vergezeld van de goed leesbare tekst: Dosistempo > 10 μSv/uur.

3.

Het rechthoekige bord of pictogram, bedoeld in het eerste lid, is minimaal 7,5 cm breed, tenzij dit in de situatie waarin het moet worden aangebracht, technisch niet mogelijk is.

Artikel 4.3. Waarschuwingsborden, gevarenpictogrammen en teksten op ingekapselde bronnen, toestellen en bronhouders
1.

Op ingekapselde bronnen en toestellen worden steeds het bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, en het rechthoekig bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a of b, en derde lid, aangebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op ingekapselde bronnen die voor 1 maart 2002 in gebruik zijn genomen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de afmeting van de ingekapselde bron te klein is voor een met het blote oog herkenbaar bord of pictogram.

4.

Op bronhouders worden steeds het bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, en het rechthoekige bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.2, eerste en derde lid, geplaatst indien zich daarin een radioactieve bron bevindt.

5.

Op de borden of pictogrammen, aangebracht op bronhouders, is artikel 4.1, tweede lid, niet van toepassing indien de bronhouder zodanige afmetingen heeft dat daarop het aanbrengen van het bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, met een afmeting als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, tezamen met het rechthoekige bord of pictogram, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, met een afmeting als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, technisch niet mogelijk is.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing op de bronhouder die tegelijkertijd als broncontainer wordt gebruikt, mits die bronhouder is voorzien van een etiket dat voldoet aan de eisen van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

Artikel 4.4. Verbodsbord en gevarenpictogram gecontroleerde zone
1.

Indien er geen feitelijke toegangsbeperking tot een gecontroleerde zone als bedoeld in artikel 7.8 van het besluit, is, wordt onverminderd artikel 4.1, eerste lid, bij de ingang van die zone een verbodsbord of gevarenpictogram aangebracht overeenkomstig het model, bedoeld in bijlage XVIII, onderdeel 1, bij de Arbeidsomstandighedenregeling, voor gebruik in de situatie van een verbod van toegang voor onbevoegden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.