Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 9 januari 2018, nr. ANVS-2018/137, houdende nadere regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)
Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
- a. de categorie-indeling van de te beveiligen radioactieve stoffen overeenkomstig artikel 4.2 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- b. de manier waarop de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt gebruikt of opgeslagen;
- c. een plattegrond van de locatie waarop de plaats waar de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt gebruikt of opgeslagen is aangegeven, alsmede de getroffen beveiligingsmaatregelen;
- d. de getroffen en te treffen organisatorische, bouwkundige, elektronische, informatie en andere beveiligingsmaatregelen, waaruit onder andere blijkt hoe met deze maatregelen de in artikel 4.15 bedoelde vertragingstijd wordt behaald;
- e. diegenen die aangewezen zijn persoonlijk toezicht te houden als bedoeld in artikel 4.14, tweede lid;
- f. de taken en bevoegdheden van de personen, belast met de beveiliging van de categorie 1-, 2-, of 3-stof;
- g. de procedures die de personen, belast met de beveiliging van de categorie 1-, 2-, of 3-stof moeten volgen, waarbij in ieder geval wordt beschreven hoe zij moeten handelen in geval van diefstal of misbruik van de categorie 1-, 2-, of 3-stof of een poging daartoe;
- h. afspraken over de wijze van en mate waarin responsacties van een particuliere beveiligingsdienst worden uitgevoerd of een afschrift van een mededeling aan de politie of veiligheidsregio met betrekking tot de radioactieve stoffen die bij de vergunninghouder zijn opgeslagen, en
- i. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.
Een vergunninghouder handelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.
Het beveiligingsplan wordt opgesteld door een op dit vakgebied bekwaam persoon.
Artikel 4.19. (inzage beveiligingsplan)
Een vergunninghouder zorgt ervoor dat van het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 4.7 van het besluit, slechts kennis nemen de personen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie.
Een vergunninghouder zorgt ervoor dat deze personen, alvorens zij kennisnemen van het beveiligingsplan, een verklaring omtrent het gedrag of een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet veiligheidsonderzoeken overleggen die niet ouder is dan vijf jaar.
Artikel 4.20. (uitvoeren evaluatieprogramma)
Een vergunninghouder voert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma, bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onderdeel i, uit.
Als onderdeel van het evaluatieprogramma worden:
- a. de procedures, bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onderdelen g en h, in een oefening getest, en
- b. de organisatorische, bouwkundige, elektronische, informatie en andere beveiligingsmaatregelen, als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onderdeel d, op doelmatigheid beoordeeld en getest.
De bevindingen van het evaluatieprogramma worden op schrift gesteld.
Het uitvoeren van het evaluatieprogramma wordt gebruikt om het beveiligingsbewustzijn binnen de organisatie te verhogen.
Een vergunninghouder wijzigt het beveiligingsplan voor zover de bevindingen van het evaluatieprogramma daartoe aanleiding geven.
§ 4.3.5. Besmettingscontrole
Artikel 4.21. (voorschrift besmettingscontrole)
Bij een besmettingscontrole als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, wordt het volgende in acht genomen:
- a. het oppervlak dat wordt afgewreven bedraagt circa 5 cm2, en
- b. de detectielimiet van de meting bedraagt voor alle nucliden maximaal 2 becquerel.
§ 4.3.5. Besmettingscontrole
Artikel 4.22. (opslag van materiaal met van nature voorkomende radionucliden)
Radioactieve afvalstoffen afkomstig van handelingen met van nature voorkomende radionucliden worden in de gevallen bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het besluit, als eindbestemming opgeslagen in een daartoe door de Autoriteit aangewezen instelling.
Bij de opslag van radioactieve afvalstoffen afkomstig van handelingen met van nature voorkomende radionucliden als bedoeld in het eerste lid, waarvan de activiteitsconcentratie lager is dan 10 maal de desbetreffende krachtens afdeling 3.3 van het besluit vastgestelde vrijstellings- of vrijgavewaarde, worden de volgende voorschriften voor de administratie van de opslag in acht genomen:
- a. in de administratie van de handeling wordt de massabalans van de desbetreffende radioactieve stoffen of afvalstoffen bijgehouden;
- b. in de administratie of het dossier wordt gespecificeerd opgenomen wat de activiteiten en activiteitsconcentraties zijn van de betrokken radioactieve stoffen of afvalstoffen;
- c. in de administratie of het dossier wordt gespecificeerd aangegeven waar die radioactieve stoffen of afvalstoffen zich binnen de inrichting bevinden;
- d. van de onder a, b en c bedoelde administraties zijn kopieën aanwezig op de locatie of nabij de plaats waar de handelingen plaatsvinden of zijn anderszins direct beschikbaar om te worden ingezien door de ambtenaren, bedoeld in artikel 58 van de wet.
Artikel 4.23. (mengen van materiaal met van nature voorkomende radionucliden)
Het mengen van materiaal met van nature voorkomende radioactieve stoffen, niet zijnde radioactieve afvalstoffen, met andere materialen met van nature voorkomende radioactieve stoffen of met andere stoffen is toegestaan, indien de toepassing van het mengsel gerechtvaardigd is.
In gevallen waarin bij het voorhanden hebben of toepassen van materiaal met van nature voorkomende radioactieve stoffen of het product- of materiaalhergebruik daarvan in grond-, weg- of waterbouw de activiteitsconcentratie van de betrokken materialen met van nature voorkomende radioactieve stoffen hoger is dan de krachtens artikel 3.20 van het besluit vastgestelde waarde, wordt dit materiaal, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, zodanig gemengd met andere materialen dat de activiteitsconcentratie in het uiteindelijk toe te passen mengsel lager is dan de krachtens artikel 3.20 van het besluit vastgestelde waarde.
Indien de menging, bedoeld in het tweede lid, van materialen met van nature voorkomende radioactieve stoffen met andere materialen redelijkerwijs niet mogelijk is, is de handeling toegestaan indien de effectieve dosis in een jaar voor leden van de bevolking lager is dan 0,3 millisievert.
Artikel 4.24. (uitzonderingen grond-, weg- en waterbouw)
Voor handelingen met en het voorhanden hebben van materiaal met van nature voorkomende radioactieve stoffen in werken van grond-, weg- of waterbouw buiten een inrichting, die zijn verricht of daadwerkelijk een aanvang hebben genomen voor 26 september 2004, gelden de in artikel 3.11, eerste lid, van het besluit gestelde verplichting, en artikel 4.23, tweede lid, niet.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op stortplaatsen van radioactieve afvalstoffen die voor 26 september 2004 zijn ingericht.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op handelingen in de grond-, weg- of waterbouw binnen een inrichting, indien:
- a. de effectieve dosis voor werknemers binnen de locatie 1 millisievert in een kalenderjaar niet overschrijdt, en
- b. buiten de inrichting een actuele individuele dosis voor leden van de bevolking van 0,1 millisievert in een kalenderjaar niet wordt overschreden.
§ 4.3.7. Consumentenartikelen
§ 4.3.7. Consumentenartikelen
Artikel 4.25. (begripsomschrijvingen)
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. melder: ionisatierookmelder met een radioactieve stof;
- b. goedgekeurde melder: melder van een type dat is opgenomen in bijlage 5.
Artikel 4.26. (uitzondering goedgekeurde melders)
Met betrekking tot goedgekeurde melders gelden in de volgende, in artikel 3.18, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, bedoelde situaties, de daarbij genoemde voorwaarden:
- a. het voorhanden hebben voor opslag, mits het totaal aantal goedgekeurde melders, al dan niet in combinatie met andere merken en typen dan in bijlage 5 zijn aangewezen, dat op dezelfde plaats in opslag wordt gehouden, niet meer dan 500 stuks bedraagt;
- b. het voorhanden hebben en toepassen van een goedgekeurde melder;
- c. het voorhanden hebben en toepassen in verband met het aanbrengen, verwijderen en demonstreren van een goedgekeurde melder;
- d. het zich door afgifte aan een ander ontdoen van een goedgekeurde melder in gevallen waarin deze overeenkomstig deze verordening zonder vergunning voorhanden wordt gehouden.
Artikel 4.27. (voorschriften voor goedgekeurde melders)
Een ieder die een goedgekeurde melder binnen Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, zorgt ervoor dat:
- a. een goedgekeurde melder aan de buitenzijde is voorzien van een aanduiding van het type, vermeld in bijlage 5;
- b. in de melder een aanduiding is aangebracht, waaruit de aanwezigheid van een radioactieve stof duidelijk blijkt, en
- c. de melder aan de buitenzijde is voorzien van de in bijlage 6 opgenomen aanduiding, zichtbaar ook na montage, waaruit de aanwezigheid van een radioactieve stof duidelijk blijkt.
Een ieder die binnen Nederland een goedgekeurde melder aan gebruikers aflevert of doet afleveren, zorgt ervoor dat bij elke leverantie aan een gebruiker:
- a. de melder aan de buitenzijde is voorzien van de in bijlage 6 opgenomen aanduiding, zichtbaar ook na montage, waaruit de aanwezigheid van een radioactieve stof duidelijk blijkt;
- b. schriftelijke informatie is bijgevoegd, waarin melding wordt gedaan van de aanwezigheid van een radioactieve stof in de melder en waarin de handelingen met de melder worden aangegeven die tot besmetting kunnen leiden en derhalve worden ontraden.
Artikel 4.28. (schakelbepaling)
Met betrekking tot de verwijdering van goedgekeurde melders zijn de artikelen 3 tot en met 12 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van overeenkomstige toepassing.
§ 4.3.7.2. Aanwijsinstrumenten
Artikel 4.29. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen zijn toegevoegd.
Artikel 4.30. (controle constructie-eisen)
Bij het controleren of aanwijsinstrumenten na de toevoeging van radioactieve stoffen voldoen aan de bij of krachtens artikel 4.24 van het besluit gestelde voorschriften met betrekking tot de constructie worden ten minste de in bijlage 7 beschreven tests uitgevoerd.
De resultaten van de test, bedoeld onder II van bijlage 8 en de controle, bedoeld onder III van bijlage 8, worden door de ondernemer vastgelegd in de administratie van de test- en controlehandelingen.
Met betrekking tot de test- en controlehandelingen worden, naast de resultaten, in de administratie de volgende gegevens opgenomen:
- a. het merk, het type en de productiedatum van het aanwijsinstrument of indien dat niet mogelijk is een omschrijving van het aanwijsinstrument;
- b. de datum en plaats waarop de test of controle heeft plaatsgevonden;
- c. de wijze waarop de test en de controle is uitgevoerd, en
- d. de resultaten van de test en de controle.
Artikel 4.31. (aanwijsinstrumenten voor verlichtingsdoeleinden)
De ondernemer controleert na het voor verlichtingsdoeleinden toevoegen van radioactieve stoffen aan aanwijsinstrumenten of deze aanwijsinstrumenten voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen voorschriften.
De ondernemer tekent de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde controles en de resultaten daarvan aan in de daarvoor bestemde administratie.
De Autoriteit kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verplichtingen ontheffing verlenen, indien de ondernemer ten genoegen van de Autoriteit aantoont dat de in het eerste en tweede lid bedoelde controles en administratie door een ander worden uitgevoerd.
Een ondernemer die beschikt over een ontheffing als bedoeld in het derde lid:
- a. neemt de naam en het adres van de andere ondernemer, bedoeld in het derde lid, op in zijn administratie, en
- b. beschikt over een schriftelijke overeenkomst met deze andere ondernemer over het uitvoeren van de controles en het voeren van de administratie, bedoeld in het eerste en tweede lid.
De in het tweede lid bedoelde administratie wordt ten minste vijf jaar, gerekend van de datum van een aantekening, bewaard.
Artikel 4.32. (kenmerken op aanwijsinstrumenten)
De ondernemer zorgt ervoor dat op een aanwijsinstrument waaraan H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf voor verlichtingsdoeleinden is toegevoegd, op een vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats is aangebracht:
- a. het waarschuwingsteken dat is opgenomen in bijlage 8;
- b. het merkteken ‘ T 1 GBq’ of ‘Pm 10 MBq’ voor respectievelijk H-3 in lichtcellen en Pm-147 in lichtgevende verf.
Artikel 4.33. (herstel- of onderhoudswerkzaamheden aanwijsinstrumenten)
De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan een aanwijsinstrument waaraan radioactieve stoffen voor verlichtingsdoeleinden zijn toegevoegd:
- a. ten gevolge van die herstel- en onderhoudswerkzaamheden geen afwijkingen van de voorschriften van § 4.3.7.2 zijn ontstaan;
- b. het in artikel 4.32, aanhef en onderdeel a, bedoelde waarschuwingsteken voor ioniserende straling is aangebracht op een vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats, en
- c. het in artikel 4.32, aanhef en onderdeel b, bedoelde merkteken is aangebracht.
§ 4.4. Deskundigheid uitvoering handelingen
Artikel 4.34. (reikwijdte)
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deskundigheid, vereist in verband met handelingen met registratieplichtige bronnen als bedoeld in artikel 3.9 van het besluit.
Artikel 4.35. (kwalificatie voor handelingen met radioactieve stoffen)
De ondernemer zorgt ervoor dat:
-
- degenen die specifieke handelingen of taken uitvoeren met ingekapselde bronnen beschikken over een diploma op het volgende niveau van deskundigheid:
- a. voor handelingen waarbij de bron in een vrij stralende positie komt: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige, coördinerend deskundige, of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de desbetreffende toepassing als vereist krachtens artikel 5.22 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- b. voor het verwijderen uit, dan wel het plaatsen van de bronhouder met daarin de ingekapselde bron in het apparaat of de installatie: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige, coördinerend deskundige, of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de desbetreffende toepassing als vereist krachtens artikel 5.22 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- c. voor het aanbrengen of verwijderen van de ingekapselde bron uit de bronhouder of vaste meetopstelling anders dan door een leverancier: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige, coördinerend deskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de desbetreffende toepassing als vereist krachtens artikel 5.22 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- d. voor het verrichten van een lektest, besmettingscontrole, of de periodieke controle zoals beschreven in artikel 4.11: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige, coördinerend deskundige, toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C), of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers (niveau C);
- e. verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de lektest, besmettingscontrole, of de periodieke controle zoals beschreven in art. 4.11: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige of coördinerend deskundige.
-
- Degenen die specifieke handelingen of taken uitvoeren met van nature voorkomend radioactief materiaal beschikken over een diploma op het volgende niveau van deskundigheid:
- a. voor het verrichten van een besmettingscontrole of vrijgave van een werklocatie: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige, coördinerend deskundige, of van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomende radioactieve stoffen;
- b. verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de besmettingscontrole of vrijgave van een werklocatie: stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige of coördinerend deskundige.
§ 4.4. Deskundigheid uitvoering handelingen
Artikel 4.36. (bepaling dosis)
De bepaling van de effectieve dosis geschiedt op de wijze, vermeld in bijlage 9.
Artikel 4.37. (rekenregels analyse gevolgen ioniserende straling voor het milieu)
Bij de bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en effectieve dosis, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van de rekenregels, opgenomen in de onderdelen 2, 3 en 4 van bijlage 10 en, in gevallen als aangegeven in onderdeel 5.1 van bijlage 10, onderdelen 5 en 6.
Artikel 4.38. (uitzondering analyse gevolgen ioniserende straling voor het milieu)
In afwijking van artikel 4.37 kunnen, indien de Autoriteit daarmee instemt, andere dan de in bijlage 10 voorgeschreven methoden, standaardwaarden en standaardrelaties worden toegepast, indien een situatie in belangrijke mate afwijkt van de aannames waarvan in bijlage 10 is uitgegaan.
Artikel 4.39. (methode bij toetsing omgevingsdosisequivalenten)
De omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en effectieve dosis, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit, worden getoetst aan de dosis, genoemd in de artikelen 9.2 en 9.4 van het besluit, overeenkomstig de methoden die zijn aangegeven in onderdelen 3.3, 4.3, 4.4, 5, 6 en 7 van bijlage 10.
Artikel 4.40. (alternatieve methode bepaling nadelige gevolgen ten gevolge van blootstelling aan straling bij handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)
Indien de activiteitsconcentratie geen juiste indicatie geeft van de nadelige gevolgen ten gevolge van blootstelling aan straling door de handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal worden deze nadelige gevolgen bepaald en getoetst door:
- a. de bepaling van, onderscheidenlijk de toetsing van de oppervlaktebesmetting van enig bereikbaar oppervlak, of
- b. de bepaling van, onderscheidenlijk de toetsing van de externe straling ten gevolge van de besmetting van enig niet-bereikbaar oppervlak.
De oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal wordt bepaald met de methode, bedoeld in artikel 4.41.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing in gevallen waarin de in het tweede lid bedoelde meetmethode niet kan worden toegepast.
Artikel 4.41. (meetmethode en bepaling oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal)
Bij handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal worden de volgende voorschriften voor de meetmethode ter bepaling van de oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal toegepast:
- a. de meetmethode moet voldoen aan de daarvoor geldende beste beschikbare technieken;
- b. het criterium van 4 becquerel/cm2, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, is van toepassing op het gemiddelde over een oppervlak van 300 cm2; indien het bereikbare oppervlak kleiner is dan 300 cm2, moet de uitkomst worden verrekend naar het gemiddelde over 300 cm2;
- c. in afwijking van onderdeel b, is in het geval van een meer dan half-buisvormig object met een diameter van minder dan 15 cm voor de binnenzijde daarvan het criterium van toepassing op het gemiddelde over een oppervlak van 1.000 cm2; indien het bereikbare oppervlak van de binnenzijde van een meer dan halfbuisvormig object met een diameter van minder dan 15 cm kleiner is dan 1.000 cm2, moet de uitkomst worden verrekend naar het gemiddelde over 1.000 cm2;
- d. de oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal wordt bepaald met een meetinstrument dat geschikt is voor de meting van bètastraling met een E(βmax) van 150 kilo-elektronvolt of hoger;
- e. tevoren moet worden vastgesteld dat de meetresultaten niet beïnvloed worden door een magnetisch veld, veroorzaakt door het te meten object of andere objecten in de omgeving daarvan;
- f. de gevoeligheid van het meetinstrument moet, rekening houdend met het achtergrondtempo, zodanig zijn, dat:
- 1°. bij één enkele meting, de detectiegrens voor bèta-activiteit niet hoger is dan 0,5 becquerel/cm2, of
- 2°. bij meer dan een meting, in ieder geval wordt voldaan aan ten minste één van de twee volgende eisen: de spreiding in de meetwaarden is niet groter dan 10% van de gemiddelde meetwaarde of de spreiding is niet groter dan 1/cm2.
Hoofdstuk 5. Deskundigheid
Artikel 5.1. (algemeen voorschrift toezicht op de uitvoering)
De ondernemer zorgt ervoor dat:
-
- de mate waarin de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming toezicht houdt op de handeling in verhouding staat tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s;
-
- de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming ter plaatse aanwezig is bij het verrichten van een handeling indien de aard en zwaarte van de betrokken risico’s hier aanleiding toe geeft, en
-
- de toezichthoudend medewerker met een interval van ten hoogste twaalf maanden en bij belangrijke wijzigingen de situatie ter plekke beoordeelt.
Artikel 5.2. (aanvraag registratie, herregistratie of buitengewone registratie stralingsbeschermingsdeskundige)
De aanvraag voor een registratie, herregistratie of buitengewone registratie van een stralingsbeschermingsdeskundige bevat in ieder geval:
- a. de naam en het adres van de aanvrager;
- b. de functie waarvoor de aanvrager wenst te worden geregistreerd, en
- c. een kopie van het diploma, afgegeven door een erkende instelling, waaruit blijkt dat stralingsdeskundigheid op het niveau van een algemeen coördinerend deskundige of coördinerend deskundige, of daaraan gelijkwaardig, is verkregen.
De aanvraag om herregistratie bevat daarnaast:
- a. een bewijs waaruit blijkt dat overeenkomstig artikel 5.8, eerste lid, onderdeel b, of 5.9, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, de benodigde werkervaring is opgedaan;
- b. een bewijs waaruit blijkt dat overeenkomstig artikel 5.8, eerste lid, onderdeel c, of 5.9, eerste lid, onderdeel c, van de regeling, de benodigde bij- of nascholing is gevolgd.
De aanvraag voor buitengewone registratie bevat daarnaast bewijs waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.1, onderdeel b of c, van de regeling.
Artikel 5.3. (aanvraag registratie stralingsarts)
Een aanvraag voor registratie als stralingsarts bevat in elk geval:
- a. de naam en het adres van de aanvrager;
- b. een kopie van de inschrijving in het register van erkende sociaal geneeskundigen, en
- c. een kopie van het diploma afgegeven door een erkende instelling als bedoeld in artikel 5.11 van het besluit, waaruit blijkt dat stralingsdeskundigheid op het niveau van een algemeen coördinerend deskundige of coördinerend deskundige, of daaraan gelijkwaardig, is verkregen.
De aanvraag om herregistratie als stralingsarts bevat naast de in het eerste lid bedoelde gegevens:
- a. een bewijs waaruit blijkt dat de benodigde werkervaring is opgedaan, en
- b. bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, conform Bijlage C van de Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018, 120 punten heeft verdiend met kennisonderhoud.
De aanvraag voor buitengewone registratie bevat daarnaast bewijs waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de kerncompetenties, bedoeld in bijlage D van de Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018.
Artikel 5.4. (aanvraag van een erkenning als opleidingsinstelling op het gebied van stralingsbescherming)
De aanvraag tot erkenning van een instelling als bedoeld in artikel 5.11 van het besluit gaat vergezeld van de volgende gegevens:
- a. de naam en het adres van de instelling;
- b. de naam van de opleiding;
- c. de naam en deskundigheid van de opleidingsverantwoordelijke;
- d. een beschrijving van de opzet, de onderwerpen, de doelgroep, de doelstelling en de duur van de opleiding;
- e. de samenstelling en het reglement van de examencommissie van de opleiding;
- f. een beschrijving van de wijze waarop de onafhankelijkheid van de examinering van de opleiding wordt geborgd, en
- g. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de adequate procedures, bedoeld in de artikelen 5.25 en 5.26 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Hoofdstuk 6. Bouwmaterialen en milieumonitoring
Artikel 6.1. (bouwmaterialen)
In dit artikel wordt verstaan onder oppervlaktedichtheid: de toegepaste massa per eenheid van oppervlak, uitgedrukt in kg/m2.
Dit artikel is van toepassing indien een ondernemer bij de samenstelling van zijn bouwmateriaal een of meer van de materialen gebruikt die worden genoemd in bijlage 6.1 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, en waarvan de uitgezonden gammastraling naar verwachting bijdraagt aan de externe blootstelling binnenshuis.
Teneinde overeenkomstig artikel 6.21, tweede lid, van het besluit vast te stellen of de blootstelling binnenshuis aan de gammastraling die door bouwmaterialen wordt uitgezonden onder het referentieniveau, bedoeld in artikel 9.10, achtste lid, van het besluit, blijft, onderzoekt de ondernemer zijn bouwmaterialen met een van de volgende methoden:
- a. de ondernemer bepaalt voor zijn bouwmaterialen de index voor activiteitsconcentratie bedoeld in bijlage 11, onderdeel a, en stelt vast of de bepaalde index kleiner is dan of gelijk is aan 1, dan wel:
- b. de ondernemer bepaalt de toename van de effectieve dosis ten gevolge van de gebruikte bouwmaterialen met de methode als bedoeld in bijlage 11, onderdeel b, en stelt vast of de berekende effectieve dosis onder het referentieniveau blijft, dan wel:
- c. de ondernemer bepaalt volgens de methode, bedoeld in bijlage 11, onderdeel c, de gewogen som van de activiteitsconcentraties van de radionucliden die aanwezig zijn in de aan de bouwmaterialen toegevoegde materialen die zijn genoemd in bijlage 6.1 van de regeling, en stelt vast of de uitkomst van de gewogen som kleiner is dan of gelijk is aan 1. De ondernemer bepaalt vervolgens aan de hand van de grafiek die is opgenomen in bijlage 11, onderdeel d, bij een gegeven oppervlaktedichtheid van het bouwmateriaal welk gewichtspercentage van die materialen hij ten hoogste mag toevoegen aan het bouwmateriaal, dan wel:
- d. de ondernemer bepaalt, indien hij bouwmaterialen toepast met een oppervlaktedichtheid die kleiner dan of gelijk is aan 30 kg/m2, en de methode, genoemd in onderdeel c, niet toepasbaar is, de gewogen som van de activiteitsconcentraties van de radionucliden die aanwezig zijn in de aan de bouwmaterialen toegevoegde materialen die zijn genoemd in bijlage 6.1 van de regeling volgens de methode bedoeld in bijlage 11, onderdeel c, en stelt vast of de uitkomst van de gewogen som kleiner is dan of gelijk is aan 0,5.
Artikel 6.2. (opzet en uitvoering van het milieumonitoringprogramma)
In dit artikel wordt verstaan onder:
- medium: de te bemonsteren of te analyseren atmosferische deeltjes, lucht, drinkwater, oppervlaktewater, melk, standaard voedselpakket;
- meetnet: de voor de controle van elk afzonderlijk medium gebruikte combinatie van de gegevens van de locaties voor bemonstering en van directe meting;
- fijnmazig meetnet: een meetnet bestaande uit bemonsteringslocaties die over het gehele grondgebied van Nederland gespreid zijn;
- grofmazig meetnet: een meetnet dat voor elk te bemonsteren medium ten minste één, voor Nederland representatieve, bemonsteringslocatie bevat.
Het milieumonitoringprogramma, bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, van het besluit, bevat een beschrijving van:
- a. de gebruikte fijnmazige en grofmazig meetnetten;
- b. de te bemonsteren media, soorten metingen en periodiciteit van de metingen;
- c. de toegepaste bemonsteringsstrategieën en uit te voeren metingen voor elk van de te bemonsteren media;
- d. de door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat krachtens artikel 6.24, tweede lid, van het besluit aangewezen dienst of instantie die is belast met de coördinatie van het milieumonitoringprogramma;
- e. de door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat krachtens artikel 6.24, tweede lid, van het besluit aangewezen diensten of instanties die zijn belast met het mede uitvoeren van het milieumonitoringprogramma, inclusief een beschrijving van de onderdelen van het milieumonitoringprogramma dat zij uitvoeren;
- f. de gegevensverwerking en de verstrekking van gegevens, en
- g. andere voor de uitvoering van het milieumonitoringprogramma relevante gegevens.
De in het tweede lid bedoelde instanties leveren de meetgegevens zoals verkregen tijdens de uitvoering van het milieumonitoringprogramma, voor de onderdelen waarvoor zij zijn aangewezen, zo spoedig mogelijk na interne validatie van die gegevens, aan bij de door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen dienst of instantie die is belast met de coördinatie van het milieumonitoringprogramma. De te rapporteren gegevens bevatten ten minste de in bijlage 12 bedoelde bemonsteringsgegevens en meetgegevens.
De krachtens artikel 6.24, tweede lid, van het besluit door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen dienst of instantie die is belast met de coördinatie van het milieumonitoringprogramma zorgt ervoor dat:
- a. de in het derde lid genoemde gegevens worden verzameld en voor 30 juni van elk kalenderjaar worden gerapporteerd aan de Europese Commissie, en
- b. de in het derde lid genoemde gegevens worden verzameld en geaggregeerd in een integrale rapportage die de situatie met betrekking tot radioactiviteit in het leefmilieu beschrijft en vergelijkt met voorgaande jaren, en die aan het algemene publiek ter beschikking gesteld wordt.
Artikel 6.3. (controle en rapportage lozingen)
In dit artikel wordt verstaan onder:
- representatieve nucliden: voor elke groep radionucliden gekozen geschikte indicatoren voor de meetgevoeligheid;
- detectiegrens: kleinste werkelijke waarde van de te meten grootheid die met de gebruikte meetmethode detecteerbaar is, met een gegeven foutkans;
- beslissingsdrempel: de vastgelegde waarde van een bepaalde beslissingsgrootheid (randomvariabele ter bepaling of een te meten fysisch effect al dan niet aanwezig is) op basis waarvan, bij het overschrijden ervan door het resultaat van de feitelijke meting van een te meten grootheid die een fysisch effect kwantificeert, wordt beslist dat het fysisch effect aanwezig is.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet zorgt ervoor dat:
- a. een meetprogramma ten behoeve van de controle van vergunde lozingen wordt opgesteld en wordt goedgekeurd door de stralingsbeschermingsdeskundige;
- b. het in onderdeel a bedoelde meetprogramma tenminste een beschrijving bevat van:
- 1°. de monsternamelocaties;
- 2°. de bemonsteringsfrequentie;
- 3°. de wijze van bemonstering;
- 4°. de te gebruiken analysemethoden;
- 5°. de uit te voeren kwaliteitscontrole;
- 6°. de aard, wijze en termijnen van rapportage van meetresultaten aan de Autoriteit;
- 7°. de termijn voor evaluatie en actualisatie van het meetprogramma, en
- 8°. overige relevante informatie in het belang van de uitvoering van en de rapportage van het meetprogramma;
- c. het meetprogramma en de wijzigingen daarvan worden zo spoedig mogelijk overgelegd aan de Autoriteit;
- d. inhoudelijke wijzigingen van het meetprogramma met betrekking tot specifieke monsternamelocaties en analysemethoden, wijzigingen in de rapportagetermijnen, alsmede wijzigingen in de systematiek en omvang van het meetprogramma zijn goedgekeurd door de stralingsbeschermingsdeskundige en worden overgelegd aan de Autoriteit;
- e. het meetprogramma iedere vijf jaar wordt geëvalueerd en geactualiseerd, rekening houdend met de actuele stand van de techniek, en dat de resultaten van deze evaluatie binnen zes maanden na beëindiging van de betreffende periode aan de Autoriteit worden overlegd;
- f. bij de uitvoering van monstername, analyse, kwaliteitscontrole en rapportage van de volgens het meetprogramma vereiste monsters wordt uitgegaan van nationaal of internationaal vastgelegde normen of richtlijnen; van elke daartoe in het meetprogramma aangewezen monstername, voor een in het meetprogramma vastgestelde periode, een controlemonster beschikbaar gesteld wordt om, op aanwijzing van de Autoriteit, ter verificatie over te dragen aan een door de Autoriteit aangewezen instelling; iedere twee jaar wordt deelgenomen aan een nationaal of internationaal vergelijkend onderzoek teneinde de kwaliteit van de monsternamemethode en analyses te borgen, en;
- g. de resultaten van het meetprogramma worden opgenomen in de rapportage over de stralingsbescherming aan de ondernemer en de Autoriteit, bedoeld in artikel 5.30, onderdeel f, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
In geval van lozingen als gevolg van handelingen als bedoeld in artikel 15, aanhef en onderdeel b, van de wet voor een inrichting waarin kernenergie wordt vrijgemaakt met als hoofddoel de productie van elektriciteit of waar bestraalde splijtstoffen kunnen worden opgewerkt:
- a. bepaalt de houder van de vergunning de geloosde activiteit van alle in kolom 1 van bijlage 13 genoemde radionucliden, en,
- b. rapporteert de houder van de vergunning voor 1 juni van ieder jaar over de resultaten van de onder a genoemde bepalingen van het voorafgaande kalenderjaar, gebruikmakend van het in bijlage 13, onderdeel A, respectievelijk onderdeel B, opgenomen formulier aan de Autoriteit.
Bij de bepaling van de geloosde activiteit, als bedoeld in het derde lid, geeft de ondernemer uitvoering aan het vijfde tot en met het achtste lid.
Wanneer de meetwaarden beneden de detectiegrenzen liggen, mogen, voor de in kolom 2 van bijlage 13 genoemde representatieve radionucliden, de feitelijke detectiegrenzen niet hoger liggen dan de in kolom 3 van bijlage 13 opgenomen waarden.
In situaties waarin voor specifieke radionucliden een gelijke nauwkeurigheid kan worden bereikt door de berekening van de lozing op basis van operationele gegevens of op basis van de meetresultaten voor andere radionucliden, mogen dergelijke berekende lozingswaarden worden gebruikt ter vervanging van feitelijke meetwaarden.
De bepaling van de detectiegrenzen en beslissingsdrempels en de weergave van de resultaten moeten in overeenstemming zijn met de internationale norm ISO/IS 11929-7. De beslissingsdrempel mag gelijk worden gesteld aan de helft van de detectiegrens, ook in gevallen waarin de beslissingsdrempel lager ligt dan de helft van de feitelijk voor een meting bereikte detectiegrens.
Wanneer de meetwaarden beneden de beslissingsdrempel liggen, moeten deze waarden voorzichtigheidshalve gelijk worden gesteld aan de helft van de beslissingsdrempel. Wanneer de resultaten van herhaalde metingen in de relevante periode echter allemaal beneden de beslissingsdrempel liggen, is het redelijk om aan te nemen dat de werkelijke waarde nul is, dat betekent dat de radionuclide niet aanwezig is in de geloosde afvalstoffen.
De krachtens artikel 6.24, tweede lid, van het besluit door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen dienst of instantie die is belast met de coördinatie van het milieumonitoringprogramma zorgt ervoor dat de in het derde lid, onderdeel b, genoemde gegevens worden samengevat, gebruikmakend van het in bijlage 14 opgenomen formulier, en voor 30 juni van elk kalenderjaar worden gerapporteerd aan de Europese Commissie.
Hoofdstuk 6. Bouwmaterialen en milieumonitoring
Artikel 7.1. (inwerkingtreding)
Deze verordening, met uitzondering van artikel 3.1, treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.
Artikel 7.2. (citeertitel)
Deze verordening wordt aangehaald als: ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Bijlagen. bij de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Bijlage 1. behorende bij artikel 3.14, nadere regels sommatie consumentenproducten
Voor de in het schema met ✦ aangegeven handelingen met de daarbij vermelde consumentenproducten, welke een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, geldt dat de aan deze consumentenproducten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in artikel 3.17, tweede en derde lid, van het besluit voor zover het aantal op enig moment van het jaar aanwezige artikelen het aangegeven aantal niet overschrijdt.
| Consumentenproduct | Nuclide | (Detail)handel | Gebruik | Afvalinzameling |
|---|---|---|---|---|
| Luminescente vluchtwegaanduiding | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente noodverlichting | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente bronnen in richtmiddelen op dienstwapens van de politie | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| TL-starters | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
| Gloeikousen | 232Th | ✦ (1000 stuks) | ||
| Antistatische Middelen | 210Po, 241Am | ✦ (10 stuks) | ||
| Lasstaven | 232Th | ✦ (1000 stuks) | ||
| Gasontladingsbuizen | 60Co | ✦ (50 stuks) | ||
| Cameralenzen | 232Th | ✦ (10 stuks) | ||
| Thoriumhoudende lampen met een toegevoegde activiteit kleiner dan 100 Bq per eenheid | 232Th | ✦ | ✦ | ✦ |
| Lampen met een toegevoegde 85Kr-activiteit kleiner dan 10.000 Bq per eenheid | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
Bijlagen. bij de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Bijlagen. bij de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Bijlagen. bij de ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Bijlage 1. behorende bij artikel 3.14, nadere regels sommatie consumentenproducten
Voor de in het schema met ✦ aangegeven handelingen met de daarbij vermelde consumentenproducten, welke een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, geldt dat de aan deze consumentenproducten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in artikel 3.17, tweede en derde lid, van het besluit voor zover het aantal op enig moment van het jaar aanwezige artikelen het aangegeven aantal niet overschrijdt.
| Consumentenproduct | Nuclide | (Detail)handel | Gebruik | Afvalinzameling |
|---|---|---|---|---|
| Luminescente vluchtwegaanduiding | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente noodverlichting | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente bronnen in richtmiddelen op dienstwapens van de politie | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| TL-starters | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
| Gloeikousen | 232Th | ✦ (1000 stuks) | ||
| Antistatische Middelen | 210Po, 241Am | ✦ (10 stuks) | ||
| Lasstaven | 232Th | ✦ (1000 stuks) | ||
| Gasontladingsbuizen | 60Co | ✦ (50 stuks) | ||
| Cameralenzen | 232Th | ✦ (10 stuks) | ||
| Thoriumhoudende lampen met een toegevoegde activiteit kleiner dan 100 Bq per eenheid | 232Th | ✦ | ✦ | ✦ |
| Lampen met een toegevoegde 85Kr-activiteit kleiner dan 10.000 Bq per eenheid | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
Bijlage 2. behorend bij artikel 3.15, tweede lid, handelingen met consumentenproducten die een beperkt risico hebben
Voor de in het schema met ‘✦’ aangegeven handelingen met de daarbij vermelde consumentenproducten, welke een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, gelden het verboden bedoeld in artikel 3.5 van het besluit, in samenhang met artikel 3.8, derde lid, onderdeel c, van het besluit niet, voor zover het aantal op enig moment van het jaar aanwezige consumentenproducten het aangegeven aantal niet overschrijdt.
| Consumentenproduct | Nuclide | (Detail)handel | Gebruik | Afvalinzameling |
|---|---|---|---|---|
| Luminescente vluchtwegaanduiding | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente noodverlichting | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| Luminescente bronnen in richtmiddelen op dienstwapens van de politie | 3H | ✦ (500 stuks) | ✦ | ✦ (500 stuks) |
| TL-starters | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
| Gloeikousen | 232Th | ✦ (1.000 stuks) | ||
| Antistatische middelen | 210Po, 241Am | ✦ (10 stuks) | ||
| Lasstaven | 232Th | ✦ (1.000 stuks) | ||
| Gasontladingsbuizen | 60Co | ✦ (50 stuks) | ||
| Cameralenzen | 232Th | ✦ (10 stuks) | ||
| Thoriumhoudende lampen met een toegevoegde activiteit kleiner dan 100 Bq per eenheid | 232Th | ✦ | ✦ | ✦ |
| Lampen met een toegevoegde 85Kr-activiteit kleiner dan 10.000 Bq per eenheid | 85Kr | ✦ | ✦ | ✦ |
Bijlage 3. behorend bij artikel 3.16 (vrijgave handelingen met een beperkt risico op blootstelling)
De verboden bedoeld in de artikelen 3.5 eerste lid, en artikel 3.9 eerste lid van het besluit gelden niet voor de vrijgave van zeer laag radioactieve stoffen in elk type materiaal voor zover de per kalenderjaar (gesommeerde) vrij te geven activiteit de hier onder vermelde grenswaarde niet overschrijdt.
| Nuclide | AGRENS (Bq) | Nuclide | AGRENS (Bq) |
|---|---|---|---|
| H-3 | 4E+03 | Y-88 | 2E+02 |
| C-11 | 4E+03 | Y-90 | 4E+02 |
| C-14 | 2E+02 | Zr-88 | 3E+02 |
| N-13 | 6E+03 | Zr-89 | 1E+03 |
| O-15 | 6E+03 | Tc-99 | 8E+01 |
| F-18 | 4E+03 | Tc-99m | 3E+04 |
| P-32 | 3E+02 | Pd-103 | 2E+03 |
| P-33 | 7E+02 | In-111 | 3E+03 |
| S-35 | 5E+02 | In-114m | 1E+02 |
| Cr-51 | 3E+04 | I-123 | 5E+03 |
| Mn-52 | 6E+02 | I-124 | 8E+01 |
| Mn-54 | 7E+02 | I-125 | 7E+01 |
| Fe-55 | 1E+03 | I-131 | 5E+01 |
| Fe-59 | 3E+02 | Cs-137 | 3E+01 |
| Co-56 | 1E+02 | Sm-153 | 1E+03 |
| Co-57 | 1E+03 | Eu-152 | 2E+01 |
| Co-58 | 5E+02 | Eu-154 | 2E+01 |
| Co-60 | 3E+01 | Ho-166 | 7E+02 |
| Cu-64 | 8E+03 | Er-169 | 1E+03 |
| Zn-65 | 3E+02 | Lu-177 | 8E+02 |
| Zn-69m | 3E+03 | Lu-177m | 6E+01 |
| Ga-67 | 4E+03 | Re-183 | 6E+03 |
| Ga-68 | 4E+03 | Re-184 | 5E+02 |
| Ge-68 | 7E+01 | Re-186 | 7E+02 |
| Se-75 | 4E+02 | Re-188 | 7E+02 |
| Kr-81 | 1E+04 | Pt-195m | 2E+03 |
| Rb-81 | 4E+03 | Tl-201 | 1E+04 |
| Rb-82m | 8E+03 | Bi-213 | 3E+01 |
| Rb-83 | 5E+02 | Ra-223 | 1E-01 |
| Sr-82 | 9E+01 | Ac-225 | 1E-01 |
| Sr-85 | 1E+03 | Ac-227 | 2E-03 |
| Sr-89 | 1E+02 | Th-227 | 1E-01 |
Controle van de constructie na de vervaardiging van aanwijsinstrumenten die voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen bevatten.
I
Controle van de constructie na de vervaardiging van aanwijsinstrumenten die voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen bevatten.
I
Controle van de constructie na de vervaardiging van aanwijsinstrumenten die voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen bevatten.
I
De tests kunnen worden uitgevoerd op onderdelen van de aanwijsinstrumenten. Ze worden echter zo mogelijk met het gehele aanwijsinstrument verricht.
Bijlage 8. behorend bij artikel 4.32, waarschuwingsteken op aanwijsinstrument
Het waarschuwingsteken dat wordt aangebracht op aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, is een waarschuwingsbord dat een zodanige afmeting heeft dat het met het blote oog herkenbaar is. Het betreft de volgende figuur:
De achtergrond is geel en de lijnen en de figuur zijn zwart.
Dit waarschuwingsteken dient voorts zodanig geplaatst te zijn dat het vanaf de buitenzijde van het aanwijsinstrument waarneembaar is zonder dat het instrument daarvoor eerst geopend of uit elkaar gehaald behoeft te worden.
Bijlage 9. behorende bij artikel 4.36, standaardwaarden en -relaties
III
Gedurende de vervaardiging van aanwijsinstrumenten, waarvan de prototypen zijn getest als beschreven onder II, wordt gecontroleerd of de aanwijsinstrumenten en onderdelen daarvan overeenkomen met die welke als prototype zijn getest. Deze controle omvat in ieder geval een volledig visueel onderzoek van elk aanwijsinstrument op barsten of schilferen van de radioactieve stoffen bevattende verf, onvolkomenheden in het doorzichtige deel van het omhulsel van het aanwijsinstrument en de aanwezigheid van waarschuwings- en merktekens, indien deze zijn vereist.
Gegevens voor de bepaling van de effectieve volgdosis
De bepaling van de effectieve volgdosis (E(τ)) na uitwendige bestraling of inname van een radioactieve stof vindt plaats met behulp van de standaardwaarden en standaardrelaties zoals opgenomen in ICRP-publicatie 119 en in bijlage 2 van de Mededelingen van de Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 96/29, van 23 februari 1998. De effectieve dosis ten gevolge van externe bestraling wordt bepaald met behulp van ICRP-publicatie 116 en ICRU-publicatie 57.
De bepaling van de effectieve volgdosis (E(τ)) na uitwendige bestraling of inname van een radioactieve stof vindt plaats met behulp van de standaardwaarden en standaardrelaties zoals opgenomen in ICRP-publicatie 119 en in bijlage 2 van de Mededelingen van de Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 96/29, van 23 februari 1998. De effectieve dosis ten gevolge van externe bestraling wordt bepaald met behulp van ICRP-publicatie 116 en ICRU-publicatie 57.
De bepaling van de effectieve volgdosis (E(τ)) na uitwendige bestraling of inname van een radioactieve stof vindt plaats met behulp van de standaardwaarden en standaardrelaties zoals opgenomen in ICRP-publicatie 119 en in bijlage 2 van de Mededelingen van de Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 96/29, van 23 februari 1998. De effectieve dosis ten gevolge van externe bestraling wordt bepaald met behulp van ICRP-publicatie 116 en ICRU-publicatie 57.
Tenzij anders aangegeven gelden de voorschriften ten aanzien van doses voor de som van de doses ten gevolge van de uitwendige blootstelling en van de volgdoses voor 50 jaar (voor kinderen tot de leeftijd van 70 jaar) ten gevolge van inname.
B. Tabellen
Over het algemeen wordt de effectieve dosis E die een individu van de leeftijdsgroep g ontvangt overeenkomstig onderstaande formule berekend:
1 De ingestiedosiscoëfficiënt is gegeven in de tabellen zoals genoemd onder punt B van deze bijlage.
2 De inhalatiedosiscoëfficiënt is gegeven in de tabellen zoals genoemd onder punt B van deze bijlage.
B. Tabellen
Annex A tot en met H van ICRP-publicatie 119 worden beheerd door de Autoriteit en ter beschikking gesteld via de website van de Autoriteit (www.autoriteitnvs.nl). In de annexen van ICRP-publicatie 119 zijn de volgende standaardwaarden en standaardrelaties opgenomen:
Daarnaast geldt de volgende tabel (tabel 1), welke is overgenomen van de Mededeling van de Commissie der EG, 23 februari 1998, PbEG 1998, C133.
† Deeltjes: Snel (Fast – F), Matig snel (Moderate – M) en Langzaam (Slow – S); Gassen en dampen (G).(*) Aanbevolen absorptietype voor deeltjesaerosolen wanneer er geen specifieke informatie beschikbaar is (zie ICRP publicatie nr 71).
Richtlijn 2013/59/EURATOM schrijft voor dat de berekening van doses dient te stoelen op wetenschappelijk vastgestelde waarden en verbanden. De aanbevelingen daartoe zijn gepubliceerd en bijgewerkt door de ICRP. Wat inwendige blootstelling betreft heeft ICRP in ICRP-publicatie 119 alle vroegere publicaties over dosiscoëfficiënten geconsolideerd (op basis van ICRP-publicatie 60), en zal worden gezorgd voor actualisering van die publicatie. Daarin zullen de dosiscoëfficiënten worden vervangen door waarden die gebaseerd zijn op de stralings- en weefselweegfactoren en fantomen in ICRP-publicatie 103. De geactualiseerde data zullen steeds beschikbaar worden gesteld door de Autoriteit, via de website van de Autoriteit.
Richtlijn 2013/59/EURATOM schrijft voor dat de berekening van doses dient te stoelen op wetenschappelijk vastgestelde waarden en verbanden. De aanbevelingen daartoe zijn gepubliceerd en bijgewerkt door de ICRP. Wat inwendige blootstelling betreft heeft ICRP in ICRP-publicatie 119 alle vroegere publicaties over dosiscoëfficiënten geconsolideerd (op basis van ICRP-publicatie 60), en zal worden gezorgd voor actualisering van die publicatie. Daarin zullen de dosiscoëfficiënten worden vervangen door waarden die gebaseerd zijn op de stralings- en weefselweegfactoren en fantomen in ICRP-publicatie 103. De geactualiseerde data zullen steeds beschikbaar worden gesteld door de Autoriteit, via de website van de Autoriteit.
In Annex A van ICRP-publicatie 119 wordt aangegeven wat de effectieve volgdosis per via ingestie en inhalatie ingenomen activiteit (Bq) radionuclide is, de ingestie- respectievelijk inhalatiedosiscoëfficiënt, voor blootgestelde werknemers en voor leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder. De dochternucliden van radon en thoron blijven daarbij buiten beschouwing. In Annex B van ICRP-publicatie 119 is de inhalatiedosiscoëfficiënt gegeven voor oplosbare of reactieve gassen en dampen en in Annex C van ICRP-publicatie 119 de effectieve dosis per eenheid van geïntegreerde luchtconcentratie (Sv.d-1/Bq.m-3) voor edelgassen, voor blootgestelde werknemers en voor leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder. De in Annex C van ICRP-publicatie 119 opgenomen waarden gelden tevens voor volwassen leden van de bevolking.
Wat beroepsblootstelling betreft zijn in Annex A van ICRP-publicatie 119 de waarden voor ingestie verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand alsmede de waarden voor inhalatie voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal.
In Annex D van ICRP-publicatie 119 staan de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en verbinding daarvan voor blootgestelde werknemers, leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder. In Annex E van ICRP-publicatie 119 staan de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en per verbinding daarvan voor blootgestelde werknemers, leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder.
Annex D en E van ICRP-publicatie 119 zijn alleen bedoeld voor werknemers en niet toepasbaar voor de bevolking. In veel gevallen zijn de waarden zoals vermeld in Annex D en Evoor werknemer en bevolking gelijk. Voor leden van de bevolking dient bij de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand aan de hand van de beschikbare internationale richtsnoeren rekening te worden gehouden met de chemische vorm van het element. In het algemeen dient bij ontbreken van informatie over deze parameters de meest conservatieve waarde te worden gehanteerd. De relevante publicaties daarvoor zijn vermeld in tabel 1 van deze bijlage.
In Annex F en G van ICRP-publicatie 119 wordt aangegeven wat de ingestie- respectievelijk inhalatiedosiscoëfficiënt is, voor leden van de bevolking in verschillende leeftijdsklassen. Omdat in Annex Avan ICRP-publicatie 119 alleen gegevens voor volwassen werknemers worden gegeven, kan de kolom ‘15y’ (referentieleeftijd) ook worden gebruikt voor het bepalen van de dosis voor leerlingen en studerenden van 16 en 17 jaar. Hierbij kan het nuttig zijn om in sommige situaties na te gaan of de voor de leden van de bevolking gehanteerde standaardparameters toepasselijk zijn voor de fysische en chemische vormen waarin de radionucliden op het werk voorkomen. De dochternucliden van radon (Rn-222) en thoron (Rn 220) blijven daarbij buiten beschouwing.
D. Omrekeningsfactoren voor radon- en thoron-dochters
Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in Annex Fvan ICRP-publicatie 119 voor ingestie de waarden verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand bij zuigelingen en ouderen. Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in Annex Gvan ICRP-publicatie 119 voor inhalatie de waarden verwerkt voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal. Indien informatie over deze waarden beschikbaar is, wordt de passende waarde gehanteerd; zo niet dan wordt de meest restrictieve waarde aangehouden. De ICRP-publicaties die informatie geven behorend bij diverse nucliden betreffende longabsorptietypen hiervoor zijn gegeven in tabel 1 van deze bijlage.
Tot slot bevat Annex Hvan ICRP-publicatie 119 de inhalatiecoëfficiënt voor oplosbare of reactieve gassen en dampen, voor leden van de bevolking.
Bijlage 10. behorende bij artikelen 4.37 tot en met 4.39
D. Omrekeningsfactoren voor radon- en thoron-dochters
1. Inleiding
Rekenregels Analyse Gevolgen Ioniserende Straling (AGIS)
Artikel 4.37 tot en met 4.39 van de verordening en deze bijlage betreffen handelingen met bronnen van ioniserende straling.
Voor handelingen, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, bewerken, toepassen of zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van toestellen en versnellers, is in veel gevallen een registratie of een vergunning volgens de Kernenergiewet nodig3Voor nadere informatie over de registratie- en vergunningplicht zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.. Dat geldt ook voor handelingen met van nature voorkomend materiaal4Voor nadere informatie over handelingen met van nature voorkomend materiaal zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming..
Artikel 4.37 tot en met 4.39 van de verordening en deze bijlage betreffen handelingen met bronnen van ioniserende straling.
Artikel 4.37 tot en met 4.39 van de verordening en deze bijlage betreffen handelingen met bronnen van ioniserende straling.
Artikel 4.37 tot en met 4.39 van de verordening en deze bijlage betreffen handelingen met bronnen van ioniserende straling.
Voor handelingen, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, bewerken, toepassen of zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van toestellen en versnellers, is in veel gevallen een registratie of een vergunning volgens de Kernenergiewet nodig3Voor nadere informatie over de registratie- en vergunningplicht zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.. Dat geldt ook voor handelingen met van nature voorkomend materiaal4Voor nadere informatie over handelingen met van nature voorkomend materiaal zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming..
1.2. Doel en opzet van deze bijlage
De volgende dosisniveaus worden gehanteerd:
Het SN is een niveau waaronder de invulling van het ALARA-beginsel7ALARA is acronym van ‘As Low As Reasonably Achievable’. ALARA is het beginsel van stralingsbescherming waarin is vastgelegd dat een blootstelling geoptimaliseerd is. Daarbij dient de grootte van de effectieve of equivalente dosis van personen, de kans op optreden van blootstelling en het aantal blootgestelde personen zo beperkt als redelijkerwijs mogelijk te worden gehouden. Bij 'zo laag als redelijkerwijs mogelijk' dient de redelijkheid gebaseerd te zijn op de actuele stand der techniek en economische en sociale factoren. De overheid verplicht de ondernemer te handelen overeenkomstig het optimalisatie-beginsel. vanuit de overheid minder prioriteit heeft en de verantwoordelijkheid voor het toepassen hiervan bij de ondernemer wordt gelegd. De ondernemer heeft de verplichting om het ALARA-beginsel in de praktijk door te voeren.
In deze bijlage wordt niet ingegaan op de toepassing van het ALARA beginsel en ook niet op de vraag of een handeling al dan niet gerechtvaardigd is.
Het doel van deze bijlage is regels te geven voor het uitvoeren van een dosisberekening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van stroomschema's. Tevens zijn beleidskeuzes aangegeven. Figuur 1.1 geeft in een stroomschema de werkwijze van deze bijlage in zijn geheel weer. De regels zijn alleen bedoeld voor geplande handelingen met bronnen van ioniserende straling en de daaruit voortvloeiende emissies en lozingen. Deze bijlage bestaat uit twee delen.
Het doel van deze bijlage is regels te geven voor het uitvoeren van een dosisberekening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van stroomschema's. Tevens zijn beleidskeuzes aangegeven. Figuur 1.1 geeft in een stroomschema de werkwijze van deze bijlage in zijn geheel weer. De regels zijn alleen bedoeld voor geplande handelingen met bronnen van ioniserende straling en de daaruit voortvloeiende emissies en lozingen. Deze bijlage bestaat uit twee delen.
1.3. Bronnen en blootstellingsroutes
Voor meer complexe situaties en voor die emissiesoorten waarvoor volgens de rekenregels uit Deel I het SN wordt overschreden, moet een zogenoemde nadere analyse worden uitgevoerd waarbij Deel II van deze bijlage van toepassing is. In Deel II wordt met behulp van stroomschema's en het aangeven van beleidskeuzes de methodiek van het uitvoeren van een nadere analyse beschreven, en worden de belangrijkste te beschouwen standaardwaarden en de bijbehorende standaardrelaties gegeven. In het algemeen zal bij de uitvoering van de nadere analyse meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij toepassing van de rekenregels uit Deel I.
De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02]en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02]dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.
Tevens wordt in Deel II aangegeven hoe de uitkomsten van de nadere analyse, getoetst moeten worden aan de dosislimiet en het SN.
Bronnen worden ingedeeld in:
Bronnen worden ingedeeld in:
Deel I. Rekenregels
2. Toepasbaarheid rekenregels
Deel I. Rekenregels
De combinatie van emissies, belastingpaden en blootstellingswegen is in het besluit gedefinieerd als blootstellingsroute, de wijze waarop ioniserende straling of radionucliden personen kunnen bereiken en blootstelling kunnen veroorzaken.
Indien niet aan voorwaarde 1 of 2 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
De rekenregels van Deel I zijn voor externe straling, lozingen in lucht en lozingen in water van toepassing indien, met betrekking tot de verschillende emissies uit de bron(nen), aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De rekenregels van Deel I zijn voor externe straling, lozingen in lucht en lozingen in water van toepassing indien, met betrekking tot de verschillende emissies uit de bron(nen), aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
2.2. Toepasbaarheidbeoordeling na berekening
Indien niet aan voorwaarde 1 of 2 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Indien niet aan voorwaarde 3 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Indien niet aan voorwaarde 4 of 5 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Voor iedere emissiesoort afzonderlijk worden, met behulp van de rekenregels en op grond van de toegepaste hoeveelheden radionucliden, de maximale (theoretisch mogelijk) emissies berekend (zie hiervoor onderdelen 3 en 4):
2.3. Onderscheid ingekapselde bronnen, toestellen en open bronnen
Voor iedere emissiesoort zijn toetsingsniveaus vastgesteld (H*SN, LSN en WSN) die worden geacht het SN te vertegenwoordigen (zie onderdelen 3.3.4, 4.3.4, 4.4.4).
2.3. Onderscheid ingekapselde bronnen, toestellen en open bronnen
2.3. Onderscheid ingekapselde bronnen, toestellen en open bronnen
In deze rekenregels worden op basis van de mogelijke emissiesoorten twee stroomschema's gehanteerd: één voor de categorie ‘ingekapselde bronnen en toestellen’ (onderdeel 3) en één voor de categorie ‘open bronnen’ (onderdeel 4).
In deze rekenregels worden op basis van de mogelijke emissiesoorten twee stroomschema's gehanteerd: één voor de categorie ‘ingekapselde bronnen en toestellen’ (onderdeel 3) en één voor de categorie ‘open bronnen’ (onderdeel 4).
Dit onderdeel geeft rekenregels voor de externe straling vanuit toestellen en ingekapselde bronnen, maar dezelfde berekeningsmethodiek geldt ook voor de externe straling afkomstig van open bronnen.
Dit onderdeel geeft rekenregels voor de externe straling vanuit toestellen en ingekapselde bronnen, maar dezelfde berekeningsmethodiek geldt ook voor de externe straling afkomstig van open bronnen.
Dit onderdeel geeft rekenregels voor de externe straling vanuit toestellen en ingekapselde bronnen, maar dezelfde berekeningsmethodiek geldt ook voor de externe straling afkomstig van open bronnen.
Een toestelis een ioniserende straling uitzendend toestel als gedefinieerd in artikel 1 van de Kernenergiewet. Bedoeld wordt een toestel dat ioniserende straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of erts bevat. Toestellen worden bijvoorbeeld veel aangetroffen in de medische sector (röntgentoestellen voor diagnostiek) en bij materiaalonderzoek. Een versneller is een toestel of installatie welke deeltjes versnelt en ioniserende straling met een energie van meer dan 1 mega-elektronvolt (MeV) uitzendt, als gedefinieerd in bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingbescherming.
Een ingekapseldebron wordt gevormd door radioactieve stoffen die zijn ingebed in of gehecht aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door een omhulling van materiaal met dien verstande dat hetzij het dragermateriaal hetzij de omhulling voldoende weerstand bieden om onder normale gebruiksomstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen, zoals gedefinieerd in bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Ingekapselde bronnen komen in grote verscheidenheid voor en worden voor veel doeleinden toegepast. In de industrie worden ze bijvoorbeeld gebruikt in apparaten voor meet- en regeldoeleinden en in de medische sector bij bestralingsapparatuur.
3.2. Toepassingsgebied rekenregels
3.2.1. Ingekapselde bronnen en open bronnen
De volgende stukken van dit onderdeel vormen de toelichting bij elk van de stappen van het stroomschema.
In het vervolg wordt onder 'stralingsbron' verstaan dat wat straling uitzendt, te weten:
Indien de afmetingen van de stralingsbron groot zijn ten opzichte van de afstand tot het punt waar de dosis wordt berekend, kan de kwadratenwet niet worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
Indien de afmetingen van de stralingsbron groot zijn ten opzichte van de afstand tot het punt waar de dosis wordt berekend, kan de kwadratenwet niet worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
Indien de afmetingen van de stralingsbron groot zijn ten opzichte van de afstand tot het punt waar de dosis wordt berekend, kan de kwadratenwet niet worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
De puntbronbenadering (kwadratenwet) is alleen toepasbaar indien de afstand tussen stralingsbron en het punt waarvoor de dosis berekend wordt of is (het dosispunt) groter is dan 5 maal de grootste afmeting van het stralende oppervlak aan de kant van het dosispunt.
3.2.2. Toestellen
Door de aanwezigheid van afscherming of diafragma's rondom de stralingsbron(nen) is er in de praktijk geen sprake van een isotrope ruimteverdeling van de straling, dat wil zeggen er is sprake van een bundel. Indien de openingshoek van de bundel klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
In het centrum van een stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, dat wil zeggen indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.
In het geval van een kleinere ruimtehoek, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Bij gebruik van (röntgen)toestellen wordt een bundel van fotonen (primaire bundel) geproduceerd. Indien de openingshoek waarbinnen de fotonen van de primaire bundel vrijkomen klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel, in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)