Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 februari 2018, nr. WJZ/17203973, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de instituten voor toegepast onderzoek (Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek)
Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies en artikel 3, derde lid, van de Wet van 31 mei 1937, houdende de omzetting van de Rijksstudiedienst voor de luchtvaart in een stichting (Stb. 1937, 523);
Besluit:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- bedrijfsgeheim: informatie die:
- a. in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,
- b. handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en
- c. door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden;
- daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van de O&O&I-kaderregeling;
- experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van de O&O&I-kaderregeling;
- financiële onderneming: financiële onderneming als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht;
- fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van de O&O&I-kaderregeling;
- industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van de O&O&I-kaderregeling;
- infrastructuursubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt als bijdrage voor onderzoeksinfrastructuur, in eigendom en beheer van het instituut, voor zover er sprake is van investeringen in:
- a. nieuwe onderzoeksinfrastructuur, of
- b. uitbreiding van bestaande onderzoeksinfrastructuur, voor zover er geen sprake is van vervangingsinvesteringen als bedoeld in de definitie van instituutssubsidie, onderdeel b;
- instituut: door de minister als zodanig aangewezen instituut voor toegepast onderzoek dat voldoet aan de vereisten die gelden voor een onderzoeksorganisatie als bedoeld in onderdeel 16, onder ff, van de O&O&I-kaderregeling, met als primaire activiteiten de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling;
- instituutssubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt ter ondersteuning van het doel, bedoeld in artikel 5, eerste lid:
- a. voor het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,
- b. als bijdrage voor vervangingsinvesteringen in en de exploitatie en het onderhoud van onderzoeksinfrastructuur in eigendom en beheer van het instituut,
- c. voor het breed verspreiden van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, of
- d. als bijdrage voor overige exploitatie- en investeringskosten, voor zover deze onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van het instituut, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling en voor zover er geen sprake is van investeringen als bedoeld in de definitie van infrastructuursubsidie;
- kostendrager: een product of een in economisch opzicht homogene groep van producten, die als voorwerp van calculatie wordt gekozen;
- kredietwaardigheidsoordeel: rating als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening 1060/2009;
- kredietbeoordelingsbureau: een in de Europese Unie geregistreerd ratingbureau overeenkomstig Verordening 1060/2009;
- landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- minister:
- a. Minister van Economische Zaken;
- b. Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- c. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; of
- d. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
- e. Minister van Klimaat en Groene Groei, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de programmabegroting van de Minister van Klimaat en Groene Groei.
- onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder gg, van de O&O&I-kaderregeling;
- onderzoeksprogramma: programma dat bestaat uit een samenstel van activiteiten gericht op het realiseren van een of meer onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen;
- O&O&I-kaderregeling: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
- programmasubsidie: geldmiddelen die de minister ter beschikking stelt voor de uitvoering van:
- a. onderzoeksprogramma’s, of
- b. programma’s voor wettelijke onderzoekstaken;
- rentecap: derivaat tussen twee partijen inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;
- renteswap: derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen vastgestelde periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen;
- valutaoptie: derivaat tussen twee partijen waarbij sprake is van een eenzijdige verplichting van de ene contractpartij en daartegenover een eenzijdig recht van de andere contractpartij waarbij de laatstgenoemde tegen een vastgestelde valutakoers een valutatransactie mag afsluiten;
- valutatermijncontract: derivaat tussen twee partijen, waarbij zij een wederzijdse verplichting aangaan om op enig tijdstip in de toekomst een vooraf bepaald bedrag in een valuta te ruilen tegen een vooraf bepaald bedrag in een andere valuta;
- Verordening 1060/2009: Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU 2009, L 302);
- Verordening 651/2014: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- wettelijke onderzoekstaak: niet economische dienst van algemeen belang in de vorm van onderzoek, advisering of inzet van onderzoeksfaciliteiten, onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van taken, met inbegrip van de uitoefening van openbaar gezag, door de minister of andere ministers die het aangaat of instellingen of organen van de Europese Unie, opgenomen in bijlage 1 en ingericht en gefinancierd overeenkomstig de aanwijzingen en vergoedingen die door de minister worden vastgesteld overeenkomstig deze regeling.
Artikel 2
Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 3
Het instituut legt eenmaal per vier jaren een strategisch plan ter goedkeuring voor aan de minister. De goedkeuring geschiedt, in afwijking van de begripsbepaling van minister in artikel 1, door de minister die op basis van deze regeling instituutssubsidie verstrekt aan het instituut.
De minister richt zich bij de beoordeling en goedkeuring van dit plan op de publieke taken van het instituut, de voorgenomen besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking en de economische activiteiten voor zover die van directe invloed zijn op de publieke taken.
Een strategisch plan wordt uiterlijk ingediend op 31 mei van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft.
In het strategisch plan beschrijft het instituut in elk geval:
- a. de mate waarin de doelstellingen van het strategisch plan uit de vorige periode zijn behaald;
- b. de publieke taken van het instituut en de wijze waarop deze worden uitgevoerd;
- c. de besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking;
- d. een raming van de omzet die het instituut met economische activiteiten verwacht te genereren, afgezet tegen de totale omzet die het instituut verwacht te genereren;
- e. de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen;
- f. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;
- g. een omschrijving van de gebieden, de aard en het kwaliteitsniveau van de door het instituut te leveren prestaties;
- h. de middelen die nodig zijn;
- i. de relatie van bestaande en op te zetten grote onderzoekfaciliteiten met het voorgenomen onderzoek, en
- j. mogelijkheden voor onderlinge samenwerking met andere instituten.
De minister beslist, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, uiterlijk op 31 juli van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft over de goedkeuring van het strategisch plan.
Artikel 4
In aanvulling op artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht bevat het activiteitenplan:
- a. een weergave van de omvang van de activiteiten, bedoeld in randnummer 19 van de O&O&I-kaderregeling, uitgedrukt in de hoeveelheid voltijdsequivalent die op deze activiteiten wordt ingezet,
- b. een weergave van de omvang van de economische activiteiten, uitgedrukt in:
- 1°. het aantal uren dat onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend binnen de reikwijdte van de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, in werking zal zijn,
- 2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die op een bepaald onderzoeksprogramma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, wordt ingezet, en
- 3°. het aantal uren dat een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend in werking zal zijn,
- c. een raming van de opbrengsten van de economische activiteiten, uitgedrukt in kosten die in rekening worden gebracht overeenkomstig artikel 8, eerste lid, verhoogd met een redelijke winstopslag, voor zover deze opslag van toepassing is, en
- d. een beschrijving van de methode, bedoeld in artikel 29, tweede en derde lid, die het instituut gebruikt bij economische activiteiten en hoe deze wordt toegepast, zodat het instituut bewerkstelligt dat het voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 29, eerste lid.
Artikel 5
De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken aan een instituut dat ten doel heeft toepassingsgericht onderzoek te doen om kennis te ontwikkelen, toe te passen en te verspreiden om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, bij te dragen aan de innovatiekracht van Nederland en strategische onderzoeksfaciliteiten te beheren.
De minister verstrekt subsidie in de vorm van instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie.
Artikel 6
In afwijking van artikel 4:60 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk acht weken voor de aanvang van het boekjaar ingediend.
De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 7
Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit waarvoor instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie wordt aangewend, die zien op:
- a. personeelskosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel;
- b. kosten van apparatuur en uitrusting;
- c. kosten van gebouwen en gronden;
- d. kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in artikel 27, vierde lid, worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten, en
- e. bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten.
Indien voor de uitvoering van een programma dat gefinancierd wordt met programmasubsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat programma.
De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.
Artikel 8
De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het instituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het instituut stelselmatig toepast.
De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.