← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 21 februari 2018, houdende regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken)

Geldende tekst a fecha 2018-03-31

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van richtlijn 2014/61/EU van het Europese Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) maatregelen vergt waardoor medegebruik van bestaande fysieke infrastructuur en coördineren van civiele werken wordt bevorderd teneinde de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid te stimuleren, alsmede dat daartoe uitbreiding nodig is van de bestaande wettelijke informatie-uitwisseling tussen beheerders van netten; dat het wenselijk is de regels voor informatie-uitwisseling over ondergrondse en bovengrondse elementen van netten en netwerken onder te brengen in dezelfde wet; dat gelet hierop de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten wordt vervangen door een wet die ziet op de informatie-uitwisseling omtrent ondergrondse en bovengrondse elementen van netten en netwerken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Onder net als bedoeld in het eerste lid, wordt niet begrepen de niet met andere kabels of leidingen samengebonden delen van kabels of leidingen die een verbinding vormen tussen een net dat naar zijn aard voor aansluiting van huishoudens wordt opengesteld, en één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.

Hoofdstuk 2. Preventie van graafschade

Artikel 2
1.

De opdrachtgever draagt er zorg voor dat de graafwerkzaamheden waartoe hij opdracht geeft, op zorgvuldige wijze kunnen worden verricht.

2.

De grondroerder verricht de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze.

3.

Ter uitvoering van het tweede lid zorgt de grondroerder ten minste dat:

Artikel 3
1.

De aanleg, de instandhouding en de opruiming van netten door een beheerder geschieden op zodanige wijze dat het beheer van andere netten niet in gevaar wordt gebracht of zonder noodzaak wordt bemoeilijkt.

2.

De beheerder die in strijd handelt met het eerste lid, neemt op eigen kosten maatregelen ten aanzien van het betreffende onderdeel van zijn net, waaronder zonodig het verplaatsen daarvan, om aan de strijdigheid onverwijld een einde te maken.

Hoofdstuk 3. Elektronisch informatiesysteem

Artikel 4
1.

Er is een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders, netwerkexploitanten, aanbieders, opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen wordt uitgewisseld, voor zover dat nodig is ter:

2.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt door de gebruikers die de informatie via het elektronisch informatiesysteem ontvangen vertrouwelijk behandeld en uitsluitend aan derden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor het bereiken van de in het eerste lid, genoemde doelen.

Artikel 5
1.

De Dienst is belast met het beheer van het elektronische informatiesysteem.

2.

De Dienst verstrekt op verzoek via het elektronische informatiesysteem gebiedsinformatie aan:

Artikel 6
1.

De Dienst registreert de beheerpolygonen ten behoeve van de informatie-uitwisseling over:

2.

Degene die

geeft dit ten minste twintig werkdagen voor aanvang van de wijziging in het beheer van het betreffende net door aan de Dienst, zo nodig onder opgave van de gewijzigde beheerpolygoon.

3.

Het tweede lid is tevens van toepassing op een netwerkexploitant die fysieke infrastructuur beheert, gaat beheren of niet langer fysieke infrastructuur zal beheren, met uitzondering van degene die:

Hoofdstuk 4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van graafwerkzaamheden, of ten behoeve van medegebruik of coördinatie als bedoeld in hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet

Artikel 7
1.

Een opdrachtgever of een grondroerder kan de Dienst om gebiedsinformatie verzoeken ten behoeve van het voorbereiden van graafwerkzaamheden.

2.

Een aanbieder kan de Dienst om gebiedsinformatie verzoeken ten behoeve van het voorbereiden van een verzoek tot:

3.

Een bestuursorgaan kan de Dienst om gebiedsinformatie verzoeken voor zover deze informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van de hem opgedragen taak.

4.

Bij een oriëntatieverzoek geeft de opdrachtgever, de grondroerder, de aanbieder of het bestuursorgaan een oriëntatiepolygoon op.

5.

Bij een oriëntatieverzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt het gebied aangeduid waarin de elementen van een netwerk met hoge snelheid worden aangelegd alsmede of het verzoek betrekking heeft op fysieke infrastructuur of op civiele werken.

Artikel 8
1.

Een grondroerder meldt het voornemen tot het verrichten van graafwerkzaamheden aan de Dienst ten hoogste twintig werkdagen voorafgaande aan de aanvang van die graafwerkzaamheden.

2.

Bij de graafmelding geeft de grondroerder een graafpolygoon op.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de graafwerkzaamheden ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen diepgang hebben en uitgevoerd zullen worden in grond die in eigendom of beheer is van de grondroerder en hij weet dat sinds de voorafgaande graafmelding de ligging van de netten in deze grond niet is veranderd.

Artikel 9
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bepaalde categorieën grondroerders worden aangewezen die zijn vrijgesteld van de verplichting om een graafmelding te doen voor zover zij graafwerkzaamheden verrichten in grond die in eigendom of in beheer is van de grondroerder en die graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan 50 cm onder het maaiveld.

2.

Vrijstelling laat de op de grondroerder rustende zorgplichten, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, onderdeel b, onverlet.

3.

Artikel 2, derde lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing op de grondroerders, bedoeld in het eerste lid.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de opdrachtgever voor graafwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid aangemerkt als grondroerder indien de opdrachtgever eigenaar of beheerder is van de grond waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Artikel 10

Na ontvangst van een oriëntatieverzoek als bedoeld in artikel 7, eerste, tweede of derde lid, of van een graafmelding als bedoeld in artikel 8:

Artikel 11
1.

Onverwijld doch uiterlijk binnen één werkdag na verzending van een graafbericht verstrekt een beheerder via het elektronische informatiesysteem in ieder geval de volgende informatie omtrent zijn net binnen de betreffende oriëntatiepolygoon aan de Dienst:

2.

Indien een beheerder de termijn, genoemd in het eerste lid, overschrijdt, doet de Dienst daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister.

Artikel 12
1.

Indien een verzoek betrekking heeft op medegebruik verstrekt een netwerkexploitant via het elektronische informatiesysteem onverwijld doch uiterlijk binnen twee werkdagen nadat de Dienst een oriëntatieverzoek als bedoeld in artikel 10, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 2°, heeft doorgezonden, in ieder geval de volgende informatie omtrent zijn netwerk binnen de betreffende oriëntatiepolygoon aan de Dienst:

2.

Indien een verzoek betrekking heeft op coördinatie verstrekt een netwerkexploitant, in ieder geval de volgende informatie omtrent zijn netwerk binnen de betreffende oriëntatiepolygoon:

3.

De verplichtingen in het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onderdeel a, zijn niet van toepassing op een netwerkexploitant die uitsluitend antenne-opstelpunten beheert en de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, omtrent zijn antenne-opstelpunten middels het antenneregister toegankelijk heeft gemaakt.

Artikel 13
1.

De Dienst verstrekt gebiedsinformatie via het elektronische informatiesysteem onverwijld na ontvangst van alle informatie als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid en 12, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, doch uiterlijk binnen twee werkdagen na verzending van het graafbericht of het verzoek om informatie als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, subonderdeel 1°, aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan.

2.

Indien degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan geen gebruik maakt van het elektronische informatiesysteem, verstrekt de Dienst gebiedsinformatie op andere wijze onverwijld na ontvangst van alle vereiste informatie, doch uiterlijk binnen drie werkdagen na verzending van het graafbericht.

3.

Indien de Dienst niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk de termijn van artikel 12, van alle beheerders de ingevolge de artikelen 11, eerste lid, en 12, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, vereiste informatie heeft ontvangen, doet de Dienst daarvan mededeling bij het verstrekken van de gebiedsinformatie.

Artikel 14

Onze Minister kan voor de situatie dat graafmeldingen die betrekking hebben op graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8, derde lid, gezamenlijk worden gedaan door tussenkomst van een door Onze Minister aan te wijzen organisatie, bij regeling vrijstelling verlenen van de verplichtingen ten aanzien van de termijnen, bepaald in de artikelen 8, eerste lid, 10, 11, eerste lid, en 13, eerste lid. De vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 15
1.

De beheerder van een net met gevaarlijke inhoud treft voorzorgsmaatregelen voordat een grondroerder graafwerkzaamheden in de omgeving daarvan verricht. Deze voorzorgsmaatregelen betreffen in ieder geval de aanwijzing ter plaatse van de exacte ligging van dat net door de beheerder.

2.

De beheerder van een net met een grote waarde kan voorzorgsmaatregelen treffen voordat een grondroerder graafwerkzaamheden in de omgeving daarvan verricht.

3.

Indien de beheerder heeft aangegeven dat hij voorzorgsmaatregelen treft, vangt de grondroerder de graafwerkzaamheden niet aan dan nadat de beheerder deze voorzorgsmaatregelen heeft getroffen.

4.

De beheerder treft de voorzorgsmaatregelen binnen drie werkdagen nadat de grondroerder contact met hem heeft opgenomen, tenzij hij in overleg met de grondroerder andere afspraken maakt.

5.

Indien een beheerder voorzorgsmaatregelen treft, treft de grondroerder eveneens de nodige voorzorgsmaatregelen. Hij legt deze schriftelijk vast en brengt deze voor aanvang van de graafwerkzaamheden ter kennis van de betrokken beheerder.

Artikel 16

Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan ter voorkoming van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht of om op voorhand de gevolgen daarvan te beperken aan de Dienst alle nodige aanwijzingen geven ten aanzien van de informatie-uitwisseling.

Artikel 17
1.

De beheerder rapporteert aan de Dienst telkens in januari het aantal schadegevallen als gevolg van graafwerkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.

2.

Het bestuur van de Dienst neemt een overzicht op van het aantal schadegevallen in het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Artikel 18

De grondroerder meldt schade aan een net als gevolg van zijn graafwerkzaamheden onverwijld aan de beheerder van het beschadigde net.

Artikel 19
1.

Indien de ligging van een net afwijkt van de liggingsgegevens die aan de grondroerder zijn verstrekt, meldt de grondroerder dit onverwijld bij de Dienst.

2.

Van de melding, bedoeld in het eerste lid, doet de Dienst onverwijld mededeling aan de betrokken beheerder.

3.

De beheerder treft binnen dertig werkdagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, de als gevolg van de melding, bedoeld in het eerste lid, noodzakelijke maatregelen.

Artikel 20
1.

Indien de grondroerder een net aantreft dat niet in de door de Dienst verstrekte liggingsgegevens is vermeld of waarvan niet duidelijk is wie de beheerder is, meldt de grondroerder dit onverwijld bij de Dienst.

2.

De Dienst bericht onverwijld alle beheerders wier beheerpolygoon geheel of gedeeltelijk samenvalt met de graafpolygoon en de bij ministeriële regeling te bepalen beheerders dat er een net is aangetroffen, waarover geen liggingsgegevens zijn verstrekt als bedoeld in artikel 11.

3.

Indien er een beheerder van het net is, meldt deze zich onverwijld bij de Dienst.

4.

Indien de Dienst niet binnen tien werkdagen na het bericht, bedoeld in het tweede lid, een melding als bedoeld in het derde lid ontvangt:

5.

Voor de toepassing van artikel 10 wordt de gemeente, bedoeld in het vierde lid, gelijkgesteld met een beheerder.

Artikel 21

Op een gemeente die gegevens heeft ontvangen door toepassing van artikel 20, vierde lid, zijn de artikelen 11 en 19, tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de gemeente de met betrekking tot dat net bekende gegevens verstrekt, met inbegrip van eventuele correcties ingevolge artikel 19, tweede lid.

Artikel 22

De Dienst bewaart gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode gegevens over de uitvoering van de artikelen 6, tweede lid, 7, 8, eerste en tweede lid, 10, 11, 12, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, 13, 17, eerste lid, 19, eerste en tweede lid, 20, met uitzondering van de gegevens, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdelen a, b en c, en 12, eerste lid, onderdelen a, b en c, en tweede lid, onderdeel a.

Hoofdstuk 5. Geschilbeslechting omtrent informatie-uitwisseling ten behoeve van medegebruik van fysieke infrastructuur of coördinatie van civiele werken

Artikel 23
1.

Indien er tussen een netwerkexploitant en een aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk een geschil is ontstaan inzake de nakoming van een op één hunner op grond van een bij of krachtens deze wet rustende verplichting betreffende medegebruik of coördinatie, kan Onze Minister op aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil beslechten.

2.

Onze Minister is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van het eerste lid voorgelegd geschil, indien de bij dat geschil betrokken partijen gezamenlijk Onze Minister verzoeken het geschil niet langer te behandelen.

3.

Onze Minister kan een besluit in een geschil als bedoeld in het eerste lid intrekken indien de bij dat besluit betrokken netwerkexploitant en aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk daartoe gezamenlijk een aanvraag doen.

4.

Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid tevens betrekking heeft op de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet beslist Onze Minister in coördinatie met de Autoriteit Consument en Markt op de aanvraag.

Artikel 24
1.

Op vordering van Onze Minister verstrekken de bij een geschil betrokken partijen binnen twee weken, dan wel binnen een andere door Onze Minister te bepalen redelijke termijn, aan Onze Minister alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

2.

De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht onverwijld, maar in elk geval binnen de door Onze Minister gestelde redelijke termijn, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.

Artikel 25
1.

Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op een aanvraag als bedoeld in artikel 23, eerste, tweede of derde lid, doch, behoudens buitengewone omstandigheden, uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van die aanvraag.

2.

Onverminderd het eerste lid, kan Onze Minister in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokkenen geldt tot het definitieve besluit van Onze Minister.

Artikel 26

Een bij een geschil betrokken partij volgt de door Onze Minister op grond van artikel 23 genomen besluit op. Onze Minister kan daarbij termijnen stellen.

Artikel 27

Van een besluit als bedoeld in artikel 23, eerste, tweede of derde lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Hoofdstuk 6. Nadere regelgeving

Artikel 28
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de situatie dat vanwege de door een calamiteit geboden spoed niet aan artikel 2, eerste en derde lid, kan worden voldaan dan wel de in hoofdstuk 4 beschreven procedure kan worden gevolgd, waarbij voor zover nodig van dat artikel onderscheidenlijk de bepalingen van dat hoofdstuk kan worden afgeweken.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 29
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gebiedsinformatie die op grond van de artikelen 11 tot en met 13 aan de grondroerder of de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk wordt verstrekt, waarbij voor verschillende categorieën graafwerkzaamheden, netwerkexploitanten, fysieke infrastructuur of civiele werkzaamheden verschillende regels kunnen worden gesteld, en de wijze waarop die gebiedsinformatie wordt verstrekt.

2.

Bij regeling van het bestuur van de Dienst worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de registratie van beheerders of netwerkexploitanten, bedoeld in artikel 6 plaatsvindt.

3.

Bij regeling van het bestuur van de Dienst kunnen regels worden gesteld omtrent de tijden gedurende welke oriëntatieverzoeken en graafmeldingen kunnen worden gedaan.

Artikel 30

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gebieden worden aangewezen ten aanzien waarvan om veiligheidsredenen kan worden afgeweken van de voorschriften gesteld bij of krachtens hoofdstuk 4. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de informatie-uitwisseling omtrent die gebieden of de daarin gelegen fysieke infrastructuur of civiele werken.

Artikel 31

Indien de in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van richtlijn nr. 2014/61/EU nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Hoofdstuk 7. Handhaving

Artikel 32
2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 33

Onze Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 6, tweede lid, 11, eerste lid, 12, 15, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 17, eerste lid, 24, 28, eerste, tweede en derde lid, onderdelen a en c, 30, of van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 34
1.

Ingeval van overtreding van de artikelen 2 en 15, derde lid, kan Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450.000.

Hoofdstuk 8. Bevoegdheid gemeenten

Artikel 35

Deze wet laat onverlet dat de gemeenteraad in het belang van de openbare orde en veiligheid bij verordening regels kan geven omtrent het verrichten van graafwerkzaamheden, waaronder het binden van graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning.

Hoofdstuk 9. Wijziging van andere wetten

Artikel 36

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Artikel 37

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 38

Wijzigt de Kadasterwet.

Artikel 39

Wijzigt de Organisatiewet Kadaster.

Artikel 40

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 10. Overgangsbepaling

Artikel 41

Op bezwaar en beroep ingevolge de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten dat is ingediend tegen een besluit van voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de bij of krachtens de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten geldende voorschriften zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 42

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten wordt ingetrokken.

Artikel 43

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 44

Deze wet wordt aangehaald als: Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.