Besluit van 18 april 2018, houdende regels met betrekking tot het verrichten van DNA-onderzoek in het kader van de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Besluit DNA-onderzoek Wiv 2017)

Type AMvB
Publication 2018-05-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie van 22 december 2017, nr. 2017-0000212750;

Gelet op artikel 43, achtste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2018, no. W04.17.0403/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie van 17 april 2018, nr 2018-0000177542;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Begripsbepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Veiligstellen van celmateriaal

Artikel 2
1.

Een voorwerp met daarop mogelijk celmateriaal dat door de dienst is meegenomen voor DNA-onderzoek wordt, zolang dat celmateriaal niet is veiliggesteld, door de dienst geconditioneerd opgeslagen. Van dit voorwerp wordt in een daartoe ingerichte ruimte celmateriaal veiliggesteld en de verpakking waarin dit celmateriaal wordt gedaan, wordt voorzien van een sporenidentificatienummer.

2.

In daarvoor in aanmerking komende gevallen wordt het celmateriaal, in afwijking van het eerste lid, veiliggesteld door het laboratorium, bedoeld in artikel 5.

3.

Indien het voorwerp met daarop mogelijk celmateriaal niet door de dienst kan worden meegenomen van de plaats waar het is aangetroffen, wordt het celmateriaal op die plaats veiliggesteld. Het veiliggestelde celmateriaal wordt van een tijdelijk waarmerk ter unieke identificatie voorzien en zo spoedig mogelijk voorzien van een sporenidentificatienummer.

4.

De handelingen, bedoeld in het eerste en derde lid, vinden plaats door daartoe door of namens het hoofd van de dienst aangewezen medewerkers van de dienst.

Paragraaf 3. Administratie inzake de uitvoering van de bevoegdheid tot DNA-onderzoek

Artikel 3

De dienst houdt in verband met de toepassing van de bevoegdheid tot het uitvoeren van DNA-onderzoek een administratie bij. De administratie omvat:

Paragraaf 4. Profilering van celmateriaal

Artikel 4
1.

Een DNA-onderzoek mag uitsluitend worden verricht in een laboratorium, dat:

2.

Indien de accreditatie van een laboratorium als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, geschorst of na de vervaldatum niet is verlengd, mag het DNA-onderzoek niet door dit laboratorium worden uitgevoerd.

Artikel 5
1.

Indien Onze betrokken Minister toestemming heeft verleend voor het verrichten van het DNA-onderzoek, wordt het van het voorwerp veiliggestelde celmateriaal of het voorwerp aangeboden aan het laboratorium dat het DNA-onderzoek zal uitvoeren. Het celmateriaal of het voorwerp wordt aangeboden in daarvoor bestemd verpakkingsmateriaal en afgesloten met een fraudebestendige sluitzegel of een fraudebestendige afsluiting.

2.

Van een afgifte als bedoeld in het eerste lid wordt aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3.

3.

Aan het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, worden door de dienst tevens de volgende gegevens verstrekt:

4.

Indien Onze betrokken Minister geen toestemming verleent voor het verrichten van het DNA-onderzoek, wordt het voorwerp met daarop mogelijk celmateriaal, indien nodig, teruggeplaatst of het van het voorwerp veiliggestelde celmateriaal terstond door een medewerker van de desbetreffende dienst vernietigd. Van de vernietiging wordt een aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3.

Artikel 6
1.

De deskundige die is belast met het verrichten van het DNA-onderzoek, verricht het DNA-onderzoek volgens een van de methoden die zijn goedgekeurd bij het verlenen van accreditatie aan het laboratorium waaraan hij is verbonden.

2.

De deskundige verricht het onderzoek binnen een met de dienst overeengekomen termijn.

3.

De deskundige stelt een schriftelijk verslag op van het DNA-onderzoek en ondertekent het verslag.

4.

Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat in ieder geval:

5.

Het verslag wordt in persoon uitgereikt aan een medewerker van de desbetreffende dienst. Het in de administratie van het laboratorium opgenomen verslag, alle ten behoeve van de opmaak van het verslag opgenomen gegevens en de DNA-profielen worden terstond verwijderd.

6.

Het DNA-extract dat na het verkrijgen van een DNA-profiel resteert, wordt zo spoedig mogelijk en in aanwezigheid van een medewerker van de desbetreffende dienst vernietigd.

7.

Van de ontvangst van het verslag, bedoeld in het vijfde lid, alsmede de vernietiging van het DNA-extract, bedoeld in het zesde lid, wordt aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3.

8.

Het eventueel afgegeven voorwerp wordt teruggegeven aan een medewerker van de desbetreffende dienst, die het voorwerp indien nodig, terugplaatst of terstond vernietigt. Van de vernietiging wordt aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3.

Paragraaf 5. De registratie en vergelijking van DNA-profielen

Artikel 7
1.

De dienst richt een DNA-profielenregistratie in.

2.

De dienst richt voorts een registratie in met DNA-profielen van medewerkers van de dienst die bij de uitvoering van het DNA-onderzoek fysiek in aanraking kunnen komen met voorwerpen met daarop mogelijk celmateriaal en het veiliggestelde celmateriaal. Het opnemen van DNA-profielen in de registratie geschiedt uitsluitend met instemming van de betrokken medewerker. Het DNA-profiel van een medewerker, die niet meer bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 43 van de wet, is betrokken, wordt uiterlijk binnen drie maanden na beëindiging van diens betrokkenheid, uit de registratie verwijderd en vernietigd. Van de vernietiging wordt aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3.

3.

In de DNA-profielenregistratie worden uitsluitend de volgende gegevens vastgelegd:

4.

Voor zover een DNA-profiel door een dienst is verkregen van een andere instantie worden, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het derde lid, uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

5.

De aan een DNA-profiel gerelateerde persoonsidentificerende gegevens worden logisch en technisch gescheiden van de registratie, bedoeld in het eerste lid in een afzonderlijke registratie bewaard.

6.

De toegang tot de gegevens verwerkt in de DNA-profielenregistratie, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en de gegevens, bedoeld in het vijfde lid is slechts toegestaan aan ambtenaren van de dienst die, bij uitsluiting van anderen, daartoe door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst zijn aangewezen.

7.

Van iedere toegang tot de gegevens in de DNA-profielenregistratie, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en de gegevens, bedoeld in het vijfde lid wordt, aantekening gehouden in de administratie, bedoeld in artikel 3.

Artikel 8
1.

Het DNA-profiel, verkregen in het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet, mag, tenzij het een DNA-profiel betreft dat voorkomt in de registratie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, met het oog op de vaststelling en verificatie van de identiteit van een persoon, worden vergeleken met:

2.

Indien de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, leidt tot de vaststelling dat er een overeenkomst is met een in de DNA-profielenregistratie vastgelegd DNA-profiel, mogen aan de hand van het desbetreffende sporenidentificatienummer of, indien dat niet gehanteerd wordt, een ander uniek identificatienummer, de daaraan gerelateerde persoonsidentificerende gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, ten behoeve van het onderzoek van de dienst waarvoor het DNA-onderzoek is verricht, ter beschikking worden gesteld.

3.

Indien de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, leidt tot de vaststelling dat er een overeenkomst is met een in de desbetreffende databank opgenomen DNA-profiel en de daaraan gerelateerde persoonsidentificerende gegevens aan de dienst worden verstrekt, mag de dienst deze persoonsidentificerende gegevens in combinatie met het desbetreffende sporenidentificatienummer of, indien dat niet gehanteerd wordt, een ander uniek sporenidentificatienummer, opnemen in de registratie, bedoeld in artikel 7, vijfde lid. De persoonsidentificerende gegevens mogen ten behoeve van het onderzoek van de dienst waarvoor het DNA-onderzoek is verricht ter beschikking worden gesteld.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij een vergelijking als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c.

5.

Van de toepassing van een vergelijking als bedoeld in het eerste lid wordt een aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3, onder vermelding van:

Paragraaf 6. De verdere verwerking van gegevens uit de DNA-profielenregistratie

Artikel 9
1.

De gegevens in de DNA-profielenregistratie alsmede de daaraan gerelateerde persoonsidentificerende gegevens kunnen, indien daarvoor overeenkomstig artikel 43, zesde lid, van de wet toestemming is verkregen van Onze betrokken Minister, verder worden verwerkt.

2.

Van een verdere verwerking als bedoeld in het eerste lid wordt een aantekening gemaakt in de administratie, bedoeld in artikel 3, onder vermelding van:

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit DNA-onderzoek Wiv 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.