Aanwijzing binnenvaart
Samenvatting
Deze aanwijzing bevat regels voor het OM en de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart).
1. Achtergrond
1.1. Inleiding
De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per binnenwater. Van belang is met name de volgende regelgeving.
1.2. Reikwijdte
De domeinen Milieu (bijvoorbeeld het Scheepsafvalstoffenverdrag en de Waterwet) en Zeevaart vallen buiten de reikwijdte van deze aanwijzing. Deze domeinen liggen bij het Functioneel Parket.
Zeeschepen die de binnenwateren bevaren vallen wel onder de aanwijzing.
2. Binnenvaartwet
2.1. Uitgangspunten bestuurlijke handhaving
De bestuursrechtelijke handhaving van de BVW is in hoofdzaak opgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT). Naast de aangewezen ambtenaren van de ILT zijn ook ambtenaren in de zin van art. 141 van het Wetboek van Strafvordering en aangewezen ambtenaren van andere diensten (zoals Rijkswaterstaat) met het toezicht op de naleving van de BVW en de Herziene Rijnvaartakte (HRA) belast (art. 40 BVW). Art. 48 van de BVW geeft het overzicht van bepalingen die bestuurlijk beboetbaar zijn. De bijzonderheden met betrekking tot handhaving op de internationale Rijn worden uiteen gezet in hoofdstuk 5 van deze aanwijzing.
2.2. Strafrechtelijke handhaving
Slechts enkele in de BVW genoemde gedragingen worden strafrechtelijk gehandhaafd. Van overtreding van de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens de BVW, wordt door de opsporingsambtenaren (art. 45 BVW) proces-verbaal opgemaakt. De strafbare feiten betreffen doorgaans economische delicten als bedoeld in art. 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten (WED).1Dit geldt alleen voor overtredingen buiten de internationale Rijn. Zie hoofdstuk 5. Het strafrecht wordt alleen toegepast bij:
2.2.1. Algemeen
Wanneer door het handelen in strijd met specifieke verbodsbepalingen uit de BVW ‘gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan ontstaan’, worden deze gedragingen aangemerkt als strafbaar feit (overtreding).2De verbodsbepalingen uit de BVW zijn opgenomen in de rangschikking van art. 1, onder 4°, WED.
Het begrip ‘gevaar voor de openbare veiligheid’ is noch in de BVW, noch in de memorie van toelichting bij die wet nader omschreven. Voor de invulling van het begrip is in deze beleidsregel aansluiting gezocht bij wet- en regelgeving op het gebied van de externe veiligheid (crisisbeheersing). In die context gaat het doorgaans om ongevallen of ernstige incidenten die een uitstraling hebben naar de omgeving. Onder ‘gevaar voor de openbare veiligheid’ wordt derhalve in deze aanwijzing verstaan: overtredingen, waarbij niet alleen de veiligheid van het schip of zijn bemanning, maar ook die van zijn omgeving gevaar loopt of kan lopen.3Het gros van de bepalingen uit de BVW is naar zijn aard (mede) gericht op de veiligheid van het schip of zijn bemanning. Een bedreiging van de veiligheid van het schip of zijn bemanning mag derhalve licht worden aangenomen. Het zwaartepunt bij de toepassing van het criterium ligt bij het element ‘gevaar voor de omgeving’ (uitstraling naar buiten). Bij omgeving kan onder meer gedacht worden aan de directe omgeving, aan het overige scheepvaartverkeer en aan derden als passagiers, recreanten (zwemmers) of omwonenden.4Passagiers moeten worden beschouwd als ‘derden’. Dat inzicht brengt met zich mee dat bij passagiersvaart al snel sprake zou kunnen zijn van ‘gevaar voor de openbare veiligheid’. Het is echter niet wenselijk om dit in alle gevallen meteen aan te nemen. Of gevaar voor de openbare veiligheid aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval.
2.2.2. Rijnvaart
De materiële normen uit de BVW zijn (grotendeels) ontleend aan enkele uitvoeringsregelingen van de HRA.5Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 en het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling. Om te voorkomen dat gelijkluidende normen op uiteenlopende wijzen worden gehandhaafd, wordt bij de handhaving van die uitvoeringsregelingen zoveel mogelijk aangesloten bij de praktijk voor de handhaving van de Binnenvaartwet buiten de internationale Rijn. Dit houdt in dat betreffende bepalingen – voor zover zij overeenkomen met hetgeen bij of krachtens de BVW is bepaald – grotendeels bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. In de (bovengenoemde) gevallen waarin strafrechtelijke handhaving aangewezen is, wordt de opsporing en vervolging op de internationale Rijn gebaseerd op art. 32 HRA (zie hoofdstuk 5).6In verband met een voorbehoud in de strafbaarstelling in art. 1, onder 4, WED wordt op de internationale Rijn bij gevaar voor de openbare veiligheid niet vervolgd op grond van art. 49 BVW, maar op grond van artikel 32 HRA en het betreffende voorschrift voor de Rijn.
2.2.3. Relatieve bevoegdheid
De hoofdregel is dat vervolging wordt ingesteld in het arrondissement waar het delict heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan vervolging worden ingesteld in het arrondissement waar de verdachte woont (natuurlijke persoon) of statutair gevestigd is (rechtspersoon). Voor laatstgenoemde mogelijkheid kan echter alleen worden gekozen bij delicten die hebben plaatsgevonden buiten de internationale Rijn (zie hoofdstuk 5).
3. Scheepvaartverkeerswet
3.1. Varen onder invloed
3.1.1. Vaarverbod bij ‘varen onder invloed’
Art. 29, eerste lid, SVW geeft de mogelijkheid aan de opsporingsambtenaar bedoeld in art. 141 Sv om, bij ernstige verdenking van handelen in strijd met art. 27 SVW c.q. art. 1.02, zevende lid, of art. 1.03, vierde lid, RPR (‘varen onder invloed’), een vaarverbod op te leggen aan degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip adviseert over de te voeren navigatie (schipper, kapitein, loods, roerganger etc.). Een zelfde mogelijkheid bestaat ten aanzien van degene die aanstalten maakt om dit te gaan doen (vgl. art. 29, tweede lid, SVW).
3.1.2. Bevel tot medewerking
De verdachte met een ademuitslag die duidt op alcoholgebruik boven de wettelijke grenswaarde, krijgt van de opsporingsambtenaar op grond van art. 28a, eerste lid, SVW het bevel om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, zoals bedoeld in art. 27, tweede lid, onderdeel a, SVW. Ingevolge het tweede lid van art. 28a SVW is de verdachte verplicht alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen op te volgen. Voldoet hij hier niet aan dan is sprake van overtreding van art. 28a, tweede lid, SVW, strafbaar gesteld als misdrijf in art. 31, tweede lid, SVW. Dit artikel kan als een lex specialis worden gezien ten opzichte van art. 184 Sr.
Art. 10 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer regelt hoe dit ademonderzoek moet plaatsvinden (Besluit).
3.1.3. Wel of niet aanhouden
Het aanhouden van de verdachte is volgens de tekst van art. 28a, eerste en tweede lid, SVW geen noodzakelijke voorwaarde voor het verrichten van het ademonderzoek en de overbrenging van de verdachte naar een daartoe bestemde plaats. De verdachte is op grond van art. 31, tweede lid, SVW zonder meer strafbaar als hij – bijvoorbeeld door weg te lopen – weigert medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel ex art. 28, tweede lid, SVW.7Aanhouding van de verdachte verdient wel de voorkeur in die gevallen waarin de verdachte van overtreding van art. 27 SVW niet is gebaseerd op de uitslag van de ademtest, maar op basis van de interpretatie van het gedrag van de verdachte door de opsporingsambtenaar. De betrokkenheid van de hulpofficier van justitie is in deze gevallen van belang ter toetsing van de verdenking.
3.1.4. Moment van verhoor
Het verdient aanbeveling dat het verhoor wordt afgenomen na voltooiing van het ademonderzoek en niet eerder (zoals tijdens de verplichte wachttijd van twintig minuten zoals genoemd in art. 10, tweede lid, van het Besluit). Het bevel medewerking strekt zich namelijk niet uit tot het verhoor van de verdachte. Het bevel eindigt op het moment van voltooiing van het ademonderzoek en de mededeling van de uitslag aan de verdachte. Deze is daarna vrij om te gaan; de medewerking aan het verhoor geschiedt op vrijwillige basis.
3.1.5. Weigering ademonderzoek/bloedonderzoek
Indien de opsporingsambtenaar een bevel tot medewerking geeft waaraan de verdachte geen gevolg geeft, kan aanhouding ter voorgeleiding volgen en wordt proces-verbaal voor weigering adem/bloedonderzoek opgemaakt, alsmede een inhoudelijk verhoor, dat wordt voorafgegaan door een mededeling door de opsporingsambtenaar omtrent het consultatierecht, afgenomen.
3.2. Tegenonderzoek bij ademonderzoek
Art. 11, tweede lid, van het Besluit regelt dat onmiddellijk na het vernemen van het resultaat van het ademonderzoek, de verdachte recht heeft op een tegenonderzoek. Dit onderzoek wordt voor rekening van de verdachte verricht in de vorm van een bloedonderzoek.8Bij het uitvoeren van het onderzoek dient verder op dezelfde wijze te worden gehandeld als wanneer op initiatief van de politie tot het afnemen van een bloedmonster zou zijn overgegaan. De artikelen 12 t/m 21 van het Besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
3.3. Vervolging
3.3.1. Art. 27, tweede lid, van de SVW
Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een ademmonster/bloedproef is genomen, zodat het resultaat van dat onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, zal een vervolging op basis van art. 27, tweede lid, SVW dienen te worden ingesteld.
3.3.2. Art. 27, eerste lid, van de SVW
Een vervolging op basis van art. 27, eerste lid, SVW komt onder meer in aanmerking in de volgende gevallen:
3.3.3. Art. 28a, tweede en zevende lid, van de SVW
Indien het ademonderzoek/bloedonderzoek is geweigerd, wordt vervolgd voor overtreding van art. 28a, tweede en zevende lid, SVW. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer de politie bijzonderheden heeft geconstateerd (bijv. met betrekking tot de wijze van varen door de verdachte of zijn verdere gedrag) en van oordeel is dat verdachte – samengevat – onder invloed van alcohol verkeerde. Indien er in een dergelijke situatie enige twijfel bestaat of veroordeling ter zake van art. 28a SVW zal volgen, verdient het aanbeveling art. 27, eerste lid, SVW subsidiair ten laste te leggen.
3.3.4. Art. 28a, tiende lid, van de SVW
Ten aanzien van art. 28a, tiende lid, SVW valt met betrekking tot ‘de verdachte die niet in staat is zijn wil kenbaar te maken’ een drietal situaties te onderscheiden:
4. Maatregelen
Soms vraagt de ernst van de situatie om onmiddellijk ingrijpen. Toezichthouders en opsporingsambtenaren staat een aantal maatregelen ter beschikking om ongewenste situaties te beëindigen en om te voorkomen dat betrokkene meteen in ongewenst gedrag vervalt. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden om een schip stil te leggen (par 4.1.) en om een tijdelijk vaarverbod op te leggen (par. 4.2).
De invordering en inhouding worden achtereenvolgens toegelicht in paragraaf 4.3.1 en 4.3.2; de ontzegging wordt behandeld in paragraaf 4.3.3.
4.1. Stilleggen van schepen
Bestuursorganen, toezichthouders en opsporingsambtenaren beschikken over verschillende mogelijkheden om een schip voor korte of langere tijd stil te leggen.
Veelal kan een passende maatregel worden getroffen door een toezichthouder of bestuursorgaan.11Denk aan het stilleggen ter controle (5:19 AWB), het geven van een verkeersaanwijzing (art. 9 SVW), het onderbreken van het gebruik wegens de staat van het schip (art. 17 BVW), het stilleggen van werk en het bevel de arbeid te staken (art. 28 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, art. 8:1 Arbeidstijdenwet), het opleggen van een last onder bestuursdwang (art. 25 SVW) of het toepassen van bestuursdwang (o.a. art. 44 BVW). Om die reden wordt in eerste instantie getracht de ongewenste situatie langs die weg te beëindigen. Dit uitgangspunt geldt temeer ten aanzien van wet- en regelgeving die primair bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd, zoals de BVW. Als een interventie door een bestuursorgaan of toezichthouder niet mogelijk is, kan op grond van art. 9 SVW een verkeersaanwijzing worden gegeven of kan op grond van art. 28 WED een voorlopige maatregel worden bevolen. In het uiterste geval kan een ambtenaar van politie – op grond van art. 3 van de Politiewet 2012 – een schipper vorderen het schip stil te leggen, al dan niet op een aangewezen ligplaats. Dit laatste is slechts mogelijk in bijzondere gevallen.
Het stilleggen van schepen is een ingrijpende handeling, zodat aan het gebruik van de bevoegdheid steeds een redelijkheidsafweging vooraf dient te gaan, waarbij rekening wordt gehouden met aan een stillegging verbonden gevolgen (proportionaliteit).
4.2. Tijdelijk vaarverbod
Op basis van art. 29, eerste lid, SVW is het mogelijk om, kort samengevat, een vaarverbod op te leggen. In de onderstaande tabel staat het aantal op te leggen uren vaarverbod in relatie tot het aantal microgrammen per liter uitgeademde lucht.
4.3. Invordering resp. inhouding vaarbewijs en ontzegging van de vaarbevoegdheid
Kort samengevat kan de houder van een vaarbewijs de bevoegdheid tot het voeren van schepen worden ontzegd in bepaalde gevallen van:
In de opmaat naar een ontzegging wordt het vaarbewijs ingevorderd door een opsporingsambtenaar. De officier van justitie is bevoegd ingevorderde vaarbewijzen onder zich te houden (‘inhouding’).
4.3.1. Invordering van het vaarbewijs (opsporingsambtenaar)
Vaarbewijzen worden enkel ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak (art. 141 Sv).13De vordering tot overgifte van het vaarbewijs kan wettelijk ook worden gedaan door buitengewone opsporingsambtenaren (art. 142 Sr). Die zijn echter niet bevoegd om ademtesten af te nemen (van betrokkene medewerking te vorderen aan een adem- of bloedonderzoek in de zin van art. 28 en 28a SVW). Om deze en andere praktische redenen hanteert het OM daarom het uitgangspunt dat vaarbewijzen in de regel worden ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.