← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 11 juni 2018, nummer Min-BuZa.2018.1211-42, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit)

Geldende tekst a fecha 2019-06-25

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 juncto artikel 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 juncto artikel 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van de verbetering van duurzaam ondernemen en voedselzekerheid door publiek private partnerschappen in het kader van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit worden ingediend in twee openstellingen.

2.

Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit worden ingediend vanaf 16 november 2018 tot en met 17 december 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd.

3.

Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit worden ingediend vanaf 15 november 2019 tot en met 16 december 2019, 15.00 uur Nederlandse tijd.

4.

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier vermelde bescheiden.1Het aanvraagformulier is geplaatst op https://english.rvo.nl/sdgp

Artikel 3
1.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 14 november 2019 een subsidieplafond van € 35 miljoen.

2.

De middelen die beschikbaar zijn op grond van het in het eerste lid genoemde subsidieplafond zijn als volgt verdeeld over de volgende thema’s:

Daarbij geldt dat, indien middelen resteren van de voor één of meer van deze thema’s beschikbare middelen, deze naar rato beschikbaar komen voor aanvragen met betrekking tot de overige thema’s, voor zover deze aanvragen voldoen aan de maatstaven die in dit besluit zijn neergelegd.

3.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, voor de periode vanaf 15 november 2019 tot en met 31 december 2020 een nader bekend te maken subsidieplafond.

Artikel 4

De verdeling van de subsidieplafonds bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.

Bijlage

1. Achtergrond

Het in dit besluit omschreven subsidieprogramma is onderdeel van het beleidskader Sustainable Development Goals Partnerschapfaciliteit (hierna: SDGP) waarin naast subsidieverstrekking ook andere instrumenten worden ingezet. Het beleidskader SDGP is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).2https://english.rvo.nl/sdgp

Het subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit (hierna te noemen het subsidieprogramma) levert als onderdeel van het beleidskader SDGP een bijdrage aan de uitvoering van de SDG-agenda.3SDG staat voor Sustainable Development Goals. Het programma richt zich op SDG 2 (Einde aan honger), 8 (Fatsoenlijke banen en economische groei) en 17 (Partnerschappen voor de doelen) met als nevendoelstelling SDG’s 5 (Vrouwen en mannen gelijk),12 (Duurzame consumptie en productie) en 13 (Klimaatverandering aanpakken).

Problemen op de gebieden van duurzaam ondernemen en voedselzekerheid zijn complex van aard en er is vaak sprake van verschillende belangen. Hierdoor kunnen problemen veelal niet door één partij worden opgelost en kunnen oplossingen veelal niet door één partij worden gefinancierd. Het subsidieprogramma stimuleert het aangaan van Publiek Private Partnerschappen. Door in partnerschap te werken en gebruik te maken van de toegevoegde waarde van overheden, ondernemingen, NGO’s en kennisinstellingen kunnen innovatieve en duurzame oplossingen gevonden worden voor deze problemen. Partnerschappen bieden bovendien kansen voor de Nederlandse (agri-)sector en kunnen helpen bij het opbouwen van lokaal MKB. Door de focus op partnerschappen en het ontwikkelen van economisch duurzame oplossingen past het subsidieprogramma goed in overgangslanden waar de omslag gemaakt wordt van hulp naar handel. In fragiele staten of landen waar de institutionele randvoorwaarden voor economische ontwikkeling nog zwak zijn, kunnen partnerschappen, door de typische samenwerking tussen publieke en private partijen, een geschikt instrument zijn voor versterking van het ondernemingsklimaat.

2. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van dit subsidieprogramma opgedragen aan RVO, agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal dit subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

4. Subsidieprogramma

4.1. Doel

Het doel van dit subsidieprogramma is ‘bijdragen aan duurzaam ondernemen en voedselzekerheid via PPP’s’.

4.2. Doelgroep

Tot de begunstigden van dit subsidieprogramma behoren lokaal MKB, boeren en vissers en waar mogelijk de lokale overheid. Er is in het bijzonder aandacht voor het versterken van ondernemerschap voor en door jongeren, inclusief landbouwers en tuinders als ondernemers. Ook kwetsbare groepen zoals de allerarmsten, vrouwen en meisjes of bijvoorbeeld etnische groepen maken deel uit van de doelgroep. Alle via het subsidieprogramma ondersteunde activiteiten dienen bij te dragen aan het verbeteren van de levensomstandigheden van één of meerdere groepen van de doelgroep.

4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies in het kader van dit subsidieprogramma zijn bedoeld voor PPP’s, namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.

Een PPP bestaat uit maximaal zes deelnemers (partners) waarvan tenminste één:

Een van deze deelnemers dient een lokale partij te zijn.

De rol van penvoerder wordt vervuld door een Nederlandse partner, niet zijnde een overheidsorganisatie. Met ‘Nederlands’ wordt bedoeld ‘beschikking hebbend over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht en statutaire zetel in Nederland’.

Individuele leden van de doelgroep kunnen geen partner van het PPP zijn.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners zich inspannen om ernstige (seksuele) misdragingen en andere ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft te voorkomen, in voorkomend geval zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en om de gevolgen daarvan te mitigeren.

4.4. Oriëntatiefase

Als een penvoerder namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie wil indienen, dient de penvoerder alvorens een aanvraag in te dienen een adviestraject te doorlopen aan de hand van een daartoe ingediende concept note (oriëntatiefase). Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur aan de potentiële subsidieaanvrager over de ingediende concept note. De uitkomst van het adviestraject is overigens niet bindend. Het is aan de potentiële aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Meer informatie hierover staat op https://english.rvo.nl/sdgp.

4.5. Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma dienen de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (het project) te zijn gericht op ten minste één van de volgende SDGP-thema’s:

Voor een overzicht van de thema’s en bijbehorende indicatoren waarop de projectresultaten gericht moeten zijn, zie annex 1 bij deze beleidsregels.

Project gericht op de financiële sector, uitgezonderd verzekeringssystemen, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma.

Ten minste de helft van de activiteiten moet betrekking hebben op één van bovengenoemde thema’s (dit wordt bepaald aan de hand van de met de uitvoering van de activiteiten gemoeide kosten). Het project wordt onder dit ene thema ingediend, beoordeeld en gerangschikt. Andere activiteiten kunnen wel gerelateerd zijn aan de overige SDGP-thema’s.

Het project moet resultaten opleveren in één van de landen (doellanden) opgenomen in annex 2 bij deze beleidsregels. In geval de aanvraag betrekking heeft op een economische activiteit in een aangesloten gebied dat zich over een landsgrens uitstrekt, mag een project resultaten in twee landen zoals genoemd in annex 2 opleveren.

4.6. Duur activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (het project) in maximaal 7 jaar worden uitgevoerd.

4.7. Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 50% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 3.000.000. De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 500.000.

De PPP-partners dragen in totaal ten minste 50% van de totale subsidiabele kosten uit eigen middelen of uit middelen verkregen van derden anders dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De partners die financieel bijdragen, moeten middels de solvabiliteit en liquiditeit cijfers van de onderneming bewijzen dat zij in staat zijn de eigen bijdrage te financieren.

Ten minste 25% van de totale subsidiabele kosten wordt gefinancierd uit middelen afkomstig van de in het PPP deelnemende onderneming(en) en ten minste 10% van de totale subsidiabele kosten wordt door de deelnemende onderneming(en) in het PPP bijgedragen in cash.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

5.2. Subsidiabele kosten

In de subsidieverleningsbeschikking zal worden opgenomen dat kosten voor hardware en kosten voor technische assistentie, met uitzondering van kosten gemaakt voor het uitvoeren van de inceptiefase, pas subsidiabel zijn na afronding van de inceptiefase. De inceptiefase is afgerond indien alle voor deze fase geplande activiteiten zijn uitgevoerd en de daarmee beoogde resultaten zijn behaald. Op verzoek van het PPP kan RVO hiervan afwijken. RVO beoordeelt dit verzoek aan de hand van de ingediende rapportage en bijbehorende bijlagen van de inceptiefase.

5.2. Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval kosten voor:

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.3 (advies naar aanleiding van concept note).

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe op www.english.rvo.nl/sdgp beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag wordt opgesteld in de Engelse taal en bevat in ieder geval:

Tevens moeten de PPP-partners verklaren dat zij op de hoogte zijn van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen en de ILO-Verklaring inzake fundamentele principes en rechten op het werk, en dat zij hiernaar handelen. Ook dienen zij op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op deze lijst benoemd staan.

Aanvragen kunnen middels het Eloket, rechtsgeldig ondertekend, worden ingediend bij RVO. Bezoekadres: Prinses Beatrixlaan 2, Den Haag; Postadres: Postbus 93144, 2509 AC Den Haag; e-mailadres: sdgp@rvo.nl.

Uiterste termijn van indiening is voor de eerste openstelling 17 december 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd, voor de tweede openstelling 16 december 2019, 15.00 uur Nederlandse tijd. Aanvragen dienen op deze tijdstippen door RVO te zijn ontvangen.

6.2. Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de penvoerder het risico dat de Minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

7.1. Beoordeling

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan hiervoor, in het bijzonder paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de vijf in paragraaf 7.2 opgenomen criteria.

Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden. Hiervoor kan RVO contact zoeken met de PPP-partners en relevante stakeholders.

RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts. De Ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden worden altijd gevraagd om input voor de beoordeling van de aanvragen op het criterium Beleidsbijdrage, in het bijzonder de factoren betreffende de aansluiting van de aanvragen op hun beleid en de inbedding in de lokale context. Uiteindelijk legt RVO de resultaten van de beoordeling van de aanvragen voor advies voor aan een door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingestelde onafhankelijke adviescommissie Subsidieprogramma SDGP.

Verder zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.

7.2. Inhoudelijke criteria

Aanvragen moeten een minimale puntenscore op de inhoudelijke criteria behalen (zie 7.3) om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Aanvragen die daaraan voldoen zullen aan de hand van de beoordeling op onderstaande criteria, na toekenning van eventuele bonuspunten, gerangschikt worden ten einde te kunnen bepalen welke aanvragen in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

7.3. Puntenverdeling

In totaal zijn er 100 punten te verdienen. In de onderstaande tabel staat per criterium het maximum aantal te verdienen punten en het aantal punten dat minimaal behaald moet worden om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.

Naast de 100 punten die ten hoogste kunnen worden verkregen bij de beoordeling aan de hand van de inhoudelijke criteria kunnen bonuspunten worden verkregen. Er worden 5 extra punten toegekend aan aanvragen voor activiteiten in één van de 20 IGG-DDE doellanden zoals opgenomen in annex 2 bij deze beleidsregels.

7.4. Verdeling van de beschikbare middelen

Voor het subsidieprogramma worden twee subsidierondes opengesteld. Voor de aanvragen ingediend in de eerste subsidieronde is in totaal € 35 miljoen beschikbaar. Hiervan is € 5 miljoen beschikbaar voor activiteiten gericht op Voedingswaarde, € 15 miljoen voor Efficiënte waardeketens, € 5 miljoen voor Circulaire economie agrosector en € 10 miljoen voor Beter werk en inkomen voor jeugd en vrouwen. De middelen beschikbaar voor aanvragen ingediend in de tweede subsidieronde worden later bekend gemaakt via een daartoe strekkend besluit.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet (in voldoende mate) wordt voldaan aan het bepaalde in deze beleidsregels of indien het voor het thema waarop de aanvraag (in hoofdzaak) in hoofdzaak betrekking heeft beschikbare budget ontoereikend is.

9. Toezicht

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichting

In de subsidiebeschikking zal de verplichting worden opgenomen dat meegewerkt zal moeten worden aan monitoring en effectmeting van RVO aangaande de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 0,4% bedraagt.

Annex 1. Thema en indicatorenoverzicht

Annex 1. Thema en indicatorenoverzicht

a. Themaoverzicht

b. Indicatorenoverzicht

1 5 bonuspunten voor projecten gericht op de 20 IGG-DDE-doellanden

Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.

Voor de aanvragen ingediend in de tweede subsidieronde is in totaal € 30 miljoen beschikbaar. Hiervan is € 5 miljoen beschikbaar voor activiteiten gericht op Voedingswaarde, € 15 miljoen voor Duurzame waardeketens, € 5 miljoen voor Duurzame en klimaatbestendige voedselproductie systemen en € 5 miljoen voor Beter werk en inkomen voor jeugd en vrouwen.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet (in voldoende mate) wordt voldaan aan het bepaalde in deze beleidsregels of indien het voor het thema waarop de aanvraag (in hoofdzaak) in hoofdzaak betrekking heeft beschikbare budget ontoereikend is.

9. Toezicht

De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren.

10. Verplichting

In de subsidiebeschikking zal de verplichting worden opgenomen dat meegewerkt zal moeten worden aan monitoring en effectmeting van RVO aangaande de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 0,4% bedraagt.

Annex 2: Landenlijst