Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing wet justitiële en strafvorderlijke gegevens)
I. Samenvatting
Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. De aanwijzing is een uitwerking van titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) met uitsluiting van het beheer van strafvorderlijke gegevens zoals bedoeld in artikel 39a lid 2 Wjsg. Voor de verstrekking binnen de strafrechtspleging geldt onverminderd hetgeen hierover is bepaald in onder andere artikel 39e Wjsg en het Wetboek van Strafvordering.
II. Bevoegdheid en mandaatverlening
Het College van procureurs-generaal is de ‘verantwoordelijke’ voor de verwerking van strafvorderlijke gegevens (art. 39a lid 1 Wjsg). Dat betekent dat het College verantwoordelijk en beslissingsbevoegd is voor alle verstrekkingen.
Het College mandateert de bevoegdheden zoals gegeven in titel 2A van de Wjsg tot het verwerken van strafvorderlijke en justitiële gegevens aan de hoofden van de parketten, het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal, de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie en de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Mandaat voor de beslissing op bezwaarschriften wordt enkel verleend aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Mandaat tot het behandelen van beroepschriften wordt verleend aan de medewerkers van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken. Bij de beslissingen die worden genomen op grond van dit mandaat dient de onderhavige Aanwijzing in acht te worden genomen. Met verleend mandaat wordt gelijk gesteld de verlening van volmacht en machtiging. In de ondertekening van besluiten die op grond van bovenstaand mandaat zijn genomen dient steeds tot uitdrukking te worden gebracht dat het betreffende besluit namens het College is genomen.
De bovengenoemde hoofden en directeuren kunnen ondermandaat verlenen aan onder hen ressorterende medewerkers die belast zijn met het verwerken van strafvorderlijke gegevens.
III. Verstrekking van informatie op grond van artikel 39f Wjsg
Artikel 39f van de Wjsg biedt de mogelijkheid om strafvorderlijke gegevens te verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen. De doelen betreffen onder andere het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde en veiligheid en het beoordelen van de noodzaak tot het nemen van rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregelen.
Het Openbaar Ministerie heeft de verantwoordelijkheid om een effectieve bijdrage te leveren aan een rechtvaardige en veilige samenleving. Het verstrekken van strafvorderlijke informatie aan anderen – binnen de geldende wettelijke kaders – kan daartoe een belangrijke bijdrage leveren. Zo is informatieoverdracht nodig bij de samenwerking met partners om de handhaving te versterken, alsmede bij het verlenen van hulp aan slachtoffers.
In dit hoofdstuk zal worden aangegeven welke beginselen ten grondslag liggen aan een verstrekking op grond van artikel 39f, in welke gevallen een contra-indicatie bestaat om te verstrekken en aan wie of welke instantie strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt.
1. Uitgangspunten
De Wjsg kent geen verplichting om aan derden strafvorderlijke gegevens te verstrekken, maar schept een bevoegdheid. De grenzen van die bevoegdheid zijn uitgewerkt in de Wet en deze aanwijzing. Dit betekent dat een verzoeker geen recht op informatie kan ontlenen aan artikel 39f Wjsg. Er zal altijd een afweging dienen plaats te vinden.
Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden is alleen mogelijk als het past binnen de taakuitoefening van het Openbaar Ministerie en voor zover dit noodzakelijk is wegens een zwaarwegend algemeen belang. Dat betekent dat strafvorderlijke gegevens niet mogen worden verstrekt op grond van het enkele belang dat de derde daarbij heeft.
Het Openbaar Ministerie kan zowel actief (op eigen initiatief) als passief (op verzoek) informatie verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden.
Bij alle vormen van verstrekking van strafvorderlijke gegevens moet rekening gehouden worden met het feit dat het Openbaar Ministerie niet alleen een grondslag moet hebben om te verstrekken, maar dat er tevens een grondslag voor de ontvanger moet zijn om te ontvangen. De beantwoording van de vraag of er een grond is om te ontvangen, is aan het Openbaar Ministerie (art. 39f lid 2 aanhef en sub a Wjsg).
Alvorens tot verstrekking wordt overgegaan wordt steeds een afweging gemaakt van het belang dat de ontvanger heeft bij het verkrijgen van de informatie ten opzichte van de belangen van opsporing en vervolging en het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). Indien de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek nog onzeker is, dient meer terughoudendheid te worden betracht bij een verstrekking aan derden. Aan de andere kant betekent dit dat bij een bewijsbare zaak eerder de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen gerechtvaardigd is. Bij deze belangenafweging dienen de beginselen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit te worden betrokken.
Indien het doel van de ontvanger op een andere, minder inbreuk op de privacy makende, manier dan via verstrekking van strafvorderlijke gegevens door het Openbaar Ministerie aan verzoeker kan worden bereikt, blijft verstrekking achterwege (subsidiariteit). Als zich bijvoorbeeld in een dossier informatie bevindt van de Kamer van Koophandel (KvK), dan zal door een verzoeker in beginsel eerst moeten worden bezien of deze informatie direct van de KvK kan worden verkregen.
Verstrekking van méér informatie dan nodig voor het nastreven van een van de in art. 39f Wjsg genoemde doeleinden, dient te allen tijde achterwege te blijven (proportionaliteit). Uitgangspunt moet zijn dat niet meer wordt verstrekt dan nodig is voor het doel van de verstrekking. Het is op basis van de Wjsg niet aan de ontvanger om te bepalen welke strafvorderlijke gegevens deze nodig heeft, maar aan het Openbaar Ministerie.
Ook de vorm van verstrekking is van belang. Als door de wijze van verstrekken een onnodige of onevenredige inbreuk op de privacy van een betrokkene wordt veroorzaakt, wordt bekeken of een alternatieve verstrekking mogelijk is, bijvoorbeeld door te anonimiseren, delen weg te laten, een samenvatting te geven of enkel mededeling te doen van de relevante informatie.
Tot slot moet de verstrekking noodzakelijk zijn met het oog op het doel waarvoor deze wordt gevraagd (noodzakelijkheidsvereiste). In geval de informatie interessant is om te weten (nice te know), maar niet noodzakelijk om bijvoorbeeld de beoogde rechtspositionele maatregel te nemen (need to know) kan niet tot verstrekking worden overgegaan.
2. Contra-indicatie
Wanneer een zaak is geëindigd met een sepot of een vrijspraak of wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt tenzij er sprake is van een zwaarwegend belang dat de verstrekking in dat geval rechtvaardigt.
Een dergelijk zwaarwegend belang is in ieder geval aanwezig in de volgende situaties.
In het geval dat in een zaak nog geen definitieve vervolgingsbeslissing genomen is, dient tevens sprake te zijn van een spoedeisend belang.
3. De ontvangers
Op basis van art. 39f lid 1 Wjsg kunnen voor de aldaar genoemde doelen in ieder geval aan de volgende personen en instanties strafvorderlijke gegevens worden verstrekt.
a). het voorkomen en opsporen van strafbare feiten
Ten behoeve van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
b). het handhaven van de orde en veiligheid
Ten behoeve van het handhaven van de orde en veiligheid kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
c). het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving
Ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
d). het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing
Ten behoeve van het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
e). het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel
Ten behoeve van de beoordeling van de vraag of een rechtspositionele dan wel tuchtrechtelijke maatregel moet worden getroffen tegen een werknemer, vrijwilliger, stagiair of een lid van een beroepsgroep, die/dat wordt verdacht van of is veroordeeld wegens een strafbaar feit waarvan duidelijk is dat twijfels kunnen doen rijzen over zijn behoorlijk (beroepsmatig) functioneren, dan wel ten aanzien van wie is gebleken van handelen dat gevaarzetting voor anderen oplevert of de integriteit van de overheid of die beroepsgroep aantast, kunnen over betrokkene strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan ten minste de volgende instanties:
f). het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn
f.1) Voor zover noodzakelijk voor het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
f.2) Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:
g). Het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling door een persoon of instantie die met een publieke taak is belast
Voor het nemen van een beslissing die in het kader van artikel 5a van de Wet Bibob door de overheid (rechtspersoon) wordt genomen kunnen de daarvoor benodigde gegevens worden verstrekt aan.
4. Verstrekking aan overige ontvangers
Zoals hierboven is vermeld, kan het Openbaar Ministerie aan de bovengenoemde personen en instanties strafvorderlijke gegevens verstrekken onder de voorwaarden die de Wjsg en deze aanwijzing stellen. Dat wil niet zeggen dat het niet tevens tot de taak van het Openbaar Ministerie kan behoren om, ter nastreving van de doelen die art. 39f stelt, aan andere personen of instanties informatie te verstrekken.
IV. Rechten van betrokkene op inzage
Artikel 39i Wjsg verplicht het Openbaar Ministerie ertoe om eenieder op diens verzoek binnen zes weken – met een mogelijkheid tot verdaging van vier weken – mee te delen of deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd en zo ja welke. Het recht op kennisneming biedt betrokkene de mogelijkheid om er achter te komen of over hem gegevens in een strafdossier of een geautomatiseerd systeem zijn vastgelegd en om te beoordelen of die gegevens juist zijn.
Dit recht is niet absoluut. De mededeling of en zo ja, welke strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd kan op grond van artikel 39l Wjsg achterwege blijven als dat noodzakelijk is in het belang van:
Aan het recht op kennisneming kan op verschillende manieren worden voldaan, bijvoorbeeld door een mededeling of inzage in de betreffende gegevens. Artikel 39i Wjsg verplicht in ieder geval niet tot afgifte van stukken.
Het verzoek kan worden gericht aan het OM-onderdeel waar de informatie waarschijnlijk verwerkt is.
V. Rechtsbescherming
De beslissing om aan derden op basis van artikel 39f Wjsg strafvorderlijke gegevens te verstrekken is geen besluit in de zin van de Awb. Dat heeft tot gevolg dat zowel voor de verzoeker als de betrokkene géén bezwaar en beroep openstaat op basis van de Awb.
Indien betrokkene meent dat de verstrekking weliswaar rechtmatig is, maar dat om redenen van bijzondere persoonlijke aard tot een andere afweging moet worden gekomen, kan betrokkene op basis van artikel 39q Wjsg verzet aantekenen. De beslissing op verzet, is een beslissing in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden aangetekend. Indien de betrokkene van mening is dat er onrechtmatig informatie wordt verwerkt, kan deze de Staat aansprakelijk stellen op basis van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). Geen van bovenstaande procedures schort de beslissing om te verstrekken op.
De beslissing op een verzoek op basis van art. 39i Wjsg is een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staan.
VI. Bijzondere onderwerpen
1. Wettelijke verplichting tot verstrekking van informatie
Naast de Wjsg vormt een wettelijke verplichting een grondslag om te verstrekken. Wettelijke verplichtingen om informatie te verstrekken zijn veelal opgenomen in de wet waarop het orgaan ten behoeve waarvan wordt verwerkt, is gebaseerd (zoals de Wet op de Nationale ombudsman).
2. Wetenschappelijk onderzoek
Verstrekking van strafvorderlijke gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek is mogelijk op basis van art. 39g jo. art. 15 Wjsg. Dergelijke verzoeken kunnen worden ingediend bij de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal.
3. Verstrekking van rechterlijke uitspraken
De informatie die een rechterlijke uitspraak bevat, is strafvorderlijke informatie. Een vonnis of arrest valt echter (tevens) onder de bepaling van art. 365 Sv die ook geldt voor de politierechter (art. 367 Sv), de kantonrechter (art. 398 Sv) en de rechter in hoger beroep (art. 415 Sv). De rechter die het vonnis of arrest heeft gewezen beslist op het verzoek tot verstrekking daarvan. Het Openbaar Ministerie verstrekt enkel het resultaat van een strafzaak. Onder het resultaat van een strafzaak wordt verstaan: de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de opgelegde straf of maatregel (en eventueel de datum van de uitspraak), dan wel de mededeling dat er sprake is van een vrijspraak of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
4. Inzageverzoeken ten aanzien van gegevens van overledenen
Gegevens van overledenen zijn geen persoonsgegevens. Als het strafrechtelijk onderzoek ziet op een overledene dan zijn diens gegevens dan ook geen strafvorderlijke gegevens. Als gegevens van een overledene in het onderzoek zijn betrokken, en dit onderzoek tevens ziet op gegevens van andere (natuurlijke) personen valt de verwerking wel onder de Wjsg.
Ten aanzien van overledenen biedt de Wbp in het geheel geen grondslag om te verstrekken en de Wjsg slechts in het geval dat andere personen betrokken zijn. In geval de Wbp en Wjsg geen grondslag bieden geldt de algemene geheimhoudingsverplichting die op basis van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO) op de officier van justitie en advocaat-generaal rust. Deze bepaling verzet zich in beginsel tegen verstrekking van informatie. Genoemde geheimhoudingsplicht is niet van toepassing, wanneer de taak van de officier van justitie of advocaat-generaal tot verstrekking verplicht (art. 13 jo. 144 Wet RO). Kortom: wanneer verstrekking van informatie noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening, is verstrekking mogelijk.
In ieder geval kan in zijn algemeenheid tot de taak van het Openbaar Ministerie worden gerekend om zo open mogelijk te zijn naar nabestaanden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.