Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie

Type Beleidsregel
Publication 2018-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1. Samenvatting

Deze aanwijzing geeft richting aan de verwerking van politiegegevens. Hierin komt aan de orde in welke gevallen de officier van justitie concrete bemoeienis heeft bij de verwerking van politiegegevens die zijn of worden verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, op welke wijze dit dient te gebeuren en welke officieren van justitie hierbij in beginsel aanspreekpunt zijn.

2. Inleiding

De Wet politiegegevens1De Wpg is met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 5a van de Wpg, mede op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) van toepassing (art. 36a Wpg). Deze eilanden hebben de status van bijzonder gemeenten van Nederland. In tegenstelling tot de Wpg is de Aanwijzing niet van toepassing op deze gemeenten. De Wpg is bij Wet van 6 oktober 2011, Stbl. 2011, 490, in werking getreden op 1 april 2012 gewijzigd in verband met de implementatie van het kaderbesluit Dataprotectie (2008/977/JBZ) en het kaderbesluit Europol (2009/371/JBZ). Deze wetswijziging is voor zover deze van invloed is op de rol van het OM in deze aanwijzing verwerkt. (Wpg) is op 1 januari 2008 in werking getreden en is in de plaats gekomen van de voormalige Wet politieregisters. In de Wpg en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur, het Besluit politiegegevens (Bpg) en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (Bpgbo), is geregeld hoe de politie (waaronder de Rijksrecherche), de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,/Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW)-directie opsporing, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (VWA-IOD), dienen om te gaan met politiegegevens2Een politiegegeven is elk persoonsgegeven (hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens) dat wordt verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaken, vermeld in art. 3 en 4 lid 1 Politiewet 2012 (art. 1 onder a en m Wpg).. De Wpg stelt voorwaarden aan de opslag, verwerking3Onder verwerken wordt in de Wpg verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekkingtot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens (art. 1 onder c Wpg)., beschikbaarstelling (binnen de politie en daarmee gelijkgestelden) en verstrekking (zowel aan derden als aan het buitenland) van politiegegevens, en voorziet in waarborgen voor de burger tegen ongerechtvaardigde inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer. Het Bpg en het Bpgbo regelen welke ambtenaren van politie geautoriseerd kunnen worden om bepaalde politiegegevens te verwerken.

Het uitgangspunt van de Wpg is dat politiegegevens slechts worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden, en voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn (art. 3 lid 1 en 2 Wpg). Daarnaast kunnen politiegegevens onder voorwaarden worden verwerkt voor een ander doel dan waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verkregen.

De wet kent vijf specifieke verwerkingsdoeleinden:

Het verwerken van politiegegevens is een aangelegenheid van beheer, en niet van gezag. De Wpg richt zich dan ook voornamelijk tot ‘de verantwoordelijke’5De verantwoordelijke bij de politie is de korpschef, bij de Rijksrecherche het College van Procureurs-Generaal, bij de Koninklijke marechaussee de Minister van Defensie en bij de bijzondere opsporingsdiensten de betreffende minister.. Dit laat onverlet dat de officier van justitie vanuit zijn wettelijk gezag over de opsporing van strafbare feiten (art. 148 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en art. 12 Politiewet 2012) zeggenschap heeft over het daadwerkelijke gebruik van de politiegegevens die zijn verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ook kunnen belangen van opsporing en vervolging richtinggevend zijn voor het beheer van politiegegevens.

3. Samenloop verschillende wettelijke voorschriften

Verwerkte politiegegevens kunnen zich tegelijkertijd bij de opsporingsinstanties6Met de term ‘opsporingsinstanties’ wordt in deze aanwijzing gedoeld op de politie, de Rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,/Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW), directie opsporing, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (VWA-IOD). en het OM bevinden. Op de politiegegevens die zich enkel bij de opsporingsinstanties bevinden is de Wpg van toepassing, op de gegevens die deel uitmaken van een lopend onderzoek of die in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg door het OM worden verwerkt7Hiervan is al sprake bij een bijzondere opsporingsbevoegdheid (BOB)-aanvraag en afgegeven BOB-bevel. zijn tevens de bepalingen van Sv en de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing (art. 1 onderdeel b Wjsg). Deze wetten kennen hun eigen, van elkaar verschillende verwerkingsregimes. Het bepaalde in de Wjsg en het Sv is relevant voor bepaalde verwerkingen die bij de opsporingsinstanties onder de Wpg plaatsvinden, waarmee in het voorkomende geval afstemming met het OM een vereiste is8Zie bijvoorbeeld Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 76. (zie paragrafen 8, 15 en 16).

Het OM draagt géén verantwoordelijkheid voor het naleven door de verantwoordelijke van de bij de Wpg gestelde voorschriften van terbeschikkingstelling en verstrekking.

4. Juistheid, volledigheid en het bewaren van door de CIE verwerkte politiegegevens (artt. 4, 10 lid 6 en 12 lid 6 Wpg)

Voor politiegegevens die met een art. 10 lid 1, onder a of art 12 lid 1 Wpg doel door de criminele inlichtingen (CI) worden verwerkt, gelden strenge wettelijke vereisten omdat de informatie niet altijd betrouwbaar is terwijl de risico’s en gevolgen van de verwerking groot kunnen zijn voor de personen die het betreft. De verantwoordelijke treft maatregelen opdat ook deze verwerkte politiegegevens juist en nauwkeurig zijn. Politiegegevens worden verbeterd, vernietigd of aangevuld indien deze onjuist of onvolledig zijn (art. 4 lid 1 Wpg) en dienen verwijderd te worden zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de verwerking, uiterlijk vijf respectievelijk tien jaar na de datum van de laatste verwerking (artt. 10 lid 6 en 12 lid 6 Wpg).

Uit de gezagsrelatie tussen het OM en politie en de wetsgeschiedenis van de voormalige Wet politieregisters vloeit voort dat het toezicht op de met een art. 10 lid 1, onder a of art. 12 lid 1 Wpg doel verwerkte gegevens een gezamenlijke aangelegenheid is van de verantwoordelijke en de officier van justitie. De daartoe door de hoofdofficier van justitie aangewezen CI-officier van justitie verricht periodieke controles op de CI-verwerkingen van politiegegevens. Daarmee neemt de CI-officier van justitie niet de taak en verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke over.

5. Autorisaties (art. 6 Wpg)

Politiegegevens worden slechts verwerkt door ambtenaren van politie9Met de term ‘ambtenaar van politie’ worden tevens de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten bedoeld (art. 1 onder k Wpg). die daartoe door de verantwoordelijke zijn geautoriseerd en voor zover de autorisatie strekt (art. 6 lid 2 Wpg)10In bijzondere gevallen kunnen ook personen die geen ambtenaar van politie zijn worden geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens (art. 6 lid 4 Wpg).. In het Bpg en het Bpgbo zijn nadere regels gesteld over de categorieën van personen die voor gegevensverwerkingen van respectievelijk informanten (art. 12 lid 1 Wpg), gegevensverwerking ernstige misdrijven (art. 10 lid 1, onder b Wpg), de CI-verwerking (art. 10 lid 1, onder a Wpg) en de RID-verwerking (art. 10 lid 1, onder c Wpg) geautoriseerd kunnen worden en de deskundigheidseisen die aan hen kunnen worden gesteld.

De categorieën van (politie)ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor deze autorisaties worden aangewezen met instemming van de CI-officier van justitie (art. 2:6 Bpg en art. 2 lid 2 Bpgbo).

6. Verwerkingsdoel art. 8 of 9 Wpg

Voor een goede invulling van de gezagsrol van de officier van justitie, voor de transparantie van de herkomst van politiegegevens bij doelafwijkende verwerking en ten behoeve van het duiden van politiegegevens in de bedrijfsprocessensystemen van de opsporingsinstanties is van groot belang dat duidelijk is met welk doel de politiegegevens zijn verwerkt. De wetgever heeft aangegeven dat de grens tussen een gegevensverwerking op basis van art. 8 en op basis van art. 9 Wpg niet zeer scherp valt af te bakenen11Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 43. Ook in die gevallen waarin niet evident sprake is van een gerichte verwerking in de zin van art. 9 Wpg kan om andere redenen toch aanleiding bestaan een art. 9 Wpg onderzoek te starten, bijvoorbeeld als men de zoekmogelijkheden nodig heeft die art. 9 Wpg biedt (zoeken in politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 9 Wpg doel), de langere bewaartermijnen van art. 9 Wpg wenselijk zijn, of als het wenselijk is gegevens (door autorisaties) functioneel en/of geografisch afgeschermd van andere politiegegevens te verwerken. Over het algemeen vinden verwerkingen met een art. 9 doel plaats in Summ-IT..

Van een art. 8 Wpg verwerking is in beginsel sprake als er geen BOB-bevoegdheden worden ingezet of de inzet van BOB-bevoegdheden beperkt blijft tot de artt. 126n tot en met 126nd Sv. Een art. 8 Wpg onderzoek dat aan deze criteria voldoet kan toch als art. 9 Wpg verwerking worden aangemerkt, bijvoorbeeld om reden van afscherming, bewaartermijn of de noodzaak van uitgebreidere zoekmogelijkheden.

Van een art. 9 Wpg verwerking is sprake als de inzet van BOB-bevoegdheden niet beperkt blijft tot de artt. 126n tot en met 126nd Sv. Daarnaast is van een gericht onderzoek in de zin van art. 9 Wpg sprake indien de verwerking betrekking heeft op12De onderzoeken onder b) en c) kunnen ook plaatsvinden met een art. 10 Wpg (thematisch) doel.:

In geval van twijfel overlegt de teamleider van het onderzoek in beginsel met het in paragraaf 7 genoemde aanspreekpunt.

7. Het doel van het onderzoek (art. 9 lid 2 Wpg)

Als politiegegevens gericht worden verwerkt (zie paragraaf 6), moet het doel van dat onderzoek binnen een week na aanvang van de verwerking schriftelijk worden vastgelegd (art. 9 lid 2 Wpg). Een goede16Hiermee wordt bedoeld concreet maar ruim geformuleerd. doelomschrijving is van belang omdat de verwerkte politiegegevens worden verwijderd (en vervolgens na vijf jaar vernietigd) zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verwerkt (art. 9 lid 4 Wpg).

Vanuit zijn gezagsrol heeft de officier van justitie zeggenschap over het onderzoeksdoel. In het voorkomende geval vindt afstemming plaats tussen de bevoegd functionaris en de officier van justitie over de formulering van het onderzoeksdoel (zie paragraaf 8).

Eventuele capacitaire afwegingen van een stuurploeg die leiden tot een afbakening van een opsporingsonderzoek hebben in beginsel een tijdelijk karakter en zijn niet bepalend voor de formulering van het onderzoeksdoel in de zin van art. 9 lid 2 Wpg. Het onderzoeksdoel kan in de volgende gevallen bijvoorbeeld als volgt omschreven worden:

8. Doelafwijkend verwerken (art. 9 lid 3 of 10 lid 5 Wpg)

Hoewel de Wpg de doelbinding voorop stelt bij de verwerking van politiegegevens, is doelafwijkende verwerking van politiegegevens onder voorwaarden mogelijk. De doelafwijkende verwerking kan op twee manieren geïnitieerd worden. In de eerste plaats kan het initiatief daarvoor uitgaan van de opsporingsambtenaar die de betreffende gegevens verwerkt (actief). Deze kan de gegevens beschikbaar stellen voor een verdere verwerking met een ander doel25Zie de artt. 8 lid 4, 9 lid 3, 10 lid 5, 12 lid 2 en 13 lid 1 Wpg. De belangen strafvordering maken dat politiegegevens die met een art. 8 of 9 Wpg doel worden verwerkt en die relevantie hebben voor inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechtsorde (art. 10 Wpg) of de ondersteuning van de politietaak (art. 13 Wpg) daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld voor doelafwijkende verwerkingen.. In de tweede plaats kunnen geautoriseerde, belanghebbende opsporingsambtenaren zelf het initiatief nemen en zoeken naar gegevens die elders binnen de opsporingsinstanties worden verwerkt (passief). De Wpg kent (limitatief) twee verschillende vormen van doorzoeken van politiegegevens: geautomatiseerd vergelijken en in combinatie verwerken(zie paragraaf 9).

In beide situaties worden de met een art. 9 of art. 10 Wpg doel verwerkte gegevens pas na instemming van een daartoe aangewezen bevoegd functionaris26In art. 2:10 Bpg staat wie als bevoegd functionaris kunnen worden aangewezen: de leider van het betreffende onderzoek, het hoofd CIE / RID of hun plaatsvervangers. binnen de opsporingsinstanties ter beschikking gesteld voor verdere verwerking met een ander doeleinde (art. 9 lid 3 of 10 lid 5 Wpg ). Het uitgangspunt van de Wpg is dat politiegegevens ter beschikking worden gesteld aan ambtenaren van politie en daarmee gelijkgestelden, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun taak (art. 15 lid 1 Wpg).

Uit de gezagsrelatie tussen het OM en de opsporingsinstanties vloeit voort dat de bevoegde functionaris (namens de korpschef) zijn taak uitoefent in nauw overleg met de officier van justitie. Hierbij hebben de bevoegde functionaris en de officier van justitie ieder een eigen verantwoordelijkheid. Hieronder wordt kort ingegaan op het afwegingskader van de bevoegd functionaris en van de officier van justitie.

8.1. Afwegingskader voor de bevoegd functionaris

8.1.1. Formele toets

De bevoegd functionaris beoordeelt:

8.1.2. Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.