← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsbesluit)

Geldende tekst a fecha 2024-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/167181, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op het Europees landschapsverdrag, de habitatrichtlijn, de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn mariene strategie, de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de mer-richtlijn, het PRTR-protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn havenontvangstvoorzieningen, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn inspraak en toegang tot de rechter, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, het SEA-protocol, de Seveso-richtlijn, de smb-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Espoo, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het VN-Zeerechtverdrag, de vogelrichtlijn, het werelderfgoedverdrag, de zwemwaterrichtlijn en de artikelen 2.20, eerste lid, 4.3, 5.7, tweede lid, 5.9, 5.10, 5.11, 5.12, tweede en derde lid, 5.13, 5.16, tweede lid, 5.36, vijfde lid, 5.47, tweede en vijfde lid, 5.52, tweede lid, aanhef en onder b, 12.1, eerste lid, vierde lid en vijfde lid, 12.5, derde lid, 12.6, vierde lid, 12.8, vierde lid, 12.9, tweede lid, 13.5, eerste en tweede lid, 16.1, eerste en tweede lid, 16.2, tweede lid, 16.7, tweede lid, 16.15, 16.16, 16.17, 16.24, 16.36, zesde lid, aanhef en onder a, 16.39, tweede lid, 16.42, 16.43, eerste lid, 16.55, eerste lid, 16.65, eerste lid, 16.88, eerste lid, 17.5, derde lid, 18.2, vierde lid, 18.3, 20.6, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, 20.8, eerste lid, 20.13, tweede lid, en 20.14, vierde lid, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W14.17.0197/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524072, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. (begripsbepalingen)

Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit.

Artikel 1.1a. (grondslag)
1.

Dit besluit berust op de artikelen 1.5, tweede lid, 1.7a, tweede lid, 2.7, 2.20, eerste lid, 2.21a, tweede lid, 2.24, eerste lid, 5.7, tweede en derde lid, 5.9, 5.10, eerste en derde lid, 5.11, eerste lid, 5.12, tweede en derde lid, 5.13, eerste lid, 5.16, tweede lid, 5.36, vierde lid, 5.44b, tweede lid, 5.47, tweede en vijfde lid, 5.52, tweede en derde lid, 8.1, derde en vijfde lid, 12.1, eerste, vierde en vijfde lid, 12.5, derde lid, 12.6, vierde lid, 12.8, tweede lid, 12.9, tweede lid, 13.3a, eerste lid, 13.3d, 13.4a, vijfde lid, 13.4b, vierde lid, 13.5, eerste, tweede en derde lid, 13.11, eerste lid, 13.15, derde lid, 13.17, tweede lid, 13.20, zesde lid, 13.22, eerste lid, 13.23, eerste en vierde lid, 15.7, vierde lid, 15.8, vierde lid, 15.9, eerste lid, 15.53, eerste lid, 16.1, 16.7, tweede lid, 16.15, eerste lid, 16.16, eerste lid, 16.17, eerste lid, 16.20, tweede lid, 16.24, 16.24a, 16.36, zesde lid, 16.39, tweede lid, 16.42, 16.42a, 16.43, eerste en vierde lid, 16.44, vierde lid, 16.45, derde lid, 16.46, derde lid, 16.47, tweede lid, 16.52, eerste lid, 16.53a, 16.55, eerste lid, 16.65, eerste lid, 16.139, eerste en tweede lid, 17.3, 17.5, derde lid, 17.6, 18.2, vierde en zesde lid, 18.3, eerste en tweede lid, 18.15a, eerste en derde lid, 18.19, eerste lid, 18.22, 18.25, tweede en derde lid, 19.12, vierde lid, 20.2, zevende lid, 20.6, eerste lid, 20.8, eerste lid, 20.13, eerste lid, 20.14, vierde en vijfde lid, 20.21, derde lid, 20.22, eerste lid, 20.24, eerste lid, 20.25, eerste lid, en 20.26, eerste lid, van de wet.

2.

Dit besluit berust ook op:

Artikel 1.2. (exclusieve economische zone)

Dit besluit is ook van toepassing in de exclusieve economische zone.

Artikel 1.3. (aanwijzing verboden activiteiten met aanzienlijke nadelige gevolgen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 1.7a, eerste lid, van de wet, om een activiteit te verrichten of na te laten als door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, geldt voor de volgende activiteiten en nadelige gevolgen:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt onder beschermd verstaan: beschermd bij wettelijk voorschrift of besluit op grond van de wet of een andere wet.

Hoofdstuk 2. Omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening

Artikel 2.1. (verplichting en verbod opname regels in omgevingsplan)
1.

Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.

2.

In ieder geval worden niet in het omgevingsplan opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Gemeentewet:

Artikel 2.1a. (overgangsrecht omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)

Tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 22.4 van de wet, worden voor de toepassing van artikel 22.8 van de wet:

Artikel 2.2. (verplichting en verbod opname regels in waterschapsverordening)
1.

Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in de waterschapsverordening opgenomen.

2.

In ieder geval worden niet in de waterschapsverordening opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Waterschapswet:

Artikel 2.3. (verplichting en verbod opname regels in omgevingsverordening)
1.

Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in de omgevingsverordening opgenomen.

2.

In ieder geval worden niet in de omgevingsverordening opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Provinciewet:

Hoofdstuk 3. Aanwijzing van locaties voor rijkstaken

Afdeling 3.1. Aanwijzing van rijkswateren

Artikel 3.1. (aanwijzing van rijkswateren)
1.

Rijkswateren zijn de watersystemen of onderdelen daarvan, bedoeld in bijlage II.

2.

Het beheer van de rijkswateren die op grond van het eerste lid zijn aangewezen, omvat ook het beheer van de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken.

Afdeling 3.2. Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 3.2. (toepassingsbereik)

De artikelen 3.3 tot en met 3.6 zijn alleen van toepassing zolang een beperkingengebied niet bij ministeriële regeling is aangewezen en geometrisch begrensd.

Artikel 3.3. (beperkingengebied wegen)

Het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk bestaat uit de weg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van:

Artikel 3.4. (beperkingengebied waterstaatswerken)

Het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk valt samen met het waterstaatswerk.

Artikel 3.5. (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur)
1.

Het beperkingengebied met betrekking tot hoofdspoorweginfrastructuur bestaat uit de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van:

2.

Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eerste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.

Artikel 3.6. (beperkingengebied installaties in een waterstaatswerk anders dan mijnbouwinstallaties)

Het beperkingengebied met betrekking tot installaties in een oppervlaktewaterlichaam anders dan mijnbouwinstallaties bestaat uit de installatie en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 500 m van enig onderdeel van de installatie.

Artikel 3.7. (beperkingengebied mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk)

Het beperkingengebied met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een oppervlaktewaterlichaam bestaat uit de mijnbouwinstallatie en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 500 m van enig onderdeel van de mijnbouwinstallatie.

Hoofdstuk 4. Bevoegd gezag omgevingsvergunning en betrokkenheid van andere bestuursorganen

Afdeling 4.1. Bevoegd gezag omgevingsvergunning

§ 4.1.1. Algemeen

Artikel 4.1. (toepassingsbereik)
1.

Deze afdeling regelt welk bestuursorgaan, anders dan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 5.8 of 5.12, tweede lid, van de wet, beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning:

2.

Paragraaf 4.1.4 is van toepassing op zowel wateractiviteiten als andere activiteiten.

§ 4.1.2. Aanvraag om een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten

Artikel 4.2. (bevoegd gezag waterschap enkel- en meervoudige aanvraag; decentraal, tenzij)
1.

Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

2.

Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.3. (bevoegd gezag provincie enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

2.

Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.4. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om:

en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.4a. (aanvullende aanwijzing bevoegd gezag meervoudige aanvraag zonder magneetactiviteiten)
1.

Dit artikel is alleen van toepassing als op grond van de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

Artikel 4.5. (voorrangsregel bevoegd gezag meervoudige aanvraag bij samenloop aanwijzing bevoegd gezag)
1.

Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag.

2.

Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

3.

Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, en in voorkomend geval het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

§ 4.1.3. Aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten anders dan wateractiviteiten

Artikel 4.6. (bevoegd gezag provincie enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

2.

Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.7. (bevoegd gezag vervoerregio enkel- en meervoudige aanvraag)

Als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, beslist het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat artikellid, op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.

Artikel 4.8. (bevoegd gezag Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.9. (bevoegd gezag Minister van Defensie enkel- en meervoudige aanvraag)

Onze Minister van Defensie beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven.

Artikel 4.10. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

2.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.11. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten)
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.11a. (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit enkel- en meervoudige aanvraag)

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.12. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof enkel- en meervoudige aanvraag)
1.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

2.

De volgende Natura 2000-activiteiten en de volgende flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.39, 11.40, 11.46, 11,47, aanhef en onder b, 11.48, 11.54. 11.60 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden als activiteiten van nationaal belang aangewezen:

3.

Als flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang worden ook aangewezen:

4.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkelvoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een valkeniersactiviteit.

Artikel 4.13. (bevoegd gezag Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap enkel- en meervoudige aanvraag)

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument.

Artikel 4.14. (aanvullende aanwijzing bevoegd gezag meervoudige aanvraag zonder magneetactiviteiten)
1.

Dit artikel is alleen van toepassing als:

2.

Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

3.

Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

4.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

5.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

6.

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

7.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

8.

Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

Artikel 4.15. (voorrangsregel bevoegd gezag meervoudige aanvraag bij samenloop aanwijzing bevoegd gezag)
1.

Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 4.8, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag.

2.

Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van artikel 4.10, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op de aanvraag.

3.

Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.11, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

4.

Als meer dan een van Onze hiervoor genoemde Ministers op grond van artikel 4.8, tweede lid, 4.10, tweede lid, of 4.11, tweede lid, en in voorkomend geval ook gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag.

Artikel 4.16. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)
1.

In afwijking van artikel 4.6 beslissen gedeputeerde staten op elke enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 of 5.4 van de wet als:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag alleen of onder meer betrekking heeft op:

§ 4.1.4. Flexibiliteitsregeling bevoegd gezag alle activiteiten

Artikel 4.17. (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag)
1.

Het met toepassing van artikel 5.16 van de wet overdragen van de bevoegdheid om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen of om paragraaf 5.1.5 van de wet voor een omgevingsvergunning toe te passen, kan zich alleen uitstrekken tot meer dan een aanvraag om een omgevingsvergunning of meer dan een al verleende omgevingsvergunning als de aanvragen of vergunningen betrekking hebben op:

2.

Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.16 van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager of de vergunninghouder.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Afdeling 4.2. Betrokkenheid van andere bestuursorganen of instanties bij een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of bij een verzoek om instemming

Artikel 4.18. (toepassingsbereik algemeen)
1.

Deze afdeling is alleen van toepassing als het bestuursorgaan waaraan de bevoegdheid tot advies of instemming is toegekend, niet zelf bevoegd gezag is.

2.

Een op grond van deze afdeling uitgebracht advies richt zich tot het bevoegd gezag en zijn te nemen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het verzoek om instemming. In plaats daarvan kan het advies zich ook richten tot een bestuursorgaan dat zelf adviseur is voor zover dat in deze afdeling is bepaald.

3.

In deze afdeling wordt onder een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift ook verstaan een aanvraag om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of om intrekking van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

Artikel 4.19. (toepassingsbereik bij grondgebiedoverstijgende aanvraag)
1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die op het grondgebied van meer dan een gemeente, waterschap of provincie plaatsvindt, zijn de in de artikelen 4.20, 4.24 en 4.25 toegekende bevoegdheden tot advies van toepassing op het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten van elke gemeente, elk waterschap en elke provincie waar de activiteit gedeeltelijk plaatsvindt.

2.

In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de in de artikelen 4.20, 4.24 en 4.25 toegekende bevoegdheden tot instemming alleen van toepassing op het college, het dagelijks bestuur of gedeputeerde staten van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak plaatsvindt.

Artikel 4.20. (advies en instemming door college van burgemeester en wethouders)
1.

Het college van burgemeester en wethouders is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het college van burgemeester en wethouders als het gaat om een aanvraag als bedoeld in:

Artikel 4.21. (advies door gemeenteraad)
1.

De gemeenteraad is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een door hem aangewezen geval van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is.

2.

Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aangewezen geval als bedoeld in het eerste lid, maar de voorgenomen beslissing op de aanvraag instemming van het college behoeft, is de gemeenteraad adviseur voor het verzoek om instemming.

Artikel 4.22. (advies door gemeentelijke adviescommissie)
1.

De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de wet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag.

Artikel 4.23. (uitzondering instemming door college van burgemeester en wethouders bij omgevingsplanactiviteit en eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

In afwijking van artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onder a, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geen instemming van het college van burgemeester en wethouders als:

Artikel 4.24. (advies en instemming door dagelijks bestuur waterschap)
1.

Het dagelijks bestuur van het waterschap is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b of c, behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 4.25. (advies en instemming door gedeputeerde staten)
1.

Gedeputeerde staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

Gedeputeerde staten zijn ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, maar zij op grond van artikel 4.15, eerste, tweede, derde of vierde lid, niet bevoegd zijn op die aanvraag te beslissen.

3.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van gedeputeerde staten als het gaat om een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c, onder 1°, d, e, f of g, of tweede lid, met uitzondering van:

Artikel 4.26. (advies en instemming door dagelijks bestuur vervoerregio)
1.

Als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, is het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat artikellid, adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam.

Artikel 4.27. (advies en instemming door Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit en het voornemen bestaat om bij de beslissing op de aanvraag in een voorschrift van de omgevingsvergunning op grond van artikel 4.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving af te wijken van een regel uit hoofdstuk 4 van dat besluit.

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een maatwerkvoorschrift om af te wijken van een regel als bedoeld in het eerste lid.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van niet toepassing op het met een vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift afwijken van artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.28. (advies en instemming door Minister van Defensie)
1.

Onze Minister van Defensie is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, behoeft ook instemming van Onze Minister van Defensie.

Artikel 4.29. (advies en instemming door Minister van Economische Zaken en Klimaat)
1.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte.

2.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen.

3.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste of tweede lid, behoeft ook instemming van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 4.30. (advies en instemming door Minister van Infrastructuur en Waterstaat)
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen.

3.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, of tweede lid, behoeft ook instemming van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, met uitzondering van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, die betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis, als de voorgenomen beslissing strekt tot het weigeren van de vergunning.

Artikel 4.30a. (advies en instemming door Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
1.

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 4.31. (advies en instemming door Minister voor Natuur en Stikstof)
1.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit van nationaal belang of een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, tweede en derde lid.

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

Artikel 4.32. (advies en instemming door Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
1.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:

2.

De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, behoeft ook instemming van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 4.33. (advies door bestuur veiligheidsregio)

Het bestuur van de veiligheidsregio op het grondgebied waarvan een milieubelastende activiteit geheel of in hoofdzaak plaatsvindt, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage III, onder 1.

Artikel 4.34. (advies door inspecteur-generaal leefomgeving en transport)

De inspecteur-generaal leefomgeving en transport is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage III, onder 2.

Artikel 4.35. (advies over indirecte lozingen)

Het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van een zuiveringtechnisch werk of een oppervlaktewaterlichaam waarop afvalwater vanuit een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een dergelijke voorziening.

Artikel 4.36. (advies na toepassing flexibiliteitsregeling bevoegd gezag)

Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen met toepassing van artikel 5.16 van de wet heeft overgedragen, is adviseur voor die aanvraag voor zover die betrekking heeft op de activiteit of activiteiten die bepalend zijn geweest voor de aanwijzing van dat bestuursorgaan als bevoegd gezag.

Artikel 4.37. (instemming niet vereist)

Het op grond van de artikelen 4.20 tot en met 4.32 aangewezen bestuursorgaan kan gevallen aanwijzen waarin instemming niet is vereist.

Artikel 4.38. (gronden verlenen of onthouden instemming)
1.

Instemming wordt alleen verleend of onthouden op dezelfde gronden als de gronden voor het verlenen of weigeren van de omgevingsvergunning voor de activiteit, tenzij het tweede, derde of vierde lid van toepassing is. Daarbij geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 2.32 van de wet die is verleend voor een voorgenomen beslissing tot verlening van een omgevingsvergunning als ontheffing voor het verlenen van instemming.

2.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder g, kan instemming alleen worden onthouden als de voorgenomen beslissing op de aanvraag in strijd is met een door een bestuursorgaan van de provincie in een openbaar document aangegeven provinciaal belang en het provinciebestuur dat belang niet met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden kan beschermen.

3.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, of als het gaat om een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.27, derde lid, kan instemming alleen worden onthouden als geen sprake is van een bijzonder geval dat het afwijken van de regel uit hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving rechtvaardigt.

4.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder c, kan instemming alleen worden onthouden in het belang van het veilig gebruik van het luchtruim.

Hoofdstuk 5. Projectprocedure

Afdeling 5.1. Algemene bepalingen projectbesluit

Artikel 5.1. (flexibiliteitsregeling projectbesluit Rijk)
1.

Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.44b van de wet overdraagt, geeft hij tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet hij mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de initiatiefnemer.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Afdeling 5.2. Voornemen en voorkeursbeslissing

Artikel 5.2. (inhoud en kennisgeving voornemen)
1.

Het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving bevat in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag geeft kennis van het voornemen op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

Artikel 5.3. (participatie)
1.

In de kennisgeving van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken, bedoeld in artikel 5.47, vierde lid, van de wet, wordt in ieder geval aangegeven:

2.

De kennisgeving vindt plaats op een door het bevoegd gezag te bepalen geschikte wijze, waardoor het voor de te verkennen opgave in de fysieke leefomgeving relevante publiek zo goed mogelijk wordt bereikt.

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de benodigde informatie voor het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen op een toegankelijke wijze beschikbaar is. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4. (verplichte voorkeursbeslissing)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat neemt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter voorbereiding van een projectbesluit voor werken met een nationaal belang in ieder geval een voorkeursbeslissing als de mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving die is opgenomen in het voornemen of de daarin genoemde mogelijke oplossing voor die opgave, geheel of gedeeltelijk ziet op:

Artikel 5.5. (inhoud voorkeursbeslissing)
1.

Een voorkeursbeslissing vermeldt in ieder geval welke oplossing de voorkeur van het bevoegd gezag heeft.

2.

In een voorkeursbeslissing wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.

Afdeling 5.3. Projectbesluit

Artikel 5.5a. (publicatie ontwerp projectbesluit)
1.

Bij de voorbereiding van een projectbesluit van een bestuursorgaan van een waterschap, een provincie of het Rijk waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het waterschapsblad, het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een projectbesluit voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd.

Artikel 5.6. (inhoud projectbesluit)

Onverminderd artikel 5.51 van de wet bevat een projectbesluit in ieder geval:

Artikel 5.7. (aanwijzing andere besluiten)
1.

In een projectbesluit kan worden bepaald dat het projectbesluit geldt als:

2.

Als het projectbesluit geldt als een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing.

3.

Als het projectbesluit geldt als een maatwerkvoorschrift, is paragraaf 4.3.2 van de wet van overeenkomstige toepassing.

5.

Als het projectbesluit geldt als een onttrekking van een weg aan de openbaarheid, zijn de artikelen 4 tot en met 7 van de Wegenwet van toepassing.

Artikel 5.7a. (aanwijzing besluit vaststelling geluidproductieplafonds)

Onverminderd artikel 5.54 van de wet wordt aan artikel 5.7, eerste lid, onder a, in ieder geval toepassing gegeven als een projectbesluit:

Artikel 5.7b. (geen advies voor projectbesluiten voor hoofdinfrastructuur bij Natura 2000-activiteiten)

Artikel 4.31 is niet van overeenkomstige toepassing op een ontwerp van een projectbesluit en een voorgenomen projectbesluit voor een project als bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, van de wet, voor zover daarin wordt bepaald dat het geldt als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.

Artikel 5.8. (advies en instemming andere besluiten)
1.

Het bestuursorgaan dat op grond van de wet, de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenwet bevoegd zou zijn om de besluiten, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, te nemen, is adviseur voor dat onderdeel van het projectbesluit.

2.

Het in het eerste lid bedoelde onderdeel van het projectbesluit behoeft ook instemming van het adviserende bestuursorgaan, waarbij geen instemming is vereist als:

3.

Instemming wordt alleen onthouden op dezelfde gronden als die, waarop een aanvraag om een besluit kan worden afgewezen.

Hoofdstuk 6. Faunabeheereenheden en -plannen

Artikel 6.1. (faunabeheereenheid)
1.

Een faunabeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting.

2.

In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval vertegenwoordigd:

3.

Vertegenwoordigers van andere dan de in het tweede lid bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer kunnen op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren.

Artikel 6.2. (faunabeheerplan)
1.

Een faunabeheerplan bevat in ieder geval passende en doeltreffende maatregelen voor het voorkomen en het bestrijden van schade aangericht door in het wild levende dieren.

2.

Een faunabeheerplan wordt onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is om een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen.

3.

Een faunabeheerplan heeft geen betrekking op het beheren van populaties van exoten als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving of verwilderde dieren en op het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren.

4.

Voor diersoorten die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vanwege de omvang van hun leefgebieden stellen faunabeheereenheden met een binnen een leefgebied vallend werkgebied gezamenlijk het faunabeheerplan vast.

Artikel 6.3. (voorbereiding, openbaarmaking en verantwoording faunabeheerplan)
1.

De faunabeheereenheid hoort de binnen haar werkgebied werkzame wildbeheereenheden over het ontwerp van het faunabeheerplan.

2.

De faunabeheereenheid maakt het faunabeheerplan openbaar, zodra dit door het bevoegd gezag op grond van artikel 8.1, tweede of vijfde lid, van de wet is goedgekeurd.

3.

De faunabeheereenheid brengt jaarlijks verslag uit van de uitvoering van het faunabeheerplan aan het bevoegd gezag voor de goedkeuring van het faunabeheerplan.

4.

Houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekken aan de faunabeheereenheid gegevens over de aantallen dieren, onderscheiden naar soort, die zij binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid hebben gedood.

5.

De faunabeheereenheden maken een overzicht van de door houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekte gegevens en de gegevens uit het jaarlijkse verslag betrekking hebbend op hun totale werkgebied, openbaar.

Artikel 6.4. (Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag)

Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist over de goedkeuring van een faunabeheerplan en is bevoegd tot het stellen van de nadere regels over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen, bedoeld in artikel 8.1, derde lid, van de wet, en regels over wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de wet als deze betrekking hebben op terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht.

Hoofdstuk 7. Voorkeursrecht en onteigening

Afdeling 7.1. Voorkeursrechtbeschikkingen

Artikel 7.1. (inhoud voorkeursrechtbeschikking)
1.

Een voorkeursrechtbeschikking bevat in ieder geval:

2.

Een voorkeursrechtbeschikking die betrekking heeft op een provinciaal of nationaal voorkeursrecht, vermeldt ook:

Artikel 7.2. (besluit tot intrekking en mededeling verval voorkeursrecht of vernietiging van voorkeursrechtbeschikking)
1.

Een besluit tot intrekking van een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de wet bevat de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak of zaken waarop de intrekking betrekking heeft en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een mededeling als bedoeld in artikel 9.5, derde lid, van de wet.

Artikel 7.3. (aangetekende verzending mededelingen voorkeursrecht)

Schriftelijke mededelingen aan of van de vervreemder op grond van de artikelen 9.12, eerste lid, 9.13 en 9.16, eerste lid, van de wet worden gedaan bij aangetekende brief.

Artikel 7.4. (afschriften verzoek rechtbank voorkeursrecht)
1.

Het bevoegd gezag zendt aan de vervreemder een afschrift van:

2.

De vervreemder zendt aan het bevoegd gezag een afschrift van een verzoek als bedoeld in artikel 9.18, eerste lid, van de wet.

Afdeling 7.2. Onteigeningsbeschikkingen

Artikel 7.5. (inhoud onteigeningsbeschikking)

Een onteigeningsbeschikking bevat in ieder geval:

Artikel 7.6. (terinzagelegging ontwerponteigeningsbeschikking)

Het ontwerp van de onteigeningsbeschikking wordt ter inzage gelegd met:

Hoofdstuk 8. Financiële bepalingen

Afdeling 8.1. Vergoeding en verhaal van kosten

Artikel 8.1. (aanwijzen gevallen verhaal van kosten bij verontreiniging fysieke leefomgeving)

De gevallen van verontreiniging, aantasting, verstoring of beschadiging, bedoeld in artikel 13.3a, eerste lid, van de wet, waarin de voor rekening van de daarin bedoelde rechtspersonen komende kosten kunnen worden verhaald, zijn:

Artikel 8.1a. (verhalen van schadevergoeding bij beschikking)

Gevallen als bedoeld in artikel 13.3d van de wet zijn de gevallen waarin schadevergoeding als gevolg van een besluit of een regel als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, onder a, e, i of k, van de wet is betaald, voor zover dat besluit of die regel betrekking heeft op waterbeheer.

Afdeling 8.2. Heffingen

Artikel 8.2. (uitwerken ontgrondingenheffing)
1.

Als minder dan 10.000 m3 vaste stoffen in situ wordt ontgraven, is geen heffing als bedoeld in artikel 13.4a, eerste lid, van de wet, verschuldigd.

2.

Als het bedrag van de ontgrondingenheffing lager is dan € 250,–, vindt geen teruggave van de heffing plaats.

3.

De ontgrondingenheffing wordt geheven bij wijze van aanslag.

Artikel 8.3. (vrijstelling grondwateronttrekkingsheffing)

Van de heffing, bedoeld in artikel 13.4b, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld onttrekkingen van grondwater:

Artikel 8.4. (kosten onderzoeken grondwaterbeleid)
1.

De onderzoeken, bedoeld in artikel 13.4b, eerste lid, onder b, van de wet, waarvan de kosten kunnen worden bestreden met de grondwateronttrekkingsheffing zijn de onderzoeken voor het grondwaterbeleid van de provincie die noodzakelijk zijn voor het vaststellen en uitvoeren van een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet.

2.

De kosten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 13.4b, vierde lid, van de wet, die kunnen worden bestreden met de grondwateronttrekkingsheffing zijn de kosten van:

Afdeling 8.3. Financiële zekerheid

Artikel 8.5. (gevallen waarin financiële zekerheid kan worden gesteld)

De gevallen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, van de wet, waarvoor aan een omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt, zijn:

Artikel 8.6. (gevallen waarin financiële zekerheid moet worden gesteld)
1.

De gevallen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, van de wet, waarvoor aan een omgevingsvergunning het voorschrift wordt verbonden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt, zijn:

2.

Als het exploiteren van een Seveso-inrichting ook omvat het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het daarbij gaat om een mijnbouwwerk voor het opslaan van stoffen, is het eerste lid, aanhef en onder e, niet van toepassing op schade uit nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving als gevolg van dat exploiteren waarvoor financiële zekerheid kan worden gesteld op grond van de artikelen 46, 47 en 48 van de Mijnbouwwet.

Artikel 8.6a. (samenloop artikelen 8.5 en 8.6)

Voor zover een geval in zowel artikel 8.5 als artikel 8.6 is aangewezen, is alleen artikel 8.6 van toepassing.

Artikel 8.7. (plicht voor openbaar lichaam)
1.

Als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is, wordt alleen in gevallen als bedoeld in artikel 8.6, onder a, b of c, een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden over het stellen van financiële zekerheid.

2.

In gevallen als bedoeld in artikel 8.6, onder a of b, is het treffen van een gelijkwaardige maatregel uitgesloten voor een ander dan een openbaar lichaam.

Artikel 8.8. (afwegingscriteria stellen en wijzigen financiële zekerheid)

Het bevoegd gezag houdt bij het verbinden van een voorschrift aan de omgevingsvergunning over het stellen van financiële zekerheid en het wijzigen van een dergelijk voorschrift in een geval als bedoeld in artikel 8.5 in ieder geval rekening met:

Artikel 8.9. (vorm financiële zekerheidstelling)
1.

Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid de vorm vast waarin de financiële zekerheid wordt gesteld.

2.

Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van de vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld, in ieder geval rekening met:

Artikel 8.10. (hoogte bedrag financiële zekerheidstelling)
1.

Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid vast voor welk bedrag de zekerheid wordt gesteld.

2.

Het bedrag is:

3.

Voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder c, is de berekening gebaseerd op de criteria die zijn opgenomen in Beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEG 2009, L 101).

Artikel 8.10a. (aanvullende bepaling vorm en hoogte bedrag financiële zekerheid)

Onverminderd de artikelen 8.9 en 8.10, tweede lid, onder a, kan voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, onder e, als de in dat onderdeel bedoelde milieubelastende activiteit ook omvat het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het daarbij gaat om een mijnbouwwerk voor het opslaan van stoffen, bij het vaststellen van de vorm, respectievelijk hoogte, van financiële zekerheid rekening worden gehouden met de vorm, respectievelijk hoogte, waarin sprake is van:

Artikel 8.11. (termijn instandhouding financiële zekerheidstelling)
1.

Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid vast hoe lang de financiële zekerheid in stand wordt gehouden.

2.

De financiële zekerheid voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats, met uitzondering van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot de stortplaats is gekeurd als bedoeld in artikel 8.59, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3.

De financiële zekerheid voor het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot zo nodig een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie is aangebracht.

4.

De financiële zekerheid voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening wordt in stand gehouden tot:

Artikel 8.12. (bewijsvoering financiële zekerheidstelling)

Het bevoegd gezag bepaalt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid dat, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen redelijke termijn nadat dat voorschrift aan de vergunning is verbonden, bewijs wordt verstrekt dat financiële zekerheid is gesteld.

Afdeling 8.4. Kostenverhaal

Artikel 8.13. (kostenverhaalplichtige activiteiten)

Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn:

Artikel 8.14. (afzien van kostenverhaal)

Het bevoegd gezag kan beslissen kosten niet te verhalen als:

Artikel 8.15. (verhaalbare kostensoorten)

De kostensoorten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn:

Artikel 8.16. (raming opbrengsten van gronden)

Bij de raming van de opbrengsten, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt uitgegaan van de opbrengst van de gronden op een datum in het jaar waarin de beschikking, bedoeld in artikel 13.18, eerste lid, van de wet, zal worden gegeven.

Artikel 8.17. (raming inbrengwaarde van gronden)
1.

De raming van de inbrengwaarde, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt vastgesteld:

2.

Tot de inbrengwaarde worden gerekend:

Artikel 8.18. (raming waardevermeerdering)
1.

De raming van de waardevermeerdering, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt vastgesteld door de geraamde opbrengst van de locatie waar de activiteit wordt verricht te verminderen met de geraamde inbrengwaarde van die locatie.

2.

Op de ramingen van de opbrengst en de inbrengwaarde zijn de artikelen 8.16 en 8.17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.19. (eindafrekening op verzoek)

Een eindafrekening op verzoek als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de wet vindt plaats op basis van de op het moment van de aanvraag om de eindafrekening:

Afdeling 8.5. Financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied

Artikel 8.20. (activiteiten waarover financiële bijdragen kunnen worden overeengekomen)

De activiteiten waarover in een overeenkomst bepalingen over financiële bijdragen kunnen worden opgenomen, bedoeld in artikel 13.22, eerste lid, van de wet, zijn:

Artikel 8.21. (categorieën ontwikkelingen waarvoor financiële bijdragen kunnen worden verhaald)
1.

Als categorieën ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarvoor, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 13.23, eerste lid, onder a en b, van de wet, in een omgevingsplan kan worden bepaald dat een financiële bijdrage wordt verhaald op degene die een activiteit als bedoeld in artikel 13.11 van de wet verricht, worden aangewezen:

2.

Onder de aanwijzing valt niet de aanleg van voorzieningen of het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving waarvoor kosten worden gemaakt die op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk moeten worden verhaald op degene die de betrokken activiteit verricht.

Artikel 8.22. (regels over eindafrekening van financiële bijdragen)
1.

Als op grond van artikel 13.23, eerste lid, van de wet in een omgevingsplan wordt bepaald dat voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving een financiële bijdrage wordt verhaald, worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over de eindafrekening van de financiële bijdragen die met toepassing van artikel 13.24 van de wet worden verhaald. Daarbij wordt in ieder geval bepaald binnen welke termijn de eindafrekening plaatsvindt.

2.

Als bij de eindafrekening blijkt dat de voor de ontwikkeling benodigde financiële bijdrage lager is dan de op grond van de beschikking, bedoeld in artikel 13.24 van de wet, betaalde geldsom, betaalt het college van burgemeester en wethouders het verschil terug met rente.

Hoofdstuk 9. Schade

Artikel 9.1. (gevallen onder normaal maatschappelijk risico)

Als gevallen waarin schade wordt geacht niet uit te gaan boven het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 15.7, vierde lid, van de wet, worden aangewezen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29, onder a tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 9.2. (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag nadeelcompensatie)
1.

Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 15.8, derde lid, van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Artikel 9.3. (aanwijzing diersoorten voor tegemoetkoming schade)

Voor de schade aangericht door dieren van de volgende soorten verlenen gedeputeerde staten een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53, eerste lid, van de wet:

Hoofdstuk 10. Procedures

Afdeling 10.0. Ministeriële regeling

Afdeling 10.1. Omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening

Artikel 10.1. (overleg bestuursorgaan voorafgaand aan voorbereidingsbesluit)

Het bevoegde bestuursorgaan voert voorafgaand aan het nemen van een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 4.16, eerste of tweede lid, van de wet overleg met het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad.

Artikel 10.2. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan)
1.

Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, bedoeld in artikel 16.29 van de wet, wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.

2.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.3. (toezending en overleg bij bijzondere betrokkenheid provincie)
1.

De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders zenden een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan onverwijld aan gedeputeerde staten als sprake is van een geval als bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onder a of b, van de wet.

2.

Gedeputeerde staten voeren voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 16.21 van de wet overleg met het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad.

Artikel 10.3a. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie waterschapsverordening)

Bij het vaststellen van een waterschapsverordening wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.3b. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsverordening)

Bij het vaststellen van een omgevingsverordening wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.3c. (publicatie ontwerp omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening)
1.

Bij de voorbereiding van een omgevingsplan, een waterschapsverordening en een omgevingsverordening waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het gemeenteblad, het waterschapsblad respectievelijk het provinciaal blad.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd.

Afdeling 10.2. Taken en instructies

Artikel 10.4. (actualisatie zwemwaterprofiel)

Een zwemwaterprofiel als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt regelmatig beoordeeld en geactualiseerd in overeenstemming met bijlage III bij de zwemwaterrichtlijn.

Artikel 10.5. (overleg bij aanwijzing zwemlocaties)

Als de aanwijzing van zwemlocaties, bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, overleggen gedeputeerde staten met de voor die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.

Artikel 10.6. (overleg bestuursorgaan voorafgaand aan instructie)

Het bevoegde bestuursorgaan voert voorafgaand aan het geven van een instructie op grond van artikel 2.33, 2.34 of 19.16, eerste en vierde lid, van de wet overleg met het bestuursorgaan waaraan de instructie wordt gegeven.

Artikel 10.6a. (publicatie instructie)

Van een instructie van een bestuursorgaan van een provincie of het Rijk op grond van artikel 2.33 of 2.34 van de wet wordt tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling gedaan in het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant.

Artikel 10.6b. (bekendmaking kwantificering instandhoudingsdoelstellingen natuur en rode lijsten)

Onze Minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor bekendmaking in de Staatscourant van:

Artikel 10.6c. (actualisatie aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden)
1.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor de actualisatie van de besluiten tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet, en van de besluiten tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied, bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, van de wet.

2.

Bij de actualisatie wordt rekening gehouden met de inzichten die voortkomen uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 10.6d. (opvatting Europese Commissie over dwingende redenen van groot openbaar belang bij Natura 2000-gebieden)

De opvatting van de Europese Commissie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, over het aanvoeren van andere dwingende redenen van groot openbaar belang dan argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, als sprake is van een Natura 2000-gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort, wordt door Onze Minister voor Natuur en Stikstof gevraagd, op verzoek van het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of voor de vaststelling van een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn.

Afdeling 10.2a. Geluidproductieplafonds als omgevingswaarden

Artikel 10.6e. (voorbereidingsprocedure besluit tot vaststelling van geluidproductieplafond als omgevingswaarde)

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in de artikelen 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, en 2.15, tweede lid, van de wet, tenzij bij die vaststelling uitsluitend artikel 3.41, 3.42, 3.43 of 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt toegepast.

Afdeling 10.3. Omgevingsvisies

Artikel 10.7. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsvisie)
1.

Bij het vaststellen van een omgevingsvisie wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

2.

Als een omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad of provinciale staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.7a. (publicatie ontwerp en beschikbaar stellen geconsolideerde omgevingsvisie)
1.

Bij de voorbereiding van een gemeentelijke, provinciale of nationale omgevingsvisie waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het gemeenteblad, het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant.

2.

Artikel 140 van de Gemeentewet, artikel 137 van de Provinciewet en artikel 10a van de Bekendmakingswet zijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke, provinciale respectievelijk nationale omgevingsvisie.

Afdeling 10.4. Programma’s

§ 10.4.1. Algemeen

Artikel 10.8. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie programma)
1.

Bij het vaststellen van een programma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

2.

Als een programma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.9. (informatieverplichting gemeenten, waterschappen, provincies)

Het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten of provinciale staten verstrekken aan Onze Minister die het aangaat de benodigde gegevens over:

§ 10.4.2. Programma’s kwaliteit van de buitenlucht

Artikel 10.10. (overleg bij kwaliteit van de buitenlucht)

Bij de totstandkoming van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht, overlegt het college van burgemeester en wethouders of het op grond van artikel 4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen bestuursorgaan met de bevoegde autoriteiten van andere staten als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door grensoverschrijdende emissies.

Artikel 10.10a. (actualisatie nationaal nec-programma)

Het nationale nec-programma wordt geactualiseerd:

§ 10.4.3. Waterprogramma’s

Artikel 10.11. (overleg bij en actualisatie van stroomgebiedsbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen)
1.

Bij de totstandkoming van stroomgebiedsbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a en b, van de wet voor de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems voor zover die betrekking hebben of ook betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met:

2.

Een stroomgebiedsbeheerplan en een overstromingsrisicobeheerplan worden elke zes jaar geactualiseerd.

Artikel 10.12. (overleg bij, actualisatie en operationaliteit programma van maatregelen mariene strategie)
1.

Bij de totstandkoming van een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.

2.

Het programma van maatregelen mariene strategie wordt elke zes jaar geactualiseerd.

3.

Het programma van maatregelen mariene strategie is operationeel uiterlijk een jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10.13. (overleg bij en actualisatie documenten ter voorbereiding van programma van maatregelen mariene strategie; initiële beoordeling, omschrijving goede milieutoestand en milieudoelen)
1.

Bij de totstandkoming van de initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.

2.

De initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen worden elke zes jaar geactualiseerd.

Artikel 10.14. (overleg bij en actualisatie documenten ter voorbereiding van programma van maatregelen mariene strategie; monitoringsprogramma)
1.

Bij de totstandkoming van het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11.38, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.

2.

Het monitoringsprogramma wordt elke zes jaar geactualiseerd.

Artikel 10.15. (overleg bij, actualisatie en eerste vaststelling van maritiem ruimtelijk plan)
1.

Bij de totstandkoming van een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten die aan de Nederlandse mariene wateren grenzen, onder meer over het gebruik van de best beschikbare gegevens en de uitwisseling van informatie.

2.

Een maritiem ruimtelijk plan wordt elke tien jaar geactualiseerd.

Artikel 10.16. (overleg bij, actualisatie en operationaliteit maatregelen van waterprogramma’s)
1.

Bij de totstandkoming van het nationale waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de wet, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met:

2.

Een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet en het nationale waterprogramma worden elke zes jaar geactualiseerd.

3.

Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, 4.4, derde lid, onder a, of 4.10, derde lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.

§ 10.4.4. Actieplannen geluid

Artikel 10.17. (overleg bij en actualisatie van actieplannen geluid)
1.

Bij de totstandkoming van een actieplan als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende staten voor zover het actieplan ook betrekking heeft op een grensregio.

2.

Een actieplan wordt elke vijf jaar geactualiseerd.

§ 10.4.5. Beheerplannen Natura 2000-gebieden

Artikel 10.18. (actualisatie en eerste vaststelling beheerplan Natura 2000)
1.

Een beheerplan voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet wordt elke zes jaar geactualiseerd.

2.

Het eerste beheerplan Natura 2000 wordt vastgesteld uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet.

§ 10.4.6. Programma stikstofreductie en natuurverbetering

Artikel 10.19. (actualisatie programma stikstofreductie en natuurverbetering)

Het programma stikstofreductie en natuurverbetering wordt ten minste elke zes jaar geactualiseerd.

Artikel 10.19a. (overleg met andere landen en Europese Commissie)
1.

Als uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of uit de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.69a van dat besluit, blijkt dat ondanks alle maatregelen die al zijn getroffen een instandhoudingsdoelstelling voor een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied niet kan worden bereikt of alleen met een onevenredige inspanning kan worden bereikt als gevolg van stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door bronnen in andere lidstaten van de Europese Unie, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de lidstaten waaruit de stikstof overwegend afkomstig is, over maatregelen in die lidstaten om de emissie te verminderen.

2.

Als vermindering van de emissie redelijkerwijs niet mogelijk is, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de Europese Commissie over de toepassing van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn voor dit Natura 2000-gebied en de betrokken habitat.

Afdeling 10.5. Meldingen en maatwerkvoorschriften

Artikel 10.19b. (aanvraag maatwerkvoorschrift activiteiten die de natuur betreffen)

Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over artikel 11.96 of 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl.

Artikel 10.20. (kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift)
1.

Het bevoegd gezag geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis van:

2.

Het bevoegd gezag geeft kennis van maatwerkvoorschriften als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

Afdeling 10.6. Omgevingsvergunning

§ 10.6.1. Aanvraag en werking omgevingsvergunning

Artikel 10.21. (aanvraag omgevingsvergunning wateractiviteiten los)

Voor alle wateractiviteiten wordt de omgevingsvergunning los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de wet.

Artikel 10.21a. (aanvraag omgevingsvergunning activiteiten die de natuur betreffen los)

Voor de volgende activiteiten die de natuur betreffen wordt de omgevingsvergunning los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de wet:

Artikel 10.21b. (nadere regels aanvraag en uitreiking omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit)
1.

De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt door de aanvrager in persoon ingediend, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs.

2.

Het eerste lid en artikel 16.78a, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op een aanvrager die een aanvraag indient om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 10.23, vijfde lid.

Artikel 10.21c. (nadere regels aanvraag omgevingsvergunning valkeniersactiviteit)

Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl.

Artikel 10.21d. (nadere regels aanvraag omgevingsvergunning andere activiteiten die de natuur betreffen)

Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c, wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl.

Artikel 10.22. (informatie omgevingsvergunning milieubelastende activiteit)
1.

Het bevoegd gezag verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een andere staat een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit met de daarbij behorende gegevens als:

2.

Het afschrift en de daarbij behorende gegevens worden verstrekt op het moment waarop op grond van:

3.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een winningsafvalvoorziening categorie A als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een andere staat, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in die andere staat, wordt dit overleg vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.

Als de aanvraag betrekking heeft op het produceren en leveren van teruggewonnen water, bedoeld in artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt informatie uitgewisseld als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 8, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

5.

Nadat het besluit is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat besluit aan de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties van die andere staat.

Artikel 10.22a. (informatie omgevingsvergunning cultureel erfgoed)
1.

Het bevoegd gezag verstrekt binnen een week na de dag waarop een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit is verleend een afschrift van de vergunning aan het college van burgemeester en wethouders en aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2.

Het bevoegd gezag verstrekt binnen een week na de dag waarop een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de wet is verleend die van invloed is op het karakter van dat stads- of dorpsgezicht, een afschrift van de vergunning aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 10.23. (termijnstelling in omgevingsvergunning)
1.

In een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een tijdelijk bouwwerk wordt bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergunning gestelde termijn van ten hoogste vijftien jaar, verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand te hebben hersteld.

2.

Als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, kan die termijn worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar.

3.

In een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt bepaald dat die geldt:

4.

In een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt bepaald dat die geldt:

5.

Als toepassing wordt gegeven aan artikel 8.74u of 8.74x van het Besluit kwaliteit leefomgeving en een omgevingsvergunning aan niet in Nederland woonachtige personen wordt verleend, wordt in de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en in de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit bepaald dat die geldt voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste zes opeenvolgende in de vergunning vermelde dagen.

§ 10.6.2. Toepassing afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht

Artikel 10.24. (voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning)
1.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om, wijziging van of intrekking van een omgevingsvergunning, als de aanvraag, wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de volgende activiteiten:

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, als die activiteit alleen wordt verricht voor archeologisch vooronderzoek voor zover dit bestaat uit booronderzoek, proefputtenonderzoek, proefsleuvenonderzoek, of, bij cultureel erfgoed onder water, het nemen van materiaalmonsters of het meenemen van een archeologische vondst als bedoeld in de Erfgoedwet.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder d, als die activiteit alleen of voornamelijk wordt uitgevoerd voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe methoden of producten gedurende minder dan twee jaar, tenzij aannemelijk is dat de activiteit significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, en k, onder 1°, als die wijziging naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.

Artikel 10.25. (toepassing coördinatieregeling Awb)
1.

In een geval als bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder a, van de wet is coördinerend bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de andere activiteit of activiteiten dan wateractiviteiten.

2.

In de gevallen, bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder b, van de wet, is coördinerend bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, respectievelijk dat bevoegd is die voorschriften ambtshalve te wijzigen.

Afdeling 10.7. Gedoogplichtbeschikking

Artikel 10.26. (intrekking gedoogplichtbeschikking)

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een gedoogplichtbeschikking.

Afdeling 10.7a. Aanwijzing als certificatie-instelling

Artikel 10.26a. (toepassing afdeling 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht)

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de beslissing op een aanvraag om aanwijzing als certificatie-instelling en de beslissing op een aanvraag om aanwijzing van een certificatieschema als bedoeld in de artikelen 3.74, eerste lid, en 3.75, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 10.7b. Toelatingsprocedure en gegevensverstrekking stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen

Artikel 10.26b. (aanvraagvereisten)
1.

De aanvrager verstrekt bij de aanvraag om toelating van een instrument voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen als bedoeld in artikel 3.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden.

2.

De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden hoeven niet te worden verstrekt voor zover de toelatingsorganisatie al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 10.26c. (toepassing afdeling 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht)

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de beslissing op de aanvraag om toelating van een instrument voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen als bedoeld in artikel 3.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 10.26d. (registratie instrumentaanbieders)

De toelatingsorganisatie neemt binnen twee werkdagen na de datum waarop een beschikking als bedoeld in artikel 7ad, 7ae, 7af of 7ag van de Woningwet is gegeven in het register, bedoeld in artikel 7ai, eerste lid, van die wet op:

Artikel 10.26e. (registratie kwaliteitsborgers)
1.

De toelatingsorganisatie neemt binnen twee werkdagen na ontvangst daarvan de gegevens, bedoeld in artikel 7ah, eerste lid, van de Woningwet, op in het register, bedoeld in artikel 7ai, eerste lid, van die wet.

2.

Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de toelatingsorganisatie vermeldt de instrumentaanbieder:

Afdeling 10.8. Verstrekken en beschikbaar stellen van gegevens

§ 10.8.1. Externe veiligheid

Artikel 10.27. (gegevensverstrekking externe veiligheidsrisico’s)

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 11.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekken de gegevens over externe veiligheid, bedoeld in de artikelen 11.2, 11.3, 11.4, 11.6 en 11.7 van dat besluit, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

Artikel 10.27a. (overgangsrecht gegevensverstrekking externe veiligheidsrisico’s)

Als een activiteit al rechtmatig wordt verricht op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.27, dan geldt de verplichting om gegevens te verstrekken, bedoeld in de aanhef van dat artikel, met ingang van 1 januari 2025. De gegevens worden onverwijld verstrekt.

Artikel 10.28. (gegevensverstrekking domino-effecten Seveso-inrichting)

Wanneer het bevoegd gezag beschikt over gegevens als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, die niet zijn verstrekt door degene die de Seveso-inrichting exploiteert, worden die gegevens beschikbaar gesteld aan degene die de Seveso-inrichting exploiteert voor zover dit nodig is voor de toepassing van artikel 4.13 van dat besluit.

§ 10.8.1a. Waterveiligheid

Artikel 10.28a. (gegevensverstrekking veiligheid primaire waterkeringen)

Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt voor elke primaire waterkering waarover het het beheer heeft een verslag over de algemene waterstaatkundige toestand als bedoeld in artikel 11.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

§ 10.8.2. Kwaliteit van de buitenlucht

Artikel 10.29. (verstrekking en publicatie gegevens over luchtkwaliteit)
1.

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied dat is aangewezen in artikel 5.51, tweede of derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat gebied ligt, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.22, eerste en tweede lid, van dat besluit, jaarlijks uiterlijk op 31 mei aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in artikel 11.22, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

3.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 december een verslag van de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.30. (beschikbaar stellen informatie over emissies)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.31. (bekendmaking tijdelijke regels bij luchtverontreiniging)

De commissaris van de Koning maakt een besluit met regels over het gebruik van installaties of brandstoffen en over andere verontreinigende activiteiten als bedoeld in artikel 19.12, eerste of derde lid, van de wet, via de media en langs elektronische weg bekend. Van het besluit wordt vervolgens zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in het provinciaal blad, onder vermelding van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit.

§ 10.8.3. Waterkwaliteit

Artikel 10.32. (beschikbaar stellen monitoringsprogramma)

Een monitoringsprogramma als bedoeld in artikel 11.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt elektronisch beschikbaar gesteld.

Artikel 10.33. (gegevensverstrekking opstellen stroomgebiedsbeheerplannen)

Het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrekken de door hen verzamelde gegevens die nodig zijn voor het opstellen van stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 11.35 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, uiterlijk op de volgende tijdstippen:

Artikel 10.33a. (gegevensverstrekking resultaten analyses en beoordeling kaderrichtlijn water)

Het gemeentebestuur, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrekken uiterlijk op 22 juni 2025 en vervolgens om de zes jaar de resultaten van de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 11.36 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 10.33b. (gegevensverstrekking voortgang uitvoering van maatregelen)

Het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrekken uiterlijk op 22 juni 2024 en vervolgens om de zes jaar de gegevens over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 11.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 10.34. (gegevensverstrekking beschermde gebieden kaderrichtlijn water)

Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekken zo spoedig mogelijk na gegevensverzameling, de als gegevens verzamelde beschermde gebieden, bedoeld in artikel 11.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 10.35. (verstrekking en publicatie gegevens inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib)
1.

Het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk verstrekt de gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, vier maanden na ontvangst van een verzoek daartoe aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt elke twee jaar het verslag van de gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.42 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.36. (beschikbaar stellen verslagen kaderrichtlijn water)

Het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen aan het eind van de looptijd van een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet respectievelijk het nationale waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de wet, elektronisch beschikbaar:

Artikel 10.36aa. (gegevensverstrekking verordening hergebruik stedelijk afvalwater)

Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de gegevens waarover zij beschikken die nodig zijn om te voldoen aan artikel 11, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

§ 10.8.3a. Natuur

Artikel 10.36a. (rapportages vogelrichtlijn en habitatrichtlijn)
1.

Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof gegevens over:

2.

De gegevens worden verstrekt ten behoeve van:

3.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, laatste zin, en 10, tweede lid, van de vogelrichtlijn, aan de Europese Commissie.

Artikel 10.36b. (melding compenserende maatregelen Natura 2000-gebieden aan Europese Commissie)
1.

Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of voor de vaststelling van een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn meldt gegevens over de compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.

Artikel 10.36c. (rapportage uitvoering invasieve-exoten-basisverordening)
1.

Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof uiterlijk op 1 juni 2025, en daarna steeds na zes jaar, gegevens over de uitvoering van de maatregelen voor de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve exoten van de in bijlage VC bij het Besluit kwaliteit leefomgeving genoemde soorten.

2.

De door gedeputeerde staten verstrekte gegeven hebben betrekking op:

3.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.

Artikel 10.36d. (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over natuurnetwerk Nederland)
1.

Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof gegevens over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland.

2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof informeert op basis van de gegevens van gedeputeerde staten de beide Kamers der Staten-Generaal over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland.

Artikel 10.36da. (gegevensverstrekking over programma stikstofreductie en natuurverbetering)
1.

De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

2.

De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke zes jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

Artikel 10.36db. (gegevensverstrekking gebiedsgerichte uitwerking programma stikstofreductie en natuurverbetering)

Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervolgens steeds zo spoedig mogelijk na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekken gedeputeerde staten de gegevens, bedoeld in artikel 11.69b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan die Minister.

Artikel 10.36dc. (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over programma stikstofreductie en natuurverbetering)

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt aan de beide Kamers der Staten-Generaal de volgende verslagen met de volgende frequentie:

Artikel 10.36e. (verstrekking gegevens verzekering jachtgeweer)

De korpschef verstrekt op verzoek gegevens uit de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over de nakoming van een verzekering als bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan:

§ 10.8.4. Kwaliteit van zwemlocaties

Artikel 10.37. (gegevensverstrekking zwemlocaties)

Het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap verstrekt jaarlijks uiterlijk op 31 oktober over elke zwemlocatie waarover het het beheer heeft in ieder geval de volgende gegevens aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

Artikel 10.38. (beschikbaar stellen verslag monitoring omgevingswaarde kwaliteit zwemlocatie)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag van de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.39. (beschikbaar stellen informatie over zwemlocaties)
1.

Gedeputeerde staten lichten het publiek gedurende het badseizoen voor over:

2.

Gedeputeerde staten geven in de nabijheid van een zwemlocatie op passende wijze voorlichting, via de media en langs elektronische weg, zodra de informatie beschikbaar is.

3.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, bestaat de voorlichting in ieder geval uit:

§ 10.8.5. Geluid

Artikel 10.39a. (gegevensverstrekking industrieterreinen)
1.

Degene die op een industrieterrein een activiteit anders dan het wonen verricht, verstrekt op verzoek van de gemeenteraad, of provinciale staten als artikel 2.12a, eerste lid, van de wet wordt toegepast, gegevens over het geluid door die activiteit voor de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor het industrieterrein.

2.

Het eerste lid geldt niet voor:

Artikel 10.39b. (gegevensverstrekking windturbines, windparken, civiele en militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen op industrieterreinen)

Als dat nodig is om aan de verplichting van een bestuursorgaan tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f of g, te voldoen, verstrekt degene die een activiteit als bedoeld in die onderdelen verricht, op verzoek van dat bestuursorgaan gegevens over het geluid door die activiteit.

Artikel 10.39c. (gegevensverstrekking luchthavens)

Als dat nodig is om aan de verplichting tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder e, te voldoen, verstrekt degene die een luchthaven exploiteert, op verzoek van gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gegevens over het geluid door die luchthaven.

Artikel 10.40. (verstrekking en publicatie gegevens over belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens)
1.

Gedeputeerde staten verstrekken elke vijf jaar uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in artikel 11.49, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat publiceert elke vijf jaar uiterlijk op 29 juni in de Staatscourant:

Artikel 10.41. (gegevensverstrekking door beheerder geluidbron voor geluidbelastingkaart)
1.

Degene die een geluidbron beheert, verstrekt op verzoek van het bestuursorgaan dat is belast met de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet, alle gevraagde gegevens voor zover dat bestuursorgaan daar zelf geen toegang toe heeft.

2.

De gegevens worden binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen verstrekt, of, wanneer de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn, onverwijld nadat die beschikbaar zijn gekomen.

Artikel 10.42. (gegevensverstrekking door bestuursorganen voor geluidbelastingkaart)

Als dat nodig is voor de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet, verstrekken bestuursorganen elkaar op verzoek alle gevraagde gegevens voor zover het verzoekende bestuursorgaan daar geen toegang toe heeft.

Artikel 10.42a. (gegevensverstrekking geluidregister)
1.

De volgende bestuursorganen verstrekken de volgende gegevens op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat binnen de daarbij aangegeven termijn:

2.

De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verstrekken onverwijld gecorrigeerde gegevens nadat is gebleken dat eerder door hen verstrekte gegevens onjuist zijn.

Artikel 10.42b. (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluidproductieplafonds)
1.

Voor industrieterreinen in een gemeente die niet ligt in een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie, doet het college van burgemeester en wethouders voor 18 juli 2029 en daarna elke vijf jaar verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit. Het verslag bevat daarnaast:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat doet jaarlijks verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.

3.

De beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, doet jaarlijks aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.

4.

Als toepassing is gegeven aan artikel 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doen het college van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten elk jaar voor 18 juli voor de betrokken geluidproductieplafonds verslag van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van dat besluit.

5.

Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.

Artikel 10.42c. (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluid wegen en spoorwegen met basisgeluidemissie)
1.

Het college van burgemeester en wethouders doet aan de gemeenteraad en het dagelijks bestuur van een waterschap doet aan het algemeen bestuur van het waterschap:

2.

Het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat ten minste:

3.

Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.

§ 10.8.5a. Bodemkwaliteit

Artikel 10.42c1. (beschikbaar stellen eindonderzoek bodem)
1.

Als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld als bedoeld in artikel 5.4, aanhef en onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, stelt het bevoegd gezag voor het publiek relevante informatie daarover elektronisch beschikbaar.

2.

De gegevens worden pas beschikbaar gesteld nadat de juistheid van die gegevens deugdelijk is vastgesteld.

Artikel 10.42c2. (gegevensverstrekking stortplaatsen voor baggerspecie op land)

Het bevoegd gezag voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verstrekt, voor zover op de stortplaats alleen baggerspecie wordt gestort en de stortplaats niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam, een afschrift van de resultaten, bedoeld in artikel 8.62n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

§ 10.8.6. PRTR

Artikel 10.42d. (elektronisch indienen PRTR-verslag)

Een PRTR-verslag wordt ingediend met gebruikmaking van een elektronisch formulier. Het formulier wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar gesteld op e-mjv.nl.

Artikel 10.43. (gegevensverstrekking PRTR; uitstel verklaring PRTR-verslag)

Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doet van het uitstel van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 11.57, derde lid, van dat besluit, uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar, schriftelijk mededeling aan degene die de activiteit, bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening, verricht.

Artikel 10.44. (gegevensverstrekking PRTR; gegevens als bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving)
1.

Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekt de gegevens, bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving, na de kwaliteit daarvan te hebben beoordeeld, telkens uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar in elektronische vorm aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

3.

In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, meldt het bestuursorgaan aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat dat een verklaring als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of onder b, is afgegeven, uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar of, als dat eerder is, zodra die verklaring in werking is getreden.

Artikel 10.45. (gegevensverstrekking PRTR; handelwijze bij geheimhouden gegevens)
1.

Als het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op grond van artikel 11.60, eerste lid, van dat besluit heeft beslist bepaalde in het PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat te verstrekken, deelt dat bestuursorgaan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat mee:

2.

De mededeling bevat een samenvatting van de motivering van de beslissing.

3.

Als de mededeling betrekking heeft op het geheimhouden van de naam van een verontreinigende stof, wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI bij het Besluit activiteiten leefomgeving, waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof behoort.

4.

In afwijking van artikel 10.44, eerste lid, worden gegevens waarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 11.60, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat dat besluit in werking is getreden.

Artikel 10.46. (beschikbaar stellen van gegevens en verklaringen PRTR)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de gegevens en verklaringen, bedoeld in artikel 11.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uiterlijk op 31 maart van het tweede kalenderjaar volgend op het verslagjaar per verslagjaar beschikbaar via het PRTR, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

§ 10.8.7. Behoud van werelderfgoed

Artikel 10.48. (gegevensverstrekking werelderfgoed)

Een instantie of een bestuursorgaan, aangewezen als siteholder in het managementplan, bedoeld in de Operational guidelines for the implementation of the World Heritage Convention, verstrekt aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op verzoek de gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 29 van het werelderfgoedverdrag.

Artikel 10.49. (gegevensverstrekking activiteiten die werelderfgoed kunnen aantasten)
1.

Als een instantie of een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 10.48 op de hoogte is van een voornemen om een activiteit te verrichten die de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten, stelt die instantie of dat bestuursorgaan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarvan zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat zich onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen, op de hoogte.

2.

Het eerste lid is ook van toepassing op een ander bestuursorgaan dat is belast met de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet als het werelderfgoed op zijn grondgebied ligt of als de uitoefening van een taak of bevoegdheid de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten.

§ 10.8.8. Tegengaan van klimaatverandering

Artikel 10.49a. (beschikbaar stellen broeikasgasinventarissen)

Onze Minister voor Klimaat en Energie stelt de broeikasgasinventarissen, bedoeld in artikel 11.66, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.49b. (doorzenden berichten over maatregelen verduurzaming energiegebruik)

Onze Minister voor Klimaat en Energie brengt berichten over maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik die via de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 5.15c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn ingediend, onverwijld binnen het bereik van het bevoegd gezag.

Afdeling 10.9. Kaarten

Artikel 10.50. (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling geluidbelastingkaarten)
1.

Bij de totstandkoming van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende lidstaten, voor zover die kaart ook betrekking heeft op grensregio’s.

2.

Het bevoegd gezag actualiseert een geluidbelastingkaart elke vijf jaar.

3.

Het bevoegd gezag stelt een geluidbelastingkaart elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.51. (actualisatie en elektronische beschikbaarstelling kaarten basiskustlijn)
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat actualiseert kaarten van de kustlijn als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de wet uiterlijk 15 februari 2024 en daarna elke zes jaar.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn elektronisch beschikbaar.

Artikel 10.52. (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten)
1.

Bij de totstandkoming van overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder c, van de wet overleggen gedeputeerde staten met:

2.

Gedeputeerde staten actualiseren de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten uiterlijk 22 december 2025 en daarna elke zes jaar.

3.

Gedeputeerde staten stellen de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 11.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.

Hoofdstuk 11. Milieueffectrapportage

Afdeling 11.1. Milieueffectrapportage voor plannen en programma’s

Artikel 11.1. (plan-mer-beoordeling)
1.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.36, vijfde lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het plan of programma en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het plan of programma.

2.

Artikel 16.36, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een plan of programma:

3.

Een beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau vindt alleen plaats als:

4.

Bij de beoordeling of sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet, betrekt het bevoegd gezag de context van het plan of programma dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.

Artikel 11.2. (advies Commissie voor de milieueffectrapportage)

Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren.

Artikel 11.3. (inhoud plan-MER)
1.

Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie:

2.

Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, ook gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden en de inhoud van het plan of programma.

Artikel 11.4. (inhoud plan of programma)
1.

In het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met:

2.

Daarnaast bevat het plan of programma in ieder geval:

Artikel 11.5. (monitoring plan-mer)
1.

Het bevoegd gezag monitort de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

2.

Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring.

3.

Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.

4.

Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Afdeling 11.2. Milieueffectrapportage voor projecten

Artikel 11.6. (aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten)
1.

Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet, die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

2.

Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

3.

Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen:

Artikel 11.7. (bijzonderheden bij aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten)
1.

Voor gevallen die zowel in kolom 2 als in kolom 3 van bijlage V zijn aangegeven, wordt bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport gemaakt.

2.

Bij de vaststelling of sprake is van een project als bedoeld in artikel 11.6, eerste of tweede lid, wordt het gehele project in beschouwing genomen, met inbegrip van de grensoverschrijdende onderdelen.

3.

Projecten als bedoeld in bijlage V, kolom 2, in samenhang met kolom 1, die alleen of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt, worden in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, aangemerkt als projecten als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid.

4.

Onder een wijziging of uitbreiding als bedoeld in bijlage V, kolom 3, wordt ook verstaan:

Artikel 11.8. (bijzonderheden bij de besluiten bij mer-(beoordelings)plichtige projecten)
1.

Als in bijlage V, kolom 4, de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is aangewezen, wordt ook de omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk bedoeld voor zover in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat het is verboden om:

2.

Als geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, kan het bevoegd gezag een ander besluit aanwijzen dat nodig is voor een project waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van dat besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

3.

Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, wordt die omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4.

Artikel 11.9. (regels ontheffing)
1.

Bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval de volgende gegevens:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis van:

Artikel 11.10. (inhoud mededeling voornemen)
1.

Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:

2.

Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, houdt degene die voornemens is het project uit te voeren rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten.

3.

Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden of te voorkomen.

Artikel 11.11. (project-mer-beoordeling)
1.

Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na ontvangst van de mededeling de beslissing, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, op grond van de informatie, bedoeld in artikel 11.10.

2.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit.

3.

In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:

Artikel 11.12. (passende scheiding)
1.

Als het bevoegd gezag degene is die voornemens is het project uit te voeren waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit.

2.

Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt zorg voor de naleving daarvan.

Artikel 11.13. (raadpleging reikwijdte en detailniveau)
1.

Het bevoegd gezag brengt advies uit over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, met inachtneming van de informatie die is verstrekt door degene die voornemens is het project uit te voeren, in het bijzonder over:

2.

Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, brengt het bevoegd gezag advies uit. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

Artikel 11.14. (advies Commissie voor de milieueffectrapportage)

Als toepassing wordt gegeven aan artikel 16.47, eerste lid, van de wet, stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport in de gelegenheid daarover te adviseren.

Artikel 11.15. (coördinatie terinzagelegging MER en passende beoordeling)

Als voor een project een milieueffectrapport moet worden gemaakt en voor dat project een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd waarvoor op grond van artikel 16.53c van de wet een passende beoordeling is gemaakt, wordt de passende beoordeling ook tegelijkertijd met het milieueffectrapport door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport wordt gemaakt, ter inzage gelegd.

Artikel 11.16. (inhoud project-MER)
1.

Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie:

2.

Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt aangegeven in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd in zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.

3.

Voor zover van toepassing omvat de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder h, de geplande maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen te voorkomen of te beperken, en informatie over paraatheid en de voorgenomen reactie bij dergelijke noodsituaties.

4.

Wanneer een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.

5.

Om overlapping van milieueffectrapporten te voorkomen, wordt bij het maken van het milieueffectrapport rekening gehouden met de beschikbare resultaten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Artikel 11.17. (beschrijving project in MER)

De beschrijving van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder a, bevat in ieder geval:

Artikel 11.18. (beschrijving milieueffecten in MER)
1.

De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder e, op de in artikel 11.16, eerste lid, onder d, bedoelde factoren, bevat in ieder geval een beschrijving van:

2.

De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project heeft betrekking op de directe en, voor zover van toepassing, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte, middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke en positieve en negatieve effecten van het project.

3.

De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project houdt rekening met de Europese of nationale doelstellingen over milieubescherming, die relevant zijn voor het project.

Artikel 11.19. (inhoud besluit)
1.

In het besluit waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met:

2.

Daarnaast bevat het besluit in ieder geval:

3.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat degene die voornemens is het project uit te voeren bestaande monitoring gebruikt voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring.

Artikel 11.20. (monitoring project-mer)
1.

Als op grond van artikel 11.19, tweede lid, onder d, monitoring plaatsvindt, verstrekt degene die het project uitvoert de resultaten van de monitoring aan het bevoegd gezag.

2.

Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.

3.

Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 11.21. (gegevensverstrekking)

Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek de bij dat gezag beschikbare gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn.

Afdeling 11.3. Grensoverschrijdende milieueffecten

§ 11.3.1. Grensoverschrijdende plan-mer

Artikel 11.22. (mededeling en toezending informatie grensoverschrijdende milieueffecten)
1.

Als een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de bevoegde autoriteit van de staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met die mededeling, of nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag doet de mededeling zo spoedig mogelijk en zendt de informatie in ieder geval voor de vaststelling van het plan of programma.

Artikel 11.23. (overleg)
1.

Als de bevoegde autoriteit van de andere staat binnen de gestelde termijn heeft aangegeven dat zij overleg wenst, overlegt het bevoegd gezag met die autoriteit over de mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 11.24. (zienswijzen)

Het betrokken publiek en de bevoegde instanties van de andere staat worden in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 11.25. (inhoud en verstrekking plan of programma)

Nadat het plan of programma is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat plan of programma aan de bevoegde autoriteit van de andere staat, degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht en de bevoegde instanties van de andere staat.

Artikel 11.26. (grensoverschrijdende milieueffecten in Nederland)
1.

Als de bevoegde autoriteit van een andere staat heeft meegedeeld dat een plan of programma mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft in Nederland, geeft het betrokken bestuursorgaan binnen de door die autoriteit gestelde termijn aan of overleg is gewenst.

2.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de bevoegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te compenseren.

3.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen.

4.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van:

§ 11.3.2. Grensoverschrijdende project-mer

Artikel 11.27. (mededeling grensoverschrijdende milieueffecten)
1.

Als een project waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de bevoegde autoriteit van de andere staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met deze mededeling, of zo spoedig mogelijk nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag zendt die informatie niet later dan het moment waarop derden op grond van artikel 16.46 of 16.50 van de wet worden betrokken bij het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet.

3.

Als sprake is van een projectbesluit, zendt het bevoegd gezag deze informatie niet later dan het moment van de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 5.47 van de wet.

Artikel 11.28. (toezending informatie en zienswijzen)
1.

Als de bevoegde autoriteit van de andere staat aangeeft deel te willen nemen aan de totstandkomingsprocedure van het besluit waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, worden het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de andere staat in ieder geval in de gelegenheid gesteld om:

2.

De hiertoe aangewezen bevoegde instanties in de andere staat worden, voor zover van toepassing, in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie voor het milieueffectrapport, met overeenkomstige toepassing van artikel 16.46 van de wet.

3.

Voor zover dit nog niet is gebeurd, zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan de bevoegde autoriteit en de bevoegde instanties van de andere staat:

4.

De vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport wordt gemaakt door degene die op grond van artikel 16.43, vijfde lid, van de wet het milieueffectrapport maakt.

Artikel 11.29. (overleg)
1.

Binnen een door de partijen afgesproken termijn overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteit van de andere staat over de mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van het project en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te vermijden, te voorkomen, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 11.30. (inhoud en verstrekking besluit)

Nadat het besluit is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat besluit aan de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties van de andere staat.

Artikel 11.31. (nieuwe informatie, monitoring en evaluatie)
1.

Als het bevoegd gezag voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid van de wet, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, over nieuwe informatie beschikt over een mogelijk nadelig grensoverschrijdend milieueffect, die niet beschikbaar was op het moment dat het besluit werd genomen en die het besluit inhoudelijk zou kunnen hebben beïnvloed, deelt het bevoegd gezag deze nieuwe informatie mee aan de bevoegde autoriteit van de andere staat.

2.

Als een van de staten hierom verzoekt, vindt overleg plaats over de vraag of het besluit naar aanleiding van die nieuwe informatie moet worden gewijzigd.

3.

Als de staten hiertoe gezamenlijk besluiten, voert het bevoegd gezag een evaluatie uit van het mogelijk nadelige grensoverschrijdende milieueffect van de uitvoering van het project, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Artikel 11.32. (grensoverschrijdende milieueffecten in Nederland)
1.

Als de bevoegde autoriteit van een andere staat heeft meegedeeld dat een project mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft in Nederland, geeft het betrokken bestuursorgaan binnen de door die autoriteit gestelde termijn aan of deelname aan de procedure van de milieueffectrapportage gewenst is.

2.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de bevoegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren.

3.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen.

4.

Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van:

Hoofdstuk 12. Adviesorganen en adviseurs

Afdeling 12.1. Commissie voor de milieueffectrapportage

Artikel 12.1. (samenstelling commissie)

De Commissie voor de milieueffectrapportage bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien plaatsvervangend voorzitters.

Artikel 12.2. (secretaris en bureau)
1.

De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft een secretaris en een bureau dat onder leiding staat van die secretaris.

2.

De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage wordt benoemd en ontslagen door de voorzitter van de commissie, na overleg met de plaatsvervangend voorzitters.

Artikel 12.3. (jaarverslag)

De Commissie voor de milieueffectrapportage brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 12.4. (samenstelling werkgroep)
1.

Als de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid wordt gesteld te adviseren, stelt de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter daarvoor een werkgroep van deskundigen samen.

2.

De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage deelt aan het bevoegd gezag en aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten maken mee uit welke deskundigen de werkgroep bestaat.

3.

Een werkgroep staat onder voorzitterschap van de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.

4.

De deskundigen in een werkgroep worden aangewezen door de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.

5.

Als een deskundige niet meer voldoet aan artikel 17.5, tweede lid, van de wet, ontheft de voorzitter van de werkgroep hem van zijn deelname in de werkgroep. Als de voorzitter niet de voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage is, gebeurt dit na overleg met laatstgenoemde voorzitter.

Artikel 12.5. (advisering door werkgroep)
1.

De werkgroep, bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, adviseert aan het bevoegd gezag.

2.

De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het gevoelen van de meerderheid van de deskundigen in de werkgroep.

3.

Op verzoek van de deskundigen die in de werkgroep een standpunt hebben verdedigd, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies vermeld. Deze deskundigen kunnen over een zodanig standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.

Afdeling 12.2. OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten

Artikel 12.6. (instelling en aanwijzing commissie)

Er is een OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten die tot taak heeft advies uit te brengen aan bestuursorganen over schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 15.1, eerste lid, onder k, van de wet, voor zover de schade voortvloeit uit beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument.

Artikel 12.7. (samenstelling commissie)

De OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten bestaat uit ten hoogste zeven leden.

Afdeling 12.3. Wetenschappelijke autoriteit CITES

Artikel 12.8. (samenstelling autoriteit)
1.

De wetenschappelijke autoriteit CITES bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste negen leden, de voorzitter daaronder begrepen.

2.

De leden bezitten ook deskundigheid op het gebied van natuurbescherming, welzijn van dieren en opvang van dieren.

Hoofdstuk 13. Handhaving en uitvoering

Afdeling 13.1. Bestuursrechtelijke handhavingstaak en handhavingsbevoegdheid

Artikel 13.1. (toedeling handhavingstaak aan een ander bestuursorgaan dan het college van burgemeester en wethouders)
1.

De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna genoemde bestuursorgaan:

2.

De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen evenmin bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna aangegeven bestuursorgaan, voor zover dat een ander bestuursorgaan is dan het college van burgemeester en wethouders:

Artikel 13.2. (toedeling handhavingstaak gedoogplichten)

De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij:

Artikel 13.3. (toedeling mede-handhavingstaak in verband met regels over instemming)
1.

Voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een activiteit, berust in de volgende gevallen de bestuursrechtelijke handhavingstaak ook bij het bestuursorgaan dat op grond van afdeling 4.2 heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die activiteit, of dat op grond van artikel 4.37 van dit besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16 bevoegd gezag zijn, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, onder 1°.

3.

Als in een projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald dat het besluit geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de wet en daarbij op grond van artikel 16.20, eerste lid, van de wet geen instemming is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak voor de betrokken activiteit, voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit, in de in het eerste lid, onder a, b en h, bedoelde gevallen ook bij het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten, respectievelijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13.3a0. (toedeling mede-handhavingstaak in verband met andere regels)

De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.184, 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218 en 3.250 van dat besluit, ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Afdeling 13.1a. Bestuurlijke boetes

Artikel 13.3a. (bestuurlijke boete bij overtreding cites-regels)
1.

Als regels als bedoeld in artikel 18.15a, eerste lid, van de wet bij overtreding waarvan Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bestuurlijke boete kan opleggen worden aangewezen:

2.

De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

3.

In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ten tijde van het begaan van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.

Afdeling 13.2. Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving

§ 13.2.1. Toepassingsbereik

Artikel 13.4. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden voor de uitoefening van bevoegdheden door het bevoegd gezag in het kader van de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de wet, en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet.

§ 13.2.2. Strategische en programmatische uitvoering en handhaving

Artikel 13.5. (uitvoerings- en handhavingsstrategie)
1.

De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht.

2.

De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.

3.

De handhavingsstrategie wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

4.

De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

Artikel 13.6. (inhoud uitvoerings- en handhavingsstrategie)
1.

De uitvoerings- en handhavingsstrategie biedt in ieder geval inzicht in:

2.

De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in:

Artikel 13.7. (nadere inhoud handhavingsstrategie)
1.

Tot de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder b, behoort in ieder geval:

2.

Tot de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder c, behoort in ieder geval:

Artikel 13.8. (uitvoeringsprogramma)
1.

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, werken jaarlijks de uitvoerings- en handhavingsstrategie uit in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, het komende jaar zullen worden verricht. Daarbij houden ze rekening met de doelen, bedoeld in dat lid, en de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, onder a.

2.

Het uitvoeringsprogramma wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

Artikel 13.9. (uitvoeringsorganisatie)
1.

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, richten hun organisatie zodanig in dat een goede uitvoering van de uitvoerings- en handhavingsstrategie en het uitvoeringsprogramma is gewaarborgd.

2.

De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat:

3.

De bestuursorganen dragen er ook zorg voor dat de werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving worden vastgelegd en dat werkzaamheden worden verricht volgens deze werkprocessen en procedures.

Artikel 13.10. (borgen van middelen)

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, dragen er zorg voor dat:

Artikel 13.11. (evaluatierapportage)
1.

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, rapporteren jaarlijks over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

2.

Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde rapportage wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie bezien en zo nodig aangepast.

§ 13.2.3. Omgevingsdiensten

Artikel 13.12. (basistakenpakket omgevingsdienst)
1.

Het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in ieder geval de volgende werkzaamheden, voor zover tot hun taak behorend, en voor zover deze regels zijn gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2 of 19.1b van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om milieubelastende activiteiten, of artikel 3.2, 4.2, 5.2, 6.2 of 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als het gaat om bouwactiviteiten of sloopactiviteiten, door een omgevingsdienst worden verricht:

2.

Tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort niet de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

3.

De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de wet, alleen door de in bijlage VII aangewezen omgevingsdiensten uitgevoerd.

4.

Een naamswijziging van een in bijlage VII aangewezen omgevingsdienst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden nadat een daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant.

§ 13.2.4. Informatieverstrekking uitvoering en handhaving

Artikel 13.13. (verplichting tot informatieverstrekking)

Aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in artikel 18.25, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, via het beveiligde digitale systeem voor informatie-uitwisseling, Inspectieview Milieu, raadpleegbaar maken.

Artikel 13.14. (andere bestuursorganen)

Als andere bestuursorganen als bedoeld in artikel 18.25, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

Artikel 13.15. (gebruik van het burgerservicenummer)

Ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt door de bestuursorganen, bedoeld in de artikelen 13.13 en 13.14, bij het verstrekken van persoonsgegevens het burgerservicenummer aangegeven.

Artikel 13.15a. (verwerkingsverantwoordelijke Inspectieview Milieu)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in Inspectieview Milieu.

Artikel 13.15b. (geen gegevensbewaring in Inspectieview Milieu)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorgt ervoor dat in Inspectieview Milieu geen gegevens worden bewaard.

Artikel 13.15c. (kosten Inspectieview Milieu)

De jaarlijkse beheerkosten van Inspectieview Milieu komen, voor zover ze niet worden gedekt door de jaarlijkse bijdragen van aangesloten bestuursorganen en instanties, voor rekening van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Afdeling 13.3. Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving bij Seveso-inrichtingen

§ 13.3.1. Toepassingsbereik

Artikel 13.16. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van de volgende werkzaamheden door het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio:

§ 13.3.2. Strategische en programmatische uitvoering en handhaving

Artikel 13.17. (coördinatie uitvoering en handhaving)
1.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de coördinatie van het onderling afgestemd verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16, waartoe in ieder geval behoren:

2.

Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio:

3.

Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onder a, behoren in ieder geval:

Artikel 13.18. (onderzoeken veiligheidsrapport)
1.

Het bevoegd gezag onderzoekt of de onderdelen van het opgestelde of bijgewerkte veiligheidsrapport die gaan over externe veiligheidsrisico’s voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het bevoegd gezag stelt de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, de werkgever en zelfstandige voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de veiligheidsregio waarin de Seveso-inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bedrijfsbrandweer en de voorbereiding van de rampenbestrijding, voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

4.

Het bevoegd gezag stelt het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over mogelijke waterverontreiniging of een mogelijke belemmering voor de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk bij een zwaar ongeval voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 13.19. (conclusies onderzoek veiligheidsrapport)
1.

Het bevoegd gezag stelt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van het veiligheidsrapport, in kennis van de conclusies van het onderzoek daarvan.

2.

Als het bevoegd gezag van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, wordt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen acht weken na ontvangst van het veiligheidsrapport verzocht om aanvullende gegevens en bescheiden te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken.

3.

De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag dat het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is gedaan tot de dag waarop de aanvullende gegevens en bescheiden zijn verstrekt.

Artikel 13.20. (toezichtsysteem en toezichtplan)
1.

Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zorgen gezamenlijk voor het vaststellen, bezien en bijwerken van een toezichtsysteem en een toezichtplan.

2.

Het toezichtplan bevat ten minste:

3.

Het toezichtplan wordt regelmatig bezien en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 13.21. (toezichtprogramma)
1.

Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio werken gezamenlijk het toezichtplan uit in toezichtprogramma’s voor routinematig en niet-routinematig toezicht op een Seveso-inrichting.

2.

Een toezichtprogramma vermeldt ten minste de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden. De frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, is:

3.

Het tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing als een toezichtprogramma is vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen, die ten minste is gebaseerd op:

Artikel 13.22. (uitvoering toezicht)
1.

Het houden van toezicht wordt afgestemd op het soort Seveso-inrichting en is niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten.

2.

Met bezoeken ter plaatse, het controleren van interne maatregelen, systemen, rapporten, documenten en opvolging van bevindingen en een planmatig, systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de systemen die in de Seveso-inrichting worden gebruikt, wordt nagegaan of:

3.

Als dat passend is, wordt het toezicht zoveel mogelijk gecombineerd met toezicht op andere wettelijke voorschriften.

Artikel 13.23. (bevindingen toezicht)
1.

Binnen vier maanden na afronding van een bezoek, controle of onderzoek als bedoeld in artikel 13.22, tweede lid, worden de bevindingen vastgelegd in een toezichtrapport en meegedeeld aan degene die de Seveso-inrichting exploiteert.

2.

Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zien er, voor zover het gaat om de uitoefening van hun bevoegdheden en het verrichten van hun werkzaamheden, op toe dat degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de bevindingen opvolgt door de vereiste maatregelen te treffen.

3.

Als een belangrijke overtreding van een bepaling in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geconstateerd, vindt binnen zes maanden na die constatering aanvullend toezicht plaats.

Artikel 13.24. (openbaarmaking bevindingen toezicht)
1.

Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio verschaffen aan een ieder de volgende gegevens:

2.

Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen toezichtrapporten als bedoeld in artikel 13.23, eerste lid.

3.

Als toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast toezichtrapport beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene gegevens bevat over risico’s van zware ongevallen, de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu en de bevindingen van het toezicht.

Afdeling 13.4. Bestuurlijke en strafrechtelijke sancties Seveso-inrichtingen

§ 13.4.1. Toepassingsbereik

Artikel 13.25. (toepassingsbereik)
1.

Deze afdeling is van toepassing op het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

2.

Deze afdeling is ook van toepassing op de strafbaarstellingen voor handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s en krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

§ 13.4.2. Bestuurlijke handhaving Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 13.26. (last onder bestuursdwang voor overtredingen Arbeidsomstandighedenwet)

Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter zake van de naleving van het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet, in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

Artikel 13.27. (bestuurlijke boete voor overtredingen Arbeidsomstandighedenwet)
1.

Als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt het handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, in strijd met de in artikel 13.26 genoemde artikelen, met uitzondering van artikel 4.9, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Als ernstige overtreding als bedoeld in artikel 34, zesde en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt aangemerkt een overtreding waardoor de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van die wet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers of van de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid verricht, ontstaat of is te verwachten.

3.

Als soortgelijke verplichtingen en verboden als bedoeld in artikel 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden aangewezen verplichtingen en verboden die voortvloeien uit het in de in artikel 13.26 genoemde artikelen bepaalde, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op overtreding van die verplichting of dat verbod op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van die wet, hoger is dan € 12.500,–.

4.

Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.

Artikel 13.28. (waarschuwingen en stillegging voor overtredingen Arbeidsomstandighedenwet)
1.

Na een herhaling van een overtreding of een soortgelijke overtreding kan een waarschuwing als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden gegeven. Als opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd, kan de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, een bevel worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode van ten hoogste drie maanden worden stilgelegd of niet mogen aanvangen.

2.

Als de aard van de overtreding of de soortgelijke overtreding, de met de overtreding of soortgelijke overtreding samenhangende omstandigheden of de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van het geven van een waarschuwing en het opleggen van een bevel.

3.

Van een soortgelijke overtreding als bedoeld in het eerste en tweede lid is sprake als het gaat om een overtreding van de in artikel 13.26 genoemde artikelen, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, hoger is dan € 50.000,–.

4.

Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag van deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.

§ 13.4.3. Strafbaarstellingen

Artikel 13.29. (strafbaarstellingen Wet veiligheidsregio’s)

Handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio's in de artikelen 4.14, 4.15, 4.17, 4.19, 4.20 en 4.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.

Artikel 13.30. (strafbaarstellingen Arbeidsomstandighedenwet)

Handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, in strijd met het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Hoofdstuk 14. Digitaal stelsel Omgevingswet

Afdeling 14.1. Elektronisch verkeer

Artikel 14.1. (elektronisch verkeer via de landelijke voorziening)
1.

Via de landelijke voorziening kan worden ingediend of gedaan:

2.

Via de landelijke voorziening kan worden voldaan aan een andere informatieverplichting dan een melding, tenzij bij wettelijk voorschrift een andere wijze is aangewezen waarop aan de informatieverplichting wordt voldaan.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag, een melding of informatie:

Artikel 14.2. (elektronisch formulier)
1.

Als via de landelijke voorziening een aanvraag om een omgevingsvergunning, een maatwerkvoorschrift of toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel wordt ingediend, een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet wordt gedaan of aan een informatieverplichting anders dan een melding wordt voldaan:

2.

In afwijking van het eerste lid worden niet via de landelijke voorziening verstrekt:

3.

Het bevoegd gezag stelt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de informatie beschikbaar die nodig is om het elektronische formulier te kunnen samenstellen.

Artikel 14.3. (ondertekening)
1.

Een aanvraag of melding die is ingediend of gedaan via de landelijke voorziening geldt als ondertekend.

2.

Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via de landelijke voorziening gelden als ondertekend.

Afdeling 14.2. Informatie via de landelijke voorziening

Artikel 14.4. (informatie uit besluiten en andere rechtsfiguren)
1.

De Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, stelt voor ontsluiting via de landelijke voorziening beschikbaar:

2.

De Dienst draagt zorg voor het beheer van de ingevolge het eerste lid beschikbaar gestelde informatie.

Artikel 14.5. (verstrekking gegevens over besluiten en andere rechtsfiguren)

Aan de Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, worden de in bijlage VIII genoemde gegevens over de besluiten en andere rechtsfiguren, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid, onder a, verstrekt door:

Afdeling 14.2a. Andere functionaliteiten van de landelijke voorziening

Artikel 14.5a. (samenwerkfunctionaliteit)

De landelijke voorziening voorziet in het elektronisch kunnen uitwisselen van gegevens bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag en het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet.

Artikel 14.5b. (doorzendfunctionaliteit)

De landelijke voorziening voorziet in het elektronisch doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet naar Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor het uitoefenen van de bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 13.1, aanhef en onder b, onder 5°.

Afdeling 14.3. Gegevensbeheer en persoonsgegevens

§ 14.3.1. Algemeen

Artikel 14.6. (begripsbepalingen)

In deze afdeling wordt verstaan onder:

§ 14.3.2. Gegevensbeheer

Artikel 14.7. (beheer berichten)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt een ingediend bericht onverwijld binnen het bereik van het bevoegd gezag en stelt het bevoegd gezag hiervan onverwijld op de hoogte.

2.

Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bevoegd gezag met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van het bericht.

3.

Een nog niet ingediend formulier en daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard, gerekend vanaf het tijdstip van de laatste mutatie.

Artikel 14.7a. (uitwisselen gegevens bij samenwerken)
1.

Een bestuursorgaan dat is betrokken bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag of het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet kan via de landelijke voorziening gegevens uitwisselen met andere betrokken bestuursorganen en adviseurs.

2.

De gegevens worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van de aanvraag of de beoordeling van de melding of gegevens en bescheiden.

Artikel 14.7b. (doorzenden berichten)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties brengt een ingediend bericht over een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving onverwijld binnen het bereik van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor het uitoefenen van de bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 13.1, aanhef en onder b, onder 5°.

2.

Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard.

§ 14.3.3. Persoonsgegevens

Artikel 14.8. (verwerkingsverantwoordelijke)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening.

2.

Het bevoegd gezag is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een bericht, vanaf het moment dat het dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening.

3.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een bericht als bedoeld in artikel 14.7b, eerste lid, vanaf het moment dat hij dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening.

4.

In afwijking van het eerste lid zijn, als sprake is van het uitwisselen van gegevens als bedoeld in artikel 14.7a, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 14.9. (verwerking persoonsgegevens voor toegang tot landelijke voorziening)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het verlenen van toegang tot de landelijke voorziening de volgende persoonsgegevens:

2.

De persoonsgegevens worden ten hoogste achttien maanden na het opheffen van het account in de landelijke voorziening bewaard.

Artikel 14.10. (verwerking persoonsgegevens voor doorgeleiden berichten naar bevoegd gezag)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het doorgeleiden van berichten naar het bevoegd gezag de volgende persoonsgegevens:

2.

Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7, tweede en derde lid, genoemde bewaartermijnen.

Artikel 14.10a. (verwerking persoonsgegevens bij samenwerken)
1.

Bij het voorbereiden van beslissingen op aanvragen en het beoordelen van meldingen of gegevens en bescheiden om te voldoen aan andere informatieverplichtingen dan meldingen worden de volgende persoonsgegevens verwerkt:

2.

Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7a, tweede lid, genoemde bewaartermijnen.

Artikel 14.10b. (verstrekking van persoonsgegevens bij samenwerken)

Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, bedoeld in artikel 14.8, vierde lid, kan de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 14.10a, eerste lid, verstrekken aan de volgende bestuursorganen of adviseurs voor zover dat noodzakelijk is voor een goede vervulling van een wettelijke taak:

Artikel 14.10c. (verwerking persoonsgegevens bij doorzenden)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het doorzenden van berichten over meldingen en gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 14.5b naar Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de volgende persoonsgegevens:

2.

Voor de persoonsgegevens geldt de in artikel 14.7b, tweede lid, genoemde bewaartermijn.

Artikel 14.11. (verwerking persoonsgegevens voor operationele werking landelijke voorziening)
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening de volgende persoonsgegevens:

2.

De persoonsgegevens en technische logbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden ten hoogste achttien maanden in de landelijke voorziening bewaard, waarbij de sessiegegevens alleen worden bewaard tot het moment waarop de sessie wordt beëindigd. De auditlogbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, worden ten hoogste vijf jaar in de landelijke voorziening bewaard.

Afdeling 14.4. Beheer onderdelen landelijke voorziening

Artikel 14.12. (beheer onderdelen landelijke voorziening door Kadaster)

De Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, draagt zorg voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van:

Hoofdstuk 15. Overgangsrecht

§ 15.1. Sanering te hoge geluidbelastingen

Artikel 15.1. (toepassingsbereik)
2.

In deze paragraaf wordt onder geluidgevoelig gebouw, geluidaandachtsgebied, gemeenteweg, provinciale weg en waterschapsweg verstaan wat in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving onder die begrippen wordt verstaan.

Artikel 15.2. (lijst met vanwege het geluid te saneren gebouwen)
1.

Voor de toepassing van paragraaf 12.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen onderstaande bestuursorganen uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een lijst samen van geluidgevoelige gebouwen:

2.

Op de lijst wordt vermeld een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig geluidgevoelig gebouw dat ligt in het geluidaandachtsgebied van:

3.

Op de lijst wordt niet vermeld een geluidgevoelig gebouw:

4.

De lijst bevat voor elk geluidgevoelig gebouw in ieder geval:

Artikel 15.3. (samenstellen en melding lijst met vanwege het geluid te saneren gebouwen)
1.

Voorafgaand aan de samenstelling van de lijst, bedoeld in artikel 15.2, publiceren het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten een ontwerp van de lijst en stellen zij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen.

2.

Bij de publicatie van het ontwerp van de lijst wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij de samenstelling van de lijst zijn betrokken.

3.

Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten zenden een afschrift van de lijst voor het in artikel 15.2, eerste lid, bedoelde tijdstip op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

§ 15.2. Geluidregister

Artikel 15.4. (afwijkend tijdstip gegevensverstrekking ten behoeve van het geluidregister)
1.

In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder a en b, verstrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is geluidproductieplafonds vast te stellen de in die onderdelen bedoelde gegevens met betrekking tot geluidproductieplafonds langs wegen en spoorwegen die zijn herberekend op grond van artikel 3.2 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, met uitzondering van het gegeven, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na die herberekening.

2.

In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f, verstrekken gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de in dat onderdeel bedoelde gegevens met betrekking tot op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet geldende besluit over het toegelaten geluid van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist, binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn.

3.

In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder g en h, verstrekt het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn de in die onderdelen bedoelde gegevens met betrekking tot activiteiten die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet rechtmatig worden verricht.

§ 15.3. Programma legalisering projecten natuur

Artikel 15.5. (gegevensverstrekking over programma legalisering projecten natuur en rapportage aan Tweede en Eerste Kamer)
1.

De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het in artikel 22.21, tweede lid, van de wet bedoelde programma voor het legaliseren van projecten met een geringe stikstofdepositie, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 12.26b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elk jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt elk jaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal het verslag over de voortgang en de gevolgen van het programma, bedoeld in artikel 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 16. Slotbepalingen

Artikel 16.1. (inwerkingtreding)

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 16.2. (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Omgevingsbesluit.

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen

Voor de toepassing van dit besluit wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

B. Verordeningen, richtlijnen en besluiten

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Bijlage II. bij artikel 3.1 van dit besluit (aanwijzing van rijkswateren)

1. Oppervlaktewaterlichamen

A. Hoofdwateren

B. Andere wateren dan hoofdwateren

2. Primaire waterkeringen en andere waterkeringen

A. Primaire waterkeringen

B. Andere dan primaire waterkeringen

Bijlage III. bij de artikelen 4.33 en 4.34 van dit besluit (advies door bestuur veiligheidsregio en advies door inspecteur-generaal leefomgeving en transport)

1. Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.33

Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.33 zijn:

2. Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.34

Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.34 zijn:

Bijlage IV. bij artikel 8.15 van dit besluit (kostensoorten)

De kostensoorten, bedoeld in artikel 8.15, zijn de in de tabellen A en B bedoelde kostensoorten.

A. Kostensoorten bij kostenverhaal met of zonder tijdvak A. Kostensoorten bij kostenverhaal met of zonder tijdvak
A1 De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek
A2 De waarde van de gronden die worden gebruikt voor de uitvoering van de onder A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid
A3 De kosten van het vrijmaken van de gronden, bedoeld onder A2, van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten
A4 Het tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente, de provincie of de Staat verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten
A5 De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder A2
A6 De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder A2
A7 De kosten van de noodzakelijke compensatie van in het kostenverhaalsgebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen
A8 De kosten van de aanleg of wijziging van: 1°. wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken; 2°. infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken; 3°. groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; 4°. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; 5°. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte; 6°. distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken; en 7°. riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken
A9 De kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit
A10 De kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de onder A3, A5, A6, A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek
A11 Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet
A12 Niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW of andere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder A1 en A3 tot en met A10
A13 De rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten
A14 De kosten van andere door of in opdracht van het bestuursorgaan te verrichten werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in deze bijlage bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen
B. Kostensoorten bij kostenverhaal met tijdvak; in aanvulling op tabel A B. Kostensoorten bij kostenverhaal met tijdvak; in aanvulling op tabel A
B1 De waarde van de gronden waar de bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet, zullen worden verricht, inclusief de waarde van de daar aanwezige, te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid
B2 De kosten om de gronden, bedoeld onder B1, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten
B3 De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder B1
B4 De kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder B1

Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van dit besluit (aanwijzing projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt)

Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Kolom 4 Kolom 4
Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit
A. Landbouw, bosbouw en aquacultuur Landbouw, bosbouw en aquacultuur Landbouw, bosbouw en aquacultuur Landbouw, bosbouw en aquacultuur Landbouw, bosbouw en aquacultuur Landbouw, bosbouw en aquacultuur
A1 Installaties voor intensieve veehouderij Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op meer dan: 1°. 85.000 plaatsen voor mesthoenders; 2°. 60.000 plaatsen voor hennen; 3°. 3.000 plaatsen voor mestvarkens; of 4°. 900 plaatsen voor zeugen Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
A2 Het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
A3 Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet
A4 Eerste bebossing of ontbossing met als doel een andere ruimtelijke functie van de grond Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
A5 Intensieve aquacultuur van vis Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
B. Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen
B1 Turfwinning, groeven en dagbouwmijnen Winning, wijziging of uitbreiding van een winning: 1°. van turf met een terreinoppervlakte van meer dan 150 ha; of 2°. in een groeve of dagbouwmijn met een terreinoppervlakte van meer dan 25 ha Winning, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit
B2 Winning van mineralen door afbaggering van de zee-, meer- of rivierbodem Winning, wijziging of uitbreiding op de Noordzee van: 1°. een winplaats van 500 ha of meer of het winnen van 10.000.000 m3 of meer; of 2°. meerdere winplaatsen, die samen 500 ha of meer omvatten, of 10.000.000 m3 of meer betreffen en in elkaars nabijheid liggen Winning, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit
B3 Ondergrondse mijnbouw, met inbegrip van oppervlakte-installaties Winning, wijziging of uitbreiding van een winning, die betrekking heeft op een gewonnen hoeveelheid van meer dan: 1°. 500 ton aardolie per dag; of 2°. 500.000 m3 aardgas1 per dag Winning, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
B4 Diepboringen, in het bijzonder: a. geothermische boringen; b. boringen in verband met de opslag van kernafval; of c. boringen voor watervoorziening; met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
C. Energie-industrie Energie-industrie Energie-industrie Energie-industrie Energie-industrie Energie-industrie
C1 Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water Oprichting, wijziging of uitbreiding met een warmtevermogen van 300 MW of meer (thermisch) Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
C2 Windparken Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met drie of meer windturbines De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het kavelbesluit op grond van artikel 3 van de Wet windenergie op zee De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het kavelbesluit op grond van artikel 3 van de Wet windenergie op zee De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het kavelbesluit op grond van artikel 3 van de Wet windenergie op zee
C3 Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van die centrales of reactoren, met uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 kW (thermisch) Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet
C4 Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet
C5 Installaties voor: a. de productie of de verrijking van splijtstoffen; b. de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval; c. de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen; d. alleen de definitieve verwijdering van radioactief afval; of e. alleen de (voor meer dan 10 jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet
C6 Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval anders dan bedoeld in C5 Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet De vergunning op grond van artikel 15 van de Kernenergiewet
C7 Industrieel briketteren van steenkool of bruinkool Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
C8 Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
D. Metaalindustrie Metaalindustrie Metaalindustrie Metaalindustrie Metaalindustrie Metaalindustrie
D1 Geïntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D2 Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D3 Installaties voor de productie van ruwijzer of staal, met inbegrip van continugieten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D4 Installaties voor verwerking van ferrometalen door: a. warmwalsen; b. het smeden met hamers; of c. het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D5 Smelterijen van ferrometalen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D6 Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, en met inbegrip van terugwinningsproducten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D7 Installaties voor oppervlakbehandeling van metalen en plastic materiaal door een elektrolytisch of chemisch procedé Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D8 Installaties voor het vervaardigen van motorvoertuigen of motoren voor motorvoertuigen of het assembleren van motorvoertuigen2 Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D9 Installaties voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van het oppervlak van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D10 Installaties voor de bouw of reparatie van luchtvaartuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D11 Spoorwegmaterieelfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D12 Uitstampen van metalen door springstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
D13 Installaties voor het roosten of sinteren van ertsen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E. Minerale industrie Minerale industrie Minerale industrie Minerale industrie Minerale industrie Minerale industrie
E1 Installaties voor de winning van asbest3 Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E2 Installaties voor de bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten of de vervaardiging van asbesthoudende producten3 Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op de bewerking of verwerking van: 1°. asbestcement met een capaciteit van meer dan 20.000 ton eindproduct per jaar; 2°. remvoeringen met een capaciteit van meer dan 50 ton eindproduct per jaar; of 3°. andere asbesthoudende producten met een verbruik van meer dan 200 ton asbest per jaar Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E3 Installaties voor de vervaardiging van cement Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E4 Installaties voor het vervaardigen van glas, met inbegrip van glasvezels Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E5 Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
E6 Installaties voor de vervaardiging van keramische producten door bakken, in het bijzonder dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F. Chemische industrie en raffinage Chemische industrie en raffinage Chemische industrie en raffinage Chemische industrie en raffinage Chemische industrie en raffinage Chemische industrie en raffinage
F1 Raffinaderijen van ruwe aardolie, met uitzondering van bedrijven die alleen smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F2 Installaties voor vergassing en vloeibaarmaking van steenkool of bitumineuze schisten Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op een verwerkingscapaciteit van 500 ton of meer steenkolen of bitumineuze schisten per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F3 Geïntegreerde chemische installaties, zijnde installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van: a. organische basischemicaliën; b. anorganische basischemicaliën; c. fosfaat-, stikstof-, of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (enkelvoudige of samengestelde meststoffen); d. basisproducten voor gewasbeschermingsmiddelen en van biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; e. farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procedé; of f. explosieven Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F4 Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool) Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F5 Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
F6 Productie van gewasbeschermingsmiddelen of van biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren of peroxiden Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G. Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie
G1 Vervaardiging van plantaardige of dierlijke oliën of vetten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G2 Conservenfabrieken voor dierlijke of plantaardige producten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G3 Zuivelfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G4 Bierbrouwerijen of mouterijen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G5 Suikerwaren- of siroopfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G6 Suikerfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G7 Zetmeelfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G8 Vismeel- of visoliefabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
G9 Installaties voor het slachten van dieren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H Overige industrie Overige industrie Overige industrie Overige industrie Overige industrie Overige industrie
H1 Industriële installaties voor het vervaardigen van papierpulp uit hout of andere vezelstoffen Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H2 Industriële installaties voor het vervaardigen van papier of karton Oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie met een productiecapaciteit van meer dan 200 ton per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H3 Installaties voor het vervaardigen en bewerken van celstof of papierstof Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H4 Installaties voor de voorbehandeling of het verven van vezels of textiel Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H5 Installaties voor het looien van huiden Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H6 Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H7 Testbanken voor motoren, turbines of reactoren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
H8 Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
I. Opslag Opslag Opslag Opslag Opslag Opslag
I1 Installaties voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag op grond van richtlijn geologische opslag van kooldioxide Oprichting, wijziging of uitbreiding als: 1°. de CO2-stromen afkomstig zijn van installaties waarvoor de mer-plicht, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet, geldt; of 2°. de totale jaarlijkse afvang van CO2 1,5 megaton of meer bedraagt Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
I2 Opslaglocaties op grond van richtlijn geologische opslag van kooldioxide Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
I3 Installaties voor de opslag van aardolie of petrochemische of chemische producten Oprichting, wijziging of uitbreiding van een opslag met een capaciteit van 200.000 ton of meer Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
I4 Bovengrondse opslag van aardgas1 of fossiele brandstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
I5 Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
J. Infrastructuur en ruimte Infrastructuur en ruimte Infrastructuur en ruimte Infrastructuur en ruimte Infrastructuur en ruimte Infrastructuur en ruimte
J1 Wegen Als sprake is van: 1°. de aanleg van een autosnelweg of autoweg; 2°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een nieuwe weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer; of 3°. de verlegging of verbreding van een bestaande weg met twee rijstroken of minder tot een weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J2 Spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations Aanleg van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J3 Tramrails, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en gelijksoortige bijzondere constructies Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J4 Binnenvaarwegen Als sprake is van: 1°. de aanleg van een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton; of 2°. een wijziging of uitbreiding van een binnenvaarweg die betrekking heeft op: a. een vergroting van de oppervlakte met 20% of meer van een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton; of b. een structurele verandering waarbij meer dan 5.000.000 m3 grond wordt verzet Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of het omgevingsplan De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of het omgevingsplan De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of het omgevingsplan
J5 Havens: a. een haven voor de binnenscheepvaart; b. een zeehandelshaven; of c. een visserijhaven Als sprake is van een geval als bedoeld onder a of b: 1°. de aanleg van een haven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton; of 2°. de wijziging of uitbreiding van een haven die betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J6 Een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten Als sprake is van: 1°. de aanleg die betrekking heeft op een pier die schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton kan ontvangen; of 2°. de wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J7 Luchthavens De aanleg of uitbreiding van een start- of landingsbaan met een lengte van 2.100 m of meer Aanleg, wijziging of uitbreiding van een luchthaven of een uitbreiding of wijziging van het gebruik van de luchthaven of van de banen door de wijziging van: 1°. het beperkingengebied, bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, voor zover dit is vastgesteld op grond van het externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting, tenzij: a). de voorgenomen wijziging leidt tot een beperkingengebied dat valt op of binnen het geldende beperkingengebied; of b). het beperkingengebied vervalt; of 2°. de grenswaarden, bedoeld in artikel 8.17, vijfde lid, onder a tot en met c, 8.44, eerste lid, onder a, of 8.70, tweede lid, juncto artikel 8.44, eerste lid, onder a, of de grenswaarden voor geluidsbelasting, bedoeld in artikel 10.17, tweede lid, van de Wet luchtvaart, tenzij die een gelijk of beter beschermingsniveau bieden dan de geldende grenswaarden Voor de luchthaven Schiphol een luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart Voor een andere luchthaven een luchthavenbesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart Voor de luchthaven Schiphol een luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart Voor een andere luchthaven een luchthavenbesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart Voor de luchthaven Schiphol een luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart Voor een andere luchthaven een luchthavenbesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart
J8 Hoogspanningsleidingen Aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding van: 1°. een spanning van 220 kV of meer; en 2°. een lengte van meer dan 15 km Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit Het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit Het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
J9 Buisleidingen voor: a. het transport van gas, olie of chemicaliën; b. het transport van kooldioxide stromen voor geologische opslag, met inbegrip van de pompstations; of c. stoom of warm water Als sprake is van een geval als bedoeld onder a of b: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding met: 1°. een diameter van meer dan 0,8 m; en 2°. een lengte van meer dan 40 km Aanleg, wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit of, bij afwezigheid daarvan, het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. De vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit of, bij afwezigheid daarvan, het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. De vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit of, bij afwezigheid daarvan, het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit.
J10 Industrieterrein Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J11 Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J12 Landinrichtingsprojecten Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
J13 Landwinning in zee Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet
K. Waterbeheer Waterbeheer Waterbeheer Waterbeheer Waterbeheer Waterbeheer
K1 Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater Een hoeveelheid water van 10.000.000 m3 of meer per jaar Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet
K2 Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden, met uitzondering van overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater Aanleg, wijziging of uitbreiding als: 1°. de overbrenging als doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100.000.000 m3 per jaar; of 2°. het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2.000.000.000 m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5% van dit debiet overschrijdt Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of de omgevingsvergunning op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet
K3 Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de langere termijn opslaan van water Aanleg, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op het stuwen of permanent opslaan van water van meer dan 10.000.000 m3 Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet
K4 Werken voor kanalisering en werken ter beperking van overstromingen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet
K5 Aquaducten over lange afstand Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
K6 Kustwerken om erosie te bestrijden of maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden of andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of de goedkeuring van gedeputeerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet
K7 Wijziging in de Maatgevende Peil Verwachting voor de sluiting van de Oosterscheldekering Niet van toepassing Als het gaat om een wijziging van 16 cm of meer Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet
K8 Wijziging van het (streef-)peil in: a. het Veerse Meer; b. de Grevelingen; c. het Haringvliet; of d. het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren Niet van toepassing Als het gaat om een wijziging van 16 cm of meer Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet
K9 Structurele verlaging van het (streef-)peil van een oppervlaktewater Niet van toepassing Als de wijziging: 1. betrekking heeft op een verlaging van 16 cm of meer; 2. plaatsvindt in een Natura 2000-gebied, een bijzonder provinciaal natuurgebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.44 van de wet; en 3. betrekking heeft op een oppervlakte van 200 ha of meer Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet Het peilbesluit op grond van artikel 2.41 van de wet
K10 Opvullen van een diepe plas Niet van toepassing Opvulling met een of meer partijen De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
L. Afval- en afvalwaterbeheer Afval- en afvalwaterbeheer Afval- en afvalwaterbeheer Afval- en afvalwaterbeheer Afval- en afvalwaterbeheer Afval- en afvalwaterbeheer
L1 Installaties voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen Oprichting van een installatie voor de verbranding, de chemische behandeling, het storten of het in de diepe ondergrond brengen Als sprake is van: 1. een wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding, de chemische behandeling, het storten of het in de diepe ondergrond brengen; of 2. oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie anders dan genoemd onder 1. De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
L2 Installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen Oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding of chemische behandeling met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
L3 Rioolwaterzuiveringsinstallaties Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 150.000 inwonerequivalenten Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
L4 Slibstortplaatsen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
L5 Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
L6 Installaties voor het verwerken van kadavers of delen van kadavers van landbouwhuisdieren als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, die niet door slachting voor menselijke consumptie zijn gedood, met het doel deze te verwijderen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
M. Toerisme, sport en recreatie Toerisme, sport en recreatie Toerisme, sport en recreatie Toerisme, sport en recreatie Toerisme, sport en recreatie Toerisme, sport en recreatie
M1 Skihellingen, skiliften, kabelbanen en bijbehorende voorzieningen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
M2 Jachthavens Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
M3 Vakantiedorpen of hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
M4 Permanente kampeer- of caravanterreinen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
M5 Themaparken Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uitbreiding Het omgevingsplan Het omgevingsplan Het omgevingsplan
M6 Permanente race- of testbanen voor gemotoriseerde voertuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het omgevingsplan De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het omgevingsplan De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het omgevingsplan

1 Voor de projecten B3 en I4 wordt onder aardgas verstaan: aardgas als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2 Voor project D8 wordt onder motorvoertuig verstaan: motorvoertuig als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3 Voor de projecten E1 en E2 wordt onder asbest verstaan: asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bijlage VI. bij artikel 13.12, eerste lid, van dit besluit (basistakenpakket omgevingsdienst)

Categorie 1

Categorie 2

Bouw- en sloopactiviteiten als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

Categorie 3

Omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

Categorie 4

Omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten.

Categorie 5

Het bedrijfsmatig verwijderen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving en asbesthoudende producten uit bouwwerken, en het bedrijfsmatig opruimen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving en asbesthoudende producten vrijgekomen als gevolg van een incident.

Categorie 6

Activiteiten met stoffen, preparaten, producten en toestellen waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, voor zover deze worden verricht in samenhang met een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Categorie 7

Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot:

Categorie 8

Het in stand houden van bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bijlage VII. bij artikel 13.12, derde lid, van dit besluit (aanwijzing omgevingsdiensten)

Bijlage VIII. bij artikel 14.5 van dit besluit (verstrekking van gegevens)

Informatie over besluiten en andere rechtsfiguren, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid, onder a:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.