← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Geldende tekst a fecha 2026-03-27

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2018, nr. 2017-0000316593, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op de richtlijn breedband, de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn veiligheid wegtunnels, de verordening bouwproducten en het VN-gehandicaptenverdrag en de artikelen 4.3, eerste lid, en 5.1 van de Omgevingswet, en artikel 119 van de Woningwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W04.17.0186/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524056, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Algemeen

Artikel 1.1. (begripsbepalingen)

Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit.

Artikel 1.1a. (grondslag)
2.

Dit besluit berust ook op de artikelen 119 en 119a van de Woningwet.

Afdeling 1.2. Internationaalrechtelijke verplichtingen

Artikel 1.2. (wederzijdse erkenning)

Met een kwaliteitsverklaring bouw, certificaat, keuring of norm als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een kwaliteitsverklaring bouw, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor bouwwerken

Afdeling 2.1. Algemeen

Artikel 2.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken.

Artikel 2.2. (bevoegd gezag)
1.

Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag:

2.

In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.3. (maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt in het omgevingsplan gesteld.

Artikel 2.4. (gelijkwaardigheid bij melding of vergunningvrije activiteit)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor in dit besluit een melding is voorgeschreven:

2.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet geen omgevingsvergunning is vereist en waarvoor in dit besluit geen melding is voorgeschreven, is voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.

Artikel 2.5. (instandhouden gelijkwaardige maatregel)

Een gelijkwaardige maatregel die betrekking heeft op een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt bij het gebruik van het bouwwerk in stand gehouden.

Artikel 2.6. (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie)

De eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk draagt er zorg voor dat een krachtens de wet aanwezige bouwwerkinstallatie:

Artikel 2.7. (gemeenschappelijk en gezamenlijk)
1.

Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel is een bouwwerk, een ruimte, een voorziening, of een gedeelte daarvan naar keuze gemeenschappelijk of niet-gemeenschappelijk, tenzij voor een regel anders is aangegeven.

2.

Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een bouwwerk, een ruimte of een voorziening die ten dienste staat van meer dan een gebruiksfunctie, aangemerkt als gemeenschappelijk. Dit gedeelte, deze ruimte of deze voorziening maakt, met uitzondering van een nevengebruiksfunctie, voor de toepassing van deze hoofdstukken deel uit van alle daarop aangewezen gebruiksfuncties.

3.

Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een woonfunctie, een celfunctie of een logiesfunctie of een ruimte of voorziening die ten dienste staat van die gebruiksfunctie, gebruikt door meer dan een wooneenheid, celeenheid of logiesverblijf in die gebruiksfunctie, aangemerkt als gezamenlijk.

Artikel 2.8. (voorrangsregel omgevingsvergunning activiteit met betrekking tot een monument)

Voor zover een omgevingsvergunning voor:

afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing.

Artikel 2.9. (afwijking wegens implementatie van Europese regelgeving)

Voor zover een in het Warenwetbesluit machines, het Warenwetbesluit liften 2016 of het Besluit gastoestellen, ter implementatie van een in Europese regelgeving gestelde eis, afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met 5 gestelde regel, is alleen de krachtens die besluiten gestelde eis van toepassing.

Artikel 2.10. (drank- en horeca-inrichtingen)

Vervallen

Artikel 2.10a. (waterkerende bouwwerken)

De paragrafen 3.2.1, 4.2.1 en artikel 5.9 zijn niet van toepassing voor zover de eisen betrekking hebben op de mate van waterkerendheid van het bouwwerk of een onderdeel daarvan.

Artikel 2.11. (aantal personen in een bouwwerk)

In een bouwwerk of gedeelte daarvan zijn niet meer personen aanwezig dan het aantal personen waarvoor het bouwwerk of gedeelte daarvan in overeenstemming met dit besluit is bestemd.

Artikel 2.12. (overgangsrecht: aantal personen in een bouwwerk)

Zolang het aantal personen dat in een bouwwerk of een gedeelte daarvan aanwezig is niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk of dat gedeelte toegestane aantal personen, blijft artikel 2.11 buiten toepassing.

Afdeling 2.2. CE-markeringen, markttoezicht en kwaliteitsverklaringen bouw

Artikel 2.13. (verordening bouwproducten)
1.

Handelen in strijd met de plichten die voortvloeien uit de verordening bouwproducten is verboden.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst een instelling aan die adviezen uitbrengt over de geschiktheid van technische beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 29 van de verordening bouwproducten.

3.

Een technische beoordelingsinstantie toont aan de instelling aan dat zij voor de productgebieden, bedoeld in bijlage IV, tabel 1, bij de verordening bouwproducten, voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in tabel 2 van die bijlage.

4.

De instelling stelt een procedure op voor de aanmelding en de beoordeling van en het toezicht op technische beoordelingsinstanties en maakt jaarlijks een actueel overzicht van aangemelde technische beoordelingsinstanties openbaar.

5.

De aanmeldende autoriteit, bedoeld in artikel 40 van de verordening bouwproducten, brengt advies uit aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de geschiktheid van aangemelde instanties als bedoeld in artikel 39 van die verordening.

6.

De aangemelde instantie toont aan dat zij voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 43 van de verordening bouwproducten.

7.

De instelling en de aanmeldende autoriteit informeren Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld als zij van oordeel zijn dat een technische beoordelingsinstantie of een aangemelde instantie de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft of niet meer aan de voorwaarden voor die aanwijzing voldoet.

8.

Een prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten wordt in de Nederlandse taal verstrekt.

9.

Instructies en informatie als bedoeld in de artikelen 11, zesde en achtste lid, 13, vierde en negende lid, en 14, tweede en vijfde lid, van de verordening bouwproducten zijn in de Nederlandse taal gesteld.

Artikel 2.14. (toepassing CE-markering en kwaliteitsverklaringen bouw)
1.

Als een bouwproduct waarop een CE-markering als bedoeld in artikel 8 van de verordening bouwproducten is aangebracht, aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die verordening.

2.

Als een bouwproduct moet voldoen aan bepaalde prestaties die niet onder een in artikel 2, elfde lid, van de verordening bouwproducten bedoelde geharmoniseerde norm vallen, zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

3.

Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt uitgevoerd voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

Artikel 2.15. (erkenning kwaliteitsverklaringen bouw)
1.

Kwaliteitsverklaringen bouw als bedoeld in artikel 2.14, tweede en derde lid, worden afgegeven op basis van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt de voorwaarden vast waaronder kwaliteitsverklaringen bouw worden afgegeven.

Artikel 2.15a. (Verordening (EU) 2019/1020)
1.

Het is verboden een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is in de handel te brengen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020.

2.

Het is een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening (EU) 2019/1020 verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van verordening (EU) 2019/2010.

3.

Het is een gemachtigde als bedoeld in artikel 3, onder 12, van verordening (EU) 2019/1020 verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 5, tweede lid, tweede zin, van verordening (EU) 2019/1020.

4.

Het is een marktdeelnemer verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020.

5.

Het is een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 7, tweede lid, van verordening 2019/1020.

Afdeling 2.2a. Stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen

Artikel 2.16. (normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 2.17. (bouwactiviteiten die onder het stelsel van kwaliteitsborging vallen)
1.

Categorieën bouwwerken als bedoeld in artikel 7ab, eerste lid, van de Woningwet zijn bouwactiviteiten die vallen onder gevolgklasse 1 als bedoeld in het tweede lid.

2.

Een bouwactiviteit valt onder gevolgklasse 1 als:

3.

De gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, is:

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwactiviteiten die verbouwen betreffen.

Artikel 2.18. (bouwmelding)
1.

Onverminderd artikel 7.7 is het verboden een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de bouwwerkzaamheden te melden.

2.

Als de bouwactiviteit niet begint binnen een jaar na de melding, is het verboden de bouwactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan opnieuw te melden.

3.

Een melding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Artikel 2.19. (gegevens en bescheiden bij bouwmelding)
1.

Een melding als bedoeld in artikel 2.18 wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

2.

Voor zover van toepassing wordt in de risicobeoordeling ten minste rekening gehouden met bijzondere lokale omstandigheden, zoals die zijn vastgesteld in lokaal beleid, anderszins kenbaar zijn gemaakt of redelijkerwijs bekend zijn.

Artikel 2.20. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, worden gegevens en bescheiden verstrekt over specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd als dit bijzonder is aangewezen met het oog op het voorkomen en of beperken van risico’s die van invloed kunnen zijn op het voldoen aan de regels voor de bouwactiviteit, bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 2.21. (gereedmelding bouwactiviteit)
1.

Het is verboden het bouwwerk of de bouwwerken die onderdeel uitmaken van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 in gebruik te nemen zonder dit ten minste twee weken voor het feitelijk in gebruik nemen te melden.

2.

De melding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden van de gerealiseerde activiteit:

Afdeling 2.3. Afbakening vergunningplichten

§ 2.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.22. (algemene afbakeningseisen)
1.

De artikelen 2.27 en 2.29 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning of gereedmelding, bedoeld in artikel 2.21.

2.

Bij de toepassing van artikel 2.29 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 2.23. (meetvoorschriften)
1.

Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in deze afdeling in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 2.24. (specifieke afbakeningseisen; mantelzorg en bruggen en viaducten)
1.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt een bouwwerk waaroverheen een weg, spoorweg of waterweg loopt aangemerkt als een bouwwerk met een dak.

§ 2.3.2. Vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit

Artikel 2.25. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken met een dak)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:

Artikel 2.26. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken zonder dak)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt ook voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak als het gaat om een van de volgende bouwwerken:

3.

Als het gaat om een andere antenne dan bedoeld in het tweede lid, onder d, geldt de hoogte, bedoeld in het eerste lid, onder a, voor de antenne met de antennedrager en wordt die gemeten vanaf de voet, of, bij bevestiging aan de gevel, vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist.

Artikel 2.27. (uitzonderingen aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit in de artikelen 2.25 en 2.26)
1.

In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten niet voor de in die artikelen aangewezen bouwactiviteiten als die betrekking hebben op:

2.

In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 en ongeacht of een uitzondering als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten ook niet voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:

§ 2.3.3. Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken

Artikel 2.28. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op omgevingsplanactiviteiten bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Artikel 2.29. (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken)

Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:

Artikel 2.30. (inperking vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken vanwege cultureel erfgoed)
1.

Op een omgevingsplanactiviteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 2.29, onder a, van toepassing.

2.

Op een omgevingsplanactiviteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn alleen de volgende onderdelen van artikel 2.29 van toepassing:

3.

Op een omgevingsplanactiviteit die wordt verricht op een locatie waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is van toepassing:

Afdeling 2.4. Drijvende bouwwerken

Artikel 2.31. (drijvende bouwwerken)

Op een drijvend bouwwerk met een woonfunctie dat door functiewijziging van een schip is ontstaan zijn de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van artikel 3.5, niet van toepassing.

Hoofdstuk 3. Bestaande bouw

Afdeling 3.1. Algemeen

Artikel 3.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het in stand houden van een bestaand bouwwerk.

Artikel 3.2. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 3.3. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.4. (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 3.11, 3.30, 3.36, 3.42 en 3.114.

Artikel 3.5. (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 3.6. (onderzoeksplicht)

De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht onderzoek te doen naar de staat van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken waarvan redelijkerwijs is komen vast te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren.

Artikel 3.6a. (periodieke beoordeling)

De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht periodiek een beoordeling te doen van de constructieve veiligheid van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken.

Artikel 3.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.5 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.7, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

2.

Een maatwerkvoorschrift over de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 kan alleen inhouden het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen om de staat van een bouwwerk op een niveau te brengen dat hoger is dan het niveau van de regels in dit hoofdstuk, maar niet hoger dan het niveau van de regels in hoofdstuk 4. Het maatwerkvoorschrift wordt alleen gesteld als het treffen van die voorzieningen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is.

3.

In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 3.86, 3.130 en 3.132 alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

Afdeling 3.2. Veiligheid

§ 3.2.1. Constructieve veiligheid

Artikel 3.8. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
fundamentele belastingscombinaties bepalingsmethode niet-bezwijken bepalingsmethode niet-bezwijken
artikel 3.9 3.10 3.10
lid * 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. in een woongebouw * 1
b. andere woonfunctie * 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw * 1
b. andere logiesfunctie * 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1
Artikel 3.9. (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.

Artikel 3.10. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, wordt bepaald volgens NEN 8700.

2.

Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

§ 3.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

Artikel 3.11. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken bepalingsmethode niet- bezwijken bepalingsmethode niet- bezwijken
artikel 3.12 3.12 3.12 3.12 3.12 3.12 3.13 3.13
lid 1 2 3 4 5 6 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 1 2
3 Celfunctie Celfunctie 1 4 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 4 1 2
b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 3 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 4 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 1 3 1 2
b andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 5 1 2
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 6 1 2
Artikel 3.12. (tijdsduur niet-bezwijken)
1.

Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.

2.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

Woonfunctie tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau 30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 60
3.

Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

4.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau 30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 60
5.

Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten, en voor zover deze onder open water ligt, niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.

6.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 3.13. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie, bedoeld in artikel 3.12, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

2.

De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens:

§ 3.2.3. Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan

Artikel 3.14. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het door personen vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan, zo veel mogelijk wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aanwezigheid afscheiding aanwezigheid afscheiding aanwezigheid afscheiding aanwezigheid afscheiding aanwezigheid afscheiding hoogte afscheiding hoogte afscheiding hoogte afscheiding hoogte afscheiding openingen afscheiding openingen afscheiding openingen afscheiding
artikel 3.15 3.15 3.15 3.15 3.15 3.16 3.16 3.16 3.16 3.17 3.17 3.17
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 1
[m]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 0,2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 0,1
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 3 4 5 1 2 3 4 2
Artikel 3.15. (aanwezigheid afscheiding)
1.

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

2.

Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

3.

Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

4.

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

5.

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

Artikel 3.16. (hoogte afscheiding)
1.

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

3.

In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

4.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 3.17. (openingen afscheiding)
1.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 aangegeven waarde.

2.

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m.

§ 3.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

Artikel 3.18. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.19. (voorziening bij hoogteverschil)
1.

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor een hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein.

2.

Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 3.20. (afmetingen trap)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 voldoet aan de in tabel 3.20 aangegeven afmetingen.

Minimum breedte van de trap 0,7 m
Minimum vrije hoogte boven de trap 1,9 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,13 m
Maximum hoogte van een optrede 0,22 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,2 m
Artikel 3.21. (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

Artikel 3.22. (leuning)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

Artikel 3.23. (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.

Artikel 3.24. (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

§ 3.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

Artikel 3.25. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.26. (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
1.

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

§ 3.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

Artikel 3.27. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.28. (stookplaats)
1.

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

2.

Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.29. (rookgasafvoer)
1.

Materiaal van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062.

§ 3.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

Artikel 3.30. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden waarden waarden waarden waarden
zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de
binnenlucht binnenlucht binnenlucht buitenlucht buitenlucht buitenlucht
binnenoppervlak binnenoppervlak binnenoppervlak binnenoppervlak binnenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak beloopbaar vlak beloopbaar vlak beloopbaar vlak vrijgestelde oppervlakte vrijgestelde oppervlakte toepassing Euroklassen extra beschermde vluchtroute beschermde route overig extra beschermde vluchtroute beschermde route overig
artikel 3.31 3.31 3.31 3.31 3.31 3.32 3.32 3.32 3.33 3.33 3.33 3.34 3.34 3.35 3.31 3.31 3.31 3.32 3.32 3.32
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 1 2 3 1 2 * 1 1 1 1 1 1
[brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a in een woongebouw 1 2 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 2 4
b andere woonfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 4 5 1 2 3 1 2 3 1 * 1 1 4 1 1 4
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 4 4
b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 4 4
b andere logiesfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 5 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 3 1 2 3 1 2 3 2 * 2 4 4
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 1 2 3 2 * 2 4 4
Artikel 3.31. (binnenoppervlak)
1.

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

3.

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

4.

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

5.

In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:

aan brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065.

Artikel 3.32. (buitenoppervlak)
1.

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse.

2.

In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan brandklasse 4.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 3.33. (beloopbaar vlak)
1.

In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

2.

In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.

Artikel 3.34. (vrijgestelde oppervlakte)
1.

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

2.

Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.

Artikel 3.35. (toepassing Euroklassen)

Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van:

§ 3.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

Artikel 3.36. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang opvangcompartiment opvangcompartiment wbdbo: niveau van eisen wbdbo: niveau van eisen wbdbo: bepalingsmethode wbdbo: bepalingsmethode brandcompartiment: omvang
artikel 3.37 3.37 3.37 3.37 3.37 3.37 3.37 3.38 3.38 3.38 3.38 3.38 3.38 3.38 3.38 3.39 3.39 3.40 3.40 3.41 3.41 3.38
lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 1 2 1
[m2]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen 1 2 2 1 2
b andere woonfunctie 1 3 1 3 5 6 7 1 1 2 2.000
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 1 3 7 8 1 1 2 2.000
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 1 3 7 1 1 1 2 2.000
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 3 1 3 7 2 1 1 2 2.000
b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 1 3 7 1 1 2 2.000
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie voor het houden van dieren 1 3 4 5 6 7 1 3 7 1 1 2 3.000
b andere lichte industriefunctie 1 3 4 5 6 7 1 3 1 1 2 3.000
c andere industriefunctie 1 3 4 5 1 3 1 1 2 3.000
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 1 3 7 8 1 1 2 2.000
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 3 1 3 7 1 1 2 1.000
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 1 3 7 1 1 2 3.000
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 1 3 7 1 1 2 3.000
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 1 3 7 8 1 1 2 2.000
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 3 4 5 6 1 3 7 8 1 1 2 3.000
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 4 1 1 2
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.37. (brandcompartiment: ligging)
1.

Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op:

2.

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

3.

In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

4.

Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

5.

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 3.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

6.

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

7.

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 3.38. (brandcompartiment: omvang)
1.

Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 aangegeven oppervlakte.

2.

In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2.

3.

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

4.

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

5.

In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

6.

In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

7.

Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

8.

Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.

Artikel 3.39. (opvangcompartiment)
1.

In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

2.

Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 3.40. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
1.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.

2.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

Artikel 3.41. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
1.

De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

2.

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

§ 3.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

Artikel 3.42. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
subbrandcompartiment: ligging subbrandcompartiment: ligging subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang beschermd subbrandcompartiment: wbdbo beschermd subbrandcompartiment: omvang
artikel 3.43 3.43 3.43 3.44 3.44 3.44 3.44 3.45 3.45 3.45 3.45 3.45 3.45 3.45 3.46 3.47 3.47 3.45
lid 1 2 3 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 * 1 2 1
[m2]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg met een g.o. > 1.000 m2 1 2 3 1 1 2 * 1 200
b woonwagen 1 2 *
c andere woonfunctie 1 2 3 1 1 * 1 1.000
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 3 3 * 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 3 2 4 5 * 1 2
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 1 6 7 * 1 1.000
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.43. (subbrandcompartiment: ligging)
1.

Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.

2.

Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.

3.

In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

Artikel 3.44. (beschermd subbrandcompartiment: ligging)
1.

Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

2.

Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

3.

Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

4.

Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 3.45. (beschermd subbrandcompartiment: omvang)
1.

Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 aangegeven oppervlakte.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

3.

Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

4.

Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

5.

Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking.

6.

Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

7.

Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 3.46. (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.47. (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
1.

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

2.

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.

§ 3.2.10. Vluchtroutes: verloop

Artikel 3.48. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
vluchtroute vluchtroute vluchtroute vluchtroute vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment beschermde route beschermde route extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute veiligheidsroute veiligheidsroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment
artikel 3.49 3.49 3.49 3.49 3.50 3.50 3.50 3.51 3.51 3.52 3.52 3.52 3.53 3.53 3.54 3.54 3.54 3.50
lid 1 2 3 4 1 2 3 1 2 1 2 3 1 2 1 2 3 1
[m]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 1 1 1 1 1 2 3 45
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 60
3 Celfunctie Celfunctie 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 60
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 1 3 2 2 3 2 1 2 3 75
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 3 2 1
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 4
Artikel 3.49. (vluchtroute)
1.

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

2.

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

3.

Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

4.

Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 3.50. (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
1.

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 aangegeven afstand.

2.

De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

3.

Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.

Artikel 3.51. (beschermde route)
1.

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

2.

Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.52. (extra beschermde vluchtroute)
1.

Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.

2.

Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

3.

Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 3.53. (veiligheidsroute)
1.

Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.

2.

Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.54. (tweede vluchtroute)
1.

Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

3.

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.

§ 3.2.11. Vluchtroutes: inrichting

Artikel 3.55. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden
inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang inrichting vluchtroute: wbdbo inrichting vluchtroute: permanente vuurbelasting inrichting vluchtroute: vrije doorgang inrichting vluchtroute: vrije doorgang inrichting vluchtroute: niet- besloten ruimte breedte hoogte
artikel 3.56 3.57 3.58 3.59 3.59 3.60 3.59 3.59
lid * * * 1 2 * 1 1
[m] [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
3 Celfunctie Celfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied * * * 1 2 * 0,5 1,7
b andere gezondheidszorgfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
5 Industriefunctie Industriefunctie * * * 1 * 0,5 1,7
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
7 Logiesfunctie Logiesfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
9 Sportfunctie Sportfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
10 Winkelfunctie Winkelfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie * * * 1 * 0,5 1,7
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m * * 1 * 0,7 1,9
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde *
Artikel 3.56. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.57. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten.

Artikel 3.58. (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)

Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurlast en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.

Artikel 3.59. (inrichting vluchtroute: vrije doorgang)
1.

Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 aangegeven breedte en hoogte.

2.

Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi.

Artikel 3.60. (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

§ 3.2.12. Wegtunnels: hulpverlening bij brand

Artikel 3.61. (aansturingsartikel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.62. (hulppost wegtunnel)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Afdeling 3.3. Gezondheid

§ 3.3.1. Wering van vocht

Artikel 3.63. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.63 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
wering van vocht van buiten wering van vocht van buiten wering van vocht van buiten wateropname
artikel 3.64 3.64 3.64 3.65
lid 1 2 3 *
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 *
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 *
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 *
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.64. (wering van vocht van buiten)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Artikel 3.65. (wateropname)

Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 3.3.2. Luchtverversing

Artikel 3.66. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten verdunning en plaats van de opening luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtverversing verblijfsruimte
artikel artikel artikel 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.68 3.68 3.68 3.68 3.68 3.69 3.70 3.70 3.70 3.71 3.71 3.71 3.71 3.67
lid lid lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 * 1 2 3 1 2 3 4 2
dm3/sec per persoon
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 3 4 5 6 1 2 3 1 2 1 2 4
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
b. voor alcoholgebruik 2 3 6 7 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
c. overige bijeenkomstfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
3 Celfunctie Celfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4
a. verblijfsruimte van een celeenheid 6,40
b. andere verblijfsruimte 3,44
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
5 Industriefunctie Industriefunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 2 3 4 6 1 2 3 1 2 1 2 4 6,40
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
9 Sportfunctie Sportfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a. voor het stallen van motorvoertuigen 6 1 2 4 * 1 2 1 2 4
b. overig bouwwerk geen gebouw zijnde andere overige gebruiksfunctie 6 1 2 3 1 2 1 2 4
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 5 3 3
b. andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 5
c. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 1 1
Artikel 3.67. (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
1.

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm3/s.

2.

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

4.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

5.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

6.

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:

7.

Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.

Artikel 3.68. (luchtverversing overige ruimten)
1.

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

2.

Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

3.

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s als de ruimte groter is dan 10 m2.

4.

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

5.

Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69. (luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding)

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

Artikel 3.70. (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
1.

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

2.

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

3.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 3.71. (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
1.

De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte naar buiten plaats.

2.

De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

3.

De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

4.

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

§ 3.3.3. Spuivoorziening

Artikel 3.72. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening
artikel 3.73 3.73 3.73
lid 1 2 3
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 3
b andere bijeenkomstfunctie
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
Artikel 3.73. (capaciteit spuivoorziening)
1.

Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

3.

De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

§ 3.3.4. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

Artikel 3.74. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid aanwezigheid capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht rookdoorlatendheid
artikel 3.75 3.75 3.76 3.76 3.76 3.76 3.77 3.77 3.77 3.78
lid 1 2 1 2 3 4 1 2 3 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 1 2 3 4 1 2 3 *
Artikel 3.75. (aanwezigheid)
1.

Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel.

2.

Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte.

Artikel 3.76. (capaciteit: afvoer van rookgas)
1.

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

2.

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

3.

Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.

4.

Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.77. (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
1.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit.

2.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

3.

De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.78. (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2.

§ 3.3.5. Bescherming tegen ratten en muizen

Artikel 3.79. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing
openingen openingen
artikel 3.80 3.80
lid 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.80. (openingen)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

2.

In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten.

§ 3.3.6. Daglicht

Artikel 3.81. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte
artikel 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1
[m2]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 8 0,5
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a kinderopvang 1 2 3 4 8 0,5
b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 5 8 0,15
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 6 8 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 8 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 7 8 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.82. (daglichtoppervlakte)
1.

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 aangegeven oppervlakte.

2.

Bij het bepalen van het equivalente daglichtoppervlakte:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

4.

Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.

5.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

6.

Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte.

7.

Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

8.

Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met toepassing van artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte, kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast.

Afdeling 3.4. Duurzaamheid

§ 3.4.1. Energiezuinigheid

Artikel 3.83. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is voldoende energiezuinig.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw uitzondering labelplicht kantoorgebouw
artikel 3.84 3.84 3.84 3.84 3.84 3.84 3.84 3.84 3.84a 3.84a 3.84b 3.85 3.86 3.86 3.87 3.87 3.87 3.87 3.87 3.87 3.87a
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * * * 1 2 3 4 5 6 *
1 Woonfunctie Woonfunctie
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * * * 1 2 3 4 5 6 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * * *
Artikel 3.84. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Aan een gebruiksfunctie worden alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar getroffen.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

4.

Het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in het derde lid, onder a, en het energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten het totale energiegebruik van de milieubelastende activiteit waarop de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing zijn.

5.

Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als voor de gebruiksfunctie alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen.

6.

Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

7.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa, bedoeld in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte tot en met 100 °C.

8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hernieuwbare energie verstaan energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 3.84a. (gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.

Artikel 3.84b. (overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.

Artikel 3.85. (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van het energielabel.

Artikel 3.86. (afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen.

Artikel 3.87. (labelverplichting kantoorgebouw)
1.

Het is verboden om een kantoorgebouw in gebruik te nemen of te gebruiken zonder een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 met een maximumwaarde voor primair fossiel energiegebruik van 225 kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800, of met een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie van C of beter, die daarin op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels is omgezet.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties kleiner dan 50% van de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m².

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 6.28.

5.

Als de maatregelen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde energieprestatie te realiseren een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar, kan worden volstaan met het treffen van de maatregelen met een terugverdientijd tot en met 10 jaar en de daarbij behorende energieprestatie.

6.

Op het berekenen van de terugverdientijd, bedoeld in het vijfde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.87a. (uitzondering labelverplichting kantoorgebouw)

Artikel 3.87, eerste lid, is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een geldig energielabel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen zoals dat gold op 31 december 2020, met een energie-index van 1,3 of beter.

§ 3.4.2. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

Artikel 3.87aa. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.87b. (oplaadpunt voor elektrische voertuigen)

Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan 20 parkeervakken, heeft tenminste een oplaadpunt.

Artikel 3.87c. (overgangsrecht)

Artikel 3.87b is niet van toepassing tot en met 31 december 2024.

Afdeling 3.5. Bruikbaarheid

§ 3.5.1. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

Artikel 3.88. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.89. (aanwezigheid niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied)

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Artikel 3.90. (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
1.

In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m.

2.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.

§ 3.5.2. Toiletruimte

Artikel 3.91. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.92. (aanwezigheid toiletruimte)

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Artikel 3.93. (afmetingen toiletruimte)

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.

§ 3.5.3. Opstelplaatsen

Artikel 3.94. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid opstelplaatsen afmetingen opstelplaatsen afmetingen opstelplaatsen
artikel 3.95 3.96 3.96
lid * 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg
b andere woonfunctie * 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
Artikel 3.95. (aanwezigheid opstelplaats)

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.

Artikel 3.96. (afmetingen opstelplaats)
1.

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

2.

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

Afdeling 3.6. Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg

Artikel 3.97. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.97 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing
bereikbaarheid van een gebouw
artikel 3.98
*
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. woonwagen
b. andere woonfunctie *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie
b. andere industriefunctie *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties *
Artikel 3.98. (bereikbaarheid van een gebouw)

Een verhard pad waarover voor personen met een functiebeperking een route loopt tussen de openbare weg en een gebouw wordt in stand gehouden als dit pad is aangelegd om te voldoen aan de eisen voor de bereikbaarheid van het gebouw die golden bij de bouw van het gebouw.

Artikel 3.98a. (overgangsrecht: bereikbaarheid van een gebouw)

Vervallen

Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties

§ 3.7.1. Verlichting

Artikel 3.99. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
verlichting verlichting verlichting verlichting verlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting aansluiting op voorziening voor elektriciteit verduisterde ruimte overgangsrecht: noodverlichting
artikel 3.100 3.100 3.100 3.100 3.100 3.101 3.101 3.101 3.101 3.101 3.102 3.103 3.104
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 4 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 4 1 3 5 * * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 4 1 3 5 * * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 4 1 3 5 * * *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie *
b andere industriefunctie 1 4 1 3 5 * * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 4 1 3 5 * * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 4 1 3 5 * * *
b andere logiesfunctie 1 4 1 3 5 * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 4 1 3 5 * * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 4 1 3 5 * * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 1 3 5 * * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 2 3 4 2 3 5 * * *
b voor het stallen van motorvoertuigen 2 4 2 3 5 * * *
c andere overige gebruiksfunctie 4 * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 4 5 3 4 5 * *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 4 3 5 * * *
Artikel 3.100. (verlichting)
1.

Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

3.

Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

4.

Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

5.

Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Artikel 3.101. (noodverlichting)
1.

Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.

3.

Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.

4.

Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

5.

Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 3.102. (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103. (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 3.104. (overgangsrecht: noodverlichting)

Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen, blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.

§ 3.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

Artikel 3.105. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.106. (voorziening voor elektriciteit)

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

Artikel 3.107. (voorziening voor gas)

Een voorziening voor gas voldoet aan:

§ 3.7.3. Watervoorziening

Artikel 3.108. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.109. (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.110. (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 3.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 3.111. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
afvoer van huishoudelijk afvalwater afvoer van huishoudelijk afvalwater afvoer van hemelwater
artikel 3.112 3.112 3.113
lid 1 2 *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 *
b andere logiesfunctie 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2
Artikel 3.112. (afvoer van huishoudelijk afvalwater)
1.

Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

2.

Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 3.113. (afvoer van hemelwater)

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 3.7.5. Tijdig vaststellen van brand

Artikel 3.114. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie melding en doormelding melding en doormelding rookmelders rookmelders rookmelders rookmelders rookmelders rookmelders
artikel artikel artikel artikel 3.115 3.115 3.115 3.115 3.116 3.116 3.117 3.117 3.117 3.117 3.117 3.117
lid lid lid lid 1 2 3 4 1 2 1 2 3 4 5 6
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a. zorgclusterwoning in een woongebouw zorgclusterwoning in een woongebouw 1 2 1 2
b. zorgclusterwoning niet in een woongebouw zorgclusterwoning niet in een woongebouw 1 2
c. groepszorgwoning voor 24-uurs zorg groepszorgwoning voor 24-uurs zorg 1 2 1 2
d. groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg 1 2 1
e. voor kamergewijze verhuur voor kamergewijze verhuur 2 3 5
f. andere woonfunctie andere woonfunctie 1
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport 3
b voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 2 4 5
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 1 2 3
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 2
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 1 2 3
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking 1 2 3 4 5 6
b. in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking 1 2 3 2 4 5
c. andere logiesfunctie andere logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het stallen van motorvoertuigen voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 3
b voor het personenvervoer voor het personenvervoer 1 2 3
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.115. (brandmeldinstallatie)
1.

Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:

2.

Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

3.

Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, en verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

4.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 3.116. (melding en doormelding)
1.

Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

2.

Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 3.117. (rookmelders)
1.

Een woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604.

2.

Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

3.

Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

4.

Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

5.

Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.

6.

In aanvulling op het vierde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

§ 3.7.6. Vluchten bij brand

Artikel 3.118. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.118 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
ontruimtingsalarminstallatie ontruimtingsalarminstallatie ontruimtingsalarminstallatie vluchtrouteaanduiding vluchtrouteaanduiding vluchtrouteaanduiding vluchtrouteaanduiding vluchtrouteaanduiding deuren in vluchtroutes: draairichting deuren in vluchtroutes: draairichting deuren in vluchtroutes: draairichting deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen
artikel artikel 3.119 3.119 3.119 3.120 3.120 3.120 3.120 3.120 3.121 3.121 3.121 3.122 3.122 3.122 3.122 3.122 3.122 3.123 3.123 3.123 3.123
lid lid 1 2 3 1 2 3 4 5 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg met een g.o. > 500 m2 voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 4 5 6 1 2 3
b andere woonfunctie voor zorg andere woonfunctie voor zorg 1 4 5 1 2 3
c voor kamergewijze verhuur voor kamergewijze verhuur 1 3 4 5 1 2 3
d andere woonfunctie andere woonfunctie 4 5 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1 4
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie 1 2 2 3 4 5 6 1
b andere industriefunctie andere industriefunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 1 3 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
b in een ander logiesgebouw in een ander logiesgebouw 1 2 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
c andere logiesfunctie andere logiesfunctie 1 1 2 2 3 4 5 6 1
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het stallen van motorvoertuigen voor het stallen van motorvoertuigen 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
b voor het personenvervoer voor het personenvervoer 1 1 3 4 1 2 2 3 4 5 6 1
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie 1 2 2 3 4 5 6 1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 3 5 3 4 5 6 1
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 2 4 5 6 1
Artikel 3.119. (ontruimingsalarminstallatie)
1.

Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

2.

Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

3.

In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 3.120. (vluchtrouteaanduiding)
1.

Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.

2.

Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6, van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid.

3.

Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid:

4.

Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 3.101, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

5.

Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 3.121. (deuren in vluchtroutes: draairichting)
1.

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.

2.

Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

3.

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 3.122. (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)
1.

Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

2.

Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door:

3.

Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

4.

Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

5.

Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

6.

Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 3.123. (zelfsluitende constructieonderdelen)
1.

Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

3.

Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.

4.

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

§ 3.7.7. Bestrijden van brand

Artikel 3.124. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.124 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
droge blusleiding droge blusleiding droge blusleiding droge blusleiding bluswatervoorziening wegtunnel blustoestellen blustoestellen blustoestellen
artikel 3.125 3.125 3.125 3.125 3.126 3.127 3.127 3.127
lid 1 2 3 4 * 1 2 3
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 3 4 3
b voor kamergewijze verhuur 1 3 4 1 3
c andere woonfunctie 1 3 4
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 4 3
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 4 3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 3 4 3
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 3 4 3
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 4 3
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 3 4 3
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 4 3
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 4 3
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 4 3
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 3 4 3
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 4 * 2 3
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.125. (droge blusleiding)
1.

Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.

2.

Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 3.126 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

3.

De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 110 m.

4.

De inrichting van een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor:

Artikel 3.126. (bluswatervoorziening wegtunnel)

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 3.127. (blustoestellen)
1.

Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 6.35, tweede lid.

2.

Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een draagbaar brandblusapparaat.

3.

Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

§ 3.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

Artikel 3.128. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.128 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
brandweeringang brandweeringang afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten
artikel 3.129 3.129 3.130 3.131 3.131 3.132
lid 1 2 * 1 2 *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 * 1 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 * 1 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 * 1 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 * 1 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 * 1 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 * 1 *
b andere logiesfunctie 1 2 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 * 1 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 * 1 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 * 1 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie * 1 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 2 *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 * 1 *
Artikel 3.129. (brandweeringang)
1.

Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

2.

In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 3.130. (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.129 kan alleen inhouden:

Artikel 3.131. (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
1.

Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

2.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 3.132. (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 3.131, eerste lid, kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

§ 3.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

Artikel 3.133. (aansturingsartikel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.134. (uitrusting hulppost wegtunnel)

Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 3.135. (bedieningscentrale wegtunnel)

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 3.136. (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 3.137. (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)
1.

Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft eenzelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

2.

In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

3.

In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

4.

Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 3.138. (communicatievoorzieningen wegtunnel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

2.

Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 3.139. (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel, die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

§ 3.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

Artikel 3.140. (aansturingsartikel)
1.

Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.141. (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)
1.

Een afsluitbare toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

2.

Als een woonfunctie in een woongebouw alleen bereikbaar is via een afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimte, heeft ten minste een toegang van het woongebouw aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijke ruimte van die woonfunctie waarneembaar is.

§ 3.7.11. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

Artikel 3.142. (aansturingsartikel)
1.

Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.143. (kooldioxidemeter)
1.

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de

Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.

2.

De kooldioxidemeter:

Artikel 3.144. (overgangsrecht: kooldioxidemeter)

Vervallen

§ 3.7.12. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Artikel 3.145. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.146. (systeem voor gebouwautomatisering en -controle)

Het systeem voor gebouwautomatisering- en controle als bedoeld in artikel 3.145, eerste lid, is in staat:

Artikel 3.147. (overgangsrecht)

De artikelen 3.145 en 3.146 zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025.

Hoofdstuk 4. Nieuwbouw

Afdeling 4.1. Algemeen

Artikel 4.1. (toepassingsbereik: activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen.

2.

Met het bouwen van nieuwe bouwwerken wordt gelijkgesteld het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert.

Artikel 4.2. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 4.3. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.4. (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 4.16, 4.49, 4.56, 4.83, 4.171 en 4.207.

Artikel 4.5. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet, kan worden gesteld over de afdelingen 4.2 tot en met 4.7, met uitzondering van artikel 4.245 anders dan voor de woonfunctie voor zorg en bepalingen over meet- of rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde afdelingen, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

3.

In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 4.103a, 4.149a, 4.227 en 4.230 of een vergunningvoorschrift op grond van artikel 4.103a alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

4.

Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld over de artikelen 4.226 en 4.229.

5.

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Artikel 4.6. (maatwerkvoorschriften herbouw)
1.

In afwijking van artikel 4.5 kan een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet over het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert, alleen versoepelen inhouden.

2.

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Artikel 4.7. (maatwerkregels)

Een maatwerkregel kan worden gesteld over afdeling 4.5, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

Artikel 4.8. (tijdelijk bouwwerk)
1.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de regels van de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van toepassing, tenzij in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 anders is bepaald.

2.

Als een als tijdelijk bouwwerk bedoeld bouwwerk na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op de locatie aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk voor het verstrijken van die termijn in overeenstemming gebracht met de regels van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7.

Artikel 4.9. (uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom)

Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn afdeling 4.6 en de paragrafen 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6 niet van toepassing. Wat betreft de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van de paragrafen 3.2.3, 3.2.4, 3.3.6, 3.5.1 tot en met 3.5.3 voor een bestaand bouwwerk van toepassing. Wat betreft artikel 4.78, eerste lid, is artikel 3.59, eerste lid, voor een bestaand bouwwerk van toepassing.

Artikel 4.10. (uitzonderingen drijvend bouwwerk)
1.

Op een drijvend bouwwerk zijn de paragrafen 4.5.4 tot en met 4.5.6 niet van toepassing. In plaats van de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. Voor artikel 4.78, eerste lid, wordt artikel 3.59, eerste lid, gelezen.

2.

In aanvulling op het eerste lid zijn op een drijvend bouwwerk zonder toegankelijkheidssector paragraaf 4.2.3, de artikelen 4.30 tot en met 4.32 en paragrafen 4.6.1 en 4.6.3 niet van toepassing.

3.

Bij het bepalen van de afstand tot de perceelsgrens van een drijvend bouwwerk mag worden uitgegaan van een horizontaal gemeten afstand van 2,5 m vanuit de uitwendige scheidingsconstructie van het drijvende bouwwerk.

4.

Bij toepassing van paragraaf 4.2.10 mag bij een drijvend bouwwerk voor het aansluitend terrein worden gelezen de steiger tussen het drijvende bouwwerk en de wal.

Afdeling 4.2. Veiligheid

§ 4.2.1. Constructieve veiligheid

Artikel 4.11. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
Fundamentele belastingscombinaties Buitengewone belastingscombinaties Buitengewone belastingscombinaties bepalingsmethode niet bezwijken bepalingsmethode niet bezwijken bepalingsmethode niet bezwijken tijdelijk bouwwerk tijdelijk bouwwerk
artikel 4.12 4.13 4.13 4.14 4.14 4.14 4.15 4.15
lid * 1 2 1 2 3 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a in een woongebouw * 1 2 1 2 1 2
b andere woonfunctie * 1 2 1 2 3 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw * 1 2 1 2 1 2
b andere logiesfunctie * 1 2 1 2 3 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1 2 1 2 1 2
Artikel 4.12. (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990.

Artikel 4.13. (buitengewone belastingscombinaties)
1.

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

2.

Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

Artikel 4.14. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, wordt bepaald volgens:

2.

Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, bepaald volgens NEN-EN 1990.

3.

Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Artikel 4.15. (tijdelijk bouwwerk)
1.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 en 4.14 van overeenkomstige toepassing.

2.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing.

§ 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken

Artikel 4.15a. (aansturingsartikel)
1.

Een drijvend bouwwerk en een drijvend tijdelijk bouwwerk heeft voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte.

2.

Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 m boven de waterlijn en niet gelegen in:

wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.15b. (afstand en scheefstand)
1.

De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt.

2.

De loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, is bepaald volgens NEN 2778 ten minste:

3.

Als de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm.

4.

De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden.

Waterdiepte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m)
Waterdiepte (m) 30 50 75 100 150 200 500 700 1.000 1.500
2 250 310 370 420 490 490 630 680 730 780
2.5 250 310 370 420 490 560 680 740 800 870
3 250 310 370 420 490 560 700 780 850 940
3.5 250 310 370 420 490 560 820 810 890 990
4 250 310 370 420 490 560 820 830 920 1.030
4.5 250 310 370 420 490 560 820 940 950 1.060
5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.090
5.5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.110
6 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.300
6.5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.300
Waterdiepte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m)
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
Waterdiepte (m) 30 50 75 100 150 200 500 700 1.000 1.500
2 230 290 340 390 460 460 600 650 700 750
2.5 230 290 340 390 460 520 640 700 760 830
3 230 290 340 390 460 520 670 740 810 890
3.5 230 290 340 390 460 520 760 760 850 940
4 230 290 340 390 460 520 760 880 870 980
4.5 230 290 340 390 460 520 760 880 890 1.010
5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.030
5.5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.050
6 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.210
6.5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.210
Artikel 4.15c. (bepaling afstanden)
1.

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, eerste lid, wordt bepaald op basis van:

2.

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, tweede en derde lid, wordt bepaald op basis van:

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als:

Artikel 4.15d. (niet bezwijken van een drijflichaam)

Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

Artikel 4.15e. (niet bezwijken van een aanmeerconstructie)

Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

§ 4.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

Artikel 4.16. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken bepalingsmethode niet-bezwijken bepalingsmethode niet-bezwijken
artikel 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.18 4.18
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 5 6 1 2
b andere bijeenkomstfunctie 1 4 6 1 2
3 Celfunctie Celfunctie 1 5 6 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 5 6 1 2
b andere gezondheidszorgfunctie 1 4 6 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 4 6 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 4 6 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 5 6 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 4 6 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 4 6 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 6 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor personenvervoer 1 4 6 1 2
b voor het stallen van motorvoertuigen 1 4 6 1 2
c andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 7 1 2
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 8 1 2
Artikel 4.17. (tijdsduur niet-bezwijken)
1.

Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175.

2.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

woonfunctie tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau 60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 120
3.

In afwijking van het tweede lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

4.

Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

5.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17b aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

gebruiksfunctie maar geen woonfunctie tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau 60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 120
6.

In afwijking van het vierde en vijfde lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

7.

Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.

8.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 4.18. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.

2.

De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:

§ 4.2.3. Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan

Artikel 4.19. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.19 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid hoogte hoogte hoogte hoogte hoogte hoogte openingen openingen openingen openingen openingen voorkomen overklauteren voorkomen overklauteren openingen
artikel artikel artikel 4.20 4.20 4.20 4.20 4.20 4.21 4.21 4.21 4.21 4.21 4.21 4.22 4.22 4.22 4.22 4.22 4.23 4.23 4.22
lid lid lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 1
[m]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,1
b andere kinderopvang 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
c andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 3 4 0,5
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a voor basisonderwijs 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
b andere onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a voor langzaam verkeer 1 2 3 4 5 1 2 3 5 6 1 3 4 0,5
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 3 4 0,5
Artikel 4.20. (aanwezigheid afscheiding)
1.

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet-beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

2.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

3.

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

4.

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

5.

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

Artikel 4.21. (hoogte afscheiding)
1.

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

4.

In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.

5.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

6.

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een vloer waarvan de vloerafscheiding direct is gelegen naast een pad of strook bedoeld voor langzaam verkeer, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,3 m, gemeten vanaf de vloer.

Artikel 4.22. (openingen afscheiding)
1.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 4.19 aangegeven diameter.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer of een tredevlak geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.

3.

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 is niet groter dan 0,05 m.

4.

De bovenregel van een in artikel 4.20 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.

5.

Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Artikel 4.23. (voorkomen overklauteren)
1.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

§ 4.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

Artikel 4.24. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
voorziening bij hoogteverschil voorziening bij hoogteverschil afmetingen trap afmetingen trap markering trap trapbordes leuning leuning regenwerend afmetingen hellingbaan hellinbaanbordes geleiderand tijdelijk bouwwerk
artikel artikel artikel 4.25 4.25 4.26 4.26 4.26a 4.27 4.28 4.28 4.29 4.30 4.31 4.32 4.33
lid lid lid 1 2 1 2 * * 1 2 * * * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 1 2 * 1 * * * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 1 2 * 1 * * * *
b. andere kinderopvang 1 1 2 * 1 * * * *
c. voor alcoholgebruik 1 1 2 * * 1 2 * * * *
d. voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek, of voor theater 1 1 2 * * 1 2 * * * *
c. andere bijeenkomstfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 1 2 * * 1 2 * * * *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 1 * 1 * * * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a. voor basisonderwijs 1 1 2 * 1 * * * *
b. andere onderwijsfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 1 2 * * 1 2 * * * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 1 * 1 * * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. tunnel of tunnelvorming bouwwerk voor verkeer 1 2 1 * 1 * * * *
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 1 * 1 * * * *
Artikel 4.25. (voorziening bij hoogteverschil)
1.

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:

Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.

2.

Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 4.26. (afmetingen trap)
1.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 aangegeven afmetingen.

2.

Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.

reguliere trap reguliere trap trap uitsluitend voor ontvluchten
woonfunctie andere gebruiksfunctie alle gebruiksfuncties
Minimum breedte van de trap 0,8 m 0,8 m 0,8 m
Minimum vrije hoogte boven de trap 2,3 m 2,1 m 2,1 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,22 m 0,185 m 0,185 m
Maximum hoogte van een optrede 0,188 m 0,21 m 0,21 m
Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,05 m 0,05 m 0,05 m
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,23 m 0,23 m 0,23 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,3 m 0,3 m 0,3 m
Artikel 4.26a. (markering trap)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast.

Artikel 4.27. (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.

Artikel 4.28. (leuning)
1.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.

2.

Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt.

Artikel 4.29. (regenwerend)

Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.

Artikel 4.30. (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:

Artikel 4.31. (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Dit geldt niet als het hoogteverschil van de hellingbaan kleiner is dan 0,03 m.

Artikel 4.32. (geleiderand)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.

Artikel 4.33. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.

§ 4.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

Artikel 4.34. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.35. (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
1.

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.

2.

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit is niet van toepassing op een nooddeur.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

Artikel 4.36. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.35, tweede en derde lid, van toepassing.

§ 4.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

Artikel 4.37. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.38. (stookplaats)

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, als:

Artikel 4.39. (schacht, koker of kanaal)
1.

Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

Artikel 4.40. (rookgasafvoer)

Een voorziening voor de afvoer van rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.

Artikel 4.41. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing.

§ 4.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

Artikel 4.42. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden waarden
zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de zijde grenzend aan de bovenzijde bovenzijde bovenzijde elektrische leidingen elektrische leidingen elektrische leidingen elektrische leidingen elektrische leidingen elektrische leidingen pijpisolatie pijpisolatie pijpisolatie pijpisolatie pijpisolatie pijpisolatie
binnenlucht binnenlucht binnenlucht buitenlucht buitenlucht buitenlucht
binnenoppervlak binnenoppervlak binnenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak buitenoppervlak beloopbaar vlak beloopbaar vlak kabels en pijpisolatie kabels en pijpisolatie kabels en pijpisolatie kabels en pijpisolatie vrijgesteld vrijgesteld vrijgesteld dakoppervlak dakoppervlak tijdelijke bouw extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overige extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overige extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overige extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overige
artikel 4.43 4.43 4.43 4.44 4.44 4.44 4.44 4.44 4.45 4.45 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.46 4.46 4.46 4.47 4.47 4.48 4.43 4.43 4.43 4.44 4.44 4.44 4.45 4.45 4.45 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a 4.45a
lid 1 2 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 3 1 2 * 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 1 1 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1b 1b 1b 3 3 3 2b 2b 2b 4 4 4
[brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a in een woongebouw 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B B D C C D Cfl Cfl Dfl B2ca B2ca Dca B2ca Cca Dca Bl Bl Dl Cl Cl Dl
b voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 1 * B B D C C D Cfl Cfl Dfl B2ca B2ca Dca B2ca B2ca Dca Bl Bl Dl Cl Cl Dl
c andere woonfunctie 1 3 1 2 4 5 1 2 1 2 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 1 * B B D C C D Cfl Dfl Dfl B2ca B2ca Dca B2ca B2ca Dca Bl Bl Dl Cl Cl Dl
b andere bijeenkomstfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 1 * B B C B B D Cfl Cfl Cfl B2ca B2ca Cca B2ca B2ca Dca Bl Bl Cl Bl Bl Dl
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 1 * B B D C C D Cfl Dfl Dfl B2ca B2ca Dca B2ca B2ca Dca Bl Bl Dl Cl Cl Dl
b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 1 * B B B C D D Cfl Dfl Dfl B2ca B2ca B2ca B2ca Dca Dca Bl Bl Bl Cl Dl Dl
b andere industriefunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B B D C C D Cfl Dfl Dfl B2ca B2ca Dca B2ca B2ca Dca Bl Bl Dl Cl Cl Dl
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 1 2 1 2 * B D D C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca B2ca Dca Dca Bl Dl Dl Cl Dl Dl
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 1 3 1 2 4 5 1 2 1 2 3 4 3 1 2 * B B B C D D Cfl Dfl Dfl B2ca B2ca B2ca B2ca Dca Dca Bl Bl Bl Cl Dl Dl
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 4 5 1 2 1 2 3 4 3 1 2 * C D D Cfl Dfl Dfl B2ca Dca Dca Cl Dl Dl
Artikel 4.43. (binnenoppervlak)
1.

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt de eis aan de rookklasse alleen bij een beschermde vluchtroute.

3.

In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:

aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.44. (buitenoppervlak)
1.

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

3.

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

5.

In afwijking van het eerste tot en met derde lid voldoet een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.45. (beloopbaar vlak)
1.

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl en de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

In afwijking van de artikel 4.44 geldt voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.45a. (elektrische leidingen en pijpisolatie)
1.

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht:

2.

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht:

3.

In afwijking van artikel 4.44 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6.

4.

In afwijking van artikel 4.44 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.46. (vrijgestelde oppervlakte)
1.

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

2.

Op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waardoor geen beschermde vluchtroute voert, zijn de in de artikelen 4.43 en 4.45a, eerste en tweede lid, bedoelde eisen aan de rookklasse niet van toepassing.

3.

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Artikel 4.47. (dakoppervlak)
1.

De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet als het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen. Als het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2.

Artikel 4.48. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.44, derde lid, en 4.47 van toepassing.

§ 4.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

Artikel 4.49. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.49 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
brandcompartiment: ligging brandcompartiment: ligging brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang brandcompartiment: omvang opvangcompartiment weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode tijdelijk bouwwerk omvang
artikel 4.50 4.50 4.50 4.50 4.50 4.50 4.50 4.51 4.51 4.51 4.51 4.51 4.51 4.51 4.51 4.52 4.52 4.53 4.53 4.53 4.53 4.53 4.53 4.53 4.53 4.53 4.54 4.54 4.54 4.55 4.51
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 2 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 * 1
1 Woonfunctie Woonfunctie [m2]
a woonwagen 1 2 4 2 8 9 1 2 3 4
b andere woonfunctie 1 2 4 1 3 5 6 7 1 2 3 7 1 2 3 * 1.000
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 4 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 4 1 3 7 1 1 1 2 3 * 1.000
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 4 1 3 7 2 1 1 2 3 * 1.000
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 4 1 3 7 1 4 7 1 2 3 * 1.000
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 3 1 4 5 7 1 2 3 * 2.500
b lichte industriefunctie voor het houden van dieren 1 4 5 6 7 1 3 9 1 4 5 6 7 10 1 2 3 * 2.500
c andere industriefunctie 1 2 4 5 6 1 3 1 4 5 7 1 2 3 * 2.500
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 4 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 4 1 3 7 1 4 7 1 2 3 * 500
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 4 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 4 1 3 7 1 4 7 1 2 3 * 1.000
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 4 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 4 5 7 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
b andere overige gebruiksfunctie 1 2 4 5 6 7 1 3 7 8 1 4 7 1 2 3 * 1.000
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a Wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 4 4 1 1 2 3
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.50. (brandcompartiment: ligging)
1.

Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

4.

In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

5.

Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

6.

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

7.

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2. Deze uitzondering geldt niet als het bouwwerk aan een of meer andere bouwwerken grenst en de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2.

8.

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting niet groter dan 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 4.51. (brandcompartiment: omvang)
1.

Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 4.49 aangegeven oppervlakte, of een grotere gebruiksoppervlakte als dat niet tot een lager veiligheidsniveau leidt, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079.

2.

In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

3.

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

4.

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

5.

In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

6.

In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

7.

Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

8.

Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

9.

Een technische ruimte is een afzonderlijk brandcompartiment.

Artikel 4.52. (opvangcompartiment)
1.

De gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden is ten hoogste 500 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

2.

Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 4.53. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
1.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet-besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift of van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw is ten minste 60 minuten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert worden volstaan met 30 minuten.

3.

In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

4.

In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op een brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2.

6.

Het vierde lid is niet van toepassing op een technische ruimte.

7.

Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert.

8.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten.

9.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

10.

In afwijking van het eerste lid geldt geen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.

Artikel 4.54. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
1.

De in artikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

2.

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de bouwwerkperceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

3.

In aanvulling op het tweede lid is het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw in de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet groter dan het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment.

4.

Bij het bepalen van de in artikel 4.53, achtste lid, bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

Artikel 4.55. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 en 4.51 van toepassing en is artikel 4.53 van overeenkomstige toepassing waarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten is.

§ 4.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

Artikel 4.56. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 4.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.56 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
subbrandcompartiment: ligging subbrandcompartiment: ligging subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: ligging beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang beschermd subbrandcompartiment: omvang weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang tijdelijk bouwwerk beschermd subbrandcompartiment: omvang
artikel 4.57 4.57 4.57 4.58 4.58 4.58 4.58 4.59 4.59 4.59 4.59 4.59 4.59 4.59 4.59 4.60 4.60 4.61 4.61 4.61 4.61 4.62 4.62 4.62 4.62 4.63 4.59
lid 1 2 3 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 3 4 1 2 3 4 * 1
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 2 3 1 1 2 1 2 1 2 3 4 1 2 4 * 100
b woonwagen 1 2 2 1 2 3 4 1 4 *
c andere woonfunctie 1 2 3 1 1 1 2 1 2 3 4 1 3 4 * 500
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 3 2 1 3 8 1 2 1 2 3 4 1 3 4 * 200
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 3 1 4 1 2 1 2 3 4 1 2 4 * 500
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 3 2 5 6 1 2 1 2 3 4 1 2 4 *
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 1 7 8 1 2 1 2 3 4 1 3 4 * 500
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 2 1 2 3 4 1 4
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.57. (subbrandcompartiment: ligging)
1.

Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert.

2.

Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment.

3.

In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

Artikel 4.58. (beschermd subbrandcompartiment: ligging)
1.

Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

2.

Een bedgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

3.

Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

4.

Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 4.59. (beschermd subbrandcompartiment: omvang)
1.

Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 4.56 aangegeven oppervlakte.

2.

In afwijking van het eerste lid is een gezamenlijke verblijfsruimte een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

3.

Een beschermd subbrandcompartiment met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied omvat niet meer dan die gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

4.

Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

5.

Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

6.

Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 zonder bewaking en ten hoogste 500 m2 bij permanente bewaking.

7.

Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

8.

Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 4.60. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
1.

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 30 minuten.

2.

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid vande scheidende functie van een scheidingsconstructie alleen rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid van de afdichting.

Artikel 4.61. (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)
1.

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.

2.

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

3.

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

4.

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en naar een liftschacht als bedoeld in artikel 4.53, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.62. (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)
1.

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.

2.

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.

3.

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.

4.

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.63. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.60, tweede lid, 4.61 en 4.62 van toepassing.

§ 4.2.10. Vluchtroutes: verloop

Artikel 4.64. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.64 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden
vluchtroute vluchtroute vluchtroute vluchtroute vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment uitgang van een beschermd subbrandcompartiment beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute veiligheidsvluchtroute veiligheidsvluchtroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute tweede vluchtroute tijdelijk bouwwerk vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment extra beschermde vluchtroute
artikel 4.65 4.65 4.65 4.65 4.66 4.66 4.66 4.66 4.66 4.66 4.66 4.67 4.68 4.68 4.68 4.69 4.69 4.69 4.69 4.69 4.69 4.69 4.70 4.70 4.71 4.71 4.71 4.71 4.71 4.72 4.66 4.69
lid 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 * 1 2 3 1 2 3 4 5 6 7 1 2 1 2 3 4 5 * 1 en 2 6
[m] [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen 1 1 * 30
b andere woonfunctie 1 2 1 1 2 3 4 7 1 2 3 4 5 * 30
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 1 2 6 1 6 7 1 1 2 3 4 * 30 5
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 1 2 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
3 Celfunctie Celfunctie 2 1 2 3 6 7 * 1 6 7 1 1 2 3 4 * 22,5 22,5
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 1 2 3 6 * 1 6 7 1 1 2 3 4 * 30 20
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 1 2 3 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 1 2 3 4 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 1 2 3 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 1 2 6 7 1 6 7 1 2 1 2 3 4 * 30 20
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 1 2 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 15
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 1 2 3 4 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 1 2 3 4 6 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 1 2 3 4 7 1 2 5 6 7 1 1 2 3 4 * 30 30
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 3 5 3
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 4
Artikel 4.65. (vluchtroute)
1.

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

2.

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

3.

Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

4.

Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 4.66. (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
1.

De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 45 m.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 30 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 60 m.

5.

De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

6.

Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.

7.

Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 150 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt. De onderlinge afstand tussen de uitgangen is ten minste 5 m.

Artikel 4.67. (uitgang van een beschermd subbrandcompartiment)

Ten minste een uitgang van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 4.58, tweede en derde lid:

Artikel 4.68. (beschermde vluchtroute)
1.

Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

2.

Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een loopafstand niet groter dan 30 m vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.

3.

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een andere wegtunnelbuis voert dan de wegtunnelbuis waar de vluchtroute begint.

Artikel 4.69. (extra beschermde vluchtroute)
1.

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

2.

De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.

3.

De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet door een trappenhuis.

4.

Het tweede en derde lid gelden niet als de route door een trappenhuis voert, de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties rechtstreeks aan het trappenhuis grenzen, op die route alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan zijn aangewezen, en de uitgang van het trappenhuis rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein en:

5.

Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

6.

In een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende terrein niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

7.

Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 4.70. (veiligheidsvluchtroute)
1.

Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

2.

Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een veiligheidsvluchtroute.

Artikel 4.71. (tweede vluchtroute)
1.

Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 4.68, 4.69, eerste tot en met zesde lid, en 4.70 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

2.

Buiten het brandcompartiment waarin de in het eerste lid bedoelde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

4.

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is.

5.

De in het vierde lid bedoelde veiligheidsvluchtroute voert alleen door een trappenhuis.

Artikel 4.72. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.65 tot en met 4.71 van toepassing.

§ 4.2.11. Vluchtroutes: inrichting en capaciteit

Artikel 4.73. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.73 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
inrichting vluchtroute: rookdoorgang wrd inrichting vluchtroute: rookdoorgang wrd inrichting vluchtroute: rookdoorgang wrd inrichting vluchtroute: rookdoorgang wrd inrichting vluchtroute: rookdoorgang wrd inrichting vluchtroute: wbdbo inrichting vluchtroute: permanente vuurlast inrichting vluchtroute: permanente vuurlast rooksluis rooksluis voorportaal lift voorportaal lift vrije doorgang van een vluchtroute vrije doorgang van een vluchtroute vrije doorgang van een vluchtroute vrije doorgang van een vluchtroute vluchtroute door niet besloten ruimte doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit tijdelijk bouwwerk
artikel artikel artikel 4.74 4.74 4.74 4.74 4.74 4.75 4.76 4.76 4.77 4.77 4.77a 4.77a 4.78 4.78 4.78 4.78 4.79 4.80 4.80 4.81 4.81 4.81 4.81 4.81 4.82
lid lid lid 1 2 3 4 5 * 1 2 1 2 1 2 1 2 3 4 * 1 2 1 2 3 4 5 *
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen 1 * *
b andere woonfunctie 1 2 3 4 5 * 1 2 1 2 1 2 1 3 * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 5 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 3 4 5 * 2 1 1 4 * 1 1 2 3 4 *
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 * 2 1 1 * 1 1 2 3 4 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 * 1 2 * 2
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde * 2
Artikel 4.74. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)
1.

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

2.

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

3.

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

4.

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitend besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

5.

De weerstand tegen rookdoorgang tussen de twee ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.75. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.

Artikel 4.76. (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)
1.

Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een beschermde of een extra beschermde vluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en het trappenhuis ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit is niet van toepassing op een trappenhuis als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid.

2.

Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en de ruimte waardoor de veiligheidsvluchtroute voert ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068.

Artikel 4.77. (rooksluis)
1.

Een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting alleen bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een loopafstand van ten minste 2 m.

2.

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.

Artikel 4.77a. (voorportaal lift)
1.

Een lifttoegang van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw grenst aan een extra beschermde vluchtroute.

2.

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.

Artikel 4.78. (inrichting vluchtroute: vrije doorgang)
1.

Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute over een trap voert.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een beschermde vluchtroute, voor zover deze niet door een uitgang of over een trap voert, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m.

3.

Als op een trap in totaal meer dan 600 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, is de breedte van de trap ten minste 1,2 m.

4.

Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze route voert niet over een trap of via een liftkooi.

Artikel 4.79. (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte bij brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

Artikel 4.80. (doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit)
1.

De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:

2.

De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.81. (doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit)
1.

Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan van artikel 4.80 worden afgeweken als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen:

2.

De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten kan worden verlaten.

3.

De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat elke ruimte, maar geen trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment:

4.

Bij toepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten:

5.

Bij toepassing van het vierde lid, onder j, geldt voor een bijeenkomstfunctie een opvangcapaciteit van ten hoogste twee personen per m2 vrije vloeroppervlakte als bij een tijdstap als bedoeld in het vierde lid, onder a, in een ruimte als bedoeld in het derde lid meer dan 200 personen aanwezig zijn en die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten kan worden verlaten.

Artikel 4.82. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.80 en 4.81 van toepassing.

§ 4.2.12. Hulpverlening bij brand

Artikel 4.83. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
brandweerlift brandweerlift loopafstand loopafstand hulppost tijdelijk bouwwerk
artikel 4.84 4.84 4.85 4.85 4.86 4.87
lid 1 2 1 2 * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 1 2 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 1 2 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 1 2 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 1 2 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 1 2 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 1 2 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 1 2 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 1 2 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 1 2 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.84. (brandweerlift)
1.

Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute.

2.

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde extra beschermde vluchtroute voor zover die voert door een ruimte die rechtstreeks grenst aan de lifttoegang.

Artikel 4.85. (loopafstand)
1.

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.

2.

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een lifttoegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.

Artikel 4.86. (hulppost)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Artikel 4.87. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.84 en 4.85 van toepassing.

§ 4.2.13. Hoge en ondergrondse gebouwen

Artikel 4.88. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zodanig ingericht dat het bouwwerk brandveilig is.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.89. (inrichting)
1.

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt:

2.

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12.

§ 4.2.14. Brand- en explosievoorschriftengebieden

Artikel 4.90. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.90 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
brandwerendheid brandklasse gevel en vloeren brandklasse gevel en vloeren brandklasse gevel en vloeren brandklasse gevel en vloeren brandklasse dak brandklasse dak Vluchtroute Vluchtroute Vluchtroute Sterkte bij brand scherfwerking
artikel 4.91 4.92 4.92 4.92 4.92 4.93 4.93 4.94 4.94 4.94 4.95 4.96
lid * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
1 Woonfunctie Woonfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
3 Celfunctie Celfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie
b andere industriefunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
9 Sportfunctie Sportfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie * 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.91. (brandwerendheid)

Een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment heeft voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt een brandwerendheid van buiten naar binnen van ten minste 60 minuten, bepaald volgens NEN 6069. Bij het bepalen van de brandwerendheid wordt het in het brandvoorschriftengebied gelegen aansluitende terrein aangemerkt als een brandcompartiment en wordt uitgegaan van de in NEN-EN 13501-2 bedoelde buitenbrandkromme.

Artikel 4.92. (brandklasse buitenoppervlak)
1.

Een aan de buitenlucht grenzende zijde van een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment voldoet, voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt, aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

In afwijking van het eerste lid voldoet een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

3.

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen in elk vlak van de uitwendige scheidingsconstructie met een afmeting van 3 m bij 3 m, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 4.93. (brandklasse dak)
1.

Een dak van een brandcompartiment is, voor zover dat dak in een brandvoorschriftengebied ligt, bedekt met constructieonderdelen waarvan de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

Op ten hoogste 5% van de oppervlakte van het dak is de eis van het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 4.94. (vluchtroute)
1.

In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een gedeeltelijk in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk is geen in het brandvoorschriftengebied gelegen doorgang waardoor een vluchtroute voert aanwezig.

2.

In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een volledig in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voert een vluchtroute door een van het hart van het voorschriftengebied afgekeerde doorgang.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een in meer dan één brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voor elk brandvoorschriftengebied een vluchtroute door een uitgang van het bouwwerk die niet grenst aan een brandvoorschriftengebied of die is afgekeerd van het voorschriftengebied.

Artikel 4.95. (sterkte bij brand)

Voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat is gelegen in een brandvoorschriftengebied, zijn de regels van paragraaf 4.2.2 van overeenkomstige toepassing waarbij een in een brandvoorschriftengebied gelegen buitenruimte een brandcompartiment is en wordt uitgegaan van een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.

Artikel 4.96. (scherfwerking)

In een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing is zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen.

§ 4.2.15. Aanvullende regels tunnelveiligheid

Artikel 4.97. (aansturingsartikel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.98. (verkeersveiligheid)
1.

Een buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnel voor twee rijrichtingen heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.

2.

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.

3.

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.

§ 4.2.16. Inbraakwerendheid

Artikel 4.99. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie van een woonwagen, biedt weerstand tegen inbraak.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.100. (reikwijdte)

Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm bedoelde weerstandsklasse 2.

Afdeling 4.3. Gezondheid

§ 4.3.1. Bescherming tegen geluid van buiten

Artikel 4.101. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.101 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
bescherming tegen geluid van buiten geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering niet-geluidgevoelige gevel niet-geluidgevoelige gevel overgangsrecht: Wet geluidhinder overgangsrecht: Wet geluidhinder geluidwering bij luchtvaartlawaai geluidwering bij luchtvaartlawaai geluidwering bij luchtvaartlawaai geluidwering bij luchtvaartlawaai tijdelijk bouwwerk
artikel 4.102 4.103 4.103 4.103 4.103a 4.103b 4.103b 4.103c 4.103c 4.104 4.104 4.104 4.104 4.105
lid * 1 2 3 * 1 2 1 2 1 2 3 4 *
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen woonwagen * 1 2
b andere woonfunctie andere woonfunctie * 1 2 3 * 1 2 1 2 1 2 3 4 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang voor kinderopvang * 1 2 3 * 1 2 1 2 1 2 3 4 *
b andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie * 1 2 3 * 1 2 1 2 1 2 3 4 *
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie * 1 2 3 * 1 2 1 2 1 2 3 4 *
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.102. (bescherming tegen geluid van buiten)

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB.

Artikel 4.103. (geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten)
1.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is:

2.

Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en tweede lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en tweede lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.103a. (afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.103, eerste lid, kan alleen inhouden dat het gezamenlijke geluid opnieuw wordt bepaald.

Artikel 4.103b. (niet-geluidgevoelige gevel)
1.

Bij een niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij de toepassing van artikel 4.103, eerste lid, aanhef en onder a, uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB.

2.

Bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving:

Artikel 4.103c. (overgangsrecht: Wet geluidhinder)
1.

Als de regels voor het bouwwerk deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of voorschriften voor het bouwwerk zijn gesteld in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet, is artikel 4.103b, tweede lid, onder a, van overeenkomstige toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.

2.

Als voor een bouwwerk in het geluidaandachtsgebied, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van een weg, spoorweg of industrieterrein het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 4.103, eerste lid, onder a, niet is bepaald in een van de in dat onderdeel genoemde besluiten, wordt het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels op basis van:

Artikel 4.104. (geluidwering bij luchtvaartlawaai)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde Ke-geluidzone bij een militaire luchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het in tabel 4.104 aangegeven geluidniveau. Als de geluidbelasting ligt tussen de in de eerste kolom opgenomen Ke-waarden, wordt de te bereiken geluidwering bepaald door rechtevenredige interpolatie tussen de in de tweede kolom opgenomen dB-waarden.

geluidbelasting in Ke vereiste karakteristieke geluidwering in dB
36–40 30–33
41–45 33–36
46–50 36–40
meer dan 50 40
2.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgesteld 56 dB(A) Lden beperkingengebied of een vastgestelde 35 Ke-geluidzone bij een burgerluchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering waarmee het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie.

3.

Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.

4.

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.105. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB of dB(A) lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.2. Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties

Artikel 4.106. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.106 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aangrenzend bouwwerkperceel aangrenzend bouwwerkperceel zelfde bouwwerkperceel tijdelijk bouwwerk zelfde bouwwerkperceel
artikel 4.107 4.107 4.108 4.108 4.108 4.109 4.108
lid 1 2 1 2 3 * 2
[dB]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 1 2 3 * 30
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 1 2 * 35
b andere bijeenkomstfunctie 1 1 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 1 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 1 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 1 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 1 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 1 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 1 2 * 35
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 1 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 1 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 1 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 1
Artikel 4.107. (aangrenzend bouwwerkperceel)
1.

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB. Dit is niet van toepassing op een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie.

2.

Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een bouwwerkperceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.108. (hetzelfde bouwwerkperceel)
1.

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.

2.

Een mechanische voorziening voor luchtverversing of warmterugwinning, of een installatie voor warmte- of koudeopwekking veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste het in tabel 4.106 aangegeven geluidniveau.

3.

Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.109. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.3. Beperking van galm

Artikel 4.110. (aansturingsartikel)
1.

Een woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een geluidsabsorptie, waarmee geluidhinder door galm wordt beperkt.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.111. (geluidsabsorptie)

Een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie die grenst aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, heeft een volgens NEN-EN 12354-6 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalswaarde, uitgedrukt in m2, die niet kleiner is dan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m³, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1.000 en 2.000 Hz.

§ 4.3.4. Geluidwering tussen ruimten

Artikel 4.112. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.112 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden waarden waarden
ander bouwwerkperceel ander bouwwerkperceel ander bouwwerkperceel ander bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie tijdelijk bouwwerk ander bouwwerkperceel ander bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel
artikel 4.113 4.113 4.113 4.113 4.114 4.114 4.114 4.114 4.114 4.114 4.114 4.114 4.115 4.115 4.115 4.116 4.113 4.113 4.114 4.114
lid 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 * 3 4 3 4
[dB] [dB] [dB] [dB]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen
b in een woongebouw 1 2 3 4 1 2 3 4 6 7 8 1 2 3 * 54 59 54 59
c andere woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 * 54 59 54 59
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * 59 64 59 64
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * 59 64 59 64
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * 59 64 59 64
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie
b andere industriefunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * 59 64 59 64
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 59 64 59 64
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 59 64 59 64
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * 59 64 59 64
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 59 64 59 64
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 59 64 59 64
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 59 64 59 64
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.113. (ander bouwwerkperceel)
1.

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

2.

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

3.

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

4.

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

Artikel 4.114. (verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel)
1.

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

2.

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

3.

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

4.

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een nevengebruiksfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.

6.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte.

7.

Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijke verkeersruimte of op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte.

8.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een aangrenzende woonfunctie voor bewoners die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 4.115. (verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie)
1.

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet kleiner dan 32 dB.

2.

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet groter dan 79 dB.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet als de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan of als de ene verblijfsruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deuropening.

Artikel 4.116. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.113 tot en met 4.115 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.5. Wering van vocht

Artikel 4.117. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.117 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
wering van vocht van buiten wering van vocht van buiten wering van vocht van buiten wering van vocht van buiten factor van de temperatuur wateropname wateropname factor van de temperatuur
artikel 4.118 4.118 4.118 4.118 4.119 4.120 4.120 4.119
lid 1 2 3 4 * 1 2 1
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,65
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie * 1 2 0,5
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 * 1 2 0,5
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.118. (wering van vocht van buiten)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

4.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6m3 /(m2.s).

Artikel 4.119. (factor van de temperatuur)

Een scheidingsconstructie waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 4.152 geldt, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 4.117 aangegeven waarde.

Artikel 4.120. (wateropname)
1.

Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1,2 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

2.

Een badruimte heeft in aanvulling op het eerste lid ter plaatse van de opstelplaats voor een bad of een douche een in het eerste lid bedoelde beperking aan de wateropname over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.

§ 4.3.6. Luchtverversing

Artikel 4.121. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.121 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
Capaciteit
luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte thermisch comfort regelbaarheid en uitschakelbaarheid regelbaarheid en uitschakelbaarheid regelbaarheid en uitschakelbaarheid regelbaarheid en uitschakelbaarheid Luchtverversing overige ruimten Luchtverversing overige ruimten Luchtverversing overige ruimten Luchtverversing overige ruimten Luchtverversing overige ruimten Luchtverversing overige ruimten plaats van de opening plaats van de opening plaats van de opening Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht Luchtkwaliteit toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht tijdelijk bouwwerk luchtverversing
artikel artikel artikel 4.122 4.122 4.122 4.122 4.122 4.122 4.123 4.124 4.124 4.124 4.124 4.125 4.125 4.125 4.125 4.125 4.125 4.126 4.126 4.126 4.127 4.127 4.127 4.127 4.127 4.127 4.128 4.128 4.128 4.128 4.128 4.128 4.129 4.122
lid lid lid 1 2 3 4 5 6 * 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 6 * 2
[dm3/s per persoon]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 3 4 5 * 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 1 2 3 4 5 1 2 3 5 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 * 6,5
b. andere bijeenkomstfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 4
c. voor alcoholgebruik 2 3 5 6 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 4
3 Celfunctie Celfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5
a. verblijfsgebied van celeenheid 12
b. ander verblijfsgebied 6,5
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5
a. bedgebied 12
b. ander verblijfsgebied 6,5
5 Industriefunctie Industriefunctie 2 3 5 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 6,5
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 6,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 2 4 5 2 3 5 12
b. andere logiesfunctie 2 3 4 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 2 4 5 2 3 5 12
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 * 8,5
9 Sportfunctie Sportfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 6,5
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 2 3 5 * 1 2 3 4 2 3 4 1 2 1 4 5 2 3 5 4
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a. voor het stallen van motorvoertuigen a. voor het stallen van motorvoertuigen 5 2 3 4 5 3 4 5 2 3 5 6
b. andere overige gebruiksfunctie b. andere overige gebruiksfunctie 5 2 3 4 4 5 2 3 5
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 4 6 6 4
b andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 6
c. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 2 4 4 5 2 3
Artikel 4.122. (luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
1.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

2.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 4.121 aangegeven capaciteit per persoon.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid hebben een verblijfsgebied en een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm3/s.

4.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied. In aanvulling daarop is de capaciteit niet kleiner dan 70% van de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid gelden voor de op die voorziening aangewezen verblijfsgebieden.

5.

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

6.

Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsgebied of een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.

Artikel 4.123. (thermisch comfort)

De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.124. (regelbaarheid en uitschakelbaarheid)
1.

Een voorziening voor natuurlijke toevoer van verse lucht is regelbaar in het gebied van 0% tot 30% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste twee regelstanden in het regelgebied die onderling ten minste 10% in capaciteit verschillen.

2.

Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste een regelstand in het regelgebied.

3.

Een voorziening voor toevoer van verse lucht als bedoeld in het eerste en tweede lid mag zelfregelend zijn in het regelgebied.

4.

Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.

Artikel 4.125. (luchtverversing overige ruimten)
1.

Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

2.

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

3.

Een liftschacht heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

4.

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

5.

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

6.

Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.126. (luchtkwaliteit: plaats van de instroomopening en uitmonding)
1.

De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan 0,01. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

2.

Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

3.

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

Artikel 4.127. (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
1.

De toevoer van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

2.

In afwijking van het eerste lid mag, bij de toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, ten hoogste 50% van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid via een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte van dezelfde gebruiksfunctie worden aangevoerd.

3.

De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats.

4.

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

5.

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

6.

De toevoer van verse lucht naar een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 4.128. (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
1.

De afvoer van binnenlucht uit een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

2.

De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.

3.

De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

4.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaats.

5.

Ten minste 21 dm3/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.122, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

6.

De afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Artikel 4.129. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.122 tot en met 4.128 van toepassing.

§ 4.3.7. Spuivoorziening

Artikel 4.130. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.130 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening plaats van de opening tijdelijk bouwwerk
artikel 4.131 4.131 4.131 4.132 4.133
lid 1 2 3 * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 2 3 * *
b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a voor basisonderwijs 1 2 * *
b andere onderwijsfunctie
9 Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.131. (capaciteit spuivoorziening)
1.

Een verblijfsgebied heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 6 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van dat gebied. In een uitwendige scheidingsconstructie van dat gebied zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd.

2.

Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte. In een uitwendige scheidingsconstructie van die ruimte zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd. Ten minste een van die beweegbare constructieonderdelen is een raam, of een deur die grenst aan een tot de woonfunctie behorende buitenruimte.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de bedoelde capaciteit worden gerealiseerd met een in artikel 4.122 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.132. (plaats van de opening)

Een opening van een spuivoorziening als bedoeld in artikel 4.131, eerste lid, ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Artikel 4.133. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.131 en 4.132 van toepassing.

§ 4.3.8. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

Artikel 4.134. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.134 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid aanwezigheid capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht plaats van de uitmonding plaats van de uitmonding plaats van de uitmonding plaats van de uitmonding plaats van de uitmonding plaats van de uitmonding plaats van de instroomopening plaats van de instroomopening plaats van de instroomopening thermisch comfort rookdoorlatendheid tijdelijk bouwwerk
artikel 4.135 4.135 4.136 4.136 4.137 4.137 4.137 4.138 4.138 4.138 4.138 4.138 4.138 4.139 4.139 4.139 4.140 4.141 4.142
lid 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 1 2 3 * * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 1 2 1 3 1 2 3 4 5 6 2 3 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.135. (aanwezigheid)
1.

Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Een kooktoestel met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.

2.

Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of een badruimte.

Artikel 4.136. (capaciteit: afvoer van rookgas)
1.

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

2.

Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.137. (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
1.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde toevoercapaciteit.

2.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

3.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar het verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.138. (plaats van de uitmonding)
1.

De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan aangegeven in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen voorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

soort afvoer verdunningsfactor
Afvoervoorziening voor rookgas bij gasgestookte toestellen 0,01
Afvoervoorziening voor rookgas bij toestellen met andere brandstoffen 0,0015
Afvoervoorziening voor luchtverversing 0,01
2.

Een niet boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt:

3.

Een boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas voor een niet-gasgestookt verbrandingstoestel ligt op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens.

4.

Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen ligt boven het dakvlak.

5.

Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

6.

Een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.139. (plaats van de instroomopening)
1.

Bij toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied is de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing en van een afvoervoorziening voor rookgas, ter plaatse van een in de uitwendige scheidingsconstructie gelegen instroomopening voor verbrandingslucht, niet groter dan genoemd in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

2.

Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

3.

Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.140. (thermisch comfort)

De toevoer van verbrandingslucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.141. (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een afvoervoorziening voor rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan de doorlatendheid, aangegeven in tabel 4.141.

soort rookgasafvoer toegestane doorlatendheid
Een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757 0,006 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa
Een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757 3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa
Artikel 4.142. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.135 tot en met 4.141 van toepassing.

§ 4.3.9. Bescherming tegen ratten en muizen

Artikel 4.143. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.143 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
openingen openingen openingen rattenscherm rattenscherm rattenscherm
artikel 4.144 4.144 4.144 4.145 4.145 4.145
lid 1 2 3 1 2 3
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen woonwagen 1 2 3
b andere woonfunctie andere woonfunctie 1 2 3 1 2 3
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 1 2 3
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 1 2 3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 1 2 3
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 1 2 3
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesbouw in een logiesbouw 1 2 3 1 2 3
b andere logiesfunctie andere logiesfunctie 1 2 3
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 1 2 3
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 1 2 3
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 1 2 3
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.144. (openingen)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

2.

In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 4.145. (rattenscherm)
1.

Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

3.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een technische ruimte als zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid bevindt.

§ 4.3.10. Daglicht

Artikel 4.146. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.146 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden
daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte
artikel 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147 4.147
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2
[%] [m2]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 10 0,5
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 2 3 4 5 5 0,5
b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 6 3 0,2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 7 5 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 2,5 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 4 8 5 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.147. (daglichtoppervlakte)
1.

Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m2 waarvan de getalswaarde niet kleiner is dan de getalswaarde van het in tabel 4.146 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m2 van dat verblijfsgebied.

2.

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 4.146 aangegeven oppervlakte.

3.

Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte:

4.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

5.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bedgebied dat niet ook is bestemd voor spelactiviteiten.

6.

In afwijking van het eerste lid en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

7.

Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een bedgebied.

8.

Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde vloeroppervlakte van een verblijfsgebied blijft een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2 buiten beschouwing. Op een dergelijke verblijfsruimte is het tweede lid niet van toepassing.

Afdeling 4.4. Duurzaamheid

§ 4.4.1. Energiezuinigheid

Artikel 4.148. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bijna energieneutraal.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in de tabellen 4.148A of 4.148B regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden waarden
bijna energieneutraal bijna energieneutraal bijna energieneutraal bijna energieneutraal afbakening maatwerkvoorschriften minimumwaarde aandeel hernieuwbare energie afbakening maatwerkvoorschriften minimumwaarde aandeel hernieuwbare energie bijna energieneutraal bijna energieneutraal bijna energieneutraal
artikel artikel artikel 4.149 4.149 4.149 4.149 4.149a 4.149a 4.149b 4.149b 4.149b 4 4 4
lid lid lid 1 2 3 4 * * 1 2 3 1 1 1
Energiebehoefte Primair fossiel energiegebruik Aandeel hernieuwbare energie
[kWh/m2/jr] [kWh/m2/jr] [%]
(1) geldt als Als/Ag ≤ 1,83
(2) geldt als Als/Ag > 1,83 en ≤ 3,0
(3) geldt als Als/Ag > 3,0
(4) geldt als Als/Ag ≤ 1,5
(5) geldt als Als/Ag > 1,5 en ≤ 3,0
(6) geldt als Als/Ag ≤ 1,8
(7) geldt als Als/Ag > 1,8
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woongebouw 1 3 4 * * 1 2 3 (1) 65 50 40
(2) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)
(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)
b woonwagen 1 3 100 + 30 x (Als/Ag – 2,0) 60 50
c drijvend bouwwerk na 2018 1 3 80 + 30 x (Als/Ag – 1,5) 50 50
gerealiseerde ligplaats
d drijvend bouwwerk andere ligplaats 1 3 80 + 30 x (Als/Ag – 1,5) 70 50
e andere woonfunctie 1 3 4 1 2 3 (4) 55 30 50
(5) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)
(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 2 (6) 160 70 40
(7) 160 + 30 x (Als/Ag – 1,8)
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 (6) 90 60 30
(7) 90 + 30 x (Als/Ag – 1,8)
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 (6) 160 120 30
(7) 160 + 35 x (Als/Ag – 1,8)
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 350 130 30
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 (6) 90 50 40
(7) 90 + 35 x (Als/Ag – 1,8)
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 (6) 90 40 30
(7) 90 + 30 x (Als/Ag – 1,8)
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 (6) 100 130 40
(7) 100 + 35 x (Als/Ag – 1,8)
b andere logiesfunctie 1 2 4 (4) 55 40 50
(5) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)
(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 (6) 190 70 40
(7) 190 + 30 x (Als/Ag – 1,8)
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 (6) 40 90 30
(7) 40 + 15 x (Als/Ag – 1,8)
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 (6) 70 60 30
(7) 70 + 30 x (Als/Ag – 1,8)
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmteweerstand thermische isolatie, warmtedoorgangscoëfficiënt
artikel artikel artikel artikel 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.152 4.153
lid lid lid lid 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a. woonwagen woonwagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
b. andere woonfunctie andere woonfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a. met bedgebied met bedgebied 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
b. andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw in een logiesgebouw 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
b. andere logiesfunctie andere logiesfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.149. (bijna energieneutraal)
1.

Een gebruiksfunctie heeft, bepaald volgens NTA 8800, een energiebehoefte en een primair fossiel energiegebruik van ten hoogste de in tabel 4.148A aangegeven waarden en een aandeel hernieuwbare energie van tenminste de in die tabel aangegeven waarde.

2.

In afwijking van het eerste lid worden bij een gebouw of een gedeelte daarvan, dat op niet meer dan een perceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties niet van dezelfde soort, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, bepaald volgens NTA 8800, de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en hernieuwbare energie naar gebruiksoppervlak gewogen. Bij het bepalen van die waarden wordt per gebruiksfunctie uitgegaan van de in tabel 4.148A aangegeven waarden.

3.

Bij toepassing van dit artikel gelden voor een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie de eisen aan de woonfunctie.

4.

Bij toepassing van dit artikel op een gebruiksfunctie in een gebouw of een gedeelte daarvan, met een naar gebruiksoppervlak gewogen gemiddelde specifieke interne warmtecapaciteit van 180 kJ/m2K of minder, bepaald volgens NTA 8800, worden de in tabel 4.148A aangegeven maximumwaarden voor energiebehoefte verhoogd met 5 kWh/m2.jr.

Artikel 4.149a. (afbakening maatwerkvoorschriften minimumwaarde aandeel hernieuwbare energie)

Een maatwerkvoorschrift over de minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie bij een woongebouw kan alleen inhouden dat als gevolg van locatiegebonden omstandigheden niet aan de minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie hoeft te worden voldaan, waarbij dat blijkt uit de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw).

Artikel 4.149b. (voorkomen oververhitting)
1.

Een woonfunctie heeft, bepaald volgens paragraaf 5.7 van NTA 8800, een waarde voor oververhitting van ten hoogste 1,20 voor iedere rekenzone en oriëntatie.

2.

Als de hoogst berekende waarde voor oververhitting bij een niet in een woongebouw gelegen woonfunctie meer dan 1,20 is, wordt met een berekening aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in elke verblijfsruimte van die woonfunctie op jaarbasis niet meer dan 450 is.

3.

Als in een woongebouw bij een of meer woonfuncties binnen dat woongebouw de hoogst berekende waarde voor oververhitting meer dan 1,20 is, wordt bij de woonfunctie met de hoogst berekende waarde voor oververhitting met een berekening aangetoond dat het aantal gewogen overschrijdingsuren in elke verblijfsruimte van die woonfunctie op jaarbasis niet meer dan 450 is.

Artikel 4.150

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/426.

Artikel 4.151

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/501.

Artikel 4.152. (thermische isolatie: warmteweerstand)
1.

Een onderdeel van een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende verticale uitwendige constructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

2.

In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, heeft de uitwendige scheidingsconstructie van een drijvend bouwwerk op een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een gemiddelde warmteweerstand van ten minste 3,7 m2•K/W.

3.

Een onderdeel van een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

4.

In afwijking van het derde lid, tweede volzin, heeft de uitwendige scheidingsconstructie van een drijvend bouwwerk op een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een gemiddelde warmteweerstand van ten minste 4,5 m2•K/W.

5.

Een onderdeel van een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende constructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

6.

Een onderdeel van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende uitwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water, met inbegrip van de op die constructies aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B gegeven waarde.

7.

In afwijking van het eerste, tweede en zesde lid heeft de uitwendige scheidingsconstructie van het drijflichaam van een drijvend bouwwerk een volgens NTA 8800 bepaalde gemiddelde warmteweerstand van ten minste 3,7m2•K/W en bij een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W.

8.

Een onderdeel van een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een ruimte die niet wordt verwarmd of die alleen wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van personen heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand vande onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een ruimte die niet wordt verwarmd of die alleen wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van personen is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B gegeven waarde.

9.

Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op een oppervlakte aan scheidingsconstructies waarvan de getalswaarde niet groter is dan 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

10.

Het eerste, derde, vijfde, zesde, en het achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op scheidingsconstructies van een functiegebied.

Artikel 4.153. (thermische isolatie: warmtedoorgangscoëfficiënt)
1.

Ramen, deuren en kozijnen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NTA 8800 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 W/m2•K. De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen in de in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructies van een bouwwerk is, bepaald volgens de in het derde lid gegeven methode, ten hoogste 1,65 W/m2•K.

2.

Met ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NTA 8800 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 1,65 W/m2•K.

3.

De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met de formule:

waarin wordt verstaan onder:

x: het aantal ramen, deuren en kozijnen van het bouwwerk;

Un: de warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NTA 8800;

An: het geprojecteerde oppervlak van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NTA 8800; en

At: het totale geprojecteerde oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen van het bouwwerk.

Artikel 4.154. (luchtvolumestroom)
1.

De volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie is niet groter dan 0,2 m3/s.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een bouwwerkperceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een eis aan de luchtvolumestroom geldt, een volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van de gebruiksfuncties die niet groter is dan 0,2 m3/s.

Artikel 4.155. (gebruiksfunctie met een lage energievraag)
1.

Op een gebruiksfunctie die niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing.

2.

Op een gebruiksfunctie waarbij de in artikel 4.149, eerste lid, bedoelde waarde ten hoogste 1% bedraagt van de maximum waarde voor primair fossiel energiegebruik zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing.

Artikel 4.156. (tijdelijk bouwwerk)
1.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.152 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, het derde lid, tweede volzin, het vijfde lid, tweede volzin, het zesde lid, tweede volzin, het zevende lid en het achtste lid, tweede volzin, en met dien verstande dat de warmteweerstand ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde is.

2.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.153 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, en met dien verstande dat de warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste de in tabel 4.148B aangegeven waarde is.

3.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.154 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.157

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/454.

§ 4.4.2. Milieuprestatie

Artikel 4.158. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.158 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
milieuprestatie milieuprestatie milieuprestatie milieuprestatie
artikel artikel artikel 4.159 4.159 4.159 4.159
lid lid lid 1 2 3 4
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. woonwagen
b. andere woonfunctie 1
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 2 3 4
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
Artikel 4.159. (milieuprestatie)
1.

Een woonfunctie heeft een milieuprestatie van ten hoogste 0,8, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

2.

Een kantoorgebouw heeft een milieuprestatie van ten hoogste 1, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m2.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat deel uitmaakt van een gebouw met andere gebruiksfuncties dan de kantoorfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 4.160

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/426.

§ 4.4.3. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

Artikel 4.160a. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.160b. (oplaadpunten en leidingdoorvoeren)
1.

Een woongebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan tien parkeervakken, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak.

2.

Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan tien parkeervakken, heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeervakken.

§ 4.4.4. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Artikel 4.160c. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.160d. (systeem voor gebouwautomatisering en -controle)

Het systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 4.160c, eerste lid, is in staat:

Artikel 4.160e. (overgangsrecht)

De artikelen 4.160c en 4.160d zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025.

Afdeling 4.5. Bruikbaarheid

§ 4.5.1. Algemeen

Artikel 4.161. (afbakening maatwerkregels bruikbaarheid)

Met een maatwerkregel kunnen alleen gebieden of categorieën woonfuncties worden aangewezen waarbij kan worden afgeweken van een regel in deze afdeling, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

§ 4.5.1. Algemeen

Artikel 4.162. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.162 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden
aanwezigheid aanwezigheid afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte aanwezigheid afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte
artikel 4.163 4.163 4.164 4.164 4.164 4.164 4.163 4.164
lid 1 2 1 2 3 4 1 4
[m2] [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a woonwagen 1 2 1 2 3 4 18 2,2
b voor studenten 1 2 1 2 3 4 15 2,6
c andere woonfunctie 1 2 1 2 3 4 18 2,6
Artikel 4.163. (aanwezigheid)
1.

Een woonfunctie heeft ten minste de in tabel 4.162 aangegeven vloeroppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

2.

Ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie is verblijfsgebied.

Artikel 4.164. (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
1.

Een verblijfsgebied heeft een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2.

2.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een breedte van ten minste 1,8 m.

3.

In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m2 en een breedte van ten minste 3 m.

4.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben ten minste de in tabel 4.162 aangegeven hoogte boven de vloer.

§ 4.5.3. Toiletruimte

Artikel 4.165. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.165 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aanwezigheid toiletruimte aanwezigheid toiletruimte aanwezigheid toiletruimte afmetingen toiletruimte afmetingen toiletruimte afmetingen toiletruimte
artikel 4.166 4.166 4.166 4.167 4.167 4.167
lid 1 2 3 1 2 2
1 Woonfunctie Woonfunctie [m]
a woonwagen 1 2 3 1 2 2,1
b andere woonfunctie 1 2 3 1 2 2,3
Artikel 4.166. (aanwezigheid toiletruimte)
1.

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

2.

Op een toiletruimte zijn niet meer dan vijf woonfuncties aangewezen.

3.

Op een toiletruimte zijn alleen woonfuncties of een nevengebruiksfunctie daarvan aangewezen.

Artikel 4.167. (afmetingen toiletruimte)
1.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m.

2.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.165 aangegeven hoogte.

§ 4.5.4. Badruimte

Artikel 4.168. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft voldoende badruimte.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.168 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aanwezigheid badruimte Afmetingen badruimte Afmetingen badruimte Afmetingen badruimte afmetingen badruimte
artikel 4.169 4.170 4.170 4.170 4.170
lid * 1 2 3 3
1 Woonfunctie Woonfunctie [m]
a woonwagen * 1 2 3 2,1
b andere woonfunctie * 1 2 3 2,3
Artikel 4.169. (aanwezigheid badruimte)

Een woonfunctie heeft een badruimte.

Artikel 4.170. (afmetingen badruimte)
1.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m2 en een breedte van ten minste 0,8 m.

2.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m2 en een breedte van ten minste 0,9 m.

3.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.168 aangegeven hoogte.

§ 4.5.5. Buitenberging

Artikel 4.171. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.171 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen regenwerend
artikel 4.172 4.172 4.173
lid 1 2 3 *
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg
b voor studenten
c andere woonfunctie 1 2 3 *
Artikel 4.172. (aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen)
1.

Een woonfunctie heeft als nevengebruiksfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 en een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,3 m.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt.

3.

Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte. Een hoogteverschil groter dan 0,02 m op ten minste een route tussen de toegang van de bergruimte en het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte wordt overbrugd door een lift of een hellingbaan.

Artikel 4.173. (regenwerend)

De uitwendige scheidingsconstructie van een bergruimte als bedoeld in artikel 4.172 is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

§ 4.5.6. Buitenruimte

Artikel 4.174. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een rechtstreeks bereikbare buitenruimte.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.174 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid
artikel 4.175 4.175
lid 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor studenten
b andere woonfunctie 1 2
Artikel 4.175. (aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid)
1.

Een woonfunctie heeft een niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m, die rechtstreeks bereikbaar is vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van die woonfunctie.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de buitenruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte aan buitenruimte ten minste 1 m2 per op die buitenruimte aangewezen woonfunctie bedraagt, met een minimum van 4 m2 en een breedte van ten minste 1,3 m. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via gemeenschappelijke ruimten.

§ 4.5.7. Opstelplaatsen

Artikel 4.176. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 4.176 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid opstelplaats aanwezigheid opstelplaats aanwezigheid opstelplaats afmetingen opstelplaats afmetingen opstelplaats
artikel 4.177 4.177 4.177 4.178 4.178
lid 1 2 3 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg 2 3
b andere woonfunctie 1 2 3 1 2
Artikel 4.177. (aanwezigheid opstelplaats)
1.

Een woonfunctie heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

2.

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.

3.

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een warmwatertoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor warm water.

Artikel 4.178. (afmetingen opstelplaats)
1.

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

2.

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.

Afdeling 4.6. Toegankelijkheid

§ 4.6.1. Bereikbaarheid, algemeen

Artikel 4.179. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende bereikbaar zijn.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.179 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden
vrije doorgang: doorgang vrije doorgang: doorgang vrije doorgang: verkeersroute vrije doorgang: verkeersroute vrije doorgang: verkeersroute vrije doorgang: verkeersroute vrije doorgang: verkeersroute hoofdtoegang hoofdtoegang overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen overbrugging van hoogteverschillen vrije doorgang: doorgang vrije doorgang: verkeersroute
artikel 4.180 4.180 4.181 4.181 4.181 4.181 4.181 4.181a 4.181a 4.182 4.182 4.182 4.182 4.182 4.182 4.182 4.180 4.181
lid 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 5 6 7 1 en 2 1
1 Woonfunctie Woonfunctie [m] [m]
a. woonwagen 1 2 1 2,1 2,1
b. andere woonfunctie 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 4 5 6 2,3 2,3
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor alcoholgebruik 1 2 1 1 7 2,1 2,1
b. voor het aanschouwen van sport, voor film, 1 2 1 1 7 2,1 2,1
voor muziek of voor theater
c. andere bijeenkomstfunctie 1 2 1 2,1 2,1
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 1 2,1 2,1
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 1 7 2,1 2,1
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie
b. andere industriefunctie 1 2 1 2,1 2,1
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 1 2,1 2,1
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 1 2,1 2,1
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 1 2,1 2,1
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 1 2,1 2,1
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 1 1 7 2,1 2,1
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.180. (vrije doorgang: doorgang)
1.

Een doorgang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt voor een doorgang naar:

Dit geldt ook voor een doorgang op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde ruimte.

2.

Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte.

Artikel 4.181. (vrije doorgang: verkeersroute)
1.

Een verkeersroute die begint bij een doorgang als bedoeld in artikel 4.180 loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

2.

Als de in het eerste lid bedoelde ruimte een gemeenschappelijke verkeersruimte is, is de vrije breedte ten minste 1,2 m. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

3.

Een hoofdtoegang van een woongebouw, ontsluit een gemeenschappelijke verkeersruimte die bij die toegang over een lengte van ten minste 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

4.

Aan een doorgang van een liftschacht grenst een ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 1,5 m.

5.

In aanvulling op het tweede lid heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Dit geldt niet als een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

Artikel 4.182. (overbrugging van hoogteverschillen)
1.

Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een woongebouw zonder een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

2.

Bij een hoofdtoegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.

3.

Bij ten minste een toegang van een niet-gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, eerste lid, is een hoogteverschil op de route tussen ten minste een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied en de aangrenzende vloer van de buitenruimte, groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan.

4.

Bij ten minste een toegang van een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172 is een hoogteverschil op de route tussen de vloer van de buitenberging en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, groter dan 0,02 m, overbrugd door een hellingbaan.

5.

Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan.

6.

Een woongebouw waarin de vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

7.

Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie, gelegen in een gebouw zonder een toegankelijkheidssector, en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

§ 4.6.2. Toegankelijkheidssector

Artikel 4.183. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende toegankelijk zijn voor personen met een functiebeperking.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.183 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden waarden waarden
toegankelijkheidssector: aanwezigheid toegankelijkheidssector: aanwezigheid toegankelijkheidssector: aanwezigheid toegankelijkheidssector: aanwezigheid toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten toegankelijkheidssector: bereikbaarheid toegankelijkheidssector: bereikbaarheid toegankelijkheidssector: bereikbaarheid toegankelijkheidssector: bereikbaarheid toegankelijkheidssector: bereikbaarheid toegankelijkheidssector: hoogteverschillen lift: afmetingen en loopafstand lift: afmetingen en loopafstand lift: afmetingen en loopafstand toegankelijkheidssector: aanwezigheid toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten
artikel 4.184 4.184 4.184 4.184 4.185 4.185 4.186 4.186 4.186 4.186 4.186 4.186 4.187 4.187 4.187 4.187 4.188 4.188 4.188 4.188 4.188 4.189 4.190 4.190 4.190 4.184 4.185 4.186
lid 1 2 3 4 1 2 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * 1 2 3 3 1 4
1 Woonfunctie Woonfunctie [m2] [%] [n]
a woonwagen
b voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 2 1 3 6 2 3 4 1 2 3 4 5 * 1 2 3
c andere woonfunctie 1 1 2 3 4 5 * 1 2 3
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor alcoholgebruik 3 4 1 3 2 1 2 3 * 1 250 80
b voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek of voor theater. 3 4 1 3 2 1 2 3 * 1 250 40
c andere bijeenkomstfunctie 3 1 2 3 2 1 2 3 * 1 250 80
3 Celfunctie Celfunctie 3 1 3 4 6 2 3 4 1 2 3 * 1 400 40 300
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 3 1 3 4 5 2 3 4 1 2 3 * 1 250 80 300
b andere gezondheidszorgfunctie 3 1 3 4 5 2 1 2 3 * 1 250 80 300
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie
b andere industriefunctie 3 1 3 2 1 2 3 * 1 400 40
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 3 1 3 4 2 1 2 3 * 1 400 40 300
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 3 1 2 3 6 1 2 3 4 1 2 3 * 1 250
b andere logiesfunctie 3 1 3 6 1 2 3 4 1 2 3 * 1 400 40
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 3 1 3 4 2 1 2 3 * 1 400 100 1.050
9 Sportfunctie Sportfunctie 3 1 3 2 1 2 3 * 1 400 40
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 3 1 3 2 1 2 3 * 1 250 60
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.184. (toegankelijkheidssector: aanwezigheid)
1.

Een woongebouw heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als:

2.

Een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

3.

Een gebruiksfunctie heeft een toegankelijkheidssector als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie, samen met de gebruiksoppervlakte van andere in hetzelfde gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor deze regel geldt, groter is dan de in tabel 4.183 aangegeven oppervlakte.

4.

Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.185. (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen)
1.

In een gebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste het in tabel 4.183 aangegeven percentage van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

2.

Voor zover de in het eerste lid bedoelde gebruiksfunctie een nevengebruiksfunctie van een kantoor- of industriefunctie is, ligt, in afwijking van het eerste lid, ten minste 40% van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van die gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.186. (toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten)
1.

In een toegankelijkheidssector ligt een verblijfsgebied.

2.

In een logiesgebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste 5% van de logiesverblijven, op een geheel getal naar boven afgerond, in een toegankelijkheidssector.

3.

In een toegankelijkheidssector ligt een integraal toegankelijke toiletruimte.

4.

Op een in het derde lid bedoelde toiletruimte zijn niet meer personen aangewezen dan het in tabel 4.183 aangegeven aantal.

5.

Een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied met toegankelijkheidssector heeft ten minste een integraal toegankelijke badruimte per 500 m2 vloeroppervlakte aan bedgebied, op een geheel getal naar boven afgerond.

6.

Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector heeft een aantal integraal toegankelijke badruimten van ten minste de getalswaarde van het aantal aanwezige badruimten gedeeld door 20, op een geheel getal naar boven afgerond.

Artikel 4.187. (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten)
1.

In een in artikel 4.186, eerste lid, bedoeld verblijfsgebied is ten minste een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m.

2.

Een integraal toegankelijke toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.

3.

Een integraal toegankelijke badruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m x 1,8 m.

4.

Een integraal toegankelijke badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m x 2,2 m.

Artikel 4.188. (toegankelijkheidssector: bereikbaarheid)
1.

Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een toegankelijkheidssector voert.

2.

Ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitend terrein en is een hoofdtoegang van het gebouw.

3.

Een verkeersroute in een toegankelijkheidssector loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 1,2 m en een vrije hoogte van ten minste 2,1 m.

4.

Een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.

5.

De toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184, eerste lid, grenst aan een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector.

Artikel 4.189. (toegankelijkheidssector: hoogteverschillen)

Op ten minste een route tussen een punt in een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen een op die route gelegen hoofdtoegang van de toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

Artikel 4.190. (lift: afmetingen en loopafstand)
1.

De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.189 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft de kooi van een lift in een woongebouw met meer dan zes woonfuncties een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

3.

De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en de toegang van ten minste een lift als bedoeld in artikel 4.189 is ten hoogste 90 m. Als het tweede lid van toepassing is, wordt de loopafstand bepaald tussen de toegang van de woonfunctie en de toegang van ten minste een in het tweede lid bedoelde lift.

§ 4.6.3. Bereikbaarheid van een bouwwerk

Artikel 4.191. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.191 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
bereikbaarheid van een gebouw bereikbaarheid van een gebouw bereikbaarheid van een gebouw bereikbaarheid van een gebouw bereikbaarheid van een gebouw bereikbaarheid van een gebouw
artikel 4.192 4.192 4.192 4.192 4.192 4.192
lid 1 2 3 4 5 6
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. woonwagen
b. voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 6
d woonfunctie gelegen in woongebouw 1 2 6
c. andere woonfunctie 3 6
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor alcoholgebruik 1 4 6
b. voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek of voor theater 1 4 6
c. andere bijeenkomstfunctie 1 6
3 Celfunctie Celfunctie 1 6
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 4 6
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie
b. andere industriefunctie 1 6
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 6
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 6
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 6
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 6
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 6
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 5 6
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.192. (bereikbaarheid van een gebouw)
1.

Een hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad of steiger voert met:

2.

Een hoofdtoegang van een woongebouw zonder toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

3.

Een hoofdtoegang van een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, die niet gelegen is in een woongebouw, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

4.

Een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie in een gebouw zonder toegankelijkheidssector, die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

5.

De toegang van een buitenberging of de toegang van de gemeenschappelijk verkeersruimte naar een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172, derde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

6.

Een doorgang waardoor een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde route voert, heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.

Afdeling 4.7. Bouwwerkinstallaties

§ 4.7.1. Verlichting

Artikel 4.193. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.193 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
verlichting verlichting verlichting verlichting verlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting aansluiting op voorziening voor elektriciteit verduisterde ruimte
artikel 4.194 4.194 4.194 4.194 4.194 4.195 4.195 4.195 4.195 4.195 4.196 4.197
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 4 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 4 1 3 5 * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 4 1 3 5 * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 4 1 3 5 * *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie 4 *
b andere industriefunctie 1 4 1 3 5 * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 4 1 3 5 * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 4 1 3 5 * *
b andere logiesfunctie 1 4 1 3 5 *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 4 1 3 5 * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 4 1 3 5 * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 1 3 5 * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 2 3 4 2 3 5 * *
b voor het stallen van motorvoertuigen 2 4 2 3 5 * *
c andere overige gebruiksfunctie 4 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 4 5 3 4 5 *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 4 3 5 * *
Artikel 4.194. (verlichting)
1.

Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

3.

Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

4.

Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

5.

Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux en een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

Artikel 4.195. (noodverlichting)
1.

Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 4.194, tweede lid, heeft noodverlichting.

3.

Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft noodverlichting.

4.

Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

5.

Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 4.196. (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 4.194 en 4.195 is aangesloten op een in artikel 4.199 bedoelde voorziening voor elektriciteit.

Artikel 4.197. (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

§ 4.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

Artikel 4.198. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.199. (voorziening voor elektriciteit)
1.

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

2.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, voldoen oplaadpunten voor elektrische voertuigen in een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010.

Artikel 4.200. (voorziening voor gas)
1.

Een voorziening voor gas voldoet aan:

2.

Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.

§ 4.7.3. Watervoorziening

Artikel 4.201. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.202. (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 4.203. (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 4.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 4.204. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater waarmee het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.204 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
afvoer van huishoudelijk afvalwater afvoer van huishoudelijk afvalwater afvoer van hemelwater afvoer van hemelwater
artikel 4.205 4.205 4.206 4.206
lid 1 2 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 1 2
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 1 2
b andere logiesfunctie 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2
Artikel 4.205. (afvoer van huishoudelijk afvalwater)
1.

Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

2.

Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater heeft een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 4.206. (afvoer van hemelwater)
1.

Een dak van een bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.

2.

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 4.7.5. Tijdig vaststellen van brand

Artikel 4.207. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.207 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Gebruiksfunctie Gebruiksfunctie Gebruiksfunctie Gebruiksfunctie Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing
brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie brandmeldinstallatie melding en doormelding melding en doormelding inspectiecertificaat brandmeldinstallatie rookmelders rookmelders rookmelders rookmelders rookmelders
Artikel 4.208 4.208 4.208 4.208 4.209 4.209 4.210 4.211 4.211 4.211 4.211 4.211
lid 1 2 3 4 1 2 * 1 2 3 4 5
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a zorgclusterwoning in een woongebouw zorgclusterwoning in een woongebouw 1 2 1 2 * 1
b zorgclusterwoning niet in een woongebouw zorgclusterwoning niet in een woongebouw 1 2 1
c groepszorgwoning voor 24-uurszorg groepszorgwoning voor 24-uurszorg 1 2 1 2 * 1 2 4
d groepszorgwoning niet voor 24-uurszorg groepszorgwoning niet voor 24-uurszorg 1 2 1 * 1 2 4
e voor kamergewijze verhuur voor kamergewijze verhuur 1 2 4
f andere woonfunctie andere woonfunctie 1
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport 3
b voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 2 * 3 4
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 *
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2 3 2 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 2 *
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 1 2 3 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 1 2 3 * 3 4 5
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1 2 3 2 * 3 4
c andere logiesfunctie andere logiesfunctie 3 4
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 *
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het stallen van motorvoertuigen voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 3 *
b voor het personenvervoer voor het personenvervoer 1 2 3 *
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.208. (brandmeldinstallatie)
1.

Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:

2.

Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

3.

Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenzen, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

4.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 4.209. (melding en doormelding)
1.

Een in artikel 4.208 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

2.

Een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 4.210. (inspectiecertificaat brandmeldinstallatie)

In de in bijlage II aangewezen gevallen heeft een in artikel 4.208 voorgeschreven brandmeldinstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.211. (rookmelders)
1.

Bij een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

2.

Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

3.

Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208.

5.

In aanvulling op het derde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

§ 4.7.6. Vluchten bij brand

Artikel 4.212. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers bij brand tijdig het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.212 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
ontruimtingsalarminstallatie ontruimtingsalarminstallatie ontruimtingsalarminstallatie inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie vluchtrouteaanduidingen vluchtrouteaanduidingen vluchtrouteaanduidingen vluchtrouteaanduidingen vluchtrouteaanduidingen deuren in vluchtroutes, draairichting deuren in vluchtroutes, draairichting deuren in vluchtroutes, draairichting deuren in vluchtroutes, draairichting deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen deuren in vluchtroutes, weerstand bij het openen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen zelfsluitende constructieonderdelen lift voor vluchten bij brand
artikel artikel artikel 4.213 4.213 4.213 4.214 4.215 4.215 4.215 4.215 4.215 4.216 4.216 4.216 4.216 4.217 4.217 4.217 4.217 4.217 4.217 4.218 4.218 4.218 4.218 4.218 4.218a
lid lid lid 1 2 3 * 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 *
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 * 1 3 4 5 6 1 2 3 *
b. andere woonfunctie voor zorg 1 * 1 3 4 5 1 2 3 *
c. voor kamergewijze verhuur 1 1 3 4 5 1 2 3 *
d. andere woonfunctie 1 3 4 5 1 4 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
3 Celfunctie Celfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1 5
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie 2 3 2 3 4 5 6 1
b. andere industriefunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking 1 3 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
b. in een ander logiesgebouw 1 2 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
c. andere logiesfunctie 2 3 2 3 4 5 6 1
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a. voor het stallen van motorvoertuigen 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
b. voor het personenvervoer 1 * 1 3 4 2 3 2 3 4 5 6 1
c. andere overige gebruiksfunctie 2 3 2 3 4 5 6 1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 3 5 4 4 5 6 1
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 2 3 2 4 5 6 1
Artikel 4.213. (ontruimingsalarminstallatie)
1.

Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

2.

Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

3.

In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 4.214. (inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie)

Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213, eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 4.210 van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.215. (vluchtrouteaanduiding)
1.

Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 3011 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in artikel 5.4.5 van NEN-EN 1838.

2.

Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang, bedoeld in artikel 4.68, derde lid.

3.

Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid:

4.

Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 4.195, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

5.

Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.68, derde lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 4.216. (deuren in vluchtroutes: draairichting)
1.

Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute die toegang geeft tot een trappenhuis van een woongebouw draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

2.

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 37 personen op die uitgang zijn aangewezen.

3.

Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

4.

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 4.217. (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)
1.

Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

2.

Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:

3.

Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

4.

Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

5.

Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

6.

Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 4.218. (zelfsluitende constructieonderdelen)
1.

Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

3.

Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.

4.

Een toegangsdeur van een woonfunctie is alleen zelfsluitend bij brand in de woonfunctie of het woongebouw waarin de woonfunctie is gelegen.

5.

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

Artikel 4.218a. (lift)

De voorziening voor elektriciteit van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw voert alleen door een kruipruimte, de liftschacht of een ruimte die alleen wordt gebruikt voor deze voorziening en waarbij de weerstand tegen brandoverslag en branddoorslag van een naastgelegen ruimte naar deze ruimte ten minste 60 minuten is bepaald volgens NEN 6068.

§ 4.7.7. Bestrijden van brand

Artikel 4.219. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.219 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
brandslanghaspels brandslanghaspels brandslanghaspels brandslanghaspels brandslanghaspels droge blusleidingen droge blusleidingen droge blusleidingen droge blusleidingen droge blusleidingen droge blusleidingen bluswatervoorziening wegtunnel blustoestellen blustoestellen blustoestellen automatische brandblusinstallatie automatische brandblusinstallatie automatische brandblusinstallatie automatische brandblusinstallatie tijdelijk bouwwerk brandslanghaspels
artikel 4.220 4.220 4.220 4.220 4.220 4.221 4.221 4.221 4.221 4.221 4.221 4.222 4.223 4.223 4.223 4.223a 4.223a 4.223a 4.223a 4.224 4.220
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 * 1 2 3 1 2 3 4 * 2
1 Woonfunctie Woonfunctie [m2]
a. voor zorg met een g.o. > 500 m2 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
b. voor kamergewijze verhuur 1 3 4 5 6 1 3 *
c. andere woonfunctie 1 3 4 5 6 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
b. andere bijeenkomstfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a. met bedgebied 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
b. ander gezondheidszorgfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie 1 3 4 5 6 3 *
b. andere industriefunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 1000
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
b. andere logiesfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 4 5 1 3 4 5 6 3 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 2 3 4 5 1 3 4 5 6 3 * 500
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 3 4 5 6 3 1 2 3 4 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 4 * 2 3 *
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.220. (brandslanghaspels)
1.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.

2.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de waarde, vermeld in tabel 4.219.

3.

De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit is niet van toepassing op een niet in een gebruiksgebied gelegen vloer die alleen door niet-besloten ruimten kan worden bereikt.

4.

Een brandslanghaspel:

5.

Een brandslanghaspel lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.221. (droge blusleiding)
1.

Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.

2.

Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 4.222 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

3.

De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 60 m.

4.

Een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594.

5.

Als op een verdieping een afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft een droge blusleiding op elke verdieping een brandslangaansluiting in die vluchtroute en in de eerste ruimte op de route tussen die vluchtroute en een op die verdieping gelegen gebruiksgebied.

6.

Als op een verdieping binnen de in het derde lid bedoelde afstand geen afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft de verdieping, in afwijking van het vijfde lid, een brandslangaansluiting in het trappenhuis en in de eerste ruimte op de route tussen dat trappenhuis en het gebruiksgebied.

Artikel 4.222. (bluswatervoorziening wegtunnel)

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 4.223. (blustoestellen)
1.

Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 4.220.

2.

Elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een draagbaar blustoestel.

3.

Een blustoestel is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.223a. (automatische brandblusinstallatie)
1.

Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is voorzien van een automatische brandblusinstallatie als boven deze gebruiksfunctie een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderen jonger dan 4 jaar, celfunctie, logiesfunctie of gezondheidszorgfunctie met bedgebied is gelegen.

2.

Als de bovengelegen gebruiksfunctie een vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet als:

3.

Als de bovengelegen gebruiksfunctie geen vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet, tenzij:

4.

De automatische brandblusinstallatie is voor ingebruikname van het bouwwerk voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.224. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.220 en 4.221 van toepassing.

§ 4.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

Artikel 4.225. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.225 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
brandweeringang brandweeringang afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang brandweerlift mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten oplaadpunten elektrische voertuigen oplaadpunten elektrische voertuigen
artikel artikel artikel 4.226 4.226 4.227 4,228 4,229 4,229 4,230 4.230a 4.230a
lid lid lid 1 2 * * 1 2 * 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 * * 1 *
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 * * 1 *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 * * 1 *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 * * 1 *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 * * 1 *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw 1 2 * * 1 *
b. andere logiesfunctie 1 2 * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 * * 1 *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 * * 1 *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 * * 1 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 * 1 * 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 * 2 *
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 * 1 *
Artikel 4.226. (brandweeringang)
1.

Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

2.

In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 4.227. (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.226 kan alleen inhouden:

Artikel 4.228. (brandweerlift)

Een gebouw waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau heeft een brandweerlift.

Artikel 4.229. (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
1.

Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

2.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 4.230. (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 4.229 kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

Artikel 4.230a. (oplaadpunten elektrische voertuigen)
1.

Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen heeft een voorziening waarmee de oplaadpunten voor elektrische voertuigen tegelijkertijd kunnen worden uitgeschakeld.

2.

Bij de toegang voor motorvoertuigen van een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is kenbaar hoe de in eerste lid bedoelde voorziening is uitgevoerd en waar de oplaadpunten voor elektrische voertuigen zich bevinden.

§ 4.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

Artikel 4.231. (aansturingsartikel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.232. (uitrusting hulppost)

Een hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 4.233. (bedieningscentrale wegtunnel)

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 4.234. (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen in een rijbaanvloer ten minste iedere 20 m gemeten in de lengterichting van de tunnelbuis, een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 4.235. (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)
1.

Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft een zelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

2.

In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

3.

In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

4.

Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 4.236. (communicatievoorzieningen wegtunnel)
1.

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

2.

Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 4.237. (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

§ 4.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

Artikel 4.238. (aansturingsartikel)
1.

Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.239. (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)
1.

Een toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

2.

Een hoofdtoegang van een woongebouw:

§ 4.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

Artikel 4.240. (aansturingsartikel)
1.

Een gebouw is zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.241. (veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud)
1.

Als onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, heeft een gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen.

2.

Als een gebouw gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid nodig heeft om onderhoud veilig te kunnen uitvoeren, wordt bij het beoordelen van die voorzieningen gebruikgemaakt van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen.

§ 4.7.11. Veilig onderhoud gebouwen

Artikel 4.242. (aansturingsartikel)
1.

Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.243. (kooldioxidemeter)
1.

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.

2.

De kooldioxidemeter:

§ 4.7.12. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

Artikel 4.244. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit heeft een voorziening voor de aansluiting op een openbaar elektronischecommunicatienetwerk met zeer hoge capaciteit.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.244 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing Leden van toepassing
fysieke gigabitinfrastructuur fysieke gigabitinfrastructuur fysieke gigabitinfrastructuur fysieke gigabitinfrastructuur fysieke gigabitinfrastructuur
artikel artikel artikel 4.245 4.245 4.245 4.245 4.245
lid lid lid 1 2 3 4 5
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor studenten
b andere woonfunctie 1 2 3 4 5
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 4 5
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 4 5
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 3 4 5
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie
b andere industriefunctie 1 3 4 5
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 4 5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 3 4 5
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 3 4 5
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 4 5
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 4 5
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 4.245. (fysieke gigabitinfrastructuur)
1.

Een gebruiksfunctie heeft een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling, met inbegrip van aansluitingen tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met het openbare netwerk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.

2.

Een woongebouw heeft een toegangspunt als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.

3.

Een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling als bedoeld in het eerste lid en een toegangspunt als bedoeld in het tweede lid voldoen aan de technische eisen, gesteld bij ministeriële regeling.

4.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:

5.

De glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur komt uit in een toegankelijke niet-gemeenschappelijke ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 0,77 x 0,35 m2 en een hoogte boven die vloer van ten minste 2,4 m.

Artikel 4.246. (fysieke binnenhuisinfrastructuur)

Vervallen

§ 4.7.14. Technische bouwsystemen

Artikel 4.247. (aansturingsartikel)
1.

Een gebouw heeft technische bouwsystemen die voldoen aan eisen voor optimaal energiegebruik.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.248. (systeemeisen)
1.

Een technisch bouwsysteem voldoet aan de in tabel 4.248 opgenomen waarde voor de energieprestatie.

2.

Een technisch bouwsysteem, is adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar.

3.

Een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming of ruimtekoeling of een combinatie daarvan, is voorzien van zelfregulerende apparatuur waarmee de temperatuur per verblijfsgebied of verblijfsruimte kan worden gereguleerd.

4.

Als een technisch bouwsysteem bestaat uit een combinatie van de in de tabel opgenomen bouwsystemen, worden de in het eerste lid bedoelde eisen naar rato berekend op basis van de eisen die gelden voor de systemen die deel uitmaken van de combinatie.

Technisch bouwsysteem Waarde voor de energieprestatie woonfunctie Waarde voor de energieprestatie overig
Ruimteverwarming ≤1,31 ≤1,31
Ruimtekoeling ≤1,33 ≤1,33
Ventilatie ≤3,8 kWh/(m3/u)
Warm tapwater ≤3,45 ≤3,45
Ingebouwde verlichting ≤75kWhprim/m2
Artikel 4.249. (verslaglegging)

De energieprestatie van de in deze paragraaf bedoelde technische bouwsystemen wordt beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en overhandigd aan de gebouweigenaar.

Artikel 4.250. (onverwarmde en ongekoelde verblijfsruimte)

Op een verblijfsruimte die niet bestemd is om te worden verwarmd of gekoeld, of waarbij de verwarming of koeling uitsluitend is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen zijn de eisen aan ruimteverwarming en ruimtekoeling, bedoeld in de artikelen 4.248, derde lid, en 4.249 niet van toepassing.

Hoofdstuk 5. Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie

Afdeling 5.1. Algemeen

Artikel 5.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.

Artikel 5.2. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 5.3. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de degene die het bouwwerk verbouwt of verplaatst of de gebruiksfunctie wijzigt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 5.3a. (maatwerkvoorschrift)
1.

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet kan worden gesteld over de artikelen 5.21e en 5.23 en kan alleen het bepaalde in de artikelen 5.21f respectievelijk 5.23a inhouden.

2.

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 5.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Afdeling 5.2. Algemene regels bij het verbouwen of verplaatsen van een bouwwerk en bij gebruiksfunctiewijziging

Artikel 5.4. (verbouw)
1.

Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de regels van hoofdstuk 4 van toepassing, waarbij in plaats van het in die regels bedoelde niveau van eisen wordt uitgegaan van het in artikel 5.5 bedoelde rechtens verkregen niveau tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de regels van paragraaf 4.4.2 niet van toepassing.

3.

In aanvulling op het eerste lid zijn op het geheel vernieuwen of geheel nieuw aanbrengen van een bouwwerkinstallatie de regels van afdeling 4.7 van toepassing.

4.

Als een bouwwerk wordt verbouwd zijn de regels van het eerste tot en met derde lid alleen van toepassing op de vernieuwing, verandering of vergroting, tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald.

Artikel 5.5. (rechtens verkregen niveau)
1.

Het kwaliteitsniveau van een bouwwerk of gedeelte daarvan is na een verbouwing niet lager dan het toegestane kwaliteitsniveau onmiddellijk voorafgaand aan die verbouwing.

2.

Voor zover het in het eerste lid bedoelde kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager is dan het niveau voor bestaande bouw geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor bestaande bouw als het ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.

3.

Voor zover het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het niveau voor nieuwbouw geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor nieuwbouw als ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.

Artikel 5.6. (verplaatsing)
1.

Op een bestaand bouwwerk dat in ongewijzigde samenstelling wordt verplaatst zijn bij verplaatsing de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. De voorwaarde van ongewijzigde samenstelling is niet van toepassing op de fundering van het bouwwerk.

2.

Op een tijdelijk bouwwerk is het eerste lid alleen van toepassing als het bouwwerk na verplaatsing een tijdelijk bouwwerk is.

Artikel 5.7. (wijziging van een gebruiksfunctie)
1.

Bij wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan zijn de regels van hoofdstuk 3 van toepassing, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op het gedeelte van het bouwwerk waarop de wijziging betrekking heeft, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

3.

Voor zover een wijziging gepaard gaat met een verbouwing zijn in afwijking van het eerste lid op die verbouwing de regels van artikel 5.4 van toepassing, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

Afdeling 5.3. Verbouw

Artikel 5.8. (aansturingsartikel)
1.

De regels in deze afdeling zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 5.8a of 5.8b voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

2.

Als in een regel in deze afdeling een artikel uit hoofdstuk 4 van toepassing is verklaard, dan volgt uit de tabel bij dat artikel welke leden op een gebruiksfunctie van toepassing zijn.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
constructieve veiligheid constructieve veiligheid bij brand hoogte afscheiding beperken van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie beperking van het ontwikkelen van brand en rook beperking van het ontwikkelen van brand en rook beperking van uitbreiding van brand verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van rook bescherming tegen geluid van gebouwinstallaties bescherming tegen geluid van gebouwinstallaties luchtverversing afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht verblijfsgebied en verblijfsruimte toiletruimte badruimte
artikel 5.9 5.10 5.10a 5.10a 5.11 5.12 5.12 5.13 5.13a 5.14 5.14 5.15 5.16 5.17 5.18 5.19
lid 1 2 * 1 2 * 1 2 * * 1 2 1 2 1 2 3 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor verhuur 1 2 * 1 * 1 * * 1 2 1 2 1 2 3 * * *
b overige woonfunctie 1 2 * * 1 * * 1 2 1 2 1 2 3 * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
b andere bijeenkomstfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
3 Celfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie voor het houden van dieren 1 2 * * 1 2 * 1 1 2 1 2 3
b andere industriefunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 1 2 * * 1 * 1 1 2 1 2 3
b andere overige gebruiksfunctie 1 2 * 1 * 1 1 2 1 2 3
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 * * 1 *
b voor langzaam verkeer 1 2 * 2 * 1 *
c ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 * * 1
gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
energiezuinigheid vluchten bij brand technische bouwsystemen verslaglegging onverwarmde en ongekoelde verblijfsruimte oplaadpunten en leidingdoorvoeren
artikel 5.20 5.20 5.20a 5.21 5.21 5.21a 5.21a 5.21b 5.21c 5.21c
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 * 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor studenten 1 2 3 4 5 6 7 8 * 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
b overige woonfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 * 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie 1 2 4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
b andere industriefunctie 1 2 4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
b andere overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 4 5 6 1 2 * 1 2
Artikel 5.9. (constructieve veiligheid)
1.

Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700.

2.

Op het verbouwen van een drijvend bouwwerk zijn de artikelen 4.15a tot en met 4.15e van toepassing.

Artikel 5.10. (constructieve veiligheid bij brand)

Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.17 en 4.18 van toepassing, waarbij in plaats van het in artikel 4.17 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en waarbij, in afwijking van artikel 4.17, eerste lid, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

Artikel 5.10a. (hoogte afscheiding)
1.

Bij het geheel vernieuwen van een raam met kozijn zijn op de vloerafscheiding ter plaatse van dit raam de artikelen 4.20, eerste lid, 4.21, derde lid, en 5.9 van toepassing. Dit geldt niet als de bestaande vloerafscheiding onder het raam met kozijn een hoogte heeft van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

2.

Bij het verbouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde, geldt in afwijking van artikel 5.4 het in artikel 4.21, zesde lid, aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.11. (beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt het in de artikelen 4.38 tot en met 4.40 aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.12. (beperking van het ontwikkelen van brand en rook)
1.

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in aanvulling op artikel 5.4, het in artikel 4.44, derde lid, aangegeven prestatieniveau.

2.

Bij het verbouwen van het bouwwerk gelden, in aanvulling op artikel 5.4, het in de artikelen 4.43, eerste lid, en 4.45a, eerste en tweede lid, aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.13. (beperking van uitbreiding van brand)

Bij het verbouwen van een bouwwerk wordt, in aanvulling op artikel 5.4, uitgegaan van de in paragraaf 4.2.8 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten, of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

Artikel 5.13a. (verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt in afwijking van artikel 5.4 het in artikel 4.62, vierde lid, aangegeven prestatieniveau. Dit geldt ook voor een beschermde route.

Artikel 5.14. (bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties)
1.

Bij het verbouwen van een bouwwerk zijn, in afwijking van artikel 5.4, de artikelen 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste en tweede lid, van toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in de artikelen 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste en tweede lid, aangegeven prestatieniveau, of van het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

2.

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, het in de artikelen 4.107, tweede lid, en 4.108, derde lid, aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.15. (luchtverversing)
1.

Bij het installeren van een voorziening voor luchtverversing gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.126, 4.127 en 4.138, eerste lid, aangegeven prestatieniveaus.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Artikel 5.16. (afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht)
1.

Bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.138 en 4.141 aangegeven prestatieniveaus.

2.

Bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in artikel 4.139 aangegeven prestatieniveaus.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Artikel 5.17. (verblijfsgebied en verblijfsruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in het vierde lid van artikel 4.164 bedoelde hoogte boven de vloer van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte, een hoogte van ten minste 2,1 m.

Artikel 5.18. (toiletruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in artikel 4.167, tweede lid, bedoelde hoogte boven de vloer van een toiletruimte, een hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 5.19. (badruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in artikel 4.170, derde lid, bedoelde hoogte boven de vloer van een badruimte, een hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 5.20. (energiezuinigheid)
1.

Bij het verbouwen van een bouwwerk is artikel 4.149 niet van toepassing en is het in artikel 4.152 bedoelde niveau voor de warmteweerstand niet lager dan 1,4 m2•K/W of geldt het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt bij het vernieuwen of vervangen van isolatielagen een warmteweerstand van ten minste 2,6 m2.K/W voor een vloer, 1,4 m2.K/W voor een gevel en 2,1 m2.K/W voor een dak, bepaald volgens NTA 8800, en bij het vernieuwen of vervangen van ramen, deuren en kozijnen een warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2W/m2•K, bepaald volgens NTA 8800, of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

3.

Bij het geheel oprichten of geheel vernieuwen van een dakkapel of van een bijbehorend bouwwerk gelden, in afwijking van het eerste lid, de in de artikelen 4.152 en 4.153 aangegeven prestatieniveaus.

4.

Bij een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn energieprestatie gebouwen geldt, in afwijking van het eerste lid, het in artikel 4.152 aangegeven prestatieniveau.

5.

Van ingrijpende renovatie is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de bouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, wordt verbouwd en deze verbouw de integrale bouwschil betreft.

6.

Bij een ingrijpende renovatie of wanneer het verwarmingssysteem geheel wordt vernieuwd voldoet een gebruiksfunctie aan een minimumwaarde voor hernieuwbare energie van 30 x (Aroof / Ag;tot) kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800, waarbij Aroof / Ag;tot ten hoogste 1,0 is.

7.

Het zesde lid is niet van toepassing op een bouwwerk:

Artikel 5.20a. (vluchten bij brand)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, het in artikel 4.218, eerste en vierde lid, aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.21. (technische bouwsystemen)
1.

Bij het plaatsen of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem waarbij de energieprestatie wordt beïnvloed voldoet dat technische bouwsysteem aan de in tabel 5.21 opgenomen waarde voor de energieprestatie.

2.

Een technisch bouwsysteem is adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar.

3.

Een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming is na het vervangen van een warmtegenerator zelfregulerend per verblijfsgebied of verblijfsruimte.

4.

Een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming in een bouwwerk dat is aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte is na het vervangen van de afleverset voor warmte per verblijfsgebied of verblijfsruimte zelfregulerend.

5.

Als een technisch bouwsysteem bestaat uit een combinatie van de in de tabel opgenomen bouwsystemen, worden de in het eerste lid bedoelde eisen naar rato berekend op basis van de eisen die gelden voor de systemen die deel uitmaken van de combinatie.

6.

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing als de kosten voor het aanbrengen van zelfregulerende apparatuur meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming.

Technisch bouwsysteem Waarde voor de energieprestatie woonfunctie Waarde voor de energieprestatie overig
Ruimteverwarming ≤1,31 ≤1,31
Ruimtekoeling ≤1,33 ≤1,33
Ventilatie ≤3,8 kWh/(m3/u)
Warm tapwater ≤3,45 ≤3,45
Ingebouwde verlichting ≤75kWhprim/m2
Artikel 5.21a. (verslaglegging)
1.

De energieprestatie van de in artikel 5.21 bedoelde technische bouwsystemen wordt beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en overhandigd aan de gebouweigenaar.

2.

In afwijking van het eerste lid mag bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem worden volstaan met documentatie van de energieprestatie van de gewijzigde onderdelen.

Artikel 5.21b. (onverwarmde en ongekoelde verblijfsruimte)

Op een verblijfsruimte die niet bestemd is om te worden verwarmd of gekoeld, of waarbij de verwarming of koeling uitsluitend is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen zijn de eisen aan ruimteverwarming en ruimtekoeling, bedoeld in de artikelen 5.21, derde en vierde lid, en 5.21a, niet van toepassing.

Artikel 5.21c. (oplaadpunten en leidingdoorvoeren)
1.

Bij ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn energieprestatie gebouwen zijn, in afwijking van artikel 5.4, de voorschriften van artikel 4.160b van overeenkomstige toepassing:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de kosten voor het aanleggen van de oplaadpunten en de leidingdoorvoeren meer dan 7% bedragen van de kosten van de ingrijpende renovatie.

3.

Van ingrijpende renovatie is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de bouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, wordt verbouwd en deze verbouw de integrale bouwschil betreft.

Artikel 5.21d. (oplaadpunten elektrische voertuigen)

Bij het installeren van oplaadpunten voor elektrische voertuigen in een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen geldt, in aanvulling op artikel 5.4, het in de artikelen 4.199 en 4.230a aangegeven prestatieniveau.

Afdeling 5.4. Wijziging van een gebruiksfunctie

Artikel 5.22. (aansturingsartikel)

De regels in deze afdeling zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 5.22 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering tijdig vaststellen van brand vluchten bij brand
artikel artikel artikel 5.22a 5.23 5.23 5.23 5.23a 5.24 5.24a
lid lid lid * 1 2 3 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie * 1 2 3 * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 2 3 *
b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 *
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 *
9 Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 5.22a. (verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook)

Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan naar een woonfunctie geldt, in afwijking van artikel 5.7, het in artikel 4.62, vierde lid, aangegeven prestatieniveau. Dit geldt ook voor een beschermde route.

Artikel 5.23. (geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid)
1.

Bij wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 33 dB.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 4.102, 4.103, 4.103a, 4.103b en 4.103c van toepassing:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een wijziging van een gebruiksfunctie voor minder dan 10 jaar.

Artikel 5.23a. (afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 5.23, eerste lid, kan alleen inhouden dat:

Artikel 5.24. (tijdig vaststellen van brand)

Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie, een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.

Artikel 5.24a. (vluchten bij brand)

Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan naar een woonfunctie geldt, in afwijking van artikel 5.7, het in artikel 4.218, eerste en vierde lid, aangegeven prestatieniveau.

Hoofdstuk 6. Gebruik van bouwwerken

Afdeling 6.1. Algemeen

§ 6.1.1. Algemeen

Artikel 6.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruik van bouwwerken.

Artikel 6.2. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 6.3. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk gebruikt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.4. (specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:

Artikel 6.5. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 6.2 en artikel 6.4, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

2.

Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand.

3.

Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk gebruikt kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 6.2, onder a, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

4.

Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gesteld na een gebruiksmelding.

5.

Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gewijzigd:

Artikel 6.5a. (grondslag uitvoeringstechnische, administratieve en meet- en rekenvoorschriften)

Bij ministeriële regeling kunnen uitvoeringstechnische, administratieve en meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten waarop dit besluit van toepassing is, voor zover die regels zijn gesteld op grond van artikel 23.1 van de wet.

§ 6.1.2. Gebruiksmelding

Artikel 6.6. (aansturingsartikel)

De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.6 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
gebruiksmelding gebruiksmelding gebruiksmelding gebruiksmelding gebruiksmelding gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding gegevens en bescheiden na gebruiksmelding maatwerkregels gebruiksmelding aanwezigheid
artikel 6.7 6.7 6.7 6.7 6.7 6.8 6.8 6.8 6.9 6.10 6.7
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 * * 2
[personen]
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor kamergewijze verhuur 1 5 1 2 3 *
b voor zorg 1 5 1 2 3 *
c andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderen jonger dan 12 jaar 1 2 5 1 2 3 * 10
b voor personen met een fysieke of geestelijke beperking 1 2 5 1 2 3 * 10
c andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 5 1 2 3 * 50
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 5 1 2 3 * * 10
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 2 5 1 2 3 * * 10
c andere gezondheidszorgfunctie 1 2 5 1 2 3 * * 50
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 5 1 2 3 * 150
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 5 1 2 3 * 150
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 5 1 2 3 * * 10
b andere logiesfunctie 1 2 5 1 2 3 * 50
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a voor basisonderwijs 1 2 5 1 2 3 * 10
b andere onderwijsfunctie 1 2 5 1 2 3 * 50
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 5 1 2 3 * 50
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 5 1 2 3 * 50
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 3 4 5 1 2 3 * 50
b voor het personenvervoer 1 2 4 5 1 2 3 * 50
c andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a voor het wegverkeer
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 5 1 2 3 * 50
Artikel 6.7. (gebruiksmelding)
1.

Het is verboden een bouwwerk te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing, als in het bouwwerk meer personen aanwezig zijn dan in tabel 6.6 is aangegeven.

3.

Bij een nevengebruiksfunctie van een kantoor- of industriefunctie geldt in afwijking van tabel 6.6 een waarde van 150 personen.

4.

Bij het bepalen van het in het tweede lid bedoelde aantal personen worden personen in een in artikel 4.79 bedoelde niet-besloten ruimte buiten beschouwing gelaten.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bouwwerk ook verstaan een gedeelte daarvan dat is bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt.

Artikel 6.8. (gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding)
1.

Een gebruiksmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

2.

Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door degene die de activiteit, bedoeld in artikel 6.1, verricht, aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.

3.

Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Artikel 6.9. (gegevens en bescheiden na gebruiksmelding)

Als door het veranderen van het bouwwerk waarvoor eerder een gebruiksmelding is gedaan een afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden ten minste vier weken voor die verandering verstrekt.

Artikel 6.10. (maatwerkregels gebruiksmelding)

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 6.7. Met deze maatwerkregel kan alleen worden afgeweken van het in tabel 6.6 aangegeven aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw.

Afdeling 6.2. Brandveiligheid

§ 6.2.1. Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

Artikel 6.11. (aansturingsartikel)

De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.11 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
verbod op roken en open vuur verbod op roken en open vuur vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel aankleding aankleding aankleding aankleding aankleding brandveiligheid inrichtingselementen brandveiligheid inrichtingselementen brandveiligheid inrichtingselementen vluchtroute woongebouw vluchtroute woongebouw vluchtroute woongebouw brandveilig gebruik grote brandcompartimenten behandeling constructieonderdeel overgangsrecht: aankleding
artikel artikel artikel 6.12 6.12 6.13 6.14 6.14 6.14 6.14 6.14 6.15 6.15 6.15 6.15a 6.15a 6.15a 6.16 6.17 6.18
lid lid lid 1 2 * 1 2 3 4 5 1 2 3 1 2 3 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 * 1 2 4 5 1 2 3 1 2 3 * *
2 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie voor het houden van dieren 1 2 * 3 4 1 2 * * *
b andere industriefunctie 1 2 * 1 2 4 1 2 * *
3 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 2 * 1 2 4 1 2 * *
b andere logiesfunctie 1 2 * 1 2 4 5 1 2 3 * *
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 * 1 2 4 1 2 * *
Artikel 6.12. (verbod op roken en open vuur)
1.

Het is verboden te roken of open vuur te hebben:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 6.13. (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)

Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123, eerste lid, en 4.218, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.

Artikel 6.14. (aankleding)
1.

Aankleding in een besloten ruimte mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:

2.

Bij een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen, of voor een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute of een beschermde route voert, is het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, als de aankleding:

3.

Aankleding in een besloten ruimte die niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:

4.

Aankleding ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1, of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

5.

Het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 6.15. (brandveiligheid inrichtingselementen)
1.

In een voor publiek toegankelijke ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.

2.

Aan het in het eerste lid gestelde is in ieder geval voldaan als een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 6.16. (brandveilig gebruik grote brandcompartimenten)

Als bij de toepassing van artikel 4.51, eerste lid, gebruik is gemaakt van de bepalingsmethoden van NEN 6060 of NEN 6079 wordt bij het gebruik van het bouwwerk rekening gehouden met de gebruiksvoorwaarden in die normbladen.

Artikel 6.17. (behandeling constructieonderdeel)

Een constructieonderdeel waarvoor op grond van dit besluit een eis aan de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse geldt waaraan het constructieonderdeel alleen met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen, wordt op adequate wijze onderhouden.

Artikel 6.18. (overgangsrecht: aankleding)

Op aankleding die voor 1 april 2014 is aangebracht in een besloten ruimte van een lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren, maar niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan, is artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 van toepassing zoals dit luidde voor 1 april 2014.

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Artikel 6.19. (aansturingsartikel)

De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.19 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
ontruiming bij brand ontruiming bij brand ontruiming bij brand ontruiming bij brand deuren in vluchtroutes deuren in vluchtroutes deuren in vluchtroutes deuren in vluchtroutes deuren in vluchtroutes opstelling zitplaatsen en verdere inrichting opstelling zitplaatsen en verdere inrichting opstelling zitplaatsen en verdere inrichting opstelling zitplaatsen en verdere inrichting opstelling zitplaatsen en verdere inrichting gangpaden gangpaden vluchtroute woongebouw beperking van gevaar voor letsel beperking van gevaar voor letsel beperking van gevaar voor letsel beperking van gevaar voor letsel beperking van gevaar voor letsel
artikel artikel artikel 6.20 6.20 6.20 6.20 6.21 6.21 6.21 6.21 6.21 6.22 6.22 6.22 6.22 6.22 6.23 6.23 6.23a 6.24 6.24 6.24 6.24 6.24
lid lid lid 1 2 3 4 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 * 1 2 3 4 5
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. voor zorg 1 2 3 1 2 * 1 2 3 4
b. andere woonfunctie 1 3 * 1 2 3 4
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
3 Celfunctie Celfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a. in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking 1 3 4 1 2 4 1 2 1 2 3 5
b. in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking 1 3 1 2 4 1 2 1 2 3 5
c. andere logiesfunctie 1 1 2 4
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a. voor het basisonderwijs 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
b. andere onderwijsfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 3 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 5
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3
Artikel 6.20. (ontruiming bij brand)
1.

In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan, zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie voor zorg met zorg op afspraak of met zorg op afroep.

3.

Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 heeft een ontruimingsplan.

4.

In een logiesfunctie met 24-uursbewaking is 24 uur per dag een functionaris aanwezig op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf een toegang van het logiesgebouw.

Artikel 6.21. (deuren in vluchtroutes)
1.

Een deur op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk alleen gesloten als die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel, onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen als bedoeld in de artikelen 3.122, derde lid, en 4.217, derde lid, tijdens het vluchten met een sleutel over de ten minste vereiste breedte worden geopend, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat het in artikel 6.2 beoogde brandveiligheidsniveau is gewaarborgd.

3.

Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.

4.

Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesverblijf.

5.

In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute in een tunnel worden ontgrendeld met een automatische ontgrendeling.

Artikel 6.22. (opstelling zitplaatsen en verdere inrichting)
1.

De inrichting van een ruimte is zodanig dat:

Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.

2.

In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.

3.

Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Als in de rij tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte.

4.

Een rij zitplaatsen die alleen aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.

5.

Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:

Artikel 6.23. (gangpaden)
1.

Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.

2.

Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.

Artikel 6.24. (beperking van gevaar voor letsel)
1.

Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.

2.

Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.

3.

Aankleding in een besloten ruimte mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen.

4.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

5.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet in een logiesverblijf.

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Artikel 6.25. (concentratie asbestvezels)

De concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 2.000 vezels/m3, bepaald volgens NEN 2991.

Artikel 6.26. (concentratie formaldehyde)

De concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 120 μg/m3, bepaald volgens NEN-EN-ISO 16000-2.

Afdeling 6.4. Energielabel

Artikel 6.27. (beschikbaarheid energielabel)
1.

Bij oplevering van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de verkoper van dat gebouw of gedeelte daarvan een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.

2.

In afwijking van het eerste lid zorgt de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, voor de aanwezigheid van een geldig energielabel bij oplevering als dat gebouw of gedeelte is gebouwd in opdrachtgeverschap waarbij die eigenaar de volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor de bouw.

3.

Bij de verhuur van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de eigenaar een afschrift van een geldig energielabel voor dat gebouw of gedeelte daarvan beschikbaar aan de nieuwe huurder.

4.

Bij de verkoop van een gebouw of gedeelte daarvan, of van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van dat gebouw of gedeelte, stelt de eigenaar een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.

5.

De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, heeft een geldig energielabel voor dat gebouw.

Artikel 6.28. (uitzonderingen energielabel)

Artikel 6.27 is niet van toepassing op:

Artikel 6.29. (eisen aan het energielabel)
1.

Een energielabel bevat:

2.

Deze aanbevelingen zijn technisch haalbaar voor het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het energielabel is afgegeven en kunnen een raming bieden van de terugverdientijden of kostenvoordelen gedurende de economische levensduur. De aanbevelingen omvatten in ieder geval maatregelen over de ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen en maatregelen voor individuele onderdelen van dat gebouw of gedeelte zonder dat sprake is van een ingrijpende renovatie, en een vindplaats voor extra informatie.

3.

Een energielabel bevat tenminste een numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/m2.jr en een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie.

4.

Een energielabel is tien jaar geldig gerekend vanaf de datum van opname van de gegevens voor de afgifte ervan.

Artikel 6.30. (kenbaarheid energielabel)
1.

Degene die een gebouw of gedeelte daarvan te koop of te huur aanbiedt door middel van advertenties in commerciële media, vermeldt in die advertenties de energieprestatie-indicator van een geldig energielabel, bedoeld in artikel 6.29, derde lid, dat is afgegeven voor dat gebouw of het gedeelte daarvan, met uitzondering van gebouwen of gedeeltes daarvan waarop artikel 6.27 niet van toepassing is.

2.

De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan brengt het energielabel aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw of gedeelte, als:

Artikel 6.31

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

Artikel 6.32. (brandmeldinstallatie)
1.

In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

2.

Een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.

3.

Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.

Artikel 6.33. (ontruimingsalarminstallatie)
1.

In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

2.

Een krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.

3.

Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.

Artikel 6.34. (droge blusleiding)

Een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie worden eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594.

Artikel 6.35. (blustoestellen en brandslanghaspels)
1.

Een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van dat blustoestel wordt gecontroleerd.

2.

Een krachtens de wet voorgeschreven brandslanghaspel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van die brandslanghaspel wordt gecontroleerd.

Artikel 6.36. (automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem)
1.

Een krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

2.

Een krachtens de wet voorgeschreven rookbeheersingsinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

3.

Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van een jaar.

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

Artikel 6.37. (keuring van airconditioningsystemen)
1.

De toegankelijke delen van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditionings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW worden ten minste eenmaal per vijf jaar gekeurd.

2.

De keuring:

3.

De beoordeling van de dimensionering van het airconditioningsysteem kan achterwege blijven als er sinds de laatste keuring geen wijziging heeft plaatsgevonden van het airconditioningsysteem, het gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.

4.

De keuring wordt op onafhankelijke wijze uitgevoerd door een gekwalificeerde deskundige, waarbij wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels over de kwaliteitseisen waar de keuring en de deskundige aan moeten voldoen.

5.

Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring evenals aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem bevat.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op:

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

Artikel 6.37a. (begrippen)

Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de begripsomschrijvingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing op de begrippen «stookinstallatie», «afgas», «dieselmotor», «gasmotor», «gasturbine», «aardgas», «rie-biomassa», «vergistingsgas», en «emissiegrenswaarde».

Artikel 6.38. (keuring van stookinstallaties)
1.

Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van:

2.

Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

3.

Een keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname.

4.

Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een stookinstallatie die onderdeel is van een technisch bouwsysteem.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een niet-gemeenschappelijk stooktoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 100 kW van een woonfunctie.

Artikel 6.39. (afstellen, onderhoud en rapportage)
1.

Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 omvat:

2.

De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in gebruik is genomen voor 20 december 2018 vanaf:

3.

Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant wordt overgelegd van een koolmonoxide-meting die is uitgevoerd aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in dat onderdeel.

4.

Als uit de keuring blijkt dat de installatie onderhoud nodig heeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.

Artikel 6.39a. (verslag keuring)
1.

Van de keuring, bedoeld in artikel 6.38, wordt een verslag gemaakt.

2.

Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat het verslag:

3.

Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie als bedoeld in het tweede lid, onder k, niet meer dan 500 uren per jaar in bedrijf is, wordt het aantal uren dat de stookinstallatie in gebruik is maandelijks geregistreerd.

Artikel 6.40. (certificatie keuringsinstelling)

Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens die Deelregeling.

Artikel 6.41. (inzage in bescheiden)
1.

De volgende gegevens en documenten worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

2.

Als een stookinstallatie bij de keuring of na het onderhoud, bedoeld in artikel 6.39, vierde lid, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, wordt deze afgemeld in het afmeldsysteem van de Stichting SCIOS.

3.

De afmelding bevat de gegevens, genoemd in artikel 6.39a, tweede lid.

§ 6.5.3. Stookinstallaties

Artikel 6.42. (keuring verwarmingssysteem)
1.

De toegankelijke delen van een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW worden ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd.

2.

De keuring:

3.

In afwijking van het tweede lid, bevat de keuring geen beoordeling van de dimensionering van de warmtegenerator als er sinds de laatste keuring geen wijziging heeft plaatsgevonden van het verwarmingssysteem, het gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem of de verwarmingsbehoeften van het gebouw.

4.

Degene die de keuring verricht beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de Deelregeling voor verwarmingssystemen, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS.

5.

Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring alsmede aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem bevat.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op:

Artikel 6.43. (overgangsrecht)

Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is ingetrokken door Stb. 2023/298.

§ 6.5.5. Gasverbrandingsinstallaties

Artikel 6.44. (definitie certificaathouder)

In deze paragraaf wordt verstaan onder certificaathouder:

natuurlijke persoon of rechtspersoon met een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor een op grond van artikel 3.37, eerste lid, van dat besluit afgegeven certificatieschema door een op grond van artikel 3.36, eerste lid, van dat besluit aangewezen certificatie-instelling.

Artikel 6.45. (werkzaamheden aan verbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en rookgasafvoervoorzieningen)
1.

Aan de regels in dit artikel wordt voldaan door degene die de werkzaamheden uitvoert en degene die de werkzaamheden laat uitvoeren.

2.

De volgende werkzaamheden aan een gebouwgebonden gasverbrandingstoestel en bijbehorende voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas worden verricht door een certificaathouder:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op:

4.

Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht met een certificaat dat is afgegeven door een certificatie-instelling waarvan de aanwijzing is ingetrokken, gedurende zes maanden na de intrekking of, als het certificaat op het moment van intrekking een kortere geldigheidsduur heeft dan zes maanden, gedurende die geldigheidsduur.

Artikel 6.46. (signalering (bijna-)ongevallen)

Als een certificaathouder bij het verrichten van zijn werkzaamheden constateert dat een gasverbrandingsinstallatie een hogere concentratie koolmonoxide produceert dan een bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie en dat deze vrijkomt in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden, stelt hij onverwijld de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificatie-instelling hiervan op de hoogte.

Artikel 6.47. (beeldmerk)
1.

Een certificaathouder voert een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het gebruik van het beeldmerk.

Artikel 6.48. (overgangsrecht: werkzaamheden aan verbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en rookgasafvoervoorzieningen)

Artikel 6.45 is niet van toepassing op werkzaamheden die aangevangen zijn voor het tijdstip waarop artikel II van het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in werking is getreden.

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 7.1.1. Algemeen

Artikel 7.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval.

Artikel 7.2. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

Artikel 7.3. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.4. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden.

Artikel 7.5. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 7.4 en de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, met uitzondering van de artikelen 7.20, 7.22 en 7.22a en bepalingen over:

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, waarbij afwijken van de artikelen 7.17 en 7.18 alleen versoepelen als bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, kan inhouden.

3.

Een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.15 tot en met 7.19 kan in ieder geval inhouden een verplichting tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b en het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan met maatregelen ter uitvoering van de artikelen 7.15 tot en met 7.19.

4.

In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.19a en 7.21 alleen nadere invulling van het bepaalde in dat artikel inhouden. Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.

5.

Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Artikel 7.5a. (risicomatrix)
1.

Er is een risicomatrix met een duiding van de risico’s voor de veiligheid die zijn verbonden aan de beoogde bouw- of sloopwerkzaamheden.

2.

Een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b wordt aangesteld en een bouw- of sloopveiligheidsplan wordt opgesteld als de ingevulde risicomatrix daartoe noodzaakt.

Artikel 7.5b. (veiligheid en gezondheid directe omgeving: veiligheidscoördinator directe omgeving)

Als op grond van artikel 7.5 of 7.5a een veiligheidscoördinator directe omgeving moet worden aangesteld, draagt degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht er zorg voor dat die coördinator:

Artikel 7.5c. (gegevens en bescheiden: stikstofemissie en risicomatrix)
1.

Gelijktijdig met de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of de bouwmelding, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, en de sloopmelding als de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Als de bouw- of sloopwerkzaamheden op een andere manier worden verricht dan overeenkomstig de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 7.6. (geen gelijkwaardige maatregel)

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor de artikelen 7.9, 7.20 en 7.22.

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

Artikel 7.7. (informeren: begin en beëindiging bouwwerkzaamheden)
1.

Ten minste twee werkdagen voor het begin van bouwwerkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden daarover geïnformeerd. Het bouwwerk wordt niet in gebruik genomen voordat aan deze informatieplicht is voldaan.

3.

Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, nodig is.

Artikel 7.8. (aanwezigheid gegevens en bescheiden bouwwerkzaamheden)

Tijdens het verrichten van bouwwerkzaamheden zijn, voor zover deze documenten zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan op het bouwterrein aanwezig:

§ 7.1.3. Procedure sloopwerkzaamheden

Artikel 7.9. (asbestinventarisatieplicht)
1.

De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.

Artikel 7.10. (sloopmelding)
1.

Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden.

2.

De in het eerste lid genoemde termijn is ten minste een week als:

3.

Als dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het:

5.

Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Artikel 7.11. (gegevens en bescheiden bij sloopmelding)
1.

Een sloopmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

2.

In afwijking van het eerste lid worden de gegevens, bedoeld in onderdeel b van dat lid, ten minste twee werkdagen voor het begin van de sloopwerkzaamheden verstrekt.

3.

Als tijdens het slopen asbest wordt ontdekt dat niet is opgenomen in het asbestinventarisatierapport wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover onverwijld geïnformeerd.

4.

Een sloopmelding die betrekking heeft op slopen waarbij asbest wordt verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt alleen langs elektronische weg gedaan.

Artikel 7.12. (informeren: begin en beëindiging sloopwerkzaamheden)
1.

Ten minste twee werkdagen voor het begin van sloopwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de sloopwerkzaamheden daarover geïnformeerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

Artikel 7.13. (aanwezigheid gegevens en bescheiden sloopwerkzaamheden)

Tijdens het slopen zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan op het sloopterrein aanwezig:

Artikel 7.14. (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)
1.

Een maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen inhouden dat degene die meldingplichtige sloopwerkzaamheden heeft verricht, wordt verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

2.

Na een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 kunnen alleen maatwerkvoorschriften worden gesteld als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen of beperken van hinder of van een onveilige situatie tijdens het verrichten van de sloopwerkzaamheden.

§ 7.1.3. Procedure sloopwerkzaamheden

Artikel 7.15. (veiligheid in de directe omgeving)
1.

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:

2.

Bij het bouwen of slopen van een gebouw wordt bij de bouw- en sloopplaats een veiligheidsafstand vrijgehouden bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid.

Artikel 7.16. (grondwaterstand)

Het bemalen van een bouwput, leidingsleuf of andere tijdelijke ontgraving ten behoeve van bouwwerkzaamheden leidt niet tot een voor de veiligheid van belendingen gevaarlijke grondwaterstand.

Artikel 7.17. (geluidhinder)
1.

Bedrijfsmatige bouw- en sloopwerkzaamheden worden alleen op werkdagen en op zaterdag, tussen 7.00 uur en 19.00 uur verricht.

2.

Bij het verrichten van die bedrijfsmatige werkzaamheden worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.17, niet overschreden.

Dagwaarde ≤60 dB(A) >60 dB(A) >65 dB(A) >70 dB(A) >75 dB(A) >80 dB(A)
maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein onbeperkt 50 dagen 30 dagen 15 dagen 5 dagen 0 dagen
3.

Als het bevoegd gezag over het veroorzaken van geluidhinder bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft vastgesteld, is in afwijking van artikel 7.23 geen maatwerkvoorschrift vereist als het verrichten van de werkzaamheden voldoet aan die beleidsregels en het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden daarover is geïnformeerd.

Artikel 7.18. (trillinghinder)
1.

Trillingen veroorzaakt door het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden bedragen in een verblijfsgebied niet meer dan de trillingsterkte genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op een verblijfsgebied van een woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie.

Artikel 7.19. (stofhinder)

Tijdens het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- en sloopterrein te beperken.

Artikel 7.19a. (stikstofemissie)
1.

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden adequate maatregelen getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt.

Artikel 7.20. (verwijderen asbest risicoklasse 2 en 2A)
1.

Als de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan worden de volgende handelingen verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit:

2.

De onderdelen b tot en met e van artikel 7.9, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.21. (asbestverwijdering)

Degene die bij sloopwerkzaamheden asbest of een asbesthoudend product verwijdert, zorgt er voor dat:

Artikel 7.22. (eindbeoordeling asbestverwijdering)
1.

Degene die in een binnenruimte een handeling laat verrichten als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, zorgt er voor dat onmiddellijk na het verrichten van die handeling een eindbeoordeling wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.

Degene die in de buitenlucht een handeling laat verrichten als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, zorgt er voor dat onmiddellijk na het verrichten van die handeling een visuele inspectie wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 4.51a, derde, vierde en zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3.

In een binnenruimte worden geen andere werkzaamheden verricht aan het bouwwerk waarvoor een handeling als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, is verricht, zolang niet een eindbeoordeling is uitgevoerd of als uit de eindbeoordeling volgt dat er ter plaatse nog visueel waarneembaar asbest aanwezig is of de concentratie asbestvezels in de lucht, bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt overschreden.

4.

In de buitenlucht worden geen andere handelingen verricht aan het bouwwerk waarvoor een handeling als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, is verricht, zolang de visuele inspectie niet is uitgevoerd of als uit de visuele inspectie volgt dat het te verwijderen asbest op de plaats van de handeling nog visueel waarneembaar is.

Artikel 7.22a. (veiligheidsmaatregelen aanbrengen gespoten PUR-schuim)

Bij het aanbrengen van gespoten PUR-schuim in de kruipruimte van een woonfunctie:

Artikel 7.23. (afbakening maatwerkvoorschriften veiligheid en gezondheid in directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden)
1.

Met een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.17 en 7.18 kunnen alleen worden versoepeld:

2.

Onverkort het gestelde in een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt bij het verrichten van de bouw- en sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de beste beschikbare stille technieken.

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 7.24. (vrijkomend bouw- en sloopafval)

Bouw- en sloopwerkzaamheden worden zodanig verricht dat tijdens de uitvoering vrijkomend gevaarlijk en overig bouw- en sloopafval deugdelijk wordt gescheiden.

Artikel 7.25. (scheiden gevaarlijk bouw- en sloopafval)
1.

Ongeacht de hoeveelheid wordt gevaarlijk bouw- en sloopafval in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

2.

Een gevaarlijke stof wordt niet gemengd of gescheiden.

3.

De fracties worden op het bouw- en sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen de fracties op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 7.26. (scheiden overig bouw- en sloopafval)
1.

Overig bouw- en sloopafval wordt in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

2.

De fracties worden op het bouw- of sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de hoeveelheid afval van die fractie minder dan 1 m³ bedraagt.

4.

In afwijking van het tweede lid kunnen de fracties op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 7.27. (toepassingsbereik: activiteiten)

Deze afdeling is van toepassing op het breken van steenachtige bedrijfsafvalstoffen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover afkomstig van het bouwen en slopen van bouwwerken of wegen, met een mobiele installatie voor het bewerken van bouw- en sloopafval, met inbegrip van alle daarbij gebruikte overige installaties en toestellen, gedurende een periode van ten hoogste drie maanden en in de directe nabijheid van het bouwwerk of de weg waar het te breken afval vrijkomt.

Artikel 7.28. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

Artikel 7.29. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die een mobiele puinbreker in werking heeft. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.30. (bevoegd gezag)
1.

Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor het mobiel breken:

2.

In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 7.31. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het in werking hebben van een mobiele puinbreker nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.28, is verplicht:

2.

Voor het in werking hebben van een mobiele puinbreker houdt deze plicht in ieder geval in dat:

Artikel 7.32. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3 en artikel 7.31, met uitzondering van bepalingen over:

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3, waarbij:

3.

Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de mobiele puinbreker in werking heeft, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.28, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

§ 7.2.2. Procedurele regels

Artikel 7.33. (melding mobiel puinbreken)

Het is verboden een mobiele puinbreker in werking te hebben of te laten hebben zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 7.34. (gegevens en bescheiden bij melding mobiel puinbreken)

Een melding mobiel puinbreken wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

Artikel 7.35. (informeren: aanvang mobiel breken)

Ten minste twee werkdagen voor het begin van het in werking hebben van een mobiele puinbreker wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.30, daarover geïnformeerd.

Artikel 7.36. (aanwezigheid bescheiden)
1.

Tijdens het in werking zijn van een mobiele puinbreker zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig:

Artikel 7.37. (afbakening maatwerkvoorschriften procedure mobiel puinbreken)

Met een maatwerkvoorschrift kan degene die een mobiele puinbreker in werking heeft gehad, worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de werkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Artikel 7.38. (overeenkomstige toepassing inhoudelijke regels sloopwerkzaamheden)

Met uitzondering van artikel 7.17 zijn de regels in de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een mobiele puinbreker.

Artikel 7.39. (geluidhinder)
1.

Een mobiele puinbreker is alleen op werkdagen tussen 07.00 uur en 19.00 uur in werking.

2.

Daarbij worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.39, niet overschreden.

Dagwaarde ≤ 60 dB(A) > 60 dB(A) > 65 dB(A) > 70 dB(A) > 75 dB(A)
maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of op de grens van een geluidsgevoelig terrein 65 dagen 65 dagen 15 dagen 5 dagen 0 dagen
maximale blootstellingsduur op de gevel van een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie 65 dagen 0 dagen 0 dagen 0 dagen 0 dagen
Artikel 7.40. (registratie)

Op de locatie waar de mobiele puinbreker in werking is, wordt een registratie bijgehouden. Op deze registratie is artikel 8.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Artikel 8.1. (gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten)
1.

Voor de toepassing van de artikelen 2.8, onder a, 2.17, tweede lid, onder a, 2.30, eerste en tweede lid, en 6.28, onder b, wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing:

Artikel 8.2. (rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten)

Artikel 2.30, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dat lid die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in het omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 8.3. (algemeen overgangsrecht lopende aanvragen en meldingen)
1.

Op een aanvraag om een omgevingsvergunning, een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften, ingediend voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, of op bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, blijven de regels van dit besluit van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.

2.

Op een melding gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, blijven de regels van dit besluit van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan.

3.

Op een melding als bedoeld in artikel 2.18 voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, blijven de regels van dit besluit zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan een jaar van toepassing.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Artikel 9.1. (inwerkingtreding)

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 9.2. (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 6.15a. (geen brandgevaarlijke objecten op vluchtroute woongebouw)
1.

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandgevaarlijke objecten aanwezig. Onder brandgevaarlijke objecten worden in ieder geval verstaan:

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a en d, is meubilair en decoratie toegestaan als het:

3.

Het is eerste lid is niet van toepassing op:

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Artikel 6.23a. (geen belemmerende objecten op vluchtroute woongebouw)

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die het vluchten belemmeren. Onder objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt, tenzij er ten minste een beschikbare breedte van 0,85 m overblijft.

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.4. Energielabel

Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

§ 6.5.5. Gasverbrandingsinstallaties

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 7.1.1. Algemeen

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.3. Procedure sloopwerkzaamheden

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.2. Procedurele regels

§ 7.2.2. Procedurele regels

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.7a. (voorrangsregel omgevingsvergunning bouwactiviteit algemeen)

Voor zover een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit afwijkt van een in hoofdstuk 4 of 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing.

Afdeling 2.2. CE-markeringen, markttoezicht en kwaliteitsverklaringen bouw

Afdeling 2.2a. Stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen

Afdeling 2.3. Afbakening vergunningplichten

§ 2.3.1. Algemene bepalingen

§ 2.3.2. Vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit

§ 2.3.3. Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken

Afdeling 2.4. Drijvende bouwwerken

Hoofdstuk 3. Bestaande bouw

Afdeling 3.1. Algemeen

Afdeling 3.2. Veiligheid

§ 3.2.1. Constructieve veiligheid

§ 3.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

§ 3.2.3. Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan

§ 3.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

§ 3.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

§ 3.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 3.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 3.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

§ 3.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

§ 3.2.10. Vluchtroutes: verloop

§ 3.2.11. Vluchtroutes: inrichting

§ 3.2.12. Wegtunnels: hulpverlening bij brand

Afdeling 3.3. Gezondheid

§ 3.3.1. Wering van vocht

§ 3.3.2. Luchtverversing

§ 3.3.3. Spuivoorziening

§ 3.3.4. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

§ 3.3.5. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.3.6. Daglicht

Afdeling 3.4. Duurzaamheid

§ 3.4.1. Energiezuinigheid

§ 3.4.2. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

Afdeling 3.5. Bruikbaarheid

§ 3.5.1. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 3.5.2. Toiletruimte

§ 3.5.3. Opstelplaatsen

Afdeling 3.6. Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg

Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties

§ 3.7.1. Verlichting

§ 3.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

§ 3.7.3. Watervoorziening

§ 3.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

§ 3.7.5. Tijdig vaststellen van brand

§ 3.7.6. Vluchten bij brand

§ 3.7.7. Bestrijden van brand

§ 3.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

§ 3.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 3.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

§ 3.7.11. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

§ 3.7.12. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Hoofdstuk 4. Nieuwbouw

Afdeling 4.1. Algemeen

Afdeling 4.2. Veiligheid

§ 4.2.1. Constructieve veiligheid

§ 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken

§ 4.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

§ 4.2.3. Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan

§ 4.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

§ 4.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

§ 4.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 4.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 4.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

§ 4.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

§ 4.2.10. Vluchtroutes: verloop

§ 4.2.11. Vluchtroutes: inrichting en capaciteit

§ 4.2.12. Hulpverlening bij brand

§ 4.2.13. Hoge en ondergrondse gebouwen

§ 4.2.14. Brand- en explosievoorschriftengebieden

§ 4.2.15. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.2.16. Inbraakwerendheid

Afdeling 4.3. Gezondheid

§ 4.3.1. Bescherming tegen geluid van buiten

§ 4.3.2. Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties

§ 4.3.3. Beperking van galm

§ 4.3.4. Geluidwering tussen ruimten

§ 4.3.5. Wering van vocht

§ 4.3.6. Luchtverversing

§ 4.3.7. Spuivoorziening

§ 4.3.8. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

§ 4.3.9. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 4.3.10. Daglicht

Afdeling 4.4. Duurzaamheid

§ 4.4.1. Energiezuinigheid

§ 4.4.2. Milieuprestatie

§ 4.4.3. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

§ 4.4.4. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Afdeling 4.5. Bruikbaarheid

§ 4.5.1. Algemeen

§ 4.5.2. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 4.5.3. Toiletruimte

§ 4.5.4. Badruimte

§ 4.5.5. Buitenberging

§ 4.5.6. Buitenruimte

§ 4.5.7. Opstelplaatsen

Afdeling 4.6. Toegankelijkheid

§ 4.6.1. Bereikbaarheid, algemeen

Artikel 4.181a. (hoofdtoegang)
1.

Ten minste een toegang van een gebruiksfunctie is een hoofdtoegang.

2.

Ten minste een toegang van een woongebouw is een hoofdtoegang.

§ 4.6.2. Toegankelijkheidssector

§ 4.6.3. Bereikbaarheid van een bouwwerk

Afdeling 4.7. Bouwwerkinstallaties

§ 4.7.1. Verlichting

§ 4.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

§ 4.7.3. Watervoorziening

§ 4.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

§ 4.7.5. Tijdig vaststellen van brand

§ 4.7.6. Vluchten bij brand

§ 4.7.7. Bestrijden van brand

§ 4.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

§ 4.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

§ 4.7.11. Veilig onderhoud gebouwen

§ 4.7.12. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

§ 4.7.13. Elektronische communicatie

§ 4.7.14. Technische bouwsystemen

Hoofdstuk 5. Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie

Afdeling 5.1. Algemeen

Afdeling 5.2. Algemene regels bij het verbouwen of verplaatsen van een bouwwerk en bij gebruiksfunctiewijziging

Afdeling 5.3. Verbouw

Afdeling 5.4. Wijziging van een gebruiksfunctie

Hoofdstuk 6. Gebruik van bouwwerken

Afdeling 6.1. Algemeen

§ 6.1.1. Algemeen

§ 6.1.2. Gebruiksmelding

Afdeling 6.2. Brandveiligheid

§ 6.2.1. Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

§ 6.5.3. Stookinstallaties

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 7.1.1. Algemeen

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.2. Procedurele regels

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

B. Begrippen: gebruiksfuncties

Voor de toepassing van dit besluit wordt voorts verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7.12a. (informeren: begin en beëindiging sloopwerkzaamheden asbest in risicoklasse 2 of 2A)
1.

Dit artikel is van toepassing als bij de sloopwerkzaamheden asbest is of wordt verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.

In afwijking van artikel 7.12, eerste lid, wordt ten minste twee werkdagen voor het begin van de sloopwerkzaamheden de datum waarop wordt begonnen met de werkzaamheden in het LAVS ingevoerd.

3.

In afwijking van het artikel 7.12, tweede lid, wordt uiterlijk de eerste werkdag na de beëindiging van de sloopwerkzaamheden de datum van beëindiging in het LAVS ingevoerd.

4.

Degene die de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, of de visuele inspectie, bedoeld artikel 7.22, tweede lid, heeft verricht, voert binnen twee weken nadat de eindbeoordeling of visuele inspectie is verricht, het eindresultaat daarvan in het LAVS in.

5.

Binnen twee weken nadat de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, of de visuele inspectie, bedoeld artikel 7.22, tweede lid, is verricht, wordt in het LAVS een bewijs ingevoerd van de afvoer van het asbestafval, onder opgave van het gewicht en van de afvoerbestemming van het asbestafval.

6.

Het tweede tot en met vierde lid zijn alleen van toepassing op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.2. Procedurele regels

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Artikel 7.39a. (stofemissie)
1.

Het breken van steen of puin vindt plaats met een puinbreker met doelmatige stofbestrijdingstechnieken.

2.

Als doelmatige stofbestrijdingstechnieken worden aangemerkt:

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

C. Tabel: symbolen en afkortingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt in een tabel verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 4.10a. (geen gelijkwaardige maatregel)

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor artikel 4.245.

Afdeling 4.2. Veiligheid

§ 4.2.1. Constructieve veiligheid

§ 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken

§ 4.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

§ 4.2.3. Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan

§ 4.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

§ 4.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

§ 4.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 4.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 4.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

§ 4.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

§ 4.2.10. Vluchtroutes: verloop

§ 4.2.11. Vluchtroutes: inrichting en capaciteit

§ 4.2.12. Hulpverlening bij brand

§ 4.2.13. Hoge en ondergrondse gebouwen

§ 4.2.14. Brand- en explosievoorschriftengebieden

§ 4.2.15. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.2.16. Inbraakwerendheid

Afdeling 4.3. Gezondheid

§ 4.3.1. Bescherming tegen geluid van buiten

§ 4.3.2. Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties

§ 4.3.3. Beperking van galm

§ 4.3.4. Geluidwering tussen ruimten

§ 4.3.5. Wering van vocht

§ 4.3.6. Luchtverversing

§ 4.3.7. Spuivoorziening

§ 4.3.8. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

§ 4.3.9. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 4.3.10. Daglicht

Afdeling 4.4. Duurzaamheid

§ 4.4.1. Energiezuinigheid

§ 4.4.2. Milieuprestatie

§ 4.4.3. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

§ 4.4.4. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Afdeling 4.5. Bruikbaarheid

§ 4.5.2. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 4.5.3. Toiletruimte

§ 4.5.4. Badruimte

§ 4.5.5. Buitenberging

§ 4.5.6. Buitenruimte

§ 4.5.7. Opstelplaatsen

Afdeling 4.6. Toegankelijkheid

§ 4.6.1. Bereikbaarheid, algemeen

§ 4.6.2. Toegankelijkheidssector

§ 4.6.3. Bereikbaarheid van een bouwwerk

Afdeling 4.7. Bouwwerkinstallaties

§ 4.7.1. Verlichting

§ 4.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

§ 4.7.3. Watervoorziening

§ 4.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

§ 4.7.5. Tijdig vaststellen van brand

§ 4.7.6. Vluchten bij brand

§ 4.7.7. Bestrijden van brand

§ 4.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

§ 4.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.7.13. Elektronische communicatie

§ 4.7.14. Technische bouwsystemen

Hoofdstuk 5. Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie

Afdeling 5.1. Algemeen

Afdeling 5.2. Algemene regels bij het verbouwen of verplaatsen van een bouwwerk en bij gebruiksfunctiewijziging

Afdeling 5.3. Verbouw

Artikel 5.21e. (fysieke gigabitinfrastructuur)

Bij een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn energieprestatie gebouwen gelden, in afwijking van artikel 5.4, de voorschriften van artikel 4.244 en 4.245.

Artikel 5.21f. (afbakening maatwerkvoorschriften fysieke gigabitinfrastructuur)

In afwijking van artikel 5.3a, tweede lid, kan een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over artikel 5.21e alleen worden gesteld als naleving van dat artikel technisch onhaalbaar is of de kosten onevenredig verhoogt, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

Afdeling 5.4. Wijziging van een gebruiksfunctie

Hoofdstuk 6. Gebruik van bouwwerken

Afdeling 6.1. Algemeen

§ 6.1.1. Algemeen

§ 6.1.2. Gebruiksmelding

Afdeling 6.2. Brandveiligheid

§ 6.2.1. Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Afdeling 6.4. Energielabel

Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

§ 6.5.5. Gasverbrandingsinstallaties

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 7.1.1. Algemeen

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

B. Begrippen: gebruiksfuncties

Voor de toepassing van dit besluit wordt voorts verstaan onder:

C. Tabel: symbolen en afkortingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt in een tabel verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.