← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Geldende tekst a fecha 2024-07-01

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer

Hoofdstuk 4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels

Hoofdstuk 5. Milieubelastende activiteiten: modules

Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee

Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen

Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen

Hoofdstuk 2. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: algemeen

Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen

Hoofdstuk 12. Landinrichtingsactiviteiten

Hoofdstuk 13. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen

Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen

Hoofdstuk 15. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden

Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren

Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren

Hoofdstuk 18. Overige en slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage II. bij de artikelen 3.39, 3.40, 3.184, 3.195 en 3.196 van dit besluit (categorieën afvalstoffen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage IIa. bij de artikelen 3.48d en 3.48f van dit besluit (interventiewaarde bodemkwaliteit)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage III. bij de artikelen 4.192, 4.207, 4.226, 4.236, 4.277, 4.654 en 5.28van dit besluit (stofklassen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage IV. bij de artikelen 4.145, 4.410 en 4.1053 van dit besluit (stuifklassen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage IVa. bij de artikelen 4.1053, 4.1055, 4.1058, 4.1063, 4.1064 en 4.1064a van dit besluit (lekkende, uitlogende en vermestende goederen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage IVb. bij artikel 4.1215 van dit besluit (relatief stikstofbehoeftige gewassen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage V. bij artikel 5.10 van dit besluit (stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage VI. bij artikel 5.11 van dit besluit (groepen verontreinigende stoffen PRTR)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage VIa. bij artikel 5.25 (Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage VIII. bij artikel 5.39 van dit besluit (activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage IX. bij artikel 11.54 van dit besluit (andere beschermde dier- en plantensoorten)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage X. bij artikel 11.103, eerste lid, onder c, onder 2°, van dit besluit (van administratieplicht uitgezonderde soorten)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XI. bij artikel 17.26, eerste lid, onder a, van dit besluit (testen voor zuiveringsvoorzieningen)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/168354, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de nitraatrichtlijn, het Ospar-verdrag, het PRTR-protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn autowrakken, de richtlijn benzinedampterugwinning, de richtlijn duurzaam gebruik, de richtlijn geologische opslag van kooldioxide, de richtlijn havenontvangstvoorzieningen, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn offshore veiligheid, de richtlijn opslag en distributie benzine, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, de Seveso-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het werelderfgoedverdrag, het VN-Zeerechtverdrag en de artikelen 2.24, eerste lid, 4.3, eerste en tweede lid, 5.1, eerste en tweede lid, en 20.6, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 16 en 20 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 31, vierde lid, 48, zesde lid, en 49, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W14.17.0200/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524052, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Afdeling 1.1. Algemeen

Artikel 1.1. (begripsbepalingen)

Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit.

Artikel 1.1a. (grondslag)
2.

Dit besluit berust ook op:

Afdeling 1.2. Toepassingsbereik

Artikel 1.2. (exclusieve economische zone)

Dit besluit is ook van toepassing in de exclusieve economische zone.

Afdeling 1.3. Internationaalrechtelijke verplichtingen

Artikel 1.3. (wederzijdse erkenning)

Met een erkenning, certificaat, keuring of norm als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een erkenning, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Afdeling 2.1. Toepassingsbereik

Artikel 2.1. (activiteiten)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 gaan over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk die daarbij worden verricht, of die zijn aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 2.2. (oogmerken)
1.

De regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 over milieubelastende activiteiten zijn gesteld met het oog op:

2.

De regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk zijn gesteld met het oog op:

Afdeling 2.2. Bevoegd gezag

Artikel 2.3. (bevoegd gezag gemeente)

Tenzij in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 anders is bepaald, is voor een milieubelastende activiteit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 2.4. (bevoegd gezag waterschap)

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is het dagelijks bestuur van het waterschap waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 2.5. (bevoegd gezag provincie)

Voor het aanleggen en het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 3.2.6, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 2.6. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)
1.

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 3.4.3, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook het bevoegd gezag voor een milieubelastende activiteit die geheel of in hoofdzaak wordt verricht:

Artikel 2.7. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)

Voor het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 3.10.1, is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

Artikel 2.8. (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

Voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.20, is Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag:

Artikel 2.9. (bevoegd gezag algemene regels in combinatie met een omgevingsvergunning)

Voor een milieubelastende activiteit is het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die milieubelastende activiteit, bedoeld in de artikelen 4.6 tot en met 4.17 van het Omgevingsbesluit, ook het bevoegd gezag:

Afdeling 2.3. Normadressaat

Artikel 2.10. (normadressaat)

Aan de afdelingen 2.6 en 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Afdeling 2.4. Specifieke zorgplicht

Artikel 2.11. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:

2.

Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

3.

Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

Afdeling 2.5. Maatwerk en andere decentrale afwegingsruimte

Artikel 2.12. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van bepalingen waarin activiteiten worden aangewezen als milieubelastende activiteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2.

4.

Een maatwerkregel wordt voor milieubelastende activiteiten gesteld in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening en voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk in de waterschapsverordening.

Artikel 2.13. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 worden verbonden, over artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van bepalingen:

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald.

3.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 2.11, tweede lid, onder a, b en c, en derde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

4.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 kan worden verbonden.

5.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9 tot en met 8.25a, 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.34, eerste lid, 8.40, 8.41, 8.73 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

6.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.14. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels over meldingen)

Een maatwerkregel waarmee wordt afgeweken van een bepaling over een melding uit hoofdstuk 4 kan alleen inhouden een aanvullend verbod om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag een activiteit te verrichten en kan worden gesteld vanwege:

Artikel 2.15. (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen: aanvullende vergunningplichten)
1.

In afwijking van de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin vergunningplichtige gevallen van milieubelastende activiteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk worden aangewezen, kan een aanvullend verbod worden gesteld om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

2.

Het aanvullende verbod kan worden opgenomen in:

Artikel 2.16. (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen: vergunningvrije bodemenergiesystemen)

In afwijking van artikel 2.15, eerste lid, kan in de omgevingsverordening worden bepaald dat geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, is vereist:

Afdeling 2.6. Meldingen en het verstrekken van gegevens en bescheiden

Artikel 2.17. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 2.18. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 2.19. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.18, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 2.20. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Afdeling 2.7. Ongewone voorvallen

Artikel 2.21. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 2.22. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

Artikel 2.23. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 2.21 en 2.22 niet versoepeld.

Hoofdstuk 3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer

Afdeling 3.1. Algemeen

Artikel 3.1. (aanwijzing lozingsactiviteiten)
1.

Het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1.

2.

Het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 2.1.

Artikel 3.2. (algemene regels over lozen op een zuiveringtechnisch werk)
1.

Als in hoofdstuk 4 is bepaald dat het te lozen afvalwater wordt geloosd of kan worden geloosd in een vuilwaterriool, kan ook worden geloosd op een zuiveringtechnisch werk.

2.

De bepalingen in hoofdstuk 4 over afvalwater dat in een vuilwaterriool wordt geloosd of kan worden geloosd, zijn van overeenkomstige toepassing op het lozen op een zuiveringtechnisch werk.

Artikel 3.3. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozen op een zuiveringtechnisch werk)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten, geldt voor het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk op een zuiveringtechnisch werk, voor zover voor die milieubelastende activiteit het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, geldt om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten.

Afdeling 3.2. Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen

§ 3.2.0. Energiegebruik bij gebouwen

Artikel 3.3a. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

Onder de aanwijzing vallen niet het gebruiken van energie of het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie:

3.

Op het berekenen van de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.3b. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3a, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

§ 3.2.1. Stookinstallatie

Artikel 3.4. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW.

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.5. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, voor zover het gaat om het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, waarin een andere stof wordt verstookt dan:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.6. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.4, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.2. Natte koeltoren

Artikel 3.7. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 3.8. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.7, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een natte koeltoren, bedoeld in paragraaf 4.46.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.3. Zendmasten

Artikel 3.9. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW.

Artikel 3.10. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.9.

§ 3.2.4. Windturbine

Artikel 3.11. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m.

2.

Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3.

Artikel 3.12

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.13. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 3.14. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.11, wordt voldaan aan de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30.

Artikel 3.14a. (tijdelijke uitzondering algemene regels)

In afwijking van artikel 3.14 zijn de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30, niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 3.14b. (overgangsrecht: tijdelijke algemene regels)
1.

De regels over een windturbine, bedoeld in de paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b, zijn tot en met 30 juni 2025 van toepassing, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en daarvoor:

2.

Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt.

3.

Met een maatwerkvoorschrift kan voor een windpark als bedoeld in het eerste lid niet worden afgeweken van de regels over een windturbine, bedoeld in paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b.

4.

Als op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin normen met een andere waarde voor geluidhinder waren vastgesteld, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan de normen met die andere waarde.

§ 3.2.5. Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak

Artikel 3.15. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een koelinstallatie met meer dan:

2.

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een koelinstallatie met:

Artikel 3.16. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15, voor zover het gaat om een koelinstallatie met meer dan:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15.

Artikel 3.17. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.15, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een koelinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.33, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.16, eerste lid.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.6. Bodemenergiesysteem

Artikel 3.18. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

Artikel 3.19. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.20. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.7. Opslagtank voor gassen

Artikel 3.21. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

Artikel 3.22. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, voor zover het gaat om het opslaan van:

2.

Het verbod geldt niet voor:

Artikel 3.23. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22, eerste lid.

§ 3.2.8. Opslagtank voor vloeistoffen en tankcontainer of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen

Artikel 3.24. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van:

Artikel 3.25. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.24, voor zover het gaat om het opslaan:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e tot en met h.

Artikel 3.26. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.24, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste of derde lid.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, is niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

§ 3.2.9. Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking

Artikel 3.27. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van:

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.28. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.27, voor zover het gaat om het in een opslagplaats opslaan van:

Artikel 3.29. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.27, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.10. Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Artikel 3.30. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

2.

Onder de aanwijzing valt niet het opslaan, herverpakken of bewerken van:

3.

Onder de aanwijzing valt ook niet het voor het vervoer van goederen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

4.

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.31. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of bewerken van:

2.

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk of van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.32. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, wordt voldaan aan de regels over het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 4.102.

§ 3.2.11. Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

Artikel 3.33. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.34. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.33, voor zover het gaat om het opslaan van:

Artikel 3.35. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.33, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, bedoeld in paragraaf 4.103.

§ 3.2.12. Opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen

Artikel 3.36. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van meer dan:

Artikel 3.37. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.36, voor zover het gaat om het opslaan van meer dan:

Artikel 3.38. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.36, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.100, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.37.

§ 3.2.13. Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte

Artikel 3.39. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen de volgende activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als die worden verricht voorafgaand aan de inzameling of afgifte van die afvalstoffen:

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.40. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.39.

2.

Het verbod geldt niet voor:

3.

Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.

Artikel 3.40a. (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.39 wordt voldaan aan de regels over het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.14. Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen

Artikel 3.40b. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.40c. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

2.

Het verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van plantenresten, dat op grond van artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is aangewezen.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

§ 3.2.15. Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie

Artikel 3.40d. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen:

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.40e. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40d.

2.

Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft boven verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tenzij die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.40f. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.40d, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.16

§ 3.2.17. Zuiveringsvoorziening voor ingezameld of afgegeven afvalwater

Artikel 3.41. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

Artikel 3.42. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.41.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.43. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.18. Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen ippc

Artikel 3.44. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.45. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.44.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.46. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.44, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.19. Afvangen kooldioxide voor ondergrondse opslag

Artikel 3.47. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

Artikel 3.48. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.47.

§ 3.2.20. Het op of in de bodem brengen van meststoffen

Artikel 3.48a. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van meststoffen.

2.

De aanwijzing van de milieubelastende activiteit omvat ook het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.

Artikel 3.48b. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, voor zover het gaat om het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater.

Artikel 3.48c. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.21. Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 3.48d. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

2.

De aanwijzing omvat ook:

3.

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

4.

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48e. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48d, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.119.

§ 3.2.22. Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 3.48f. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

2.

De aanwijzing omvat ook:

3.

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

4.

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48g. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48f, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.120.

§ 3.2.23. Saneren van de bodem

Artikel 3.48h. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is.

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.48i. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48h, wordt voldaan aan de regels over het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121.

§ 3.2.24. Opslaan van grond of baggerspecie

Artikel 3.48j. (aanwijzing activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het anders dan in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

2.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie, voor zover het gaat om het opslaan van:

3.

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

4.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, omvat ook:

5.

Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vallen niet:

6.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.48k. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, eerste en tweede lid, voor zover het gaat om het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.48l. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.2.25. Toepassen van bouwstoffen

Artikel 3.48m. (aanwijzing activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen.

2.

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van bouwstoffen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.48n. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48m, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 4.123.

§ 3.2.26. Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 3.48o. (aanwijzing activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie.

2.

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.48p. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.48o, tweede lid, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.

Artikel 3.48q. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48o, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124.

§ 3.2.27. Toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg

Artikel 3.48r. (aanwijzing activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

2.

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.48s. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48r, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 4.125.

Afdeling 3.3. Complexe bedrijven

§ 3.3.0. Algemeen

Artikel 3.49. (uitsluiten algemene regels en gegevens en bescheiden voor complexe bedrijven)
1.

De bepalingen over het aanwijzen van algemene regels en het verstrekken van gegevens en bescheiden bij milieubelastende activiteiten in de afdelingen 3.4 tot en met 3.11 zijn niet van toepassing op een activiteit die is aangewezen in deze afdeling.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als alleen de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, in deze afdeling is aangewezen.

§ 3.3.1. Seveso-inrichting

Artikel 3.50. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een Seveso-inrichting.

2.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.51. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.50.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.52. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.53. (wijziging Seveso-richtlijn)

In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van bijlage I bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 3.3.2. Grootschalige energieopwekking

Artikel 3.54. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.55. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.54.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.56. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.54, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.3. Raffinaderij

Artikel 3.57. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in categorie 1.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.58. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.57.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.59. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.57, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.4. Maken van cokes

Artikel 3.60. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in categorie 1.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.61. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.60.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.62. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.5. Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen

Artikel 3.63. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.64. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.63.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.65. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.63, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.6. Basismetaal

Artikel 3.66. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.67. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.66.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.68. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.66, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.7. Complexe minerale industrie

Artikel 3.69. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.70. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.69.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.71. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.69, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.8. Basischemie

Artikel 3.72. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.73. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.72.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.74. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.72, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.9. Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie

Artikel 3.75. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.76. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.75.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.77. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.75, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.10. Afvalbeheer ippc-installaties

Artikel 3.78. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.79. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.78.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.80. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.78, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.11. Kadavers of dierlijk afval

Artikel 3.81. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval, bedoeld in categorie 6.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.82. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.81.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.83. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.12. Stortplaats of winningsafvalvoorziening

Artikel 3.84. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.85. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.84.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.86. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.84, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.13. Verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie

Artikel 3.87. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in categorie 5.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.88. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.87.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.89. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.87, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.3.14. Grootschalige mestverwerking

Artikel 3.90. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van meer dan 25.000 m3 dierlijke meststoffen per jaar op een andere locatie dan de locatie van productie.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.91. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.90.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.92. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.90, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Afdeling 3.4. Nutssector en industrie

§ 3.4.1. Drinkwaterbedrijf

Artikel 3.93. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bereiden van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bereiden functioneel ondersteunen.

Artikel 3.94. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.93, eerste lid.

Artikel 3.95. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.96. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.2. Behandelen, regelen en meten van aardgas

Artikel 3.97. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen, regelen of meten functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die worden verricht in een installatie:

Artikel 3.98. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, voor zover deze worden verricht in een installatie met:

Artikel 3.99. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, wordt voldaan aan de regels over het regelen en meten van aardgas, bedoeld in paragraaf 4.29, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.98.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.100. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.97 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.3. Buisleiding met gevaarlijke stoffen

Artikel 3.101. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een buisleiding voor:

2.

De aanwijzing omvat ook de voorzieningen die bij de buisleiding horen, met uitzondering van een verpompingsstation of compressorstation waarop paragraaf 3.3.1 van toepassing is.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een buisleiding:

Artikel 3.102. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, wordt voldaan aan de regels over een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.108.

2.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder e of f, wordt voldaan aan de regels over de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3.

§ 3.4.4. Metaalproductenindustrie

Artikel 3.103. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze deel uitmaken van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.6.

4.

Onder de aanwijzing vallen ook niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.104. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.105. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: overige activiteiten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

Artikel 3.106. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

Artikel 3.107. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie en productieoppervlakte ten minste 2.000 m2)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen waarvan de productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m2 is:

2.

Het verbod geldt ook voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen door het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door smeden, klinken, lassen of monteren, waarvan de niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m2 is.

Artikel 3.108. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozen van koelwater)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het niet gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.104.

Artikel 3.109. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.110. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.103 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.5. Minerale producten industrie

Artikel 3.111. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.7.

4.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met i, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.112. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.113. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: asfalt, asfaltproducten, kalkzandsteen en cellenbeton)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

Artikel 3.114. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie voor keramische producten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van keramische producten door verhitting.

Artikel 3.115. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie overig)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

Artikel 3.116. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.117. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.111 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.6. Chemische producten industrie

Artikel 3.118. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.8.

4.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.119. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.120. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.121. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.7. Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie

Artikel 3.122. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.9.

4.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met g, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.123. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.124. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: conserveren hout)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het conserveren van hout of houtproducten met behulp van chemische stoffen.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.125. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.126. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.127. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.122 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.8. Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 3.128. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met e, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.129. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.130. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

Artikel 3.131. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken of bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels.

Artikel 3.132. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.133. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.9. Rubberindustrie en kunststofindustrie

Artikel 3.134. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, als deze alleen worden verricht:

Artikel 3.135. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.136. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: blazen, expanderen of schuimen van kunststof)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het blazen, expanderen of schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof.

Artikel 3.137. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

Artikel 3.138. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.139. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.134 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.10. Grafische industrie

Artikel 3.140. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bedrukken functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie alleen:

Artikel 3.141. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.140.

Artikel 3.142. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.143. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.11. Scheepswerven

Artikel 3.144. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis.

Artikel 3.145. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.146. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.147. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.144 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.12. Andere industrie

Artikel 3.148. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het maken van materialen, eindproducten of halffabrikaten met:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in de paragrafen 3.4.4 tot en met 3.4.11.

Artikel 3.149. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.148.

Artikel 3.150. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.151. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.5. Afvalbeheer

§ 3.5.1. Autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf

Artikel 3.152. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat demonteren functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.153. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.152, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.154. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.155. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.2. Kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie van gebruikte producten

Artikel 3.156. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbereiden voor hergebruik van ingezamelde of afgegeven afvalstoffen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbereiden functioneel ondersteunen.

Artikel 3.157. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.158. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.3. Rubberrecyclingbedrijf en kunststofrecyclingbedrijf

Artikel 3.159. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.160. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.159.

Artikel 3.161. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.162. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.4. Metaalrecyclingbedrijf

Artikel 3.163. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.164. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.163, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.165. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.166. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.5. Recyclingbedrijven voor papier, karton, textiel, glas, hout of puin

Artikel 3.167. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven papierafval, kartonafval, textielafval, glasafval, puinafval of houtafval, voor verdere recycling.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.168. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.169. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.6. Milieustraat

Artikel 3.170. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid om op een daarvoor ingerichte locatie afvalstoffen af te geven, als dat in ieder geval het afgeven van grove huishoudelijke afvalstoffen door particuliere huishoudens omvat.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.171. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.172. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.7. Zuiveringtechnisch werk

Artikel 3.173. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.174. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.173, eerste lid.

Artikel 3.175

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.176. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.177. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.8. Grondbank of grondreinigingsbedrijf

Artikel 3.178. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan en bewerken functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het bewerken van grond of baggerspecie, als dat alleen bestaat uit:

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.179. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.178, voor zover het gaat om het bewerken van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd of baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.180. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.178, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.181. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.178 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.9. Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen

§ 3.5.10. Grondbank en grondreinigingsbedrijf

§ 3.5.11. Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen

Artikel 3.184. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verwerken functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

4.

Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als dat alleen bestaat uit:

5.

Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.185. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: opslaan, herverpakken en opbulken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of opbulken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat opslaan, herverpakken of opbulken.

3.

Het verbod geldt niet voor het opslaan van:

4.

Het verbod geldt ook niet voor het opbulken of herverpakken van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.

5.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.186. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: demonteren bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat demonteren.

3.

Het verbod geldt niet als het demonteren alleen bestaat uit:

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.187. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ontwateren en drogen bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van afvalwater)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, die geen afvalwater zijn.

2.

Het verbod geldt niet als dat ontwateren alleen bestaat uit het mechanisch ontwateren van zuiveringsslib dat een bedrijfsafvalstof is of het passief ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.188. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verkleinen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verkleinen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt niet als dat verkleinen alleen bestaat uit:

Artikel 3.189. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: reinigen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het reinigen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt niet als het reinigen alleen bestaat uit:

Artikel 3.190. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: voorbereiden voor hergebruik van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het voorbereiden voor hergebruik van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het voorbereiden voor hergebruik van onderdelen van voertuigwrakken, siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen.

Artikel 3.191. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: composteren en vergisten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het composteren of vergisten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat composteren of vergisten.

3.

Het verbod geldt niet voor het composteren van ten hoogste 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteit, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.192. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen en voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, het vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing, anders dan de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.185 tot en met 3.191 en 3.193 tot en met 3.196.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing.

3.

Het verbod geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit:

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.193. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt niet voor het verdichten van bedrijfsafvalstoffen dat geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling als het opslaan van de afvalstoffen die worden verdicht niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.194. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt niet als dat scheiden alleen bestaat uit:

Artikel 3.195. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: mengen van bedrijfsafvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van bedrijfsafvalstoffen.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

3.

Het verbod geldt niet als het mengen alleen bestaat uit:

Artikel 3.196. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: mengen van gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van gevaarlijke afvalstoffen.

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

3.

Het verbod geldt niet als dat mengen alleen bestaat uit het mengen van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, met uitzondering van de categorieën 11 en 110, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.197. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verwijderen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verwijderen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.198. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.199. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.6. Agrarische sector

§ 3.6.1. Veehouderij

Artikel 3.200. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet het houden van ten hoogste:

3.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

4.

Onder de aanwijzing valt niet het houden van landbouwhuisdieren alleen:

Artikel 3.201. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.202. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van:

Artikel 3.203. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.204. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.200 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op gronden die worden gebruikt voor de teelt van gewassen in de openlucht.

3.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.204a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/172.

§ 3.6.2. Glastuinbouwbedrijf

Artikel 3.205. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in kassen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in kassen alleen:

Artikel 3.206. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.207. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.3. Telen van gewassen in de openlucht

Artikel 3.208. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:

Artikel 3.209. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.208, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.210. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.208 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit wordt verricht op landbouwgronden.

§ 3.6.4. Telen van gewassen in een gebouw

Artikel 3.211. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in een gebouw alleen:

Artikel 3.212

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.213. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.214. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.5. Agrarisch loonwerkbedrijf

Artikel 3.215. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor agrarisch loonwerk:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.216. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.215, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.217. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.215 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.6. Landbouwmechanisatiebedrijf

Artikel 3.218. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen voor agrarische activiteiten.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.219. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.218, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.220. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.218 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.7. Bedrijf voor telen en kweken van waterplanten of waterdieren

Artikel 3.221. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat kweken of telen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:

Artikel 3.222. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.223. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur, met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.224. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.221 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.8. Bedrijf voor mestbehandeling

Artikel 3.225. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen of vergisten functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.14.

Artikel 3.226. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.227. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.228. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.225 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.7. Dienstverlening, onderwijs en zorg

§ 3.7.1. Bouwbedrijf, installatiebedrijf, grondbouwbedrijf, wegbouwbedrijf, waterbouwbedrijf en schildersbedrijf

Artikel 3.229. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden, reparatiewerkzaamheden of installatiewerkzaamheden:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.230. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.229, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.231. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.229 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.2. Chemische wasserij

Artikel 3.232. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het chemisch reinigen van textiel.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat chemisch reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.233. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.234. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.3. Datacentrum

Artikel 3.235. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.236. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.235.

Artikel 3.237. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.238. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.4. Crematorium

Artikel 3.239. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een crematorium.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.240. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, wordt voldaan aan de regels over een crematorium, bedoeld in paragraaf 4.54.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.241. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.5. Laboratorium

Artikel 3.242. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een laboratorium verrichten van:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verrichten functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze worden verricht in een laboratorium alleen voor huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.

Artikel 3.243

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.244. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.245. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.6. Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen

Artikel 3.246. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat ingeperkt gebruik functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet ingeperkt gebruik als dat alleen bestaat uit:

Artikel 3.247. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.246, als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is.

Artikel 3.248. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.246, wordt voldaan aan de regels over ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen, bedoeld in paragraaf 4.53.

Artikel 3.249. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.246, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.7. Onderhoud van de openbare ruimte

Artikel 3.250. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor onderhoud van de openbare ruimte:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.251. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.250, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.252. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.250 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.8. Repareren en verhuren van gemotoriseerde werktuigen

Artikel 3.253. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van gemotoriseerde werktuigen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.254. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.253, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.255. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.253 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.9. Ziekenhuis

Artikel 3.256. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een instelling voor het verlenen van medisch-specialistische zorg.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet instellingen alleen gericht op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg.

Artikel 3.257. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.256, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.258. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.257, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.10. Voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken

Artikel 3.259. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat oefenen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.260. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.259, voor zover het gaat om het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.261. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.260.

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.262. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.11. Tandartspraktijk

Afdeling 3.8. Transport, logistiek en ondersteuning daarvan

§ 3.8.1. Autobergingsbedrijf en pechhulp

Artikel 3.265. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor hulpverlening voor gemotoriseerde voertuigen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.266. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.265, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.267. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.265 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.2. Brandstoffenhandel en tankopslagbedrijf

Artikel 3.268. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan functioneel ondersteunen.

Artikel 3.269. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.268, voor zover het gaat om milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.

Artikel 3.270. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.271. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.3. Bunkerstations en andere tankplaatsen voor schepen

Artikel 3.272. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.273. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.272, voor zover het gaat om:

Artikel 3.274. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.275. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.4. Garage, autoschadeherstelbedrijf, autowasstraat en carrosseriebouw

Artikel 3.276. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken, ombouwen of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen bestaan uit:

Artikel 3.277

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.278. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.276, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.279. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.276 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.5. Motorrevisiebedrijf

Artikel 3.280. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het reviseren van verbrandingsmotoren of gasturbines.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat reviseren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.281. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.280, voor zover het gaat om:

Artikel 3.282

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.283. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.284. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.6. Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal

Artikel 3.285. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor het vervoer van stoffen of goederen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren, schoonmaken of opstellen functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.286. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht:

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.287. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

3.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.288. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.285 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.7. Onderhoudswerkplaats voor autobus, trein, tram of metro

Artikel 3.289. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het onderhouden, repareren en schoonmaken van autobussen of spoorvoertuigen in noodgevallen langs de weg of het spoor.

Artikel 3.290. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.289, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.291. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.289 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.8. Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen

Artikel 3.292. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het onderhouden, repareren, schoonmaken en tanken van gemotoriseerde vliegtuigen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.293. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het repareren van vliegtuigen.

Artikel 3.294. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.295. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.292 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.9. Spoorwegemplacementen

Artikel 3.295a. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een spoorwegemplacement.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.295b. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.295a.

2.

Het verbod geldt niet voor het laten rijden met of opstellen van spoorvoertuigen op een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, onder b, van de wet, voor zover het gaat om het veroorzaken van geluid.

Artikel 3.295c. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.295a, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.295d. (overgangsrecht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Artikel 3.295b, tweede lid, is voor een spoorwegemplacement waarvoor voor de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend of een aanvraag om die vergunning is ingediend, van toepassing vanaf het moment waarop Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat uitvoering heeft gegeven aan artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het besluit tot wijziging van de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking is getreden.

§ 3.8.10. Tankstation

Artikel 3.296. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.297. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.296, voor zover het gaat om het tanken van voertuigen of werktuigen met:

Artikel 3.298. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.299. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.11. Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen

Artikel 3.300. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat inwendig reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.301. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, voor zover het gaat om het inwendig reinigen van:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.302. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.303. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.300 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.9. Sport en recreatie

§ 3.9.1. Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan

Artikel 3.304. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terrein of gebouw voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.305. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.304, voor zover het gaat om het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht.

Artikel 3.306. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 3.307. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.2. Jachthaven

Artikel 3.308. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een jachthaven met 50 ligplaatsen of minder, tenzij in de jachthaven gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren.

Artikel 3.309. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.310. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.3. Schietbaan

Artikel 3.311. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

3.

Onder de aanwijzing vallen niet:

Artikel 3.312. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.313. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.4. Sneeuwbaan en ijsbaan

Artikel 3.314. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een sneeuwbaan of ijsbaan, als daarbij een koelinstallatie wordt gebruikt.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.315. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.316. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.5. Zwembad

Artikel 3.317. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een openbaar zwembad.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.318. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.319. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.10. Mijnbouw

§ 3.10.1. Mijnbouw

Artikel 3.320. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk.

2.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat aanleggen en dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.321. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.320.

2.

Het verbod geldt niet voor:

Artikel 3.322. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.320, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 4.109, voor zover het gaat om:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

Afdeling 3.11. Defensie

§ 3.11.1. Militaire zeehaven

Artikel 3.323. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire zeehaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.324. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.323.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.325. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.323, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.11.2. Militaire luchthaven

Artikel 3.326. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire luchthaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.327. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.326, als het gaat om het exploiteren van een militaire luchthaven waarvoor een luchthavenbesluit is vereist.

Artikel 3.328. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.326, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over:

§ 3.11.3. Militaire kazerne

Artikel 3.329. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire kazerne, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.330. (algemene regels)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.329, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

2.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

§ 3.11.4. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten

Artikel 3.331. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen of voorwerpen worden opgeslagen of bewerkt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.332. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.331, als het gaat om het opslaan en bewerken van:

Artikel 3.333. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.331, wordt voldaan aan de regels over het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen, bedoeld in paragraaf 4.114.

§ 3.11.5. Het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten

Artikel 3.334. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen of voorwerpen worden gebruikt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.335. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334, als het gaat om het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van ontplofbare stoffen en voorwerpen in een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334.

Artikel 3.336. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.334, wordt voldaan aan de regels over een militaire schietbaan, bedoeld in paragraaf 4.115.

§ 3.11.6. Militaire oefeningen op militaire objecten en terreinen

Artikel 3.337. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het houden van militaire oefeningen, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die oefeningen worden gehouden door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.338. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.337, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over militaire oefeningen, bedoeld in paragraaf 4.113.

Hoofdstuk 4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels

§ 4.1. Toepassingsbereik

Artikel 4.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Een paragraaf in dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald.

§ 4.2. Seveso-inrichting

Artikel 4.2. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een Seveso-inrichting.

2.

In deze paragraaf wordt onder gevaarlijke stof verstaan: gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn.

Artikel 4.3. (wijziging Seveso-richtlijn)
1.

In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van de bijlagen I tot en met IV bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

2.

Als in deze paragraaf wordt verwezen naar een bijlage bij de Seveso-richtlijn, zijn voor de toepassing van die bijlage de definities, bedoeld in artikel 3 van die richtlijn, van toepassing.

Artikel 4.4. (regels over arbeidsomstandigheden)
1.

De regels in deze paragraaf die zijn gesteld met het oog op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers, zijn van overeenkomstige toepassing op:

2.

Om naleving van die regels te waarborgen, werken de in het eerste lid genoemde personen samen met degene die de activiteit verricht.

Artikel 4.5. (gegevens en bescheiden: als deze paragraaf van toepassing wordt)
1.

Binnen een jaar nadat deze paragraaf van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

3.

De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan door een ieder worden geraadpleegd.

4.

Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:

Artikel 4.6. (gegevens en bescheiden: voor wijziging)
1.

Ruim voor een wijziging als bedoeld onder a tot en met f worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

Artikel 4.7. (gegevens en bescheiden: na een zwaar ongeval)
1.

Als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, worden zo spoedig mogelijk aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.8. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten.

Artikel 4.9. (algemene verplichtingen)
1.

Alle maatregelen worden getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken.

2.

Op elk moment kan worden aangetoond dat aan het eerste lid wordt voldaan.

3.

Het is verboden een Seveso-inrichting of een gedeelte daarvan te exploiteren of in werking te hebben als de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet zijn getroffen of duidelijk onvoldoende zijn uitgevoerd.

Artikel 4.10. (preventiebeleid voor zware ongevallen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is preventiebeleid opgesteld dat borg staat voor een hoog beschermingsniveau van de gezondheid en het milieu en evenredig is aan de gevaren van zware ongevallen.

2.

Het preventiebeleid bevat:

3.

Het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat zijn beschreven:

Artikel 4.11. (veiligheidsbeheerssysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt het preventiebeleid uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem dat voldoet aan alle punten van bijlage III bij de Seveso-richtlijn.

2.

De passende middelen, structuren en het veiligheidsbeheerssysteem zijn evenredig aan de gevaren van zware ongevallen, de complexiteit van de organisatie en de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht.

3.

De procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen, bedoeld in bijlage III, onder b, onder ii, bij de Seveso-richtlijn, gaan in ieder geval over:

Artikel 4.12. (bijwerken preventiebeleid en veiligheidsbeheerssysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden het preventiebeleid en het veiligheidsbeheerssysteem in ieder geval bijgewerkt bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

2.

Het preventiebeleid wordt ten minste elke vijf jaar beoordeeld en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 4.13. (domino-effecten)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden voor Seveso-inrichtingen die op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de omgevingsvergunning of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, gegevens uitgewisseld die nodig zijn om in het preventiebeleid, veiligheidsbeheerssysteem, veiligheidsrapport en intern noodplan rekening te houden met de aard en omvang van het risico van een zwaar ongeval.

2.

Degenen die de Seveso-inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, exploiteren, werken samen bij het geven van:

Artikel 4.14. (veiligheidsrapport: algemeen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is voor een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport opgesteld met actuele gegevens over de veiligheid.

2.

Het veiligheidsrapport bevat de namen van de organisaties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het veiligheidsrapport en bevat in ieder geval de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage II bij de Seveso-richtlijn, waarmee wordt aangetoond dat:

3.

Het veiligheidsrapport bevat ook:

4.

Bij de beschrijving van de installatie, bedoeld in bijlage II, onder 3, bij de Seveso-richtlijn, wordt een beschrijving gegeven van de processen die in de Seveso-inrichting plaatsvinden, het verloop daarvan en de hoeveelheden, eigenschappen en gedragingen van de gevaarlijke stoffen die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn onder de omstandigheden die in de Seveso-inrichting gelden en bij een voorzienbaar ongeval.

Artikel 4.15. (veiligheidsrapport: scenario’s voor mogelijke zware ongevallen)
1.

De beschrijving van de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen, bedoeld in bijlage II, onder 4, onder a, bij de Seveso-richtlijn, gaat ten minste over de onderdelen van de Seveso-installaties die de grootste risico’s op een zwaar ongeval opleveren. De selectie van deze Seveso-installaties vindt plaats volgens een methode die in het veiligheidsrapport is beschreven.

2.

Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, komen de voorvallen terug die deze scenario’s op gang kunnen brengen, waaronder corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk of onderdruk, lage of hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.

3.

Voor elk scenario wordt kwalitatief of met risicoberekeningen aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het scenario zich voordoet en voor elk scenario wordt een samenhangend inzicht geboden in:

4.

Uit de scenario’s blijkt dat de risico’s van zware ongevallen worden beheerst met de technische en organisatorische maatregelen die zijn getroffen.

Artikel 4.16. (veiligheidsrapport: risico’s voor omgeving)
1.

Het veiligheidsrapport bevat:

2.

Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.17. (veiligheidsrapport: rampenbestrijding en bedrijfsbrandweer)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

Artikel 4.18. (veiligheidsrapport: veiligheid en gezondheid werknemers)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

Artikel 4.19. (bijwerken veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport wordt bezien en zo nodig bijgewerkt:

Artikel 4.20. (gegevens en bescheiden: veiligheidsrapport)

Een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan wordt onverwijld verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.21. (samenvoegen documenten)

Het preventiebeleid, het veiligheidsrapport en het veiligheidsdocument en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, kunnen worden samengevoegd in één document.

Artikel 4.22. (intern noodplan)
1.

Met het oog op het beperken van de gevolgen van zware ongevallen is voor een hogedrempelinrichting een intern noodplan opgesteld en ingevoerd om:

2.

Het intern noodplan bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV bij de Seveso-richtlijn.

3.

Het intern noodplan wordt ten minste elke drie jaar beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt.

4.

Als het intern noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met de werkmethoden en productiemethoden die in de Seveso-inrichting worden toegepast, de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsorganisaties van de overheid en veranderingen in het veiligheidsinzicht die voor de risico’s van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kunnen hebben.

Artikel 4.23. (raadpleging werknemers en inzage)
1.

Als een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging ontbreekt, worden belanghebbende werknemers die werkzaam zijn in de Seveso-inrichting geraadpleegd:

2.

Over het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan worden ook geraadpleegd de werknemers van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in de Seveso-inrichting werkzaam zijn.

3.

Op verzoek wordt inzage gegeven in het veiligheidsrapport en het intern noodplan aan:

4.

Het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, zijn alleen van toepassing voor de onderdelen 1, 2, onder b en d, 3, 4, en 5 van bijlage II bij de Seveso-richtlijn, die verband houden met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers.

Artikel 4.24. (actuele lijst van de gevaarlijke stoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt voor een hogedrempelinrichting een actuele lijst bijgehouden van de aanwezige gevaarlijke stoffen en stoffen die op basis van aard of hoeveelheid een risico vormen.

2.

De lijst bevat gegevens over de aard, fysische vorm en hoeveelheid van de stoffen, bedoeld in het eerste lid.

3.

Voor de hulpverleningsdiensten van de overheid zijn per stof, bedoeld in het eerste lid, onverwijld toegankelijk de volgende gegevens:

4.

Als de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder c, d of e, niet bestaan, zijn, naast de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a en b, gegevens beschikbaar over het gevaar voor een explosie, een brand en een toxische wolk.

Artikel 4.25. (openbaarmaking van gegevens)
1.

Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

2.

Als ten aanzien van het veiligheidsrapport toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast veiligheidsrapport verstrekt, dat ten minste algemene gegevens en bescheiden over risico’s van zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat.

3.

Wanneer een aangepast veiligheidsrapport is verstrekt waaruit de beschrijving van bepaalde stoffen is weggelaten, worden die stoffen niet vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c.

Artikel 4.26. (overgangsrecht: preventiebeleid)

Het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.10, is opgesteld binnen een jaar nadat artikel 4.10 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

Artikel 4.27. (overgangsrecht: veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, is opgesteld binnen twee jaar nadat artikel 4.14 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

Artikel 4.28. (overgangsrecht: intern noodplan)

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, is opgesteld en ingevoerd binnen twee jaar nadat artikel 4.22 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

§ 4.3. Grote stookinstallatie

Artikel 4.29. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van:

2.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.30. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.29, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.31. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.34, 4.36, 4.45, 4.55 en 4.57.

Artikel 4.32. (lucht: toepassing emissiegrenswaarden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn de emissiegrenswaarden in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a van toepassing op de emissies in de lucht afkomstig van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

2.

Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

3.

Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

4.

Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:

Artikel 4.33. (lucht: afgassen afvoeren)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.34. (lucht: emissie zwaveldioxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.34, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste of vloeibare brandstoffen: vaste biomassa 60
Vloeibare brandstoffen: gasturbine of dieselmotor 60
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie, anders dan gasturbine of dieselmotor 150
Vaste of vloeibare brandstoffen: overig 80
Gasvormige brandstoffen: vloeibaar gemaakt gas 5
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas of hoogovengas in gasmotor of gasturbine 60
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas in andere stookinstallatie 220
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas in andere stookinstallatie 150
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen 35
Artikel 4.35. (afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.34, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

Artikel 4.36. (lucht: emissie stikstofoxiden)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden de waarden, bedoeld in tabel 4.36, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste brandstoffen 100
Vloeibare brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG 50
Vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie 150
Vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50-100 MW 120
Vloeibare brandstoffen: overige grote stookinstallatie 85
Gasvormige brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG 35
Gasvormige brandstoffen: gasmotor 33
Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG 60
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met aardgas 70
Gasvormige brandstoffen: andere bestaande grote stookinstallatie 100
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie 80
Artikel 4.37. (afbakening mogelijkheid maatwerk stikstofoxiden)
1.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, zesde rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie waarvoor een vergunning is verleend voor 17 augustus 2017 en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 50 mg/Nm3.

2.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, achtste rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie met een bedrijfstijd van minder dan 1.500 uur per jaar en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 75 mg/Nm3.

3.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, negende rij, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.

4.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, tiende rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie op grond van technische kenmerken en passend binnen de grenzen van Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 150 mg/Nm3.

Artikel 4.38. (lucht: emissie koolmonoxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor koolmonoxide de waarden, bedoeld in tabel 4.38, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Gasvormige brandstoffen 100
Vloeibare brandstoffen: gasturbine, met inbegrip van een STEG 100
Artikel 4.39. (lucht: emissie totaal stof)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.39, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie 20
Vaste of vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie 5
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas 5
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen 5
Artikel 4.39a. (lucht: emissie overige stoffen)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zoutzuur, waterstoffluoride, kwik, de som van dioxinen en furanen, formaldehyde, gasvormige en vluchtige organische stoffen en ammoniak, de waarden, bedoeld in tabel 4.39a, gemeten in een periodieke meting.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 , µg/Nm3 of ng TEQ/Nm3
Zoutzuur: procesbrandstof uit chemische industrie 5 mg/Nm3
Zoutzuur: bestaande grote stookinstallatie, procesbrandstof uit chemische industrie 9 mg/Nm3
Zoutzuur: biomassa <100 MWth, voor een stookinstallatie met een vergunning verleend voor 14 juni 2019 15 mg/Nm3
Zoutzuur: overige biomassa 8 mg/Nm3
Zoutzuur: overige vaste brandstof 3 mg/Nm3
Waterstoffluoride: biomassa 1 mg/Nm3
Waterstoffluoride: overige vaste en vloeibare brandstof 2 mg/Nm3
Kwik: biomassa 5 µg/Nm3
Kwik: bestaande grote stookinstallatie, overige vaste brandstof 4 µg/Nm3
Kwik: overige vaste brandstof 2 µg/Nm3
Som van dioxinen en furanen: procesbrandstof uit chemische industrie 0,036 ng TEQ/Nm3
Formaldehyde: gasmotor op aardgas 15 mg/Nm3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: procesbrandstof uit chemische industrie, gestookt in een ketel 12 mg/Nm3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: gasmotor op aardgas 500 mg/Nm3
Ammoniak: bij toepassing van selectieve katalytische reductie (SCR) of selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) 5 mg/Nm3
Artikel 4.39b. (water: emissiegrenswaarden in afvalwater)
1.

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.39b.

2.

De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.

3.

Afvalwater wordt niet verdund om aan de in tabel 4.39b bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.

4.

Voor de lozing van totaal organische koolstof geldt dat voor de beoordeling of aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan, de concentratie in het influent in mindering mag worden gebracht.

Stof Emissiegrenswaarde in g/l, mg/l of µg/l
Onopgeloste stoffen 30 mg/l
Totaal organische koolstof 50 mg/l
Arseen 50 µg/l
Cadmium 5 µg/l
Chroom 50 µg/l
Koper 50 µg/l
Kwik 3 µg/l
Nikkel 50 µg/l
Lood 20 µg/l
Zink 0,2 mg/l
Fluoride 25 mg/l
Sulfaat 2 g/l; geldt niet voor lozingen in zee of brakke waterlichamen
Sulfide 0,2 mg/l
Sulfiet 20 mg/l
Artikel 4.40. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

Artikel 4.40a. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.41. (lucht: meetplicht continu of periodiek meten)
1.

De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een grote stookinstallatie wordt continu gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW periodiek gemeten, ten minste om de zes maanden, als uit de geregistreerde emissierelevante parameters met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

3.

Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.

4.

De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald aan de hand van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:

Artikel 4.41a. (lucht: meetplicht periodiek meten)
1.

De emissieconcentratie van:

2.

In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt de emissieconcentratie van zoutzuur periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, als met biomassa wordt gestookt.

3.

Als procesbrandstoffen gechloreerde componenten bevatten, wordt de emissieconcentratie van dioxinen en furanen om de zes maanden gemeten.

Artikel 4.41b. (water: meetplicht continu of periodiek meten)
1.

De emissieconcentraties in afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden:

2.

Het debiet, de zuurgraad en de temperatuur van afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden continu gemeten.

Artikel 4.42. (lucht: continue meting)

Een continue meting als bedoeld in artikel 4.41 omvat ook de meting van:

Artikel 4.43. (lucht: bepalen zuurstofgehalte)

De resultaten van de metingen die zijn verricht, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte als bedoeld in 4.32, vierde lid, volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Em: de gemeten emissieconcentratie;

Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Om: het gemeten zuurstofgehalte.

Artikel 4.44. (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden)
1.

Als continu wordt gemeten, wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als in een kalenderjaar:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:

3.

De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).

4.

Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.44a. (water: berekening voldoen emissiegrenswaarden)

Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.39b, wordt voldaan, als alle gemeten daggemiddelden in een jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.45. (lucht: gebruik grote stookinstallatie bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in gebruik gehouden als:

2.

Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.

Artikel 4.46. (afbakening mogelijkheid maatwerk bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.45 wordt versoepeld, bevat een verlenging van de periode, bedoeld in artikel 4.45, als:

Artikel 4.47. (informeren: uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk 48 uur na het uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur en het niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneren van deze apparatuur daarover geïnformeerd, waarbij de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf wordt gehouden als bedoeld in artikel 4.45.

Artikel 4.48. (lucht: continue en periodieke meting)
1.

Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

2.

Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Koolmonoxide 10
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Artikel 4.49. (informeren: periodieke meting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

2.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.50. (lucht: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.

3.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.51. (informeren: parallelmeting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.50, eerste lid.

2.

Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

3.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.52. (lucht: ongeldige metingen)
1.

De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

2.

Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.53. (lucht en water: kwaliteitsborging)
1.

Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

2.

Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NVN-CEN TS 17198 van toepassing.

3.

De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.

Artikel 4.54. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarden)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die:

2.

Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.

Artikel 4.55. (lucht: gelijktijdig gebruik verschillende soorten brandstof)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

2.

Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.56. (afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee voor een bestaande grote stookinstallatie de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

Artikel 4.57. (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een grote stookinstallatie waar normaal laagzwavelige brandstof wordt verstookt, 240 uur in werking blijven, als door een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort aan die brandstoffen niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.58. (informeren: uitzondering geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als bedoeld in artikel 4.57, waardoor niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.59. (afbakening mogelijkheid maatwerk geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.57 wordt versoepeld, bevat een verlenging van niet meer dan zes maanden als de omstandigheid, bedoeld in artikel 4.57, voortduurt en emissiegrenswaarden daardoor niet in acht kunnen worden genomen.

Artikel 4.60. (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik gasvormige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht bij onvoorziene omstandigheden zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, ten hoogste 240 uur per incident niet van toepassing, als een grote stookinstallatie die normaal met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt wanneer door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.61. (informeren: uitzondering geen gebruik gasvormige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het stoken met een andere brandstof dan een gasvormige brandstof, bedoeld in artikel 4.60, als door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.62. (energie: netto elektrisch rendement)
1.

Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een grote stookinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt ten minste 40%.

2.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

3.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

4.

Bij levering aan een warmtenet wordt:

Artikel 4.62a. (bodem en water: exploitatie grote stookinstallatie)
1.

Een grote stookinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zodanig geëxploiteerd dat het vrijkomen van verontreinigende stoffen van rookgasreiniging op of in de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater wordt voorkomen.

2.

Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

3.

De opvangcapaciteit is zodanig dat het afvalwater van rookgasreiniging, voordat het wordt geloosd, kan worden behandeld.

§ 4.4. Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie

Artikel 4.63. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.

2.

Een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie omvatten:

3.

Als voor de thermische behandeling van afvalstoffen andere processen dan oxidatie worden gebruikt, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie het proces voor thermische behandeling en ook het daaropvolgende verbrandingsproces.

4.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Artikel 4.64. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.63, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.65. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.73 en 4.96.

Artikel 4.66. (bodem, water en lucht: voorkomen verbrandingsresiduen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht wordt bij het vervoer van de verbrandingsoven naar het opslagterrein en de tussentijdse opslag op dat terrein voorkomen dat verbrandingsresiduen in de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht terechtkomen.

Artikel 4.67. (bodem en water: exploitatie afvalverbrandingsinstallatie)
1.

Een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zo geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en per ongeluk vrijkomen van verontreinigende stoffen op of in de bodem en op een oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen.

2.

Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

3.

Het afvalwater kan worden behandeld voordat het wordt geloosd.

Artikel 4.68. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden:

2.

De zuurgraad van het afvalwater is ten minste pH 6,5 en ten hoogste pH 11, gemeten in een steekmonster.

3.

Als meer dan twintig steekmonsters per jaar worden genomen, gelden de emissiegrenswaarden voor 95% van die steekmonsters, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l of ng/l
Kwik 0,01 mg/l
Cadmium 0,03 mg/l
Thallium 0,03 mg/l
Arseen 0,05 mg/l
Lood 0,06 mg/l
Chroom 0,1 mg/l
Koper 0,15 mg/l
Nikkel 0,15 mg/l
Zink 0,5 mg/l
Antimoon 0,85 mg/l
Kobalt 0,05 mg/l
Mangaan 0,2 mg/l
Vanadium 0,5 mg/l
Tin 0,5 mg/l
Som van dioxinen en furanen 0,05 ng/l
Artikel 4.69. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 van toepassing.

4.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

5.

Voor de som van dioxinen en furanen worden:

Massaconcentraties dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen Toxische equivalentiefactor
2,3,7,8-tetrachloordibenzodioxine 1
1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine 0,5
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine 0,01
Octachloordibenzodioxine 0,001
2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan 0,1
2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan 0,5
1,2,3,7,8-pentachloordibenzofuraan 0,05
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan 0,1
2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan 0,01
1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan 0,01
Octachloordibenzofuraan 0,001
Artikel 4.70. (water: bemonsterplicht)
1.

Het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen wordt op de volgende manier bemonsterd:

2.

Een monster wordt genomen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

3.

Als het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen samen met ander afvalwater wordt gezuiverd, wordt bepaald welk aandeel van de stoffen, de zuurgraad en de warmte in het uiteindelijk geloosde afvalwater afkomstig is van het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, door ook te bemonsteren op de verschillende afvalwaterstromen voordat ze uitmonden op de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 4.71. (lucht en water: kwaliteitsborging)

Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

Artikel 4.72. (lucht: ontwerp verbrandingsinstallatie)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.73. (lucht: emissies afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, afhankelijk van de periodegemiddelden in een periodieke meting of continue meting de waarden, bedoeld in tabel 4.73, voor een:

2.

Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.

3.

Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.73, wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 11% in afgas, met uitzondering van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie.

4.

Voor het berekenen van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

Stof Halfuur- en daggemiddelde in mg/Nm3 Maand-gemiddelde in mg/Nm3 Daggemiddelde in mg/Nm3 Tienminutengemiddelde in mg/Nm3 Emissiegrenswaarde in bemonsteringsperiode in mg/Nm3 of ng/Nm3
Totaal stof 3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof 6
Zoutzuur 6
Waterstoffluoride 0,5
Zwaveldioxide 30
Stikstofoxiden 100 70
Ammoniak 5
Koolmonoxide 30 150
Kwik 0,01 0,01 mg/Nm3
Som van cadmium en thallium 0,02 mg/Nm3
Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium 0,15 mg/Nm3
Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentie-factoren 0,03 ng/Nm3
Artikel 4.73a. (afbakening mogelijkheid maatwerk emissies)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.73 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, ammoniak, koolmonoxide, waterstoffluoride, zoutzuur en de som van dioxinen en furanen, bedoeld in tabel 4.73.

Artikel 4.74. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
1.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide van niet meer dan:

2.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van niet meer dan 150 mg/Nm3.

3.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak van niet meer dan 10 mg/Nm3.

4.

Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen, kan met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de emissiegrenswaarde voor de som van dioxinen en furanen, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd tot ten hoogste 0,06 ng/Nm3.

5.

Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen en waar injectie van droog adsorbent wordt toegepast voor de verwijdering van waterstoffluoride en zoutzuur, kunnen met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd, tot ten hoogste 1 mg/Nm3 voor waterstoffluoride en 8 mg/Nm3 voor zoutzuur.

Artikel 4.75. (lucht: emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een andere afvalmeeverbrandingsinstallatie dan die, bedoeld in artikel 4.73, de waarden, bedoeld in tabel 4.75, gemeten in een continue of periodieke meting.

2.

Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.75, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 6% in afgas, met uitzondering van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen.

3.

Voor het berekenen van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3
Kwik 0,004 mg/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,02 mg/Nm3 voor andere stookinstallaties
Som van cadmium en thallium 0,005 mg/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,015 mg/Nm3 voor andere stookinstallaties
Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium 0,15 mg/Nm3
Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren 0,03 ng/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,1 ng/Nm3 voor andere stookinstallaties
Artikel 4.76. (lucht: rekenmethode emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
1.

De emissiegrenswaarden voor totaal stof, gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof, zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide, zoutzuur en waterstoffluoride bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Vafval: volume van het afgas als gevolg van de verbranding van alleen afvalstoffen, bepaald op basis van de afvalstof of categorie van afvalstoffen die is gespecificeerd in de omgevingsvergunning met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en omgerekend naar de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte volgens de formule, bedoeld in artikel 4.75. Als de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% is van de totale warmte die in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomt, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.

Cafval: emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.73, voor een stof in milligram per normaal kubieke meter. Als in de tabel voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft Cafval betrekking op de daggemiddelde waarde. De Cafval-waarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de afvalmeeverbrandingsinstallatie.

Vproces: volume van het afgas als gevolg van het proces dat gebeurt in de afvalverbrandingsinstallatie van de verbranding van brandstoffen die niet zijn aan te merken als afvalstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte als bedoeld in artikel 4.75. Als geen regels gelden voor het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas gebruikt, zonder verdunning door toevoeging van lucht die voor het verbrandingsproces niet nodig is.

Cproces: emissiegrenswaarde die voor deze stof zou gelden op grond van paragraaf 4.3, 4.126 of 4.127 als in deze stookinstallaties andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Als in genoemde paragrafen geen emissiegrenswaarde is gesteld voor zoutzuur of waterstoffluoride, wordt hiervoor 30 respectievelijk 10 mg/Nm3 gebruikt.

C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een zuurstofgehalte dat is vastgesteld volgens artikel 4.75.

2.

Onder gemiddelde netto calorische waarde wordt verstaan: de hoeveelheid energie die op de onderste verbrandingswaarde is betrokken die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.

Artikel 4.77. (lucht: emissies cementovens)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een cementoven, die een afvalmeeverbrandingsinstallatie is, de waarden, bedoeld in tabel 4.77, gemeten in een continue of periodieke meting.

2.

Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, genoemd in tabel 4.77, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 10% in afgas.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3
Totaal stof 15 mg/Nm3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof 10 mg/Nm3
Zoutzuur 10 mg/Nm3
Waterstoffluoride 1 mg/Nm3
Zwaveldioxide 50 mg/Nm3
Stikstofoxiden 500 mg/Nm3
Kwik 0,05 mg/Nm3
Som van cadmium en thallium 0,05 mg/Nm3
Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium 0,5 mg/Nm3
Som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren 0,1 ng/Nm3
Artikel 4.78. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.73, 4.75 en 4.77, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke en parallelmeting is van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

Artikel 4.79. (lucht: meetplicht continu meten)
1.

Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht continu gemeten:

2.

Als voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden, wordt waterstoffluoride:

3.

Continue metingen worden onder alle bedrijfscondities verricht.

Artikel 4.80. (lucht: continue meting)
1.

Een continue meting als bedoeld in artikel 4.79 omvat ook de meting van:

2.

De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander punt, dat is aangetoond als representatief. De overige parameters worden gemeten dicht bij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.

Artikel 4.81. (lucht: meetplicht periodiek meten)
1.

Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

2.

In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

3.

De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:

4.

Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:

5.

Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:

Artikel 4.81a. (lucht: meetplicht periodiek meten van stoffen waarvoor geen emissiegrenswaarde geldt)

Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

Artikel 4.82. (lucht: moment vaststellen tijd, temperatuur en zuurstofgehalte)

De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden vastgesteld:

Artikel 4.83. (lucht: bepalen zuurstofgehalte voor omrekenen resultaten meting)
1.

De resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 4.79 en 4.81, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Em: de gemeten emissieconcentratie;

Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte; en

Om: het gemeten zuurstofgehalte.

2.

Als afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand in een atmosfeer die met zuurstof is verrijkt, kunnen de meetresultaten worden omgerekend tot een zuurstofgehalte als wordt aangetoond dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.

3.

Als de emissies in de lucht van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, wordt alleen omgerekend naar de zuurstofgehaltes als het gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.

Artikel 4.84. (lucht: periodieke meting)
1.

Een periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide of stikstofoxiden bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.

2.

Een deelmeting duurt een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

3.

Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste acht uur.

4.

Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste zes uur en ten hoogste acht uur.

5.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.78 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.85. (informeren: periodieke meting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.86. (lucht: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

Een parallelmeting die wordt verricht om de meetapparatuur voor continue metingen te verifiëren duurt ten minste een half uur.

3.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.87. (informeren: parallelmeting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.86, eerste lid.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

3.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.88. (lucht: meetonzekerheid)
1.

Het resultaat van de continue meting en periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde of niet meer is dan het aantal milligram per normaal kubieke meter, bedoeld in tabel 4.88.

2.

De gevalideerde halfuurgemiddelden en daggemiddelden worden bij continue metingen en periodieke metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, verminderd met de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Stof Percentage meetonzekerheid Meetonzekerheid in mg/Nm3
Koolmonoxide 10 5
Zwaveldioxide 20 10
Stikstofoxide 20 14
Totaal stof 30 1,5
Totaal organische koolstof 30 3
Zoutzuur 40 4
Waterstoffluoride 40 0,4
Ammoniak 40 2
Kwik 40 0,004
Artikel 4.89. (lucht: bepalen concentratie dioxinen en furanen)

Bij het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.89, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactoren, bedoeld in die tabel, voordat ze worden opgeteld.

Stof Afkorting Toxische equivalentie-factor
2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine tcdd 1
1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine pecdd 0,5
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine hxcdd 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine hxcdd 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine hxcdd 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine hpcdd 0,01
Octachloordibenzodioxine ocdd 0,001
2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan tcdf 0,1
2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan pecdf 0,5
1,2,3,7,8- pentachloordibenzofuraan pecdf 0,05
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan hxcdf 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan hxcdf 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan hxcdf 0,1
2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan hxcdf 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan hpcdf 0,01
1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan hpcdf 0,01
Octachloordibenzofuraan ocdf 0,001
Artikel 4.90. (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden)
1.

Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, ammoniak en zwaveldioxide wordt in ieder geval voldaan, als:

2.

Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor stikstofoxiden wordt voldaan, als:

3.

Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, als:

4.

Aan de emissiegrenswaarden voor afvalmeeverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan als geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde.

5.

Als continue metingen niet zijn vereist, wordt aan de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, waterstoffluoride en zoutzuur in ieder geval voldaan, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst voor die stof hoger is dan de emissiegrenswaarde.

6.

Aan de emissiegrenswaarden voor de som van cadmium en thallium, de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium en dioxinen en furanen wordt in ieder geval voldaan, als het gevalideerde resultaat van de periodieke metingen lager is dan de emissiegrenswaarde die daarbij hoort.

7.

Aan de emissiegrenswaarde voor afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties voor kwik wordt voldaan als:

Artikel 4.91. (lucht: bepaling periodegemiddelden)
1.

Halfuurgemiddelden en 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie als in die tijd geen afvalstoffen worden verbrand.

2.

Bij de bepaling van het daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.

3.

Per kalenderjaar worden ten hoogste tien daggemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.92. (lucht: overschrijding emissiegrenswaarden)
1.

Het is toegestaan dat voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75 en 4.77, of de emissiegrenswaarden, berekend volgens artikel 4.76, worden overschreden, als de overschrijding het rechtstreeks gevolg is van technisch onvermijdelijke:

2.

Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77 worden overschreden, kan de thermische behandeling van afvalstoffen niet langer dan 4 uur ononderbroken worden gecontinueerd.

3.

Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, worden overschreden, de ovens verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie en:

4.

Bij een omstandigheid als bedoeld in het tweede of derde lid:

5.

Bij een defect van de afgasreinigingsapparatuur wordt de activiteit zo spoedig mogelijk verminderd of stilgelegd totdat normale werking opnieuw mogelijk is.

Artikel 4.93. (lucht: automatisch systeem bij storing afgasreinigingsapparatuur)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt als uit continue metingen blijkt dat een emissie in de lucht als gevolg van storingen of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur hoger is dan een emissiegrenswaarde.

Artikel 4.94. (energie)

Als dit technisch mogelijk is, wordt de warmte die door het proces van thermische behandeling in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt opgewekt, teruggewonnen.

Artikel 4.95. (energie: netto elektrisch rendement)
1.

Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een afvalmeeverbrandingsinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 MW of meer die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt en die niet is bedoeld voor het drogen of het behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas ten minste 40%.

2.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

3.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan het landelijk hoogspanningsnet, geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

4.

Bij levering aan een warmtenet wordt:

Artikel 4.96. (afval: in ontvangst nemen van afvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen alleen in ontvangst genomen als:

2.

De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen bewaard. De fysische en chemische samenstelling blijft ongewijzigd.

3.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste vijf jaar na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben bewaard.

Artikel 4.96a. (afbakening mogelijkheid maatwerk in ontvangst nemen van afvalstoffen)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.96 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld voor een ippc-installatie waarin alleen afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van die installatie.

Artikel 4.97. (afval: tests eigenschappen afvalverbrandingsresiduen)

Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen worden vastgesteld, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de residuen zijn. Die tests hebben betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.

Artikel 4.98. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalverbrandingsinstallatie)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.

2.

Een afvalverbrandingsinstallatie wordt zo geëxploiteerd dat een niveau van thermische behandeling wordt bereikt waardoor:

3.

Voor de toepassing van het tweede lid worden de slakken en de bodemas viermaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd. De bemonstering wordt verricht volgens NEN-EN 14899 en de analyse wordt voor onderdeel a verricht volgens NEN-EN 15619 of NEN-EN 15935 en voor onderdeel b volgens NEN-EN 13137 of NEN-EN 15936.

4.

Een afvalverbrandingsinstallatie is zo uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, van:

5.

Bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt:

Artikel 4.99. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalverbrandingsinstallatie, hulpbrander)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt elke verbrandingskamer van de afvalverbrandingsinstallatie uitgerust met ten minste een hulpbrander die automatisch wordt ingeschakeld als de temperatuur van de verbrandingsgassen, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, tot onder de temperatuur zakt die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist.

2.

De hulpbrander wordt ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie gebruikt om ervoor te zorgen dat de temperatuur die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist tijdens deze inwerkingstelling en stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang de verbrandingskamer onverbrande afvalstoffen bevat.

3.

Naar de hulpbrander worden geen brandstoffen toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan de emissies bij het stoken van gasolie voor de scheepvaart, bedoeld in Richtlijn 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PbEU 2016, L 132).

Artikel 4.100. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalmeeverbrandingsinstallatie)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.

2.

Een afvalmeeverbrandingsinstallatie is zo ontworpen, uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, van:

3.

Er wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de temperatuur is bereikt die op grond van het tweede lid is vereist of als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.

Artikel 4.101. (treffen gelijkwaardige maatregel)

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in de artikelen 4.98, 4.99 en 4.100, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.

Artikel 4.102. (afval: beheer en exploitatie)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is het beheer van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie in handen van een natuurlijk persoon die bekwaam is deze te beheren en wordt de installatie doelmatig geëxploiteerd.

2.

Een doelmatige exploitatie omvat ten minste operationele procedures, managementsystemen en technische voorzieningen die:

Artikel 4.103. (afval: ziekenhuisafval)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt infectieus ziekenhuisafval rechtstreeks en in gesloten verpakking in de oven van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie geplaatst, zonder voorafgaande vermenging met andere categorieën van afvalstoffen volgens de bijlage bij de afvalbeschikking.

Artikel 4.103a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103b

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103c

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103d

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103e

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103f

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103g

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

§ 4.5. Titaandioxide-installatie

Artikel 4.104. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van titaandioxide.

Artikel 4.105. (informeren: omvang productie)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt jaarlijks voor 1 maart geïnformeerd over de omvang van de productie van titaandioxide over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 4.106. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld.

Artikel 4.107. (water: geen afvalstoffen lozen)

De volgende afvalstoffen worden niet geloosd:

Artikel 4.108. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het sulfaatproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.108.

Stof Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide
Sulfaat 100
Onopgeloste stoffen 2,5
IJzerverbindingen 0,6
Artikel 4.109. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.109.

2.

Als natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel of slakken worden gebruikt, gelden de voor die grondstoffen bedoelde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze stoffen worden gebruikt.

Stof Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide
Chloride bij gebruik van natuurlijk rutiel 130
Chloride bij gebruik van synthetisch rutiel 228
Chloride bij gebruik van slakken 330
Chloride bij gebruik van slakken voor emissies in zout water 450
Artikel 4.110. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het ontsluiten van een monster is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

4.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.111. (water: bemonsterplicht)

Het afvalwater wordt ten minste elke zes maanden bemonsterd door een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur, en geanalyseerd op:

Artikel 4.112. (lucht: emissie zuurdruppels)

Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht wordt de emissie van zuurdruppels in de lucht voorkomen.

Artikel 4.113. (lucht: emissies)

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces en sulfaatproces zijn de emissiegrenswaarden voor titaandioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.113, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Stof Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide Emissiegrenswaarde in uurgemiddelde in mg/Nm3
Totaal stof, waarbij massastroom ten minste 200 g/uur 0,2 5
Totaal stof, waarbij massastroom minder dan 200 g/uur 0,2 20
Gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide 1,7 50
Artikel 4.114. (lucht: emissies bij maken via chlorideproces)

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.114, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Stof Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide Emissiegrenswaarde in daggemiddelde in mg/Nm3 Emissiegrenswaarde in momentane waarde in mg/Nm3
Zoutzuur 0,1 10
Chloor 3 40
Artikel 4.115. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.113 en 4.114, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke meting en parallelmeting is van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

Artikel 4.116. (lucht: meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.113 en 4.114, wordt voldaan.

2.

De meting van de emissies omvat:

Artikel 4.117. (lucht: eenmalige, periodieke en continue meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

3.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

4.

Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

5.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

6.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.115 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 4.118. (lucht en water: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.119. (informeren: controle meetsysteem)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste vier weken na de controle, bedoeld in artikel 4.118, eerste lid, geïnformeerd over de resultaten daarvan.

§ 4.6. Clausinstallatie

Artikel 4.120. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van zwavel in een olieraffinaderij volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.

Artikel 4.121. (lucht: omzettingsgraad geconcentreerd waterstofsulfide)
1.

De omzettingsgraad van geconcentreerd waterstofsulfide van een installatie die zwavel produceert is per maand gemiddeld ten minste 99,8%.

2.

Voor een bestaande installatie die zwavel produceert waarvoor op 1 januari 2016 een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking was en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd, geldt de in die omgevingsvergunning opgenomen lagere omzettingsgraad.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op een bestaande installatie die zwavel produceert waarvan de verwerkingscapaciteit van de totale installatie met meer dan 50% wordt verhoogd.

§ 4.7. Asfaltcentrale

Artikel 4.122. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van asfalt of asfaltproducten.

Artikel 4.123. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.122, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.124. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bitumen worden asfalt en asfaltproducten gemaakt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.125. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken van asfalt of asfaltproducten geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.126. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.127. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.127, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.127, niet overschrijdt.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 0,05 0,075
Totaal stof 5 100
Stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxiden 50 1.000
Zwaveloxiden, berekend als zwaveldioxiden 50 1.000
Vluchtige organische stoffen 200 250
Artikel 4.128. (lucht: maatregelen)

Aan artikel 4.127, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies van de droogtrommel en de installatie voor de productie van asfalt:

Artikel 4.129. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in artikel 4.127, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting zijn van toepassing:

3.

Emissies worden omgerekend tot een volumegehalte aan zuurstof van 17%.

Artikel 4.130. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van polycyclische aromatische koolwaterstoffen als de maatregel, bedoeld in artikel 4.128, eerste lid, wordt getroffen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van totaal stof als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.128, tweede lid, worden getroffen.

Artikel 4.131. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.131.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.129 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

5.

De meting kan ook worden verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Debiet 20
Vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof 20
Overig 40
Artikel 4.132. (lucht: berekening emissiegrenswaarde)
1.

Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan als in geen van de metingen de emissies hoger zijn dan de emissiegrenswaarden in die tabel.

2.

Als een emissie in een van de deelmetingen hoger is dan de emissiegrenswaarde, wordt de eenmalige meting uiterlijk drie maanden na de laatste deelmeting van de eenmalige meting herhaald.

3.

Als de hogere emissie die aanleiding was voor de herhaalde eenmalige meting opnieuw hoger is dan de emissiegrenswaarde, worden maatregelen getroffen om verdere overschrijding te voorkomen.

Artikel 4.133. (lucht: keuring op optimale verbranding)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt een asfaltmenginstallatie ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op optimale verbranding.

2.

De keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd uiterlijk zes weken nadat de asfaltmenginstallatie in gebruik is genomen.

3.

De keuring omvat:

4.

De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

5.

Als uit de keuring blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft, wordt dat onderhoud uiterlijk twee weken na de keuring verricht.

§ 4.8. Betoncentrale

Artikel 4.134. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van betonmortel.

Artikel 4.135. (melding: lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.136. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.137. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het reinigen van met betonmortel verontreinigde onderdelen en voorzieningen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel worden verontreinigde onderdelen en voorzieningen gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.138. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vliegas, poederkoolvliegas en gegranuleerde hoogovenslakken worden goederen gedoseerd en gemengd tot betonmortel boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.139. (water: opnieuw gebruiken spoelwater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt spoelwater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.140. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.141. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid door een bezinkvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster, en is de zuurgraad ten hoogste pH 10, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.142

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.143. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.144. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.145. (lucht: stuifgevoelige goederen)

Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.

Artikel 4.146. (lucht: in gesloten ruimte doseren en mengen van goederen tot betonmortel)

Met het oog op het voorkomen of het beperken van diffuse emissies in de lucht worden goederen ingedeeld in stuifklasse S1, in een gesloten ruimte gedoseerd en gemengd.

Artikel 4.147. (lucht: emissie totaal stof bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het doseren en mengen van goederen is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de lucht afkomstig van ontluchtingsopeningen door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.

Artikel 4.148. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.149. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.147, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.150. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.148 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.151. (lucht: afvoeren emissies bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.9. Vormgeven betonproducten

Artikel 4.152. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van producten met betonmortel.

Artikel 4.153. (melding: lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.152, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.154. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.152, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.155. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het uitwassen van beton)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel wordt beton uitgewassen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.156. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het aanbrengen van ontkistingsmiddel op bekisting en het opslaan van betonproducten in bekisting)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met ontkistingsmiddelen wordt ontkistingsmiddel op bekisting aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij het aanbrengen plaatsvindt bij een bouwplaats.

2.

Betonproducten in bekisting, waaruit ontkistingsmiddelen kunnen lekken, worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij het opslaan plaatsvindt bij een bouwplaats.

Artikel 4.157. (water: plantaardige of oplosmiddelvrije ontkistingsmiddelen)

Er worden alleen plantaardige of oplosmiddelvrije ontkistingsmiddelen gebruikt, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.158. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.159. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l en voor chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.160

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.161. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster is van toepassing:

Artikel 4.162. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.10. Grafische processen

Artikel 4.163. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van de volgende grafische processen:

Artikel 4.164. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.163, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.165. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.163, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.166. (geen gebruik chroom en bepaalde reinigingsmiddelen)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu worden:

Artikel 4.167. (externe veiligheid: destillatie oplosmiddelresten)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden oplosmiddelresten gedestilleerd in een brandcompartiment.

Artikel 4.168. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen worden grafische processen boven een aaneengesloten bodemvoorziening uitgevoerd.

Artikel 4.169. (water: werkinstructie en voorzieningen afvalwater)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

Artikel 4.170. (water: maatregelen bij zeefdrukken)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van het afvalwater geldt bij zeefdrukken:

2.

Aan het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval voldaan als inkt aan de zeefdrukmachine wordt verwijderd en een automatische drukvormwasinstallatie of een drukvormspoelmeubel wordt gebruikt.

Artikel 4.171. (water: alleen naspoelwater lozen)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt alleen het naspoelwater afkomstig van het polijsten, ontvetten of ontwikkelen van zeefdrukgaas of het strippen van een sjabloon geloosd.

Artikel 4.172. (water: lozingsroute naspoelwater)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.173. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.174. (lucht: emissie totaal stof bij het bedrukken met vellenoffset)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het bedrukken met vellenoffset is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.175. (lucht: meetmethoden bij het bedrukken met vellenoffset)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.176. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij het bedrukken met vellenoffset)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.174, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.177. (lucht: eenmalige meting bij het bedrukken met vellenoffset)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.175 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.178. (lucht en geur: afvoeren emissies bij alle grafische processen)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.11. Aanbrengen van lagen op metalen

Artikel 4.179. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen, metaallagen of conversielagen op metalen.

Artikel 4.180. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.179, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.181. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.179, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.182. (geen gebruik perfluoroctaansulfonaten en kwik)

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten en kwik gebruikt.

Artikel 4.183. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het aanbrengen van anorganische deklagen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met emaille worden anorganische deklagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.184. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het aanbrengen van conversielagen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met chroomzuur en zwavelzuur worden conversielagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.185. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het aanbrengen van metaallagen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met zwavelzuur en chroom worden metaallagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.186. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het thermisch aanbrengen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden metaallagen thermisch op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.187. (water: werkinstructie en voorzieningen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken, waaronder de manier waarop de oversleep wordt beperkt.

Artikel 4.188. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het aanbrengen van lagen op metalen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.189. (water: emissiegrenswaarden lozing in een vuilwaterriool)
1.

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.189, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

2.

De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.189, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het aanbrengen van lagen op metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster
Stof Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag
Stof Vanaf 200 80 – 200 Minder dan 80 Vanaf 200 80 – 200 Minder dan 80
Chroom 1,5 3,0 Som 45 0,5 1,0 Som 15
Chroom VI 0,3 0,3 Som 45 0,1 0,1 Som 15
Koper 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Lood 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Nikkel 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Zilver 0,3 3,0 Som 45 0,1 1,0 Som 15
Tin 6,0 9,0 Som 45 2,0 3,0 Som 15
Zink 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Vrij cyanide 0,6 3,0 0,2 1,0
Artikel 4.190. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.191. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.192. (lucht: stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.193. (lucht: aanbrengen van anorganische deklagen op metalen in gesloten ruimte)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht worden anorganische deklagen op metalen in een gesloten ruimte aangebracht.

2.

Bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen wordt geschoopeerd in een gesloten ruimte waar onderdruk heerst en afzuiging is.

Artikel 4.194. (lucht: diffuse emissies bij het aanbrengen van metaallagen op metalen)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het aanbrengen van metaallagen op metalen de lucht afgezogen.

Artikel 4.195. (lucht: emissies bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.195, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.195, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
MVP1 0,05 0,075
Totaal stof 5 100
sA.1 0,05 0,125
sA.2 0,5 1,25
sA.3 0,5 5
Artikel 4.196. (lucht: emissies bij het aanbrengen van conversielagen op metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van conversielagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.196, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.196, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt voor zwavelzuur in ieder geval voldaan als:

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Chroom VI-verbindingen, berekend als chroom 0,1 0,075
Zwavelzuur 3 7,5
Artikel 4.197. (lucht: emissies bij het aanbrengen van metaallagen op metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van metaallagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.197, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.197, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, cadmium en cadmiumverbindingen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

Stoffen Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Chroom VI-verbindingen, berekend als chroom 0,1 0,075
Cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium 0,05 0,125
Artikel 4.198. (lucht: emissies bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.198, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.198, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt voor totaal stof en zinkchloride in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt voor chloorverbindingen, berekend als waterstofchloride, anders dan zinkchloride, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Zinkchloride (rook) 5 5
Chloorverbindingen, berekend als waterstofchloride, anders dan zinkchloride 30 75
Artikel 4.199. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in de tabellen 4.195, 4.196, 4.197 en 4.198, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting zijn van toepassing:

Artikel 4.200. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabellen 4.195, 4.196, 4.197, en 4.198, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van anorganische deklagen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.195, derde lid, wordt getroffen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van conversielagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.196, derde en vierde lid, worden getroffen.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van metaallagen op metalen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.197, derde lid, wordt getroffen.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.198, derde en vierde lid, worden getroffen.

Artikel 4.201. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.201.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.199 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 4.202. (lucht en geur: afvoeren emissies bij het aanbrengen van lagen op metalen)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.202a. (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.195, niet van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

§ 4.12. Smelten en gieten van metalen

Artikel 4.203. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van het smeltproces of gietproces van metalen, dat bestaat uit:

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het minder dan 500 kg/jaar smelten en gieten van:

Artikel 4.204. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.203, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.205. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.203, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.206. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met aluminium, lood, zink, tin, koper, nikkel, oplosmiddelen en harsen gebeurt het smeltproces en gietproces boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.207. (lucht: stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.208. (lucht: emissie totaal stof bij vormen en kernen van zand, koude regeneratie van zand en gietstukken)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch zand voor het gieten van metalen, bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen en bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch zand voor het gieten van metalen en bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.209. (lucht: emissie dioxinen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen bij het smelten van metalen)

Met het oog op het voorkomen of het beperken van de emissie van dioxinen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht worden bij het smelten van metalen alleen de volgende metalen gesmolten:

Artikel 4.210. (lucht: emissie lood en loodverbindingen bij het smelten van metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het smelten van metalen is de emissiegrenswaarde van lood en loodverbindingen, berekend als lood, 0,5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van lood en loodverbindingen, berekend als lood, niet meer is dan 1,25 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.211. (lucht: emissies bij het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.211, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.211, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.

Stoffen of stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 20 100
Aminen 5 50
Artikel 4.212. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.208 en 4.210 en tabel 4.211, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.213. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij vormen en kernen van zand, koude regeneratie van zand en gietstukken)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof, bedoeld in artikel 4.208, eerste lid, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken de maatregelen, bedoeld in artikel 4.208, vierde lid, worden getroffen.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.214. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij het smelten van metalen)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor lood en loodverbindingen, bedoeld in artikel 4.210, eerste lid, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.210, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.215. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.211, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.211, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.216. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.216.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.212 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 4.217. (lucht en geur: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.13. Stralen van metalen

Artikel 4.218. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het stralen van metalen.

Artikel 4.219. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.218, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.220. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.218, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.221. (bodem: bodembeschermende voorziening bij vloeibare straalmiddelen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met straalmiddelen en gebruikt straalwater worden metalen gestraald boven een vloeistofdichte bodemvoorziening als vloeibare straalmiddelen worden gebruikt.

2.

Bij een gesloten proces worden metalen gestraald boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.222. (bodem: bodembeschermende voorziening bij vaste straalmiddelen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vaste straalmiddelen, verfdeeltjes of metaaldeeltjes worden metalen gestraald boven een aaneengesloten bodemvoorziening als vaste straalmiddelen worden gebruikt.

Artikel 4.223. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening niet geloosd.

Artikel 4.224. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van stralen van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.225. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.226. (lucht: stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.227. (lucht en geluid: gesloten ruimte)

Met het oog op het beperken van diffuse emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte gestraald.

Artikel 4.228. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.228, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.228, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.

Stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
MVP1 0,05 0,075
sA.1 0,05 0,125
sA.2 0,5 1,25
sA.3 0,5 5
Artikel 4.229. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.228, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.230. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.228, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.228, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.231. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.231.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.229 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.232. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.232a. (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.228, niet van toepassing op het stralen van metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

§ 4.14. Schoonbranden van metalen

Artikel 4.233. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het schoonbranden van metalen.

Artikel 4.234. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.233, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.235. (niet lozen na schoonbranden van metalen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het nabehandelen van de emissie die vrijkomt bij het schoonbranden van metalen in een gaswasser niet geloosd.

Artikel 4.236. (lucht: stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.237. (lucht: niet schoonbranden bij halogeenverbindingen)

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden lood, geïsoleerde kabels, oliegekoelde transformatoren en metaaloppervlakken die zijn verontreinigd met halogeenverbindingen niet schoongebrand.

Artikel 4.238. (lucht: verwijderen andere materialen)

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden metalen voorafgaand aan het schoonbranden vrijgemaakt van materialen die op andere wijze dan door schoonbranden kunnen worden verwijderd.

Artikel 4.239. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het schoonbranden van metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.239, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.239, niet overschrijdt.

Stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 25 100
gA.3 20 75
gO.2 50 250
Artikel 4.240. (lucht: maatregel elektrische oven)

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een elektrische oven wordt gebruikt en de hieruit afgezogen dampen via condensatie of absorptie worden behandeld en teruggeleid naar de oven zonder dat een emissie in de lucht optreedt.

Artikel 4.241. (lucht: maatregel kleine gasgestookte oven)

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van minder dan 5 ton, en:

Artikel 4.242. (lucht: maatregel grote gasgestookte oven)

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van ten minste 5 ton en:

Artikel 4.243. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.239, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.244. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.239, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.240, 4.241 of 4.242 wordt getroffen.

Artikel 4.245. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.245.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.243 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40

§ 4.15. Etsen en beitsen van metalen

Artikel 4.246. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het etsen en beitsen van metalen.

Artikel 4.247. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.246, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.248. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.246, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.249. (geen gebruik perfluoroctaansulfonaten)

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten gebruikt.

Artikel 4.250. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden metalen geëtst en gebeitst boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.251. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van etsen en beitsen van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.252. (water: emissiegrenswaarden lozing in een vuilwaterriool)
1.

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.252, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

2.

De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.252, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het etsen of beitsen van metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster Emissiegrenswaarde in mg/l, gemeten in een etmaalmonster
Stof Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag Som van de vrachten, g/dag
Stof Vanaf 200 80 – 200 Minder dan 80 Vanaf 200 80 – 200 Minder dan 80
Chroom 1,5 3,0 Som 45 0,5 1,0 Som 15
Chroom VI 0,3 0,3 Som 45 0,1 0,1 Som 15
Koper 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Lood 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Nikkel 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Zilver 0,3 3,0 Som 45 0,1 1,0 Som 15
Tin 6,0 9,0 Som 45 2,0 3,0 Som 15
Zink 1,5 6,0 Som 45 0,5 2,0 Som 15
Vrij cyanide 0,6 3,0 0,2 1,0
Artikel 4.253. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.254. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.255

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.256. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.257. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.257, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.257, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

Stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Waterstoffluoride 3 7,5
Zwavelzuur 3 7,5
Zoutzuur 10 75
Salpeterzuur 30 75
Azijnzuur 50 250
Artikel 4.258. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.257, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.259. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.257, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.257, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.260. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.260.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.258 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Debiet 20
Overig 40
Artikel 4.261. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.16. Lassen van metalen

Artikel 4.262. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van metalen.

Artikel 4.263. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.262, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.264. (lucht: klassenindeling bij het lassen van metalen)
1.

In deze paragraaf wordt onder klasse III verstaan:

2.

In deze paragraaf wordt onder klasse IV verstaan: het lassen van geverfde materialen, met uitzondering van loodmenie, met behulp van een van de volgende technieken:

3.

In deze paragraaf wordt onder klasse V, VI en VII verstaan:

Artikel 4.265. (lucht en geluid: gesloten ruimte)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte gelast.

Artikel 4.266. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.267. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.267, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.267, niet overschrijdt.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Chroom VI-verbindingen, berekend als chroom 0,1 0,075
Beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium 0,05 0,075
Lood en loodverbindingen, berekend als lood 0,5 1,25
Artikel 4.268. (lucht: maatregelen totaal stof)

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.269. (lucht: maatregelen chroom VI-verbindingen, beryllium en berylliumverbindingen)

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, en beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium, in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.270. (lucht: maatregelen lood en loodverbindingen)

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor lood en loodverbindingen, berekend als lood, in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.271. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.267, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.272. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.267, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.273. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.273.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.271 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.274. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.17. Solderen van metalen

Artikel 4.275. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het solderen van metalen.

Artikel 4.276. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.275, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.277. (stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.278. (lucht: gesloten ruimte)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden metalen in een gesloten ruimte gesoldeerd.

Artikel 4.279. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.280. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.280, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.280, niet overschrijdt.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium 0,05 0,075
Zwaveldioxide 50 1.000
Stikstofoxide 200 1.000
Waterstofchloride 3 7,5
Waterstoffluoride 3 7,5
Ammoniak 30 75
gA.1 0,5 1,25
gA.2 3 7,5
gA.3 30 75
gO.1 20 50
gO.2 50 250
Artikel 4.281. (lucht: maatregelen totaal stof)

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.282. (lucht: maatregel cadmium en cadmiumverbindingen)

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium, in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies afkomstig van hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.283. (lucht: maatregelen stoffen en stofklassen)

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor zwaveldioxide, stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en de stofklassen gA en gO bij het solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies in de lucht in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.284. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.280, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.285. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.280, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.286. (lucht: eenmalige meting)
1.

De eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.286.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.284 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stofklasse Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.287. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.287a. (overgangsrecht: emissies)

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.280, niet van toepassing op emissie door het solderen van metalen van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stofklassen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

§ 4.18. Mechanisch en thermisch bewerken van metalen

Artikel 4.288. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het spaanloos bewerken, verspanend bewerken, thermisch bewerken en mechanisch afwerken van metalen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12.

Artikel 4.289. (melding)
1.

Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.288 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.290. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.288 wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.291. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie, smeermiddel en koelvloeistof wordt metaal spaanloos of verspanend bewerkt, thermisch bewerkt, of afgewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als daarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof wordt gebruikt.

2.

Het scheiden van afvalstoffen door ze te laten uitlekken, bedoeld in artikel 4.303a, vindt plaats boven een lekbak.

Artikel 4.292. (water: droog reinigen en opnieuw gebruiken)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt bij het mechanisch bewerken van metalen:

Artikel 4.293. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van mechanisch bewerken van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.294. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.295. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.296. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.297. (lucht en geluid: gesloten ruimte)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte mechanisch of thermisch bewerkt.

Artikel 4.298. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.299. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.299, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.299, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van droogverspanende bewerkingen, mechanische eindafwerking van roestvast staal en thermische bewerkingen door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

5.

Aan het eerste lid wordt voor koper en koperverbindingen, berekend als koper, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van het snijden van koper door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Chroom VI-verbindingen, berekend als chroom 0,1 0,075
Koper en koperverbindingen, met uitzondering van koperrook, berekend als koper 5 5
Koperrook, berekend als koper 0,5 1,25
Artikel 4.300. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.299, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.301. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.299, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.302. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.302.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.300 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.303. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.303a. (afval: scheiden afvalstoffen)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen van verspanende metaalbewerking waarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof is gebruikt gescheiden in een metaalfractie en een vloeistoffractie door ze te centrifugeren of 48 uur te laten uitlekken.

§ 4.19. Mechanisch bewerken van steen

Artikel 4.304. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het mechanisch bewerken van steen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.305. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.304, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een opsomming van de steensoorten die worden bewerkt.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.306. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.304, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.307. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof wordt steen mechanisch bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.308. (water: droog reinigen en opnieuw gebruiken)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt:

Artikel 4.309. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van steen anders dan natuursteen of beton geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.310. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)
1.

Het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, wordt door een bezinkvoorziening geleid.

2.

Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.311. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.312. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.313. (lucht en geluid: gesloten ruimte)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder wordt steen in een gesloten ruimte mechanisch bewerkt.

2.

Het stralen van steen gebeurt in een gesloten ruimte of met gereedschap dat is uitgerust met een geïntegreerde stofafzuiginstallatie.

3.

Het trommelen van steen gebeurt in een gesloten installatie.

4.

Bij het bewerken van steen en gips worden natte werkmethoden gebruikt.

5.

Onder natte werkmethoden wordt verstaan:

Artikel 4.314. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.315. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.316. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.317. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.315, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.318. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.316 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.319. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.20. Mechanisch bewerken van diverse materialen

Artikel 4.320. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het mechanisch bewerken van rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, kurk, hout of houtachtig materiaal.

Artikel 4.321. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.320, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.322. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.320, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.323. (water: droog reinigen en opnieuw gebruiken)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater bij het mechanisch bewerken van de materialen, bedoeld in artikel 4.320, wordt:

Artikel 4.324. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van mechanisch bewerken van de materialen, bedoeld in artikel 4.320, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.325. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.326. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.327. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.328. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof worden de materialen, bedoeld in artikel 4.320, mechanisch bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.329. (lucht en geluid: gesloten ruimte)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden de materialen, bedoeld in artikel 4.320, in een gesloten ruimte mechanisch bewerkt.

Artikel 4.330. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.331. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.332. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.333. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.331, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.334. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.332 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.335. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.21. Reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen

Artikel 4.336. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

2.

Onder het lijmen en coaten van textiel wordt ook het veredelen van textiel verstaan.

3.

Onder het reinigen van steen wordt ook het chemisch behandelen van steen verstaan.

4.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Artikel 4.337. (melding)
1.

Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.336 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.338. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.336 wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.339. (geen gebruik perfluoroctaansulfonaten)

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten gebruikt.

Artikel 4.340. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden bodembedreigende stoffen verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.341. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen, lijmen of coaten, bedoeld in artikel 4.336, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.342. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van metalen, dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.343. (water: emissiegrenswaarden lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater afkomstig van het verwijderen van verflagen van hout dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.343, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

Stof Emissiegrenswaarden in mg/l, gemeten in een steekmonster Emissiegrenswaarden in mg/l, gemeten in een etmaalmonster
Lood 6 2
Zink 6 2
Adsorbeerbare organisch gebonden halogenen 3 1
Artikel 4.344. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.345. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.346. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.347. (lucht en geur: afvoeren emissies)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden dampen en gassen die vrijkomen aan de bron afgezogen bij:

2.

Het eerste lid, onder c, is niet van toepassing op hoogkokende stoffen.

3.

Emissies in de lucht worden bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.348. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.349. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.350. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.348, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.351. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.349 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.352. (lucht: oplosmiddelarme producten en applicatiemethoden)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden bij het reinigen, lijmen of coaten waarbij aan organische oplosmiddelen ten minste 1.000 kg/jaar wordt gebruikt, oplosmiddelarme producten en applicatiemethoden toegepast.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als producten, met uitzondering van planten of delen van planten:

3.

Aan het eerste lid wordt bij het coaten van planten of delen van planten in ieder geval voldaan als een dompelmethode wordt gebruikt met:

Artikel 4.353. (lucht: maatregelen bij reiniging)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden bij het reinigen waarbij aan organische oplosmiddelen ten minste 1.000 kg/jaar wordt gebruikt de volgende maatregelen getroffen:

2.

In een gesloten systeem wordt de inneemzone en uitneemzone ten minste een minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van de pompinstallatie of persluchtinstallatie.

Artikel 4.354. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.22. Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen

Artikel 4.355. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren of gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Artikel 4.356. (melding)
1.

Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.355 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.357. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.359, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.358. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.355 wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.359. (externe veiligheid: PGS 26)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.355, voldaan aan PGS 26, als voor de verbrandingsmotor of het voertuig, vaartuig of werktuig CNG of LNG wordt gebruikt als brandstof.

Artikel 4.360. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof worden onderdelen die deze stoffen bevatten onderhouden en gerepareerd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.361. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het onderhouden of repareren van onderdelen van voertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.362. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.363. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.364. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.365. (afval: aantal wrakken)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen zijn op een locatie voor het onderhouden of repareren van motorvoertuigen niet meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen en vier autowrakken of andere voertuigwrakken aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het onderhouden of repareren van motorvoertuigen plaatsvindt op een locatie waarop ook:

Artikel 4.366. (afval: niet verwijderen of nuttig toepassen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken en wrakken van tweewielige motorvoertuigen met de daarin aanwezige materialen of onderdelen niet verwijderd of nuttig toegepast.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

§ 4.23. Proefdraaien van verbrandingsmotoren

Artikel 4.367. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het proefdraaien van verbrandingsmotoren.

Artikel 4.368. (geluid: gesloten ruimte)

Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder vindt het proefdraaien van verbrandingsmotoren plaats in een gesloten ruimte.

§ 4.24. Schoonmaken van pleziervaartuigen

Artikel 4.369. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig reinigen van pleziervaartuigen.

Artikel 4.370. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.369, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.371. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.369, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.372. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden pleziervaartuigen gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.373. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen van pleziervaartuigen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.374

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.375

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.376. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.25. Verwerken van rubbercompounds

Artikel 4.377. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van rubbercompounds.

Artikel 4.378. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.377, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.379. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.377, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.380. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olievloeistof en koelvloeistof worden rubbercompounds verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als een apparaat met een oliecircuit en koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.381. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.382. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.382, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.382, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt bij het wegen en mengen van rubbercompounds in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Som van benzylbutylftalaat, dibutylftalaat, di-ethylhexylftalaat en di-isobutylftalaat 0,05 0,075
Artikel 4.383. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.382, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.384. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.382, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij het wegen en mengen van rubbercompounds de maatregel, bedoeld in artikel 4.382, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.385. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.385.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.383 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.386. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het wegen of mengen van rubbercompounds emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.26. Verwerken van thermoplastisch kunststof

Artikel 4.387. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof waarbij geen ander blaasmiddel wordt gebruikt dan lucht, kooldioxide of stikstof.

Artikel 4.388. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.387, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.389. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.387, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.390. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof wordt het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, gedaan boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.391. (lucht: diffuse emissies bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, de lucht afgezogen.

Artikel 4.392. (lucht: emissies bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)
1.

Voor de emissie in de lucht van de stoffen waarvoor een minimalisatieverplichting geldt die vrijkomen bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.392, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.392, niet overschrijdt.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Som van benzylbutylftalaat, dibutylftalaat, di-ethylhexylftalaat en di-isobutylftalaat 0,05 0,075
Artikel 4.393. (lucht: meetmethoden bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.392, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.394. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.392, wordt voldaan.

Artikel 4.395. (lucht: eenmalige meting bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.395.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.393 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Overig 40
Artikel 4.396. (lucht: afvoeren emissies bij het lassen van textiel)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het lassen van textiel emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.27. Verwerken van polyesterhars

Artikel 4.397. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR-klasse 5.2 aanwezig is.

Artikel 4.398. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.397, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de maximale verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.399. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.397, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.400. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oplosmiddelen wordt polyesterhars verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Apparatuur die wordt gebruikt bij het verwerken van polyesterhars wordt gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.401. (geur: voorkomen of beperken geurhinder)
1.

Met het oog op het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder wordt de emissie van styreen beperkt.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

§ 4.28. Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 4.402. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht:

Artikel 4.403. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.402, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.404. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.402, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.405. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren worden levensmiddelen of wordt voeder gemaakt of bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.406. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.407. (water: zuivering bij lozing in een vuilwaterriool)
1.

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt vethoudend afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

2.

Dit afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Artikel 4.408. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.409. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.410. (lucht: stuifgevoelige goederen)

Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.

Artikel 4.411. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het drogen, malen, branden of roosteren van voedingsmiddelen, dranken of grondstoffen of goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1, S2, S3 of S4, is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.412. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.413. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.411, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.414. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.412 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.415. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.416. (overgangsrecht: water)

Artikel 4.406 is niet van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.417

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.29. Regelen en meten van aardgas

Artikel 4.418. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas.

Artikel 4.419. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.418, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.420. (externe veiligheid: bedrijfsnoodplan)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een bedrijfsnoodplan of een veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd met gegevens en bescheiden over:

Artikel 4.421. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas:

2.

De afstand is ten minste de helft van de afstand, bedoeld in het eerste lid, als het gaat om een ondergronds of semi-ondergronds opgestelde installatie en het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt.

3.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Categorie Ontwerpcapaciteit van de installatie in Nm 3 /u Werkdruk aan inlaatzijde van de installatie in kPa Opstelling van de installatie Afstand tot begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht in m Afstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in m Afstand tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in m
B Meer dan 10 maar niet meer dan 6.000 Meer dan 10 maar niet meer dan 1.600 In een behuizing met een opstellings-ruimte van 0,5 m3 of kleiner 4 4 2
Ondergrondse of semi-ondergrondse installatie 4 4 2
In een behuizing met een opstellings-ruimte groter dan 0,5 m3 maar kleiner dan 15 m3 6 6 4
In een behuizing met een opstellingsruimte van 15 m3 of groter of buiten een behuizing 10 10 4
C Niet meer dan 40.000 Meer dan 1.600 maar niet meer dan 10.000 15 15 4
Meer dan 40.000 Niet meer dan 10.000 25 25 4
Artikel 4.422. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.421, eerste lid, onder b, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.423. (externe veiligheid: ontwerp en installatie)
1.

Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas is zo ontworpen en geïnstalleerd dat:

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de installatie voldoet aan de voorschriften 8.1.1 tot en met 8.3.3 en 10.1 tot en met 10.4 van NEN 1059.

Artikel 4.424. (externe veiligheid: drukbeheersing)
1.

Met een drukbeheerssysteem wordt ervoor zorg gedragen dat de druk in het systeem stroomafwaarts onder normale bedrijfsomstandigheden binnen de operationele grenzen blijft en onder abnormale bedrijfsomstandigheden onder de toegelaten grens blijft.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het drukbeheerssysteem voldoet aan de voorschriften 9.1 tot en met 9.7.2 van NEN 1059.

Artikel 4.425. (externe veiligheid: onderhoud)
1.

Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas wordt zo onderhouden dat:

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het onderhoud wordt verricht volgens voorschrift 12.3 van NEN 1059.

Artikel 4.425a. (overgangsrecht: afstand)
1.

De artikelen 4.421, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.422 zijn niet van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Artikel 4.421 is niet van toepassing als op grond van een omgevingsvergunning een afwijkende afstand geldt voor een installatie:

3.

Voor een installatie als bedoeld in het tweede lid gelden de afstanden in de vergunning.

§ 4.30. Windturbine

Artikel 4.426. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine.

Artikel 4.427. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.426, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

5.

Op het berekenen van de afstanden zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.428. (externe veiligheid: beoordeling)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een windturbine ten minste eenmaal per jaar beoordeeld door een deskundige op het gebied van windturbines op de beveiligingen, onderhoud en reparaties.

2.

Na constatering of vermoeden van een gebrek, waardoor de veiligheid in het geding is, wordt de windturbine onverwijld buiten gebruik gesteld.

3.

Een buiten gebruik gestelde windturbine wordt pas in gebruik genomen als alle geconstateerde gebreken zijn hersteld.

Artikel 4.429. (informeren: buiten gebruik stellen)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het buiten gebruik stellen van een windturbine.

Artikel 4.430. (externe veiligheid: ontwerp)
1.

Een windturbine is ontworpen volgens:

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als voor de windturbine een certificaat is verstrekt waaruit blijkt dat de windturbine is ontworpen volgens het eerste lid.

3.

Het certificaat is verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor NEN-EN-IEC 61400-22.

Artikel 4.430a. (overgangsrecht: ontwerp)
1.

Artikel 4.430, eerste lid, is niet van toepassing op een windturbine waarvoor voor 1 december 2001 een vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en die voldoet aan de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden.

2.

Een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of die een windturbine vervangt die is opgericht voor 1 januari 2017, kan in afwijking van artikel 4.430, eerste lid, ook zijn ontworpen volgens de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm NVN 11400-0.

§ 4.30a. Windturbine: tijdelijke regels geluid

Artikel 4.430b. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 4.430c. (geluid: waarden windturbines)
1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

2.

Op de begrippen Lden en Lnight zijn de begripsbepalingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing.

Artikel 4.430d. (geluid: registratie gegevens windturbines)
1.

De volgende gegevens worden geregistreerd:

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

3.

De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.430e. (geluid: meet- en rekenbepalingen)

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 4.430c, zijn de bij ministeriële regels gestelde regels van toepassing

§ 4.30b. Windturbine: tijdelijke regels slagschaduw en lichtschittering

Artikel 4.430f. (begripsbepaling)

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.430g. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en:

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 4.430h. (toepassingsbereik: eerbiedigende werking)
1.

In afwijking van artikel 4.430g, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

2.

In afwijking van artikel 4.430g, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

Artikel 4.430i. (slagschaduw: stilstandvoorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

2.

De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

Artikel 4.430j. (slagschaduw: functionele binding)

Artikel 4.430i is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 4.430k. (slagschaduw: voormalige functionele binding)

Bij een agrarische activiteit is artikel 4.430i niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

Artikel 4.430l. (lichtschittering: beperken van reflectie)

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 4.431. (lichtschittering: meten reflectiewaarden)

Op het verrichten van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

§ 4.31. Shredderen van autowrakken

Artikel 4.431a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van autowrakken in een shredderinstallatie.

Artikel 4.431b. (afval: recyclen metalen en nuttige toepassing shredderafvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een shredderinstallatie autowrakken gescheiden in direct te recyclen metaalschroot en shredderafvalstoffen.

2.

Shredderafvalstoffen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast.

§ 4.32. Opslaan van afvalstoffen

Artikel 4.431c. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van afvalstoffen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van:

Artikel 4.431d. (afval: termijn opslaan)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen:

§ 4.33. Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak

Artikel 4.432. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak.

Artikel 4.433. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.432, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.434. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.436, eerste of tweede lid, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.435. (externe veiligheid: koelinstallaties met kooldioxide of koolwaterstof)
1.

Een koelinstallatie met kooldioxide of koolwaterstoffen is zo ontworpen en geïnstalleerd en wordt zo beheerd en onderhouden dat:

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.436. (externe veiligheid: koelinstallaties met ammoniak)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een koelinstallatie met ammoniak ontworpen en geïnstalleerd volgens PGS 13.

2.

De koelinstallatie wordt beheerd en onderhouden volgens PGS 13.

3.

Een koelinstallatie bij een sneeuwbaan of ijsbaan is een indirect koelsysteem als bedoeld in PGS 13.

Artikel 4.437. (overgangsrecht: koelinstallatie met ammoniak bij sneeuwbaan of ijsbaan)

Artikel 4.436, derde lid, is niet van toepassing als de koelinstallatie voor 1 januari 2010 is geïnstalleerd.

§ 4.34. Oplosmiddeleninstallatie

Artikel 4.438. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een oplosmiddeleninstallatie waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt, als het verbruik de ondergrens, bedoeld in de tabellen 4.438a of 4.438b, overschrijdt.

2.

In deze paragraaf wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die voor of op 1 april 2002 in gebruik is genomen.

Nummer Activiteit Ondergrens in ton/jaar Emissiegrenswaarde in mg C/Nm3 Diffuse emissiegrenswaarde in percentage oplosmiddeleninput Totale emissiegrenswaarde
1 Heatsetrotatieoffsetdruk >15 100 30
Heatsetrotatieoffsetdruk >25 20 30
2 Illustratiediepdruk >25 75 10
3 Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton >15 100 25
3 Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton >25 100 20
3 Rotatiezeefdruk op textiel/karton >30 100 20
4 Oppervlaktereiniging met de stoffen, bedoeld in artikel 4.465, eerste en derde lid >1 20 15
4 Oppervlaktereiniging met de stoffen, bedoeld in artikel 4.465, eerste en derde lid >5 20 10
5 Overige oppervlaktereiniging >2 75 20
5 Overige oppervlaktereiniging >10 75 15
6 Coating van voertuigen <15 50 25
6 Overspuiten van voertuigen >0,5 50 25
7 Bandlakken >25 50 5
8 Andere coatingprocessen, waaronder metaalcoating, kunststofcoating, textielcoating, filmcoating en papiercoating, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel >5 100 25
8 Droogprocessen >15 50 20
8 Coatingprocessen >15 75 20
9 Coating van wikkeldraad >5 5 g/kg
9 Voor oplosmiddeleninstallatie met een gemiddelde draaddiameter van niet meer dan 0,1 mm >5 10 g/kg
10 Coating van hout >15 100 25
10 Droogprocessen >25 50 20
10 Coatingprocessen >25 75 20
11 Chemisch reinigen 0 20 g/kg gereinigd en gedroogd product
12 Impregneren van hout >25 100 45 11 kg/m3
13 Coating van leer >10 85 g/m2
Coating van leer > 25 75 g/m2
Coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen > 10 150 g/m2
14 Fabricage van schoeisel >5 25 g per gemaakt paar compleet schoeisel
15 Lamineren van hout en kunststof >5 30 g/m2
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >5 50 25
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >15 50 20
17 Maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen >100 150 5 5% van de oplosmiddelen-input
17 Maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen >1.000 150 3 3% van de oplosmiddelen-input
18 Bewerking van rubber >15 20 25 25% van de oplosmiddelen-input
19 Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën >10
19 Dierlijk vet >10 1,5 kg/ton
19 Ricinus >10 3,0 kg/ton
19 Raapzaad >10 1,0 kg/ton
19 Zonnebloemzaad >10 1,0 kg/ton
19 Sojabonen, normale maling >10 0,8 kg/ton
19 Sojabonen, witte vlokken >10 1,2 kg/ton
19 Overige zaden en ander plantaardig materiaal >10 3 kg/ton
19 Fractioneringsprocessen, met uitzondering van het verwijderen van gom uit de olie >10 1,5 kg/ton
19 Het verwijderen van gom uit de olie >10 4 kg/ton
20 Maken van geneesmiddelen >50 20 5 5% van de oplosmiddeleninput
Activiteit Ondergrens in ton/jaar Jaarlijkse productie gecoat materiaal Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter gemaakt product en per carrosserie Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter gemaakt product en per carrosserie
--- --- --- --- ---
Nieuwe oplosmiddeleninstallatie Bestaande oplosmiddeleninstallatie
Coating nieuwe auto’s >15 Meer dan 5.000 45 g/m2 of 60 g/m2 of
Coating nieuwe auto’s >15 Meer dan 5.000 1,3 kg/auto + 33 g/m2 1,9 kg/auto + 41 g/m2
>15 Ten hoogste 5.000 zelfdragend of meer dan 3.500 met chassis 90 g/m2 of 90 g/m2 of
>15 Ten hoogste 5.000 zelfdragend of meer dan 3.500 met chassis 1,5 kg/auto + 70 g/m2 1,5 kg/auto + 70 g/m2
Coating van nieuwe vrachtwagencabines >15 Ten hoogste 5.000 65 g/m2 85 g/m2
Coating van nieuwe vrachtwagencabines >15 Meer dan 5.000 55 g/m2 75 g/m2
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens >15 Ten hoogste 2.500 90 g/m2 120 g/m2
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens >15 Meer dan 2.500 70 g/m2 90 g/m2
Coating van nieuwe autobussen >15 Ten hoogste 2.000 210 g/m2 290 g/m2
Coating van nieuwe autobussen >15 Meer dan 2.000 150 g/m2 225 g/m2
Artikel 4.439. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.438, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.440. (toepassingsbereik coating voertuigen)

Als bij de coating van voertuigen het verbruik de ondergrens, bedoeld in tabel 4.438b, niet wordt overschreden, wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden en diffuse-emissiegrenswaarden voor de coating van voertuigen, bedoeld in tabel 4.438a.

Artikel 4.441. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.438, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.442. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.447.

Artikel 4.443. (lucht: uitleg bij tabel 4.438b)
1.

Voor het berekenen van de oppervlakte van de andere toegevoegde delen of de totale oppervlakte dat in de oplosmiddeleninstallatie wordt gecoat, wordt gebruik gemaakt van computergesteund ontwerp of een andere gelijkwaardige methode.

2.

De oppervlakte van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, is:

3.

Voor de coating van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, hebben de totale emissiegrenswaarden betrekking op alle procesfasen in dezelfde oplosmiddeleninstallatie vanaf elektroforetische coating of een ander coatingproces tot en met het uiteindelijk in de was zetten en polijsten van de toplaag, en de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.

Artikel 4.444. (lucht: formule berekenen elektroforetisch coatingvlak)
1.

De oppervlakte van het elektroforetisch coatingvlak, bedoeld in artikel 4.443, wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

A: oppervlakte;

mp: gewicht product zonder coating;

hm: gemiddelde dikte metaalplaat;

ρm: dichtheid metaalplaat.

2.

Deze formule wordt ook gebruikt voor onderdelen van metaalplaat die niet gecoat zijn met elektroforese.

Artikel 4.445. (lucht: wijziging installatie)
1.

Als een bestaande installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na de wijziging voor het eerst onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt, wordt als nieuwe oplosmiddeleninstallatie aangemerkt:

2.

Onder belangrijke wijziging wordt verstaan: een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die in een oplosmiddeleninstallatie gemiddeld op een dag ten hoogste als input wordt gebruikt en leidt tot een emissie van vluchtige organische stoffen:

3.

De massa organische oplosmiddelen, bedoeld in het tweede lid, is de oplosmiddeleninput als de oplosmiddeleninstallatie bij de ontwerpoutput in andere omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als de totale emissies van de oplosmiddeleninstallatie niet hoger zijn dan het geval zou zijn als het deel dat de wijziging heeft ondergaan als een nieuwe oplosmiddeleninstallatie zou zijn aangemerkt.

Artikel 4.446. (lucht: opstarten en stilleggen)

Bij het opstarten en stilleggen van de oplosmiddeleninstallatie worden voorzorgsmaatregelen getroffen om de emissies van vluchtige organische stoffen tot een minimum te beperken.

Artikel 4.447. (lucht: emissiegrenswaarden)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden en de totale emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b, gemeten in een continue of periodieke meting.

2.

De totale emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden wordt voldaan.

3.

De emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als voor een activiteit wordt voldaan aan een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 waarmee de emissies in dezelfde mate worden beperkt als door toepassing van de emissiegrenswaarden.

Artikel 4.448. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarde)
1.

In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde bij het impregneren van hout niet van toepassing op het impregneren met creosoot.

2.

In afwijking van tabel 4.438a geldt de emissiegrenswaarde bij oppervlaktereiniging niet in milligram koolstof per kubieke meter, maar in massa van de verbindingen in milligram per kubieke meter.

Artikel 4.449. (lucht: afwijkende emissiegrenswaarde bij oplosmiddelenhergebruik)
1.

In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 bij het maken van geneesmiddelen, het bandlakken, het aanbrengen van een lijmlaag of de bewerking van rubber, als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

2.

In afwijking van tabel 4.438a is de gecombineerde emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het coating- en droogproces bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a met een ondergrens van 15 ton/jaar, als genitrogeneerde oplosmiddelen worden gebruikt met technieken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

Artikel 4.450. (lucht: voorwaarde emissiegrenswaarde bij VOS)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in die tabel zijn van toepassing op coatingprocessen en droogprocessen waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten.

2.

Aan de emissiegrenswaarden voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a hoeft niet te worden voldaan als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch en economisch niet mogelijk is.

Artikel 4.451. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden of de diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.447, worden verhoogd, wordt alleen gesteld:

Artikel 4.452. (lucht: afwijking diffuse emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie)

In afwijking van tabel 4.438a is de diffuse emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij:

Artikel 4.453. (lucht: uitzondering diffuse emissiegrenswaarde gesloten container)

De diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.438a, is niet van toepassing op oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht, bij:

Artikel 4.454. (lucht: uitzondering diffuse emissiegrenswaarde)
1.

De resten van oplosmiddelen in het eindproduct bij heatsetrotatie-offdruk zijn geen onderdeel van de diffuse emissie.

2.

De diffuse emissiegrenswaarde bij overige oppervlaktereiniging is niet van toepassing als wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van het reinigingsmateriaal dat al in de oplosmiddeleninstallatie wordt gebruikt ten hoogste 30 gewichtsprocenten is.

3.

Aan de diffuse emissiegrenswaarde hoeft niet te worden voldaan bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch niet mogelijk is of niet kostenefficiënt is.

Artikel 4.455. (lucht: afwijkende totale emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie)

In afwijking van tabel 4.438a is de totale emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij het maken van geneesmiddelen 15% van de oplosmiddeleninput.

Artikel 4.456. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt continu gemeten of een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitstoot, voldoet aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447.

2.

In een oplosmiddeleninstallatie die voor totaal organische koolstof gemiddeld minder dan 10 kg/u uitwerpt, wordt om de drie jaar de hoeveelheid totaal organische koolstof gemeten. Tijdens elke meting worden ten minste drie meetresultaten geregistreerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als nabehandelingsapparatuur niet nodig is om te voldoen aan de emissiegrenswaarden of het reductieplan.

4.

Het voldoen aan de emissiegrenswaarde voor de coating van voertuigen en het overspuiten van voertuigen, bedoeld in punt 6 van tabel 4.438a, wordt aangetoond op basis van metingen die om de vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.457. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarde bij continue meting)

Bij een continue meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan, als onder normale bedrijfsomstandigheden:

Artikel 4.458. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarde bij periodieke meting)

Bij een periodieke meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan als bij die meting:

Artikel 4.459. (lucht: naleving bij emissiegrenswaarden, diffuse emissiegrenswaarden en totale emissiegrenswaarden)

Op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, wordt bepaald of aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

Artikel 4.460. (lucht: gasvolumes)
1.

Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen als dit technisch gerechtvaardigd is.

2.

De toegevoegde gasvolumes worden niet betrokken bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

Artikel 4.461. (lucht: referentiepunt reductieprogramma)

Het referentiepunt voor de emissiebeperking in een reductieprogramma komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden getroffen.

Artikel 4.462. (lucht: voldoen aan reductieprogramma)
1.

Aan eenzelfde mate van emissiebeperking als bedoeld in artikel 4.447, vierde lid, wordt, bij een oplosmiddeleninstallatie waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen, in ieder geval voldaan als de feitelijke emissie kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.

2.

De feitelijke emissie wordt bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding.

3.

De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit waarbij de ondergrens wordt overschreden, te vermenigvuldigen met het reductiepercentage, bedoeld in tabel 4.462.

4.

De jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit wordt berekend door de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating, inkt, lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt, te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462.

5.

Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Nummer activiteit tabel 4.438a Activiteit Ondergrens in ton/jaar Vermenigvuldigingsfactor jaarlijkse referentie-emissie Reductiepercentage beoogde emissie
2 Illustratiediepdruk >25 4 15
3 Rotatiezeefdruk op textiel/karton >30 1,5 25
Andere rotatiezeefdruk >15 1,5 30
>25 1,5 25
Andere rotatiediepdruk, Flexografie, lamineer- of lakeenheden >15 4 30
>25 4 25
6 Coating van voertuigen waarbij minder dan 15 ton oplosmiddelen per jaar wordt verbruikt <15 1,5 40
6 Overspuiten van voertuigen >0,5 3 40
7 Bandlakken >25 3 10
8 Andere coatingprocessen Coating van textiel, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel, vezel, film of papier >5 4 40
8 Andere coatingprocessen Coating van textiel, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel, vezel, film of papier >15 4 25
8 Andere coatingprocessen Coating in contact met levensmiddelen, coating in luchtvaart en ruimtevaart >5 2,33 40
8 Andere coatingprocessen Coating in contact met levensmiddelen, coating in luchtvaart en ruimtevaart >15 2,33 25
8 Andere coatingprocessen Metaalcoating, kunststofcoating en overige coating >5 1,5 40
8 Andere coatingprocessen Metaalcoating, kunststofcoating en overige coating >15 1,5 25
10 Coating van hout >15 4 40
10 Coating van hout >25 4 25
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >5 4 30
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >15 4 25
Artikel 4.463. (lucht: afwijking tabel reductieprogramma bestaande installatie)

In afwijking van tabel 4.462 is het reductiepercentage voor bestaande oplosmiddeleninstallaties bij:

Artikel 4.464. (lucht: aanpassen vermenigvuldigingsfactor reductieprogramma)

De vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462, kan worden aangepast voor een individuele oplosmiddeleninstallatie bij een aangetoonde stijging van het rendement van een oplosmiddeleninstallatie.

Artikel 4.465. (lucht: gevaarlijke stoffen)
1.

Stoffen of mengsels die op grond van de CLP-verordening door hun gehalte aan vluchtige organische stoffen als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben, worden, voor zover mogelijk, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of mengsels.

2.

De emissiegrenswaarden voor gevaarlijke stoffen zijn de waarden, bedoeld in tabel 4.465, voor:

3.

Onder gevaarlijke stoffen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, onder 18, van de richtlijn industriële emissies.

4.

Een oplosmiddeleninstallatie waarin meerdere activiteiten als bedoeld in tabel 4.438a of 4.438b worden verricht die elk de ondergrenzen, vermeld in die tabellen, overschrijdt, voldoet:

5.

Voor de vergelijking, bedoeld in het vierde lid, wordt de totale emissie van deze activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als artikel 4.447 voor elke activiteit afzonderlijk zou gelden.

Stoffen of mengsels Massastroom in g/u Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vluchtige organische stoffen met aanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F en verplichte etikettering Ten minste 10 2
Gehalogeneerde vluchtige organische stoffen met aanduiding H341 of H351 en verplichte etikettering Ten minste 100 20
Artikel 4.466. (lucht: naleving bij gevaarlijke stoffen)

Op basis van de som van de massaconcentratie van de vluchtige organische stoffen die worden gebruikt, wordt bepaald of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.465.

Artikel 4.467. (lucht: oplosmiddelenboekhouding)
1.

Er wordt een oplosmiddelenboekhouding bijgehouden waarmee:

2.

Een oplosmiddelenboekhouding omvat een periode van twaalf maanden en wordt uiterlijk dertien weken na afloop van die periode afgesloten, en voldoet aan de artikelen 4.468 tot en met 4.471.

Artikel 4.468. (lucht: berekening oplosmiddelenverbruik in oplosmiddelenboekhouding)
1.

Om vast te stellen of aan een reductieprogramma wordt voldaan, wordt de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige organische stoffen die voor hergebruik worden teruggewonnen, berekend volgens de formule:

V = I1 – 08.

2.

Voor het berekenen van de jaarlijkse referentie-emissie, bedoeld in tabel 4.462, wordt de hoeveelheid vaste stof die in coatings wordt gebruikt bepaald volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.

3.

Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Artikel 4.469. (lucht: berekening totale emissie in oplosmiddelenboekhouding)

Om vast te stellen of aan een totale emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de totale emissie berekend volgens de formule:

E = F + 01.

Artikel 4.470. (lucht: berekening diffuse emissie in oplosmiddelenboekhouding)
1.

Om vast te stellen of aan een diffuse emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de diffuse emissie berekend volgens de formule:

F = I1 – 01 – 05 –06 – 07 – 08;

of

F02 + 03 + 04 + 09.

2.

De diffuse emissie wordt bepaald met een korte serie metingen, die niet hoeft worden herhaald zolang de oplosmiddeleninstallatie niet wordt gewijzigd.

3.

De diffuse emissie wordt uitgedrukt als een percentage van de oplosmiddeleninput, berekend volgens de formule:

I = I1 + I2.

Artikel 4.471. (lucht: symbolen emissiegrenswaarde)

Onder de symbolen die worden gebruikt in de artikelen 4.468, 4.469 en 4.470 wordt verstaan:

E: totale emissie;

F: diffuse emissie;

V: verbruik;

I: input;

I1: hoeveelheid organische oplosmiddelen die is aangekocht al dan niet in mengsels, die in het proces worden ingevoerd tijdens de termijn waarover de massabalans wordt bepaald;

I2: hoeveelheid oplosmiddelen die worden hergebruikt, waarbij teruggewonnen oplosmiddelen worden meegerekend als ze worden gebruikt om de activiteit te verrichten;

O: output;

O1: hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de emissies via de schoorsteen;

O2: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in water, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij het berekenen van O5;

O3: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in elk product, die achterblijft als verontreiniging of als residu in de producten die bij de activiteit zijn gemaakt;

O4: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in de lucht;

O5: organische oplosmiddelen en organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan, met inbegrip van hoeveelheden organische oplosmiddelen die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of door afvalwaterzuivering worden vernietigd of door adsorptie worden opgevangen, als die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend;

O6: organische oplosmiddelen in ingezamelde afvalstoffen;

O7: organische oplosmiddelen al dan niet in mengsels als product met handelswaarde voor de verkoop, met uitzondering van oplosmiddelen die vallen onder O3;

O8: hoeveelheid organische oplosmiddelen, met inbegrip van organische oplosmiddelen in mengsels, die voor hergebruik is teruggewonnen maar niet opnieuw bij de activiteit wordt gebruikt en die niet onder O7 valt;

O9: hoeveelheid vluchtige organische stoffen, die op andere wijze dan bedoeld onder O1 tot en met O8 vrijkomt.

§ 4.35. Tanken en opslaan van LPG

Artikel 4.472. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG.

2.

Als voertuigen of werktuigen met LPG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LPG.

Artikel 4.472a. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.472, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.472b. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.473, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.472c. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp, de bovengrondse opslagtank en de tankzuil tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in tabel 4.472c.

2.

De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Doorzet per jaar Afstand vanaf vulpunt Afstand vanaf bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp Afstand vanaf bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp Afstand vanaf de bovengrondse opslagtank Afstand vanaf de tankzuil
Minder dan 500 m3 25 m 25 m 25 m 120 m 15 m
500 m3 of meer maar minder dan 1.000 m3 35 m 25 m 25 m 120 m 15 m
1.000 m3 of meer 40 m 25 m 25 m 120 m 15 m
Artikel 4.472d. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.472c, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.473. (externe veiligheid: PGS 16)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.472, voldaan aan PGS 16.

Artikel 4.474. (externe veiligheid: tanken in brandstofreservoir)
1.

LPG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van LPG.

2.

Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LPG.

3.

LPG kan worden getankt in het reservoir van een LPG-tankwagen, als de opslagtank voor LPG leeg wordt gemaakt.

Artikel 4.475. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.472c, eerste lid, en 4.472d zijn niet van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.476

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.36. Tanken en opslaan van LNG

Artikel 4.477. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG.

2.

Als voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LNG.

Artikel 4.478. (externe veiligheid: PGS 33-1 en PGS 33-2)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het tanken van voertuigen en werktuigen voldaan aan PGS 33-1.

2.

Bij het tanken van vaartuigen en drijvende werktuigen wordt voldaan aan PGS 33-2.

Artikel 4.479. (externe veiligheid: tanken in brandstofreservoir)
1.

LNG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig, vaartuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van LNG.

2.

Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LNG.

3.

LNG kan worden getankt in het reservoir van een LNG-tankwagen, als de opslagtank voor LNG leeg wordt gemaakt.

Artikel 4.480. (externe veiligheid: installatie en opslag)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt in een opslagtank voor LNG alleen LNG of vloeibare stikstof voor het inkoelen of inertiseren van de opslagtank opgeslagen.

2.

In een tijdelijk opgestelde opslagtank voor LNG wordt geen LNG opgeslagen.

§ 4.37. Tanken van CNG

Artikel 4.481. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met CNG met een installatie die een nominale druk heeft van ten minste 20.000 kPa.

Artikel 4.482. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.481, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.483. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.486, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.484. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil en de bufferopslag tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in tabel 4.484.

2.

De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Situatie Afstand
Tanken van ten hoogste 300 personenauto’s en ten hoogste 100 autobussen per etmaal 10 m vanaf tankzuil
Tanken van meer dan 300 personenauto’s en ten hoogste 100 autobussen per etmaal 15 m vanaf tankzuil
Tanken van meer dan 100 autobussen per etmaal 20 m vanaf tankzuil
Tanken van vaartuigen, werktuigen of andere voertuigen dan personenauto’s of autobussen 10 m vanaf tankzuil
Waterinhoud bufferopslag minder dan 3 m3 10 m vanaf bufferopslag
Waterinhoud bufferopslag 3 m3 of meer maar minder dan 5 m3 15 m vanaf bufferopslag
Waterinhoud bufferopslag 5 m3 of meer 20 m vanaf bufferopslag
Artikel 4.485. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.484, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.486. (externe veiligheid: PGS 25)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.481, voldaan aan PGS 25.

Artikel 4.487. (externe veiligheid: tanken in brandstofreservoir)
1.

CNG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig, vaartuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van CNG.

2.

Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met CNG.

Artikel 4.487a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.484, eerste lid, en 4.485 zijn niet van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met CNG dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.38. Tanken en opslaan van waterstof

Artikel 4.488. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met gasvormige waterstof.

2.

Als voertuigen of werktuigen met gasvormige waterstof worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van gasvormige waterstof.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing als de installatie een nominale druk heeft van meer dan 70.000 kPa.

Artikel 4.489. (externe veiligheid: PGS 35)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.488, voldaan aan PGS 35.

Artikel 4.490. (externe veiligheid: tanken in brandstofreservoir)

Gasvormige waterstof wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van gasvormige waterstof.

§ 4.39. Kleinschalig tanken

Artikel 4.491. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het met een handpomp of een elektrische pomp tanken van voertuigen, vliegtuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen, als totaal niet meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

2.

Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken van ureum.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.

Artikel 4.492. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.491, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.493. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.494. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.495, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.495. (externe veiligheid: PGS 28 en PGS 30)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, met uitzondering van het tanken van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, voldaan aan:

Artikel 4.496. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

De tankzuil en het vulpistool bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

3.

Er wordt getankt door of onder direct toezicht van personeel.

Artikel 4.497. (bodem: tanken met vulpistool)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool.

2.

Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

Artikel 4.498. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een aaneengesloten bodemvoorziening bij het tanken van vloeibare brandstoffen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.499. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.500. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.501. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.40. Grootschalig tanken

Artikel 4.502. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vliegtuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen, als totaal meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

2.

Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.

4.

In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.503. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.502, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.504. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.505. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.507, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.506. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 4.518 tot en met 4.521 niet versoepeld.

Artikel 4.507. (externe veiligheid: PGS 28 en PGS 30)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, met uitzondering van het tanken van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, voldaan aan:

Artikel 4.508. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen en ureum wordt getankt boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

2.

De tankzuil en het vulpistool bevinden zich ook boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

3.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

Artikel 4.509. (bodem: beoordeling vloeistofdichte bodemvoorziening)

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700.

Artikel 4.510. (bodem: geomembraanbaksysteem)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen kan in afwijking van artikel 4.508 worden getankt boven een geomembraanbaksysteem, als:

Artikel 4.511. (bodem: beoordeling geomembraanbaksysteem)
1.

Een geomembraanbaksysteem wordt voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

2.

Als een geomembraanbaksysteem wordt gerepareerd, wordt het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd volgens het eerste lid.

Artikel 4.512. (bodem: tanken met vulpistool of slang)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen en ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

2.

Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

3.

De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.513. (bodem: aanwezigheid en afwezigheid personeel)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

2.

Er kan in afwezigheid van personeel met een vulpistool worden getankt, als er een noodstopvoorziening aanwezig is die voor iedereen zichtbaar en bereikbaar is.

Artikel 4.514. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening bij het tanken van vloeibare brandstoffen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.515. (water: slibvangput en olieafscheider lozing in een vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.516

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.517. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.518. (lucht: verminderen uitstoot benzinedamp)
1.

Met het oog op het verminderen van de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer wordt uitgestoten wordt via een fase II-benzinedampterugwinningssysteem getankt, als:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op tankstations die alleen worden gebruikt in verband met het maken en afleveren van nieuwe motorvoertuigen voor het wegverkeer.

3.

Bij het tankstation wordt duidelijk kenbaar gemaakt dat een fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd.

Artikel 4.519. (lucht: fase II-benzinedampterugwinningssysteem)
1.

Met het oog op het verminderen van de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer wordt uitgestoten heeft een fase II-benzinedampterugwinningssysteem:

2.

De damp/benzineverhouding is de verhouding tussen het volume van benzinedamp bij atmosferische druk die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine.

3.

Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt ten minste eenmaal per jaar door een onafhankelijke inspectie-instantie gecontroleerd volgens NEN-EN 16321-2.

4.

Als een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, wordt, in afwijking van het derde lid, ten minste eenmaal per drie jaar gecontroleerd.

5.

Een automatisch bewakingssysteem is in staat:

6.

Onder het afvangrendement, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan: de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage.

Artikel 4.520. (lucht: geen terugwinningssysteem bij kleinere bestaande tankstations)

Artikel 4.518, eerste lid, is niet van toepassing tot het moment waarop de infrastructuur van een tankstation sterk wordt gewijzigd of vernieuwd, voor een tankstation:

Artikel 4.521. (lucht: controle bij kleinere bestaande tankstations)

Tot het moment waarop de infrastructuur van een tankstation sterk wordt gewijzigd of vernieuwd wordt eenmaal per drie jaar gecontroleerd volgens testprocedure NEN-EN 16321-2 voor een tankstation:

§ 4.41. Opslaan van brandstoffen in bunkerstations

Artikel 4.522. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation.

Artikel 4.523. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.522, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation waarin brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.524. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation waarin brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

2.

Als een bunkerstation waarin alleen gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger wordt opgeslagen, ligt aan een doorgaande vaarroute, is de afstand vanaf de zijde van dat bunkerstation, die aan die vaarroute grenst, tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

3.

De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid:

4.

Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.525. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.524, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.526. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation, als in het bunkerstation brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen.

Artikel 4.527. (externe veiligheid en water: constructie ladingtanks bunkerstation)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam zijn de artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling van overeenkomstige toepassing op een bunkerstation waarop artikel 6 van het Binnenvaartbesluit niet van toepassing is.

Artikel 4.528. (overgangsrecht: afstand)
1.

Artikel 4.524, eerste, tweede en derde lid, is niet van toepassing op bunkerstations die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

2.

De artikelen 4.524, eerste en tweede lid, en 4.525 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.42. Kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen

Artikel 4.529. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het met een handpomp of elektrische pomp tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als niet meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

2.

Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

Artikel 4.530. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.529, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.531. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.529, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.532. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

2.

De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.533. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.532, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.534. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

Artikel 4.535. (externe veiligheid en water: tankzuil)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam heeft een tankzuil met een elektrische pomp een aanschakelaar en uitschakelaar.

2.

De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling zijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.

Artikel 4.536. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt op land getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

De aaneengesloten bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.

3.

Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

Artikel 4.537. (bodem en oppervlaktewaterlichaam: tanken met vulpistool of slang)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

2.

Een vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

3.

Een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.538. (overgangsrecht: afstand)
1.

Artikel 4.532, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op bunkerstations en op land geplaatste vaste tankzuilen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

2.

De artikelen 4.532, eerste lid, en 4.533 zijn niet van toepassing op het met een handpomp of elektrische pomp tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.43. Grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen

Artikel 4.539. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

2.

Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

Artikel 4.540. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.539, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.541. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.539, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.542. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

2.

De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.543. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.542, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.544. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

Artikel 4.545. (externe veiligheid: tankzuil)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een tankzuil met een elektrische pomp een aanschakelaar en uitschakelaar.

2.

De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling zijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.

Artikel 4.546. (externe veiligheid: niet tanken van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een schip dat gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of Rijnvaartpolitiereglement 1995, voert niet getankt met vloeibare brandstoffen.

2.

Een schip dat gasvormige gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 voert, wordt niet getankt met vloeibare brandstoffen.

3.

Een schip dat gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 voert, wordt vanaf een bunkerstation niet getankt met vloeibare brandstoffen, als vanaf dat bunkerstation benzine wordt getankt.

Artikel 4.547. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum bevindt een tankzuil op land zich boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

2.

De vloeistofdichte bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.

3.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

4.

Het derde lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.550.

5.

Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

Artikel 4.548. (bodem en oppervlaktewaterlichaam: tanken met vulpistool of slang)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

2.

Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

3.

De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.549. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.550. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of wordt dat afvalwater voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.551. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.552. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.553. (overgangsrecht: afstand)
1.

Artikel 4.542, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op tankzuilen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

2.

De artikelen 4.542, eerste lid, en 4.543 zijn niet van toepassing op het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.44. Wasstraat of wasplaats

Artikel 4.554. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van gemotoriseerde voertuigen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90.

Artikel 4.555. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.554, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.556. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.554, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.557. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.559.

Artikel 4.558. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het wassen van gemotoriseerde voertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.559. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.560. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.561. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.45. Verwijderen graffiti

Artikel 4.562. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van graffiti.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21.

Artikel 4.563. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.462, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.564. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt graffiti verwijderd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.565. (water: preventie verontreiniging)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt alleen het naspoelwater afkomstig van het verwijderen van graffiti geloosd.

Artikel 4.566. (water: lozingsroute naspoelwater)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater afkomstig van het verwijderen van graffiti geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.567. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.46. Natte koeltoren

Artikel 4.568. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 4.569. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.568, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.570. (externe veiligheid: onderzoek risico’s legionellabesmetting)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt onderzoek verricht naar de risico’s van de natte koeltoren voor de omgeving door legionellabesmetting.

2.

Bij het onderzoek worden in ieder geval betrokken:

Risicocategorie Locatie natte koeltoren
1 Minder dan 200 m van een ziekenhuis, verpleeghuis of andere medisch georiënteerde zorginstelling waar mensen met een verminderd immuunsysteem verblijven
2 Minder dan 200 m van verzorgingstehuizen, hotels of andere gebouwen waarin zich veel mensen bevinden
3 Minder dan 600 m van een woonomgeving
4 Meer dan 600 m van een woonomgeving
Artikel 4.571. (externe veiligheid: legionella-beheersplan)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een legionella-beheersplan opgesteld dat het volgende bevat:

2.

Het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.

Artikel 4.572. (externe veiligheid: logboek)

Er wordt een logboek bijgehouden waarin gegevens worden vastgelegd over:

§ 4.47. Autodemontage en tweewielerdemontage

Artikel 4.573. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

2.

Als autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van deze wrakken of gedemonteerde onderdelen.

Artikel 4.574. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.573, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.575. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.573, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.576. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met motorolie, remolie, koelvloeistof, remvloeistof en vloeibare brandstoffen worden:

2.

Als wrakken bij ontvangst worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

3.

Als gedemonteerde onderdelen die vloeistof bevatten worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

4.

Als uit de gedemonteerde onderdelen bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, is de aaneengesloten bodemvoorziening tegen inregenen beschermd.

Artikel 4.577. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.578. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.579. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.580. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.581. (lucht: diffuse emissies bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de lucht afgezogen.

Artikel 4.582. (lucht: emissie totaal stof bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het ontsteken van airbags en gordelspanners is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.583. (lucht: meetmethoden bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.584. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.582, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.585. (lucht: eenmalige meting bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.583 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.586. (lucht: afvoeren emissies bij het ontsteken van airbags en gordelspanners)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het ontsteken van airbags en gordelspanners emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.587. (afval: zo spoedig mogelijk demonteren)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken en wrakken van tweewielige motorvoertuigen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken na ontvangst van de wrakken, ontdaan van de volgende stoffen en materialen:

2.

Als dat nodig is voor het opnieuw als product gebruiken van gedemonteerde onderdelen, kan worden afgezien van het aftappen van de oliën uit de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, en kan het oliefilter worden teruggeplaatst.

Artikel 4.588. (afval: overige activiteiten)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken ontdaan van de volgende stoffen en materialen:

2.

Een autowrak wordt niet zo geplet of mechanisch verkleind dat de identiteit of de inhoud daarvan niet meer herkenbaar is.

3.

Wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden ontdaan van onderdelen waarvan is aangegeven dat deze lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en van elektrische airbags en gordelspanners, als deze niet zijn geneutraliseerd.

Artikel 4.589. (afval: opslag van stoffen en materialen uit wrakken)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afgetapte of gedemonteerde stoffen en materialen als bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, afzonderlijk opgeslagen als dat nodig is voor het voorbereiden voor hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing.

2.

Afgetapte of gedemonteerde stoffen en materialen als bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden zo opgeslagen dat de mogelijkheden voor het voorbereiden voor hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing niet worden geschaad.

3.

Stoffen en materialen die niet geschikt zijn voor het voorbereiden voor hergebruik, maar waarvoor wel een andere mogelijkheid van nuttige toepassing bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een locatie met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.

Artikel 4.590. (afval: opslag van wrakken voor demontage)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen die nog niet zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, niet gestapeld.

2.

Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, maar nog niet van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden niet meer dan twee hoog, met een hoogte van niet meer dan 4,5 m, gestapeld of worden zo in stellingen gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en gedemonteerd.

Artikel 4.591. (afval: afvoeren van autowrakken)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, rechtstreeks afgevoerd naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.

2.

Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, kunnen op een andere locatie worden opgeslagen, als:

3.

Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, kunnen, voordat ze worden afgevoerd volgens het eerste lid, ter beschikking worden gesteld aan een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.

Artikel 4.592. (afval: in ontvangst nemen van wrakken)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat is verstrekt door een in een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor aangewezen instantie, op verzoek van degene die zich van dat autowrak ontdoet, een certificaat van vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn autowrakken afgegeven. Hierin worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

2.

Bij het certificaat van vernietiging wordt het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort gevoegd.

3.

Als het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.

§ 4.48. Opslaan van autowrakken

Artikel 4.593. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van autowrakken na demontage op een andere locatie dan die waarop de wrakken zijn gedemonteerd.

Artikel 4.594. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.593, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.595. (afval: activiteiten met autowrakken)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is.

2.

Er worden niet meer dan 50 autowrakken opgeslagen.

3.

Als de activiteit plaatsvindt aan een kade en de autowrakken via de kade worden vervoerd, worden niet meer dan 400 autowrakken opgeslagen.

4.

De autowrakken worden na opslag op de opslaglocatie gebracht naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.

§ 4.49. Zuiveringtechnisch werk

Artikel 4.596. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het in een zuiveringtechnisch werk:

Artikel 4.597. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.598. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.599. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem bevindt het bovengrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Het ondergrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, en het gedeelte van de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank zijn lekdicht uitgevoerd.

Artikel 4.600. (bodem: bassins, tanks en leidingen in de waterlijn)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen voldoen het ontwerpproces en het aanlegproces van bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of de beluchtingstank aan:

Artikel 4.601. (bodem: controle lekdichtheid zuiveringtechnisch werk)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen wordt de lekdichtheid van de bedrijfsonderdelen van een zuiveringtechnisch werk gecontroleerd met geo-elektrische metingen met een meetfrequentie van eenmaal per zes jaar volgens AS SIKB 6700 door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

2.

In plaats van door geo-elektrische metingen kan ook op lekdichtheid worden gecontroleerd met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:

Artikel 4.602. (bodem: constructie grondwatermonitoringssysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem liggen de horizontale en verticale peilbuizen van een grondwatersysteem niet meer dan 30 m van elkaar.

2.

Als binnen een afstand van 60 m, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn geplaatst, wordt een extra horizontale of verticale peilbuis geplaatst.

3.

Als bassins of tanks zijn geplaatst op meer dan 60 m van elkaar, gemeten van hart tot hart, wordt om de 30 m een horizontale of een verticale peilbuis geplaatst.

4.

Een verticale peilbuis en de plaatsing van een verticale peilbuis voldoen aan NEN 5766.

5.

Horizontale peilbuizen en verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.

Artikel 4.603. (bodem: meting)
1.

De achtergrondwaarden aan chemische zuurstofverbruik en ammoniumstikstof worden vastgesteld in het grondwater van een peilbuis die bovenstrooms is geplaatst.

2.

Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster, dat is genomen uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen, geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.

3.

Als de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt na uiterlijk twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem en een grondwatermonster uit een bovenstrooms geplaatste peilbuis geanalyseerd.

4.

Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.

5.

Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden:

6.

Er worden peilbuizen geplaatst en grondwatermonsters genomen door:

7.

De grondwatermonsters worden geanalyseerd door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.

Artikel 4.604. (gegevens en bescheiden: resultaten grondwateranalyse)

Ten minste eenmaal per twee kalenderjaren worden uiterlijk twee maanden na de laatste bemonsteringen de resultaten van de analyse, bedoeld in artikel 4.603, tweede lid, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.605. (informeren: hogere meetwaarden grondwateranalyse)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over meetwaarden die meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarde, bedoeld in artikel 4.603, vijfde lid.

Artikel 4.606. (water: exploitatie zuiveringtechnisch werk)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een zuiveringtechnisch werk zo geëxploiteerd en onderhouden dat onder normale weersomstandigheden de doelmatige werking ervan is gewaarborgd.

2.

Het lozingspunt is zo gekozen dat de nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd zo klein mogelijk zijn.

Artikel 4.607. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen gezuiverde afvalwater afkomstig van de behandeling van stedelijk afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.608. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden:

2.

Afhankelijk van het aantal monsters dat per jaar wordt genomen, zijn voor het aantal monsters, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608c, de emissiegrenswaarden niet de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, maar de waarden, bedoeld in de derde kolom van die tabel, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster.

3.

Monsters met extreme concentraties die het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties zoals zware regenval worden buiten beschouwing gelaten.

Stoffen Emissiegrenswaarde als bedoeld in het eerste lid, onder a, in mg/l Emissiegrenswaarde als bedoeld in het tweede lid, in mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik zonder nitrificatie 20 40
Chemisch zuurstofverbruik 125 250
Onopgeloste stoffen 30 75
Stoffen Emissiegrenswaarde in mg/l Emissiegrenswaarde in mg/l
--- --- ---
Stoffen Bij een ontwerpcapaciteit van 2.000 tot 20.000 inwonerequivalenten Bij een ontwerpcapaciteit van 20.000 tot 100.000 inwonerequivalenten
Som van fosforverbindingen 2,0 2,0
Som van stikstofverbindingen 15 10
Aantal genomen monsters per jaar Aantal monsters met andere emissiegrenswaarden
--- ---
4–7 1
8–16 2
17–28 3
29–40 4
41–53 5
54–67 6
68–81 7
82–95 8
96–110 9
111–125 10
126–140 11
141–155 12
156–171 13
172–187 14
188–203 15
204–219 16
220–235 17
236–251 18
252–268 19
269–284 20
285–300 21
301–317 22
318–334 23
335–350 24
351–365 25
Artikel 4.609. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
1.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.608, worden verhoogd, wordt alleen gesteld als:

2.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.608a, worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.

Artikel 4.610. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.

4.

Op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.611. (water: bemonsterplicht en analyseplicht)
1.

Het inkomende stedelijk afvalwater en het afvalwater dat wordt geloosd wordt tijdproportioneel of volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen en parameters, bedoeld in artikel 4.608.

2.

Het aantal monsters per jaar is ten minste het aantal, bedoeld in tabel 4.611, afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk.

3.

Als de ontwerpcapaciteit minder is dan 10.000 inwonerequivalenten en in het voorafgaande jaar werd voldaan aan de waarden, bedoeld in artikel 4.608, is het aantal monsters voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik ten minste 4.

4.

Als uit de resultaten van een analyse blijkt dat in het inkomende stedelijk afvalwater het gehalte aan nitrietstikstof en nitraatstikstof in het voorafgaande jaar voortdurend lager is dan 1% ten opzichte van het gehalte aan organisch stikstof, kan ook alleen het gehalte aan organisch stikstof in dat afvalwater worden geanalyseerd.

Ontwerpcapaciteit zuiveringtechnisch werk Aantal monsters per jaar Aantal monsters per jaar
Ontwerpcapaciteit zuiveringtechnisch werk Voor de som van fosforverbindingen en de som van stikstofverbindingen Voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik
2.000 tot 5.000 inwonerequivalenten 12 12
5.000 tot 50.000 inwonerequivalenten 24 12
50.000 tot 100.000 inwonerequivalenten 48 24
Meer dan 100.000 inwonerequivalenten 60 24
Artikel 4.612. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 4.611 niet versoepeld.

Artikel 4.613. (water: rekenmethode zuiveringsrendement)
1.

Het totale zuiveringsrendement van een zuiveringtechnisch werk wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

η: zuiveringsrendement;

Vi: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat wordt gezuiverd, in kilogram per joule; en

Ve: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen, en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering wordt geloosd, in kilogram per joule.

2.

Vi en Ve worden berekend volgens de formules:

waarbij wordt verstaan onder:

r: het zuiveringtechnisch werk;

n: het aantal zuiveringtechnische werken;

d: de bemonsteringsdag;

Mr: het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor het zuiveringtechnisch werk;

ird: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat door het zuiveringtechnisch werk wordt gezuiverd, in gram per kubieke meter;

Erd: de na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk op de bemonsteringsdag geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater, in kubieke meters; en

erd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk wordt geloosd, in gram per kubieke meter.

3.

Met een debietmeting wordt continu de hoeveelheid geloosd afvalwater in kubieke meters per dag bepaald, met een methode waarvan de onnauwkeurigheid kleiner is dan 5%.

Artikel 4.614. (gegevens en bescheiden: stedelijk afvalwater)

Ten minste binnen vier maanden na afloop van elk kalenderjaar worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

Artikel 4.615. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.616

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.617

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.50. Ontvangen van afvalstoffen

Artikel 4.618. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het ontvangen van afvalstoffen bij inzameling of afgifte.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het ontvangen van afvalwater vanuit een vuilwaterriool.

Artikel 4.619. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.618, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.620. (afval: werkinstructie acceptatie- en controleprocedure)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is er een werkinstructie over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer van deze afvalstoffen.

2.

In de werkinstructie is onderscheid gemaakt tussen groepen van afvalstoffen waarvoor met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures voor de ontvangst worden gebruikt.

3.

In de werkinstructie is per onderscheiden groep van afvalstoffen in ieder geval beschreven:

§ 4.51. Milieustraat

Artikel 4.621. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven op een daarvoor ingerichte locatie.

Artikel 4.622. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.621, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.623. (afval: het ontvangen van grove huishoudelijke afvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen zijn op een locatie waarop gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven, als de volgende huishoudelijke afvalstoffen worden ingenomen, voorzieningen aanwezig voor het gescheiden achterlaten van die afvalstoffen:

2.

Op de locatie wordt duidelijk aangegeven waar de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, die niet op de locatie worden ingenomen, kunnen worden aangeboden.

3.

Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten.

4.

De voorziening voor matrassen is zo uitgevoerd dat de matrassen niet in contact komen met hemelwater.

Artikel 4.624. (afval: acceptatie- en controleprocedure ontvangen van afvalstoffen)
1.

Er is een werkinstructie als bedoeld in artikel 4.620 over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen.

2.

In de werkinstructie wordt aangegeven:

§ 4.52. Opslaan van verwijderd asbest

Artikel 4.625. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product.

Artikel 4.626. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.626, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.627. (gezondheid: tegengaan verspreiding asbest)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van de verspreiding van asbest, geeft het opslaan van asbest geen stofverspreiding die met het blote oog waarneembaar is.

2.

Asbest is alleen aanwezig in een container en verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.

Artikel 4.628. (afval: registratie)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij het in containers samenvoegen van asbest van verschillende saneringen, per container vastgelegd van welke saneringen het asbest afkomstig is.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een milieustraat als bedoeld in paragraaf 3.5.6.

Artikel 4.628a. (afval: termijn opslaan)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product niet langer dan een jaar opgeslagen.

§ 4.53. Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen

Artikel 4.629. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 4.630. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.629, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.631. (gegevens en bescheiden: doorgeven biologische-veiligheidsfunctionaris en veiligheidscomités)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.632. (gegevens en bescheiden: informatie over andere activiteiten)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens verstrekt over eventuele andere activiteiten die degene die de genetisch gemodificeerde organismen gebruikt, verricht binnen de begrenzing van de locatie, bedoeld in artikel 3.249, voor zover die activiteiten de integriteit van het ggo-gebied kunnen aantasten.

2.

Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of waarvoor een melding is gedaan op grond van hoofdstuk 4.

Artikel 4.633. (voorkomen verspreiding genetisch gemodificeerde organismen: integriteit ggo-gebied)

Met het oog op het voorkomen van de verspreiding van genetisch gemodificeerde organismen:

§ 4.54. Crematorium

Artikel 4.634. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een crematorium.

Artikel 4.635. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.634, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.636. (lucht: verbod verbranden metalen en kunststoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de lucht worden geen kisten verbrand die zijn bekleed met lood en zink.

2.

Metalen en kunststofonderdelen worden voor verbranding verwijderd.

Artikel 4.637. (lucht: emissie rookgassen en stikstofoxiden)
1.

Met het oog op het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen en het beperken van het ontstaan van stikstofoxiden heeft een crematieoven een naverbrandingsruimte met een naverbrander waarin de rookgassen uit de hoofdkamer worden naverbrand.

2.

Het ontwerp van de crematieoven is zo, dat onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde is bij een temperatuur van ten minste 800 °C.

3.

In de hoofdkamer van de oven en in de naverbrander van de verbrandingsruimte wordt een low-NOx brander toegepast.

4.

In de naverbrandingsruimte worden rookgassen zo gemengd dat ze zo volledig mogelijk worden verbrand.

5.

De temperatuur van de rookgassen in de naverbrandingsruimte wordt door een brander boven de 800 °C gehouden, waartoe de brander van een automatische regeling is voorzien.

6.

Het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte is ten minste 6%, waarbij kortdurende onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan als deze onderschrijdingen nooit langer dan een minuut duren en het zuurstofgehalte boven de 3% blijft.

Artikel 4.638. (lucht: emissie kwik en kwikverbindingen)
1.

Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, 0,05 g/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, niet meer is dan 0,075 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een adsorptiemedium en een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

4.

Bij het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider is rekening gehouden met het voorkomen van dioxinevorming en furanenvorming in het filter en het afvangen van de in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.

Artikel 4.639. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van kwik en kwikverbindingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor kwik en kwikverbindingen NEN-EN 13211 van toepassing.

3.

Het berekenen van een emissieconcentratie wordt betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.

Artikel 4.640. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in 4.638, derde lid, worden getroffen.

Artikel 4.641. (lucht: meten en registratie temperatuur en zuurstofgehalte naverbrandingsruimte)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden de temperatuur en het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte continu gemeten en geregistreerd.

2.

Uiterlijk zes maanden nadat de crematieoven voor het eerst wordt gebruikt en daarna jaarlijks wordt de oven gecontroleerd door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

3.

In het crematorium is een logboek of systeem aanwezig waarin de volgende gegevens worden vastgelegd:

Artikel 4.642. (lucht: emissie totaal stof bij crematieoven voor dieren)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het exploiteren van een crematieoven voor dieren is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.643. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.644. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in 4.642, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.645. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.643 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.646. (afval: inzamelen stof)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het afgevangen stof uit de filtrerende afscheider afgegeven aan een daarvoor erkende inzamelaar.

§ 4.55. Laboratorium

Artikel 4.647. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van:

Artikel 4.648. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.647, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Als wordt gewerkt met een biologisch agens, bevat een melding:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.649. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.647, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.650. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren bevindt een laboratorium of een praktijkruimte zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.651. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.652. (water: werkinstructie en voorzieningen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

Artikel 4.653. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.654. (lucht: stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.655. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.656. (lucht: emissies)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.656, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.656, niet overschrijdt.

3.

Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in totaal stof en in de klassen sA.1, sA.2 en sA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

5.

Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1 en gO.2, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof 5 100
Waterstofchloride 3 7,5
Waterstoffluoride 3 7,5
Ammoniak 30 75
sA.1 0,05 0,125
sA.2 0,5 1,25
sA.3 0,5 5
gA.1 0,5 1,25
gA.2 3 7,5
gA.3 30 75
gO.1 20 50
gO.2 50 250
Artikel 4.657. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.656, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

Artikel 4.658. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.656, wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.659. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting als bedoeld in artikel 4.656 bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.659.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.657 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 4.660. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.661. (gezondheid: voorkomen verspreiden ziektekiemen)

Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen worden bij het gericht werken met biologische agentia:

Artikel 4.661a. (gezondheid: contactpersoon bij vrijkomen ziektekiemen)

Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen is bij het gericht werken met biologische agentia, ingedeeld in risicogroepen 2, 3 of 4 van de richtlijn biologische agentia, of met de ziekteverwekkers die zijn aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren, een contactpersoon bereikbaar die kan worden benaderd door het bevoegd gezag bij een incident waarbij deze biologische agentia vrijkomen.

Artikel 4.661b. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van het werken met een biologisch agens, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de naam en het telefoonnummer verstrekt van de contactpersoon, bedoeld in artikel 4.661a.

2.

Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.661c. (overgangsrecht: emissies)
1.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op de emissie van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

2.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

§ 4.56. Traumahelikopter

Artikel 4.662. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een voorziening voor het landen of opstijgen van helikopters bij ziekenhuizen.

Artikel 4.663. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.662, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.664. (geluid: bronvermogen)

Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder is het geluidsvermogensniveau van helikopters die door een academisch ziekenhuis worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger dan 140 dB(A).

Artikel 4.665. (geluid: gebruik helikopter bij een ziekenhuis)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder wordt een voorziening voor het landen en opstijgen van helikopters alleen door helikopters gebruikt als dit gebruik op medische gronden bijzonder is aangewezen.

2.

Bij een academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 400 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor:

3.

Bij een niet-academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 20 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor de opleiding en training van de piloot.

Artikel 4.666. (geluid: registratie vliegbewegingen)
1.

De volgende gegevens worden geregistreerd:

2.

De registratie wordt binnen twee dagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt.

Artikel 4.666a. (overgangsrecht: bronvermogen)

Het geluidsvermogensniveau van een helikopter die wordt ingezet door een academisch ziekenhuis dat op 1 februari 2003 een voorziening in werking had voor het landen en opstijgen van helikopters, is tot het moment van vervanging van de helikopter niet hoger dan 145 dB(A).

§ 4.57. Chemisch reinigen textiel

Artikel 4.667. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het chemisch reinigen van textiel.

Artikel 4.668. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.667, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.669. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.667, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.670. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oplosmiddelen wordt chemisch gereinigd met tetrachlooretheen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

2.

Met andere oplosmiddelen dan tetrachlooretheen wordt chemisch gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

3.

De vloeistofdichte bodemvoorziening heeft geen aansluiting op het vuilwaterriool.

Artikel 4.671. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het chemisch reinigen van textiel geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.672. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor tetrachlooretheen 0,1 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.673. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van tetrachlooretheen is NEN-EN-ISO 10301 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.

Artikel 4.674. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.675. (lucht: gebruik PER)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden alleen tetrachlooretheen of niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen gebruikt.

§ 4.58. Jachthaven

Artikel 4.676. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.

Artikel 4.677. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.676, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.678. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen ingenomen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.679. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het bilgewater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat bilgewater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.680

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.681

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.682. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.683. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.684. (afval: in te nemen afvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de volgende afvalstoffen ingenomen:

2.

Voor de inzameling van de afvalstoffen wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de jachthaven.

Artikel 4.685. (afval: ontvangen en beheer van afvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, bij de inning van het havengeld kenbaar gemaakt welk aandeel daarvan is bedoeld voor het in stand houden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.

2.

Voor een jachthaven waarin gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren, is een havenafvalplan voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen opgesteld.

3.

Het havenafvalplan bevat in ieder geval de elementen die in bijlage 1 bij Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG (PbEU 2019, L 151) verplicht worden gesteld.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.685a. (gegevens en bescheiden: havenafvalplan)
1.

Eenmaal in de vijf jaar wordt het havenafvalplan, bedoeld in artikel 4.685, tweede lid, na overleg met betrokken partijen, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

2.

Bij aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven wordt zo spoedig mogelijk een geactualiseerd havenafvalplan opgesteld. Binnen veertien dagen na het opstellen van het geactualiseerde havenafvalplan, wordt het verstrekt aan het bevoegd gezag.

3.

Als zich geen aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven voordoen, kan, na evaluatie, de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Binnen veertien dagen na de verlenging van de geldigheidsduur van het havenafvalplan wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.685b. (informeren: Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Als artikel 4.685, vierde lid, van toepassing is, wordt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat hierover geïnformeerd.

Artikel 4.686. (afval: uitzondering)

De artikelen 4.684, 4.685 en 4.685a zijn niet van toepassing op een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en die is aangewezen op grond van de artikelen 6 en 6a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.

§ 4.59. Binnenschietbaan

Artikel 4.687. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking.

Artikel 4.688. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.687, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.689. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.687, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.690. (externe veiligheid: constructie gebouw)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt voorkomen dat afgeschoten kogels buiten het gebouw kunnen komen.

2.

Het gebouw waarin de schietbaan ligt, voldoet aan tabel 4.690.

Deel of kenmerk van de schietbaan Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuurwapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .45, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .45, of – historische vuistvuurwapens Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens
Plafond/dak 50 mm beton, 100 mm gasbeton of 3 mm staalplaat 100 mm beton, 150 mm gasbeton of 5 mm staalplaat 200 mm beton of 150 mm gasbeton
Zijwanden 100 mm metselwerk of kalkzandsteen, 50 mm beton, 100 mm gasbeton of 3 mm staalplaat 100 mm metselwerk of kalkzandsteen, 100 mm beton, 150 mm gasbeton of 5 mm staalplaat 200 mm metselwerk of kalkzandsteen, 200 mm beton of 150 mm gasbeton
Achterwand 100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 75 mm beton 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 100 mm beton 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 200 mm beton
Bescherming wanden en plafond om de plek van het schietpunt Vurenhout 20 mm of cementvezelplaat 25 mm op regels 25 mm Vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm Vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm
Verharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger 50 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal 100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal 100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal
Onverharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm
Bescherming aanschietbare delen Vurenhout 20 mm op regels 25 mm Vurenhout 25 mm op regels 30 mm Vurenhout 25 mm op regels 30 mm
Rooster ventilatieopening Staalplaat 3 mm Staalplaat 6 mm Staalplaat 10 mm
Artikel 4.691. (externe veiligheid: kogelvanger)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is in het gebouw een kogelvanger aanwezig.

2.

De kogelvanger voldoet aan tabel 4.691.

Deel of kenmerk van de kogelvanger Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuur-wapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .45, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .45, of – historische vuistvuurwapens Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens
Zandkogelvanger Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 0,75 m diepte Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 1,0 m diepte Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 1,2 m diepte
Stalen kogelvanger Staalplaat trefvlak 5 mm dik Staalplaat trefvlak 12 mm dik
Kunststof kogelvanger Diepte 0,30 m Diepte 0,50 m Diepte 0,90 m
Artikel 4.692. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

2.

Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.693. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.694. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.695. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.696. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.694, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.697. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95% betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.695 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.698. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

§ 4.60. Buitenschietbaan

Artikel 4.699. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in de buitenlucht.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het exploiteren van een kleiduivenbaan.

Artikel 4.700. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.699, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.701. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.699, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.702. (externe veiligheid: constructie schietbaan)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt voorkomen dat kogels buiten de schietbaan kunnen komen.

2.

De schietbaan voldoet aan tabel 4.702.

Deel of kenmerk van de schietbaan Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuurwapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische vuistvuurwapens Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber van .45 tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber van .45 tot .50, – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens
Constructie van afscherming om uittreden kogels aan bovenkant tegen te gaan 50 mm beton, 100 mm gasbeton of 5 mm staalplaat 100 mm beton, 150 mm gasbeton of 8 mm staalplaat 200 mm beton of gasbeton of 12 mm staalplaat, als dit wordt toegepast op minder dan 100 m van het wapen, of 150 mm beton of gasbeton of 10 mm staalplaat, als dit wordt toegepast op 100 m of meer van het wapen
Plaatsing afscherming om uittreden van kogels aan bovenkant tegen te gaan Schoten afgevuurd in de richting van de baanas onder een hoek met de horizontaal van 45 graden voor vuistvuurwapens en 20 graden bij schoudervuurwapens worden door de afscherming opgevangen. Ricochets onder een hoek tot 21 graden met de bodem worden door de afscherming opgevangen. Schoten afgevuurd in de richting van de baanas onder een hoek met de horizontaal van 45 graden voor vuistvuurwapens en 20 graden bij schoudervuurwapens worden door de afscherming opgevangen. Ricochets onder een hoek tot 21 graden met de bodem worden door de afscherming opgevangen. Schoten afgevuurd in de richting van de baanas onder een hoek met de horizontaal van 45 graden voor vuistvuurwapens en 20 graden bij schoudervuurwapens worden door de afscherming opgevangen. Ricochets onder een hoek tot 21 graden met de bodem worden door de afscherming opgevangen.
Afscherming om uittreden van kogels aan de zijkant van de schietbaan tegen te gaan 100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 75 mm beton of aarden wal en ten minste 40 graden, aansluitend op de kogelvanger 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 100 mm beton of aarden wal en ten minste 40 graden, aansluitend op de kogelvanger 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 200 mm beton of aarden wal en ten minste 40 graden, aansluitend op de kogelvanger
Bescherming van stenen, betonnen of stalen afschermingen op minder dan 20 m van de schietpunten Aan kant van schutter: vurenhout van 20 mm of cementvezelplaat van 25 mm op regels van 25 mm Aan kant van schutter: vurenhout van 25 mm of cementvezelplaat van 50 mm op regels van 30 mm Aan kant van schutter: vurenhout van 25 mm of cementvezelplaat van 50 mm op regels van 30 mm
Bescherming overige aanschietbare harde delen Vurenhout van 20 mm op regels van 25 mm Vurenhout van 25 mm op regels van 30 mm Vurenhout van 25 mm op regels van 30 mm
Onverharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger Vlak zand of met gras begroeid vlak, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 5 mm Vlak zand of met gras begroeid vlak, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 5 mm Vlak zand of met gras begroeid vlak, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 5 mm
Verharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger Harde ondergrond met een zachte afwerklaag van hout, zandcement, kunststof of fijn asfalt, ten minste 25 mm dik Harde ondergrond met een zachte afwerklaag van hout, zandcement, kunststof of fijn asfalt, ten minste 25 mm dik Harde ondergrond met een zachte afwerklaag van hout, zandcement, kunststof of fijn asfalt, ten minste 25 mm dik
Artikel 4.703. (externe veiligheid: constructie zandkogelvanger)

Een zandkogelvanger voldoet aan tabel 4.703.

Deel of kenmerk van de kogelvanger Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuurwapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische vuistvuurwapens Bij het schieten met: – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens
Zandkogelvanger Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 0,75 m diepte Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 1,0 m diepte Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 1,2 m diepte
Artikel 4.704. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

2.

Een kogelvanger heeft een overkapping tegen inregenen, en is, met uitzondering van een zandkogelvanger, opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

§ 4.61. Kleiduivenbaan

Artikel 4.705. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in de buitenlucht waar met hagelgeweren op kleiduiven wordt geschoten.

Artikel 4.706. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.705, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat gegevens en bescheiden over de omvang en ligging van het gebied waarin hagel afkomstig uit vuurwapens tijdens het schieten kan neerkomen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.707. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.705, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.708. (externe veiligheid: constructie schietbaan)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft de schietbaan een gebied in de vorm van een cirkelsector die voldoet aan tabel 4.708, waarin hagel afkomstig uit vuurwapens kan neerkomen tijdens het schieten.

2.

In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig.

3.

Het gebied ligt binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Eigenschap van gebied waarin hagel afkomstig van vuurwapens kan neerkomen tijdens schieten Baan met meerdere in halve cirkel gelegen schietposten (skeetbaan) Baan met een of twee rijen naast elkaar gelegen schietposten (trapbaan) Baan met doelen die onder 1,0 m hoogte blijven (hazenbaan) Baan met overige opstellingen van schietposten en doelen
Middelpunt Post 8 (middelpunt halve cirkel) 15 m midden achter voorste rij schietposten 10 m achter middelste schietpost 10 m achter midden van de achterste schietpost(en)
Hoek van de cirkelsector 158 graden 63 graden Zichthoek op doel vanuit middelpunt tot doelgebied + 20 graden 90 graden
Lengte van de sector 225 m 240 m 200 m 260 m
Artikel 4.709. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening als:

2.

Langs deze aaneengesloten bodemvoorziening zijn vangnetten of schermen aangebracht als delen van patronen of kleiduiven hierbuiten kunnen komen.

3.

Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als de som van naftaleen, antraceen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen, benzo(k)fluoranteen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Stof Concentratie in mg/kg droge stof
Arseen 29
Barium 160
Cadmium 0,8
Chroom 100
Kobalt 9
Koper 36
Kwik 0,3
Lood 85
Molybdeen 3
Nikkel 35
Zink 140
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 10

§ 4.62. Aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen

Artikel 4.710. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen.

Artikel 4.711. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.710, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.712. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.710, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.713. (bescherming fysieke leefomgeving)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de fysieke leefomgeving wordt een gebruikte verpakking van gewasbeschermingsmiddelen of biociden na het legen onverwijld en grondig gereinigd, zodat niet meer dan 0,01% van het oorspronkelijk in de ongeopende verpakking aanwezige middel resteert.

Artikel 4.714. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen aangemaakt boven een aaneengesloten bodemvoorziening en zijn de vaste leidingen voor het transport ervan bovengronds gelegd.

Artikel 4.715. (water: opnieuw gebruiken)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen opnieuw gebruikt.

Artikel 4.716. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen niet geloosd.

Artikel 4.717. (water: preventie verontreiniging oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen voldoende afstand gehouden tot een oppervlaktewaterlichaam.

§ 4.63. Aanmaken gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden

Artikel 4.718. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden.

Artikel 4.719

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.720. (bescherming fysieke leefomgeving)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de fysieke leefomgeving wordt een gebruikte verpakking van gewasbeschermingsmiddelen na het legen onverwijld en grondig gereinigd:

Artikel 4.721. (water: opnieuw gebruiken)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen opnieuw gebruikt.

Artikel 4.722. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen niet geloosd.

Artikel 4.723. (water: preventie verontreiniging oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen voldoende afstand gehouden tot een oppervlaktewaterlichaam.

§ 4.64. Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht

Artikel 4.723a. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht.

2.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.723b. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden stoffen afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.723a, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.723c. (water en gezondheid: driftreducerende technieken bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht een techniek toegepast die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.

2.

De driftreductie van de techniek wordt getest. Op het testen hiervan is het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken van toepassing.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een met de hand gedragen spuit.

Gewassen Referentietechniek
Veldgewassen – Traditionele veldspuit met neerwaarts spuitende doppen volgens BCPC-klassegrens fijn of midden of vergelijkbare spuitdoppen met eenzelfde druppelgroottespectrum – Spuitdoppen ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak – Afstand tussen de spuitdoppen op spuitboom 50 cm – Spuitdruk 3 bar – Rijsnelheid 6,5 km/u – Spuitvolume 300 l/ha
Fruit – Munckhof dwarsstroomspuit met zijwaarts spuitende Albuz ATR lila spuitdoppen – Luchtondersteuning in lage stand in de kale boom situatie en vollucht luchtondersteuning in volbladsituatie – Spuitdruk 7 bar – Rijsnelheid 6,7 km/u – Spuitvolume 200 l/ha
Boomkwekerijgewassen (op- en zijwaartse bespuiting) – Axiaalspuit met zij- en opwaarts spuitende TeeJet TXB8003 werveldoppen – Vollucht luchtondersteuning – Spuitdruk 8 bar – Rijsnelheid 4 km/u – Spuitvolume 400 – 450 l/ha
Onkruid bij boom- en fruitteelt – Onkruidspuit met een spuitboom met neerwaarts spuitende doppen TeeJet XR11004 – Spuitdoppen ten hoogste 30 cm boven de grond – Afstand tussen de spuitdoppen op spuitboom van 30 cm – Spuitdruk 2 bar – Rijsnelheid 5 km/u – Spuitvolume 450 l/ha
Artikel 4.723d. (water: teeltvrije zone bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen langs een oppervlaktewaterlichaam een teeltvrije zone aangehouden waarbij wordt voldaan aan tabel 4.723d.

2.

De teeltvrije zone wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en strekt zich uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen gewassen, met uitzondering van de teelt van grasland.

3.

In afwijking van het eerste lid hoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden langs een oppervlaktewaterlichaam als wordt voldaan aan tabel 4.723da.

4.

In afwijking van het eerste lid wordt langs een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet een teeltvrije zone van ten minste 500 cm aangehouden.

Soort gewas Teeltvrije zone in cm Aanvullende voorwaarden
Aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen en vaste planten 150 of meer
Aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen en vaste planten 100 of meer Gebruik van een techniek met een driftreductie van ten minste 90% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c
Boomkwekerijgewassen 150 of meer Neerwaarts bespuiten
Boomkwekerijgewassen 100 of meer Neerwaarts bespuiten Gebruik van een techniek met een driftreductie van ten minste 90% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c
Boomkwekerijgewassen 500 of meer Op- en zijwaarts bespuiten
Pit- en steenvruchten 450 of meer
Pit- en steenvruchten 300 of meer – Gebruik van een techniek met een driftreductie van ten minste 90% ten opzichte van een referentietechniek; of – gebruik van een biologische productiemethode
Overige gewassen 50 of meer
Soort gewas Voorwaarde
--- ---
Pit- en steenvruchten – Laagste gesteltak van een boom ontspringt op 175 cm of hoger uit de stam en binnen een afstand van ten minste 900 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt; of – grenzend aan gegraven waterloop die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevat
Andere gewassen dan pit- en steenvruchten – Gebruik van biologische productiemethoden; – grenzend aan gegraven waterloop die van 1 april tot 1oktober onder normale omstandigheden geen water bevat; of – gebruik emissiescherm
Artikel 4.723e. (water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

Artikel 4.723f. (water: gebruik gewasbeschermingsmiddelen binnen teeltvrije zone)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met gewasbeschermingsmiddelen worden binnen een teeltvrije zone gewasbeschermingsmiddelen niet druppelsgewijs gebruikt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

Artikel 4.723g. (water: gebruik gewasbeschermingsmiddelen op een talud)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met gewasbeschermingsmiddelen worden deze op een talud bij een oppervlaktewaterlichaam pleksgewijs en driftvrij gebruikt.

Artikel 4.723h. (water: gebruik gewasbeschermingsmiddelen op braakliggende landbouwgronden)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op braakliggende landbouwgronden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt binnen 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.723i. (water: gebruik meststoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met meststoffen worden binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 4.723d geen meststoffen gebruikt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan tabel 4.723i of als bladmeststoffen worden gebruikt en een emissiescherm wordt gebruikt.

3.

Bij het gebruik van bladmeststoffen wordt bij:

Gewassen Aanvullende voorwaarden
Boomkwekerijgewassen en pitvruchten en steenvruchten – Bemesten op een afstand van meer dan 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam – Binnen de teeltvrije zone wordt alleen gras geteeld – De teeltvrije zone ligt niet aan een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Windhagen – Bemesten op een afstand van meer dan 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam – Pleksgewijs bemesten – De teeltvrije zone ligt niet bij een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Artikel 4.723j. (water: gebruik meststoffen op braakliggende landbouwgronden)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op braakliggende landbouwgronden geen meststoffen gebruikt binnen 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.

§ 4.65. Behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 4.724. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen in dompelbaden of douche-installaties.

Artikel 4.725. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.724, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.726. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.724, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.727. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een dompelbad of douche-installatie opgesteld boven een lekbak of een aaneengesloten bodemvoorziening.

2.

Gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen waar gewasbeschermingsmiddelen uit kunnen lekken worden bewaard:

3.

Een buitenopslag voor gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen is tegen inregenen beschermd.

Artikel 4.728. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.724, niet geloosd.

§ 4.66. Reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen

Artikel 4.729. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van verpakkingen voor het opslaan van biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.730. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.729, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.729, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

3.

Een melding bevat:

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.731. (water: lozingsroutes)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.729, geloosd op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een vuilwaterriool.

Artikel 4.732. (water: emissiegrenswaarde lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, is de emissiegrenswaarde 100 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.733. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.734. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.735. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.67. Reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen

Artikel 4.736. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van verpakkingen voor het opslaan van niet-biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.737. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.736, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de lozingsroutes.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.738. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.736, geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.739. (water: emissiegrenswaarde lozingen in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.740. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.741. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.68. Spoelen van gewassen

Artikel 4.742. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van gewassen, met uitzondering van bloembollen, bloemknollen of biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.743. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.742, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de lozingsroutes.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.744. (bodem: slib gelijkmatig verspreiden)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem kan het slib dat ontstaat bij het spoelen van gewassen gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden waar de gewassen zijn geteeld.

Artikel 4.745. (water: opnieuw gebruiken spoelwater)
1.

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het spoelen:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het spoelen van drooggeschoonde prei of asperges.

Artikel 4.746. (water: niet lozen voorspoelwater)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt voorspoelwater niet geloosd.

Artikel 4.747. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen spoelwater afkomstig van het spoelen van drooggeschoonde prei of asperges of het naspoelwater afkomstig van het spoelen van andere gewassen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Het afvalwater kan ook worden geloosd in een vuilwaterriool als het verspreiden over landbouwgronden redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.748. (water: emissiegrenswaarde lozingen in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.749. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.750. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.69. Spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen

Artikel 4.751. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen.

Artikel 4.752. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.751, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.753

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.754. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij het spoelen een bezinkbassin gebruikt dat voldoet aan de Handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector.

Artikel 4.755. (water: opnieuw gebruiken spoelwater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het spoelen:

Artikel 4.756. (water: niet lozen spoelwater)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt voorspoelwater niet geloosd.

Artikel 4.757. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.758. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.70. Spoelen van biologisch geteelde gewassen

Artikel 4.759. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.760. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.759, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.761. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.759, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.762

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.763

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.764. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.765. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.71. Sorteren van niet-biologisch geteeld fruit

Artikel 4.766. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het met water sorteren van niet-biologisch geteeld fruit.

Artikel 4.767. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.766, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de lozingsroutes.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.768. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.766, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 4.769. (water: lozingen in een vuilwaterriool)
1.

Afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool wordt geleid door een zuiveringsvoorziening die ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen vermindert.

2.

De zuiveringsvoorziening bestaat uit het voorzuiveren met een lamellenfilter en het nazuiveren met een ozoninstallatie en actief koolfilter.

3.

De zuiveringsvoorziening voldoet aan tabel 4.769.

Voorwaarden zuiveringsvoorziening Sorteerinstallatie met een capaciteit tot en met 8 m3 water Sorteerinstallatie met een capaciteit van meer dan 8 tot en met 16 m3 water
Inhoud lamellenfilter in m3 1,5 6
Capaciteit lamellenfilter in m3 per uur 2 4
Capaciteit ozonfilter in m3 per uur 1 3
Verbruik ozon in gram per m3 afvalwater dat wordt behandeld 20 20
Contacttijd in ozoninstallatie in minuten 30 30
Contacttijd in actief koolfilter in minuten 20 20
Artikel 4.770. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.72. Sorteren van biologisch geteeld fruit

Artikel 4.771. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het met water sorteren van biologisch geteeld fruit.

Artikel 4.772. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.771, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.773. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.771, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.774

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.775

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.776

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.777

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.73. Substraatteelt van gewassen in de openlucht

Artikel 4.778. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het op substraat telen van gewassen in de openlucht.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het op substraat telen van gewassen op stellingen of in een gotensysteem.

Artikel 4.779. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.778, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.780. (bodem: voorkomen uitspoeling bij substraatteelt op doorlatende ondergrond)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bij het bemesten bij de activiteit, bedoeld in artikel 4.778, eerste lid, op een doorlatende ondergrond:

Artikel 4.781. (water: opnieuw gebruiken bij substraatteelt op niet-doorlatende ondergrond)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij substraatteelt op een niet-doorlatende ondergrond:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 4.782. (water: aardbeien op trayvelden op niet-doorlatende ondergrond)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij de teelt van aardbeien op trayvelden op een niet-doorlatende ondergrond:

Artikel 4.783. (water: niet lozen drainwater bij substraatteelt op niet-doorlatende ondergrond)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater afkomstig van substraatteelt op een niet-doorlatende ondergrond en hemelwater afkomstig uit een opvangvoorziening niet geloosd.

§ 4.74. Substraatteelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht

Artikel 4.784. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het op substraat telen van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht.

Artikel 4.785. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.784, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.786. (water: opnieuw gebruiken bij stellingen en goten)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het drainwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.784, opgevangen en opnieuw gebruikt.

Artikel 4.787. (water: niet lozen drainwater)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.784, niet geloosd.

§ 4.75. Assimilatiebelichting

Artikel 4.788. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas.

Artikel 4.789. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.788, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.790. (lichthinder)
1.

Met het oog op het beperken van lichthinder bij het gebruik van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van 15.000 lux of meer is de lichtuitstraling van zonsondergang tot zonsopgang verminderd door:

2.

Bij het gebruik van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux is de lichtuitstraling verminderd door:

3.

De donkerteperiode is de periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van het tijdstip van een half uur na zonsondergang tot 02.00 uur.

4.

De nanacht is de periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang.

§ 4.76. Drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas

Artikel 4.791. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van:

Artikel 4.791a. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791b. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen drainwater of spoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.791c. (water: gebruik natriumarm gietwater en recirculeren)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het lozen van drainwater:

2.

Drainwater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.

3.

Het eerste en tweede zijn niet van toepassing als bij het lozen van drainwater de hoeveelheid toegediende totaal stikstof, bedoeld in artikel 4.791e, niet meer is dan 25 kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar of als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op substraat kleiner is dan 2.500 m2.

Artikel 4.791d. (water: zuivering gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater of spoelwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voor het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijdert.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het drainwater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.

3.

Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.

Artikel 4.791e. (water: emissiegrenswaarden lozing in een vuilwaterriool)
1.

Voor het drainwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stikstof per gewas de waarden, bedoeld in tabel 4.791e.

2.

De hoeveelheid totaal stikstof wordt berekend door de hoeveelheid drainwater dat in een jaar wordt geloosd te vermenigvuldigen met het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof, dat daarin aanwezig is.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de totale teeltoppervlakte kleiner is dan 2.500 m2.

Categorie van gewassen Vanaf 1 januari 2021
Categorie van gewassen Emissiegrenswaarde totaal stikstof in kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar
Anthurium, kuipplanten, perkplanten 17
Orchidee (Cymbidium) 25
Tulp, eenjarige zomerbloeiers 33
Tomaat, kruiden 42
Komkommer, potplant, uitgangsmateriaal sierteelt, overig sierteelt 50
Aardbei, aubergine, paprika 67
Gerbera, roos, uitgangsmateriaal groenten 83
Phalaenopsis, overige potorchidee 125
Overige groenten 12,5
Artikel 4.791f. (water: meten)
1.

Voor het vaststellen van de hoeveelheid totaal stikstof in drainwater worden aan de hand van de gewassen die worden geteeld, de teeltoppervlakte en de teeltperiode per gewas gemeten:

2.

De hoeveelheid en het gehalte worden gemeten:

3.

De resultaten van de metingen worden ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.791fa. (gegevens en bescheiden: rapportage)

Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

Artikel 4.791g. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.791ga. (overgangsrecht: water)
1.

Artikel 4.791b is niet van toepassing op het lozen van drainwater of spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:

3.

Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.

§ 4.77. Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791h. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van:

Artikel 4.791i. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791h, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791j. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen drainagewater of spoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.791k. (water: zuivering gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainagewater of spoelwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voor het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijdert.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het drainagewater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.

3.

Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.

Artikel 4.791l. (water: gebruik natriumarm gietwater, recirculeren en gebruiksnormen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het lozen van drainagewater:

2.

Drainagewater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.

3.

De hoeveelheid toegediende totaal stikstof is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal stikstof in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, genoemd in tabel 4.791la, per categorie gewas.

4.

De hoeveelheid toegediende totaal fosfor is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal fosfor in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, bedoeld in tabel 4.791lb, per categorie gewas.

5.

Bij het doorspoelen van de bodem bij een volgteelt van bladgroentegewassen wordt niet meer water gebruikt dan 3.000 m3/ha gestoomde bodem.

6.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond kleiner is dan 2.500 m2.

Categorie van gewassen Gebruiksnorm totaal stikstof in kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar
Sierteelt
Alstroemeria belicht 2.500
Alstroemeria onbelicht 2.000
Amaryllis 1.500
Anjer 1.500
Chrysant belicht en onbelicht 2.500
Freesia 1.500
Iris belicht en onbelicht 1.000
Lelie belicht en onbelicht 1.250
Lisianthus belicht en onbelicht 3.250
Snijgroen 1.000
Zomerbloemen jaarrondteelt 2.500
Zomerbloemen overig 1.000
Sierteelt overig 1.000
Fruit 1.000
Groenten
Sla 2.000
Bladgewassen overig 2.000
Radijs 1.500
Vruchtgroenten 2.000
Groenten (overig) 1.000
Categorie van gewassen Gebruiksnorm totaal fosfor in kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar
--- ---
Sierteelt
Alstroemeria belicht en onbelicht 350
Amaryllis 550
Anjer 350
Chrysant belicht en onbelicht 350
Freesia 350
Iris belicht 350
Iris onbelicht 150
Lelie belicht 350
Lelie onbelicht 150
Lisianthus belicht en onbelicht 350
Snijgroen 750
Zomerbloemen jaarrondteelt 550
Zomerbloemen overig 350
Sierteelt overig 350
Fruit 150
Groenten
Sla 350
Bladgewassen overig 750
Radijs 350
Vruchtgroenten 550
Overig 150
Artikel 4.791m. (water: meten en berekenen)
1.

Bij de teelt van gewassen worden de volgende gegevens gemeten of berekend:

2.

Het verbruik aan totaal stikstof en totaal fosfor wordt uitgedrukt in kilogrammen totaal stikstof en totaal fosfor en berekend door voor elke te onderscheiden samenstelling van de meststoffen het verbruik van totaal stikstof en totaal fosfor te berekenen en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

3.

De afwijking van de nauwkeurigheid van de instrumenten die worden gebruikt voor het meten van de hoeveelheid, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 10%.

Artikel 4.791n. (water: registreren)
1.

De hoeveelheid voedingswater en drainagewater, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder a, b en c, wordt geregistreerd per periode van vier weken, beginnend op de eerste dag van de eerste week.

2.

Het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder d, wordt geregistreerd per periode van dertien weken, beginnend op dag een van week een.

3.

Om de behoefte van de gewassen, genoemd in artikel 4.791l te bepalen, wordt per gewas of groep van gewassen met hetzelfde bemestingsniveau:

4.

De resultaten van de metingen en de registraties worden ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.791o. (gegevens en bescheiden: rapportage)

Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

Artikel 4.791p. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.791pa. (overgangsrecht: water)
1.

Artikel 4.791j is niet van toepassing op het lozen van drainagewater of spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:

3.

Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.

§ 4.78. Overig afvalwater van kassen

Artikel 4.791q. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op:

Artikel 4.791r. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater of condenswater, bedoeld in artikel 4.791q, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791s. (water: lozen uit hemelwaterafvoersysteem)
1.

Bij het lozen uit het hemelwaterafvoersysteem van een kas wordt, als een hemelwateropvangvoorziening aanwezig is die volledig is benut, het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de hemelwateropvangvoorziening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.791t. (water: niet lozen verontreinigd condenswater)
1.

Condenswater wordt niet geloosd als in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als alleen biologische productiemethoden worden toegepast.

Artikel 4.791u. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.79. Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw

Artikel 4.792. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

2.

In deze paragraaf wordt onder proceswater verstaan: het water dat circuleert tijdens het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing als het gebouw een kas is.

Artikel 4.793. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit en de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 4.792, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de lozingsroutes.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.794. (water: opnieuw gebruiken proceswater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging van het afvalwater wordt het proceswater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.795. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het telen van gewassen in een gebouw gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt kan ook worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het verspreiden over landbouwgronden of lozen op een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 4.796. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, tweede lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.796, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100
Biochemisch zuurstofverbruik 60
Chemisch zuurstofverbruik 300
Artikel 4.797. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, eerste lid, dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.798. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.799. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.80. Bereiden van gietwater

Artikel 4.800. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.801. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt brijn afkomstig van het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat, niet geloosd.

Artikel 4.802. (water: overgangsrecht)

Artikel 4.801 is tot en met 30 juni 2022 niet van toepassing op het lozen in de bodem bij het telen van gewassen in kassen als hiervoor op 31 december 2012 een ontheffing als bedoeld in artikel 3.90, zevende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, is verleend.

§ 4.81. Bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren

Artikel 4.803. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.804. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat, wordt brijn niet geloosd.

§ 4.82. Dierenverblijven

Artikel 4.805. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf.

2.

Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast reinigen en ontsmetten van veewagens.

Artikel 4.806. (uitzonderingen emissiearme huisvesting: dieraantallen)
1.

De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf voor een diercategorie als niet meer dan het volgende aantal dieren van die diercategorie wordt gehouden:

2.

In deze paragraaf wordt onder emissiepunt verstaan:

Artikel 4.807. (uitzonderingen emissiearme huisvesting: systemen)
1.

De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn ook niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf met:

2.

Een vrijloopstal is een huisvestingssysteem voor melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder zonder ligboxen en met een zachte vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij de totale oppervlakte ten minste het aantal dieren, vermenigvuldigd met 10 m2, is.

Diercategorie Leefoppervlakte overdekt dierenverblijf in m2 per varken Leefoppervlakte verharde uitloop in m2 per varken
Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer 1,1 0,7
Gespeende biggen van minder dan 25 kg 0,5 n.v.t.
Kraamzeugen 6,5 n.v.t.
Guste en dragende zeugen 2,5 1,0
Artikel 4.808. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.805, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.809. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.805, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.810. (registratie)

Er wordt elke maand een registratie bijgehouden van het aantal tijdens die maand in een dierenverblijf aanwezige landbouwhuisdieren.

Artikel 4.811. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als zich direct onder de vloer van het dierenverblijf een mestkelder bevindt die lekdicht is.

Artikel 4.812. (water: opslag spuiwater)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt het spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een lekdichte voorziening opgeslagen.

Artikel 4.813. (water: lozingsroute dierenverblijven en veewagens)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven en veewagens gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.814. (water: opnieuw gebruiken voorspoelwater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het reinigen en spoelen bij het melken:

Artikel 4.815. (water: lozingsroutes bij melken)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater afkomstig van het reinigen en spoelen bij het melken:

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.816. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.817. (lucht: luchtemissies huisvestingssysteem)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht voldoet een huisvestingssysteem of aanvullende techniek aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.818. (lucht: emissie ammoniak voor melkkoeien en kalfkoeien)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.818.

2.

Als een dierenverblijf voor de huisvesting van melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt de emissiegrenswaarde die in tabel 4.818 is opgenomen in kolom A in plaats van kolom B als:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

Diercategorie Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar
A Dierenverblijf opgericht voor 1 juli 2015 B Dierenverblijf opgericht op of na 1 juli 2015 en voor 1 januari 2018 C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2018
Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die niet worden beweid 12,2 11,0 8,6
Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die worden beweid 13,0 11,0 8,6
Artikel 4.819. (lucht: emissie ammoniak bij vleeskalveren)

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan 2,5 kg.

Artikel 4.820. (lucht: emissie ammoniak bij varkens, kippen of kalkoenen)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen is de emissie van ammoniak niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.820.

2.

Als een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt in tabel 4.820 kolom A in plaats van kolom B als:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een uitloop bij een huisvestingssysteem voor kippen als de oppervlakte van die uitloop geen deel uitmaakt van de op grond van het Besluit houders van dieren vereiste bruikbare oppervlakte.

Diercategorie Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar
A Dierenverblijf opgericht voor 1 juli 2015 B Dierenverblijf: – opgericht in de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2020, – opgericht op of na 1 januari 2020 en geen ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie
Varkens
Gespeende biggen van minder dan 25 kg 0,21 0,21 0,21 0,21 0,21
Kraamzeugen 2,9 2,9 2,9 2,5 2,5
Guste en dragende zeugen 2,6 2,6 2,6 1,3 1,3
Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer 1,6 1,5 1,5 1,1 1,1
Kippen
Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken:
batterijhuisvesting zonder geïntegreerde droogtunnel 0,006 0,006 0,006 0,006 0,006
batterijhuisvesting met geïntegreerde droogtunnel 0,016 0,016 0,016 0,016 0,016
niet-batterijhuisvesting 0,110 0,110 0,051 0,051
Legkippen van 18 weken en ouder 0,125 0,068 0,068 0,068 0,068
Ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder 0,150 0,150 0,150 0,150 0,150
Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken 0,183 0,183 0,183 0,183
Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder 0,435 0,435 0,435 0,250 0,250
Vleeskuikens 0,045 0,035 0,035 0,024 0,024
Kalkoenen
Vleeskalkoenen mechanisch geventileerde stal 0,49 0,49 0,49 0,49
Vleeskalkoenen natuurlijk geventileerde stal 0,49 0,49
Artikel 4.821. (lucht: emissie ammoniak)

De emissie, bedoeld in de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.822. (lucht: emissie fijnstof bij kippen, kalkoenen en eenden)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, in een dierenverblijf voor de diercategorieën, bedoeld in tabel 4.822, is de emissie van PM10, uitgedrukt in gram PM10 per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in die tabel.

2.

Het eerste lid geldt niet voor vleeseenden die buiten worden gemest.

Diercategorie Diercategorie Emissiegrenswaarde PM10 in gram per dierplaats per jaar
Kippen Kippen
Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken
batterijhuisvesting 17
volièrehuisvesting 17
grondhuisvesting 21
Legkippen van 18 weken en ouder, ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder Legkippen van 18 weken en ouder, ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder
volièrehuisvesting 46
grondhuisvesting 59
Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken 16
Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder 30
Vleeskuikens Vleeskuikens 16
Kalkoenen Kalkoenen
Vleeskalkoenen Vleeskalkoenen
mechanisch geventileerde stal 60
natuurlijk geventileerde stal
Eenden
Vleeseenden
mechanisch geventileerde stal 58
natuurlijk geventileerde stal
Artikel 4.823. (lucht: emissie PM10)

De emissie, bedoeld in artikel 4.822, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.824. (lucht: meetplicht emissie ammoniak, geur en PM10)
1.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een overig huisvestingssysteem waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een andere emissiefactor voor ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld dan de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van dat huisvestingssysteem gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een niet in de ministeriële regeling opgenomen aanvullende techniek waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een reductiepercentage voor de reductie van ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van die aanvullende techniek gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.825. (gegevens en bescheiden: rapport meetplicht ammoniak en PM10)

Uiterlijk twee jaar na de ingebruikname van het huisvestingssysteem in een dierenverblijf of de aanvullende techniek wordt het rapport van de metingen, bedoeld in artikel 4.824, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.826. (lucht: emissies luchtwassysteem)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem is:

Artikel 4.827. (werkinstructie luchtwassysteem)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd bij de controles en schoonmaak van het luchtwassysteem en welke maatregelen als bedoeld in artikel 4.829, tweede lid, worden getroffen.

Artikel 4.828. (lucht: opleveringsverklaring luchtwassysteem)
1.

Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem met een luchtwassysteem is een door de leverancier van het luchtwassysteem afgegeven opleveringsverklaring beschikbaar.

2.

De opleveringsverklaring bevat in ieder geval de volgende gegevens:

3.

De parameters van het luchtwassysteem blijven binnen de bandbreedtes van de opleveringsverklaring.

Artikel 4.829. (lucht: elektronische monitoring luchtwassysteem)
1.

Het luchtwassysteem heeft een elektronisch monitoringssysteem waarmee de volgende parameters elk uur worden geregistreerd:

2.

Als uit de monitoring blijkt dat de parameters buiten de bandbreedtes van de opleveringsverklaring of de systeembeschrijving vallen, worden maatregelen getroffen om de werking van het luchtwassysteem te waarborgen.

3.

Het waswater heeft een laagdebietalarmering die zo spoedig mogelijk in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is.

4.

De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.830. (water: meetinstrumenten)
1.

Bij de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom een geschikte debietmeter in de spuileiding aanwezig.

2.

De sensoren voor het meten van de pH en het meten van de geleidbaarheid van het waswater worden ten minste eenmaal per zes maanden gekalibreerd door een ter zake deskundige.

Artikel 4.831. (overgangsrecht emissie ammoniak voor melkkoeien en kalfkoeien)
1.

Artikel 4.818 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 juli 2015 is opgericht en voldoet aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van het Besluit emissiearme huisvesting zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 juli 2015.

Artikel 4.832. (overgangsrecht emissie ammoniak vleeskalveren)
1.

Artikel 4.819 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat is opgericht voor 1 januari 2020.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 januari 2020.

Artikel 4.833. (overgangsrecht intern salderen emissie ammoniak)

Artikel 4.820 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht, als de totale emissie van ammoniak van de op het perceel aanwezige huisvestingssystemen niet hoger is dan de totale emissies van ammoniak die de huisvestingssystemen op grond van de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, eerste lid, berekend op basis van de emissiegrenswaarden, bedoeld in de tabellen 4.818, 4.819 en 4.820, per afzonderlijk huisvestingssysteem zouden mogen veroorzaken.

Artikel 4.834. (overgangsrecht emissie fijnstof)
1.

Artikel 4.822 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden dat deel uitmaakt van een dierenverblijf:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

§ 4.83. Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

Artikel 4.835. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van meer dan 3 m3.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek.

Artikel 4.836. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.835, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat het totaal volume van de opslagcapaciteit in kubieke meters bij een opslag van meer dan 600 m3.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.837. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.835, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.838. (bodem: opslag)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, champost of dikke fractie, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

2.

Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

Artikel 4.839. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.840. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.84. Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 4.841. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen.

Artikel 4.842. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

3.

De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.843. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.844. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 4.845. (water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.846. (water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

Artikel 4.847. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.85. Opslaan van gebruikt substraatmateriaal

Artikel 4.848. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal met een totaal volume van meer dan 3 m3.

Artikel 4.849. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

3.

De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.850. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.851. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt gebruikt substraatmateriaal opgeslagen op een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.852. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater afkomstig van het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, worden vrijkomende vloeistoffen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.853. (water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor de opslag van gebruikt substraatmateriaal geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

Artikel 4.854. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.86. Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

Artikel 4.855. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin.

Artikel 4.856. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.855, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.857

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.858. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een mestbassin lekdicht en zijn aan de buitenzijde van het mestbassin bij de aansluitpunten van de vulleidingen, aftapleidingen en roerleidingen voorzieningen getroffen om lekkage te beperken.

2.

Van een mestbassin dat geheel of gedeeltelijk boven het maaiveld ligt en is uitgevoerd met een binnenafdichting van folie is de draagconstructie bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.

3.

Folie dat voor een mestbassin wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL 1149.

Artikel 4.858a. (water: voorkomen lozen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is een mestbassin dat is uitgevoerd als een met folie beklede grondput of een mestzak, waar bij lekkage drijfmest, digestaat of dunne fractie in het oppervlaktewaterlichaam terecht zou kunnen komen, volledig omringd door een dijklichaam:

Artikel 4.859. (lucht: emissie ammoniak)

Met het oog op het beperken van emissies van ammoniak in de lucht is een mestbassin volledig afgedekt, met uitzondering van de ontluchtingsopeningen voor het voorkomen van het ophopen van gas.

Artikel 4.859a. (overgangsrecht)

Artikel 4.858a is tot 1 januari 2031 niet van toepassing op een mestzak die voor inwerkingtreding van dit besluit al werd gebruikt en waarvan de locatie niet wijzigt.

§ 4.87. Mestbehandelingsinstallatie

Artikel 4.860. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Artikel 4.861. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.860, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.862

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.863. (geur)

Met het oog op het beperken van geurhinder gebeurt het hygiëniseren van dierlijke meststoffen in een gesloten ruimte of een gesloten systeem.

§ 4.88. Mestvergistingsinstallatie

Artikel 4.864. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een vergistingstank.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op:

Artikel 4.864a. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.864, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.865. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.864, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.866. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, ten minste 50 m.

2.

De afstand vanaf het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, is ten minste 50 m.

3.

De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste en tweede lid:

4.

Het derde lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.867. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.866, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.868. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 50 m vanaf een gaszak of een opslagtank waarin vergistingsgas wordt opgeslagen of het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen.

Artikel 4.869. (veiligheid bij bewerken vergistingsgas)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt kooldioxide die vrijkomt bij het bewerken van vergistingsgas bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.870. (externe veiligheid: visuele inspectie)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een gaszak voor vergistingsgas eenmaal per twaalf maanden visueel geïnspecteerd op tekenen van verwering of slijtage.

2.

Op een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar gemaakt vergistingsgas is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij het legen van de opslagtank is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.871. (externe veiligheid en lucht: mestvergistingsinstallatie)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

2.

De verklaring heeft een geldigheid van ten hoogste vijftien jaar. Kort voor het verlopen van de geldigheid wordt een mestvergistingsinstallatie opnieuw beoordeeld.

Artikel 4.872. (externe veiligheid en lucht: digestaat)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

Artikel 4.873. (externe veiligheid en lucht: plotselinge drukval leiding)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt bij vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie dat de locatie via een leiding verlaat die installatie zo afgesteld dat:

Artikel 4.874. (externe veiligheid en lucht: bemonstering en analyse vergistingsgas)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt het vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie bij ingebruikname bemonsterd, waarbij het gehalte aan waterstofsulfide wordt geanalyseerd.

2.

Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, wordt bij het punt waarop het gas in de leiding wordt gebracht ook het gehalte aan ammoniak geanalyseerd en het dauwpunt bij een druk van 8 bar bepaald.

Artikel 4.875. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden)
1.

Bij het verlaten van een mestvergistingsinstallatie is de grenswaarde voor het gehalte waterstofsulfide in vergistingsgas 430 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, is:

Artikel 4.876. (lucht: monitoring)
1.

Een mestvergistingsinstallatie heeft een elektronisch monitoringssysteem.

2.

Als de resultaten van de monitoring hiertoe aanleiding geven, worden maatregelen getroffen om de werking van een mestvergistingsinstallatie te waarborgen en onveilige situaties of emissies van vergistingsgas te voorkomen.

Artikel 4.877. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevinden de vergistingstank en de na-opslag van digestaat of het gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.878. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het bewerken van vergistingsgas niet geloosd.

Artikel 4.878a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.866, eerste en tweede lid, en 4.867 zijn niet van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een installatie dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.89. Composteren en opslaan van groenafval

Artikel 4.879. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het composteren en opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

Artikel 4.880. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.879, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.881. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.879, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.882. (bodem: opslag groenafval)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt niet-houtachtig groenafval, dat meer dan veertien dagen wordt opgeslagen, op een aaneengesloten bodemvoorziening opgeslagen.

2.

Als de opslag van groenafval op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd, is een absorberende laag die voorkomt dat vloeistoffen in de bodem treden voldoende.

Artikel 4.883. (water: beperken uitspoeling)

Met het oog op het beperken van uitspoeling van vermestende stoffen naar de bodem wordt een composteringshoop in de periode van 1 november tot 1 maart tegen inregenen beschermd. Een composteringshoop wordt regelmatig omgezet.

Artikel 4.884. (water: lozingsroutes bij composteren)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het composteren geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in de bodem, in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.885. (water: lozingsroutes bij opslaan)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van groenafval gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.886. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.90. Reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten

Artikel 4.887. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van veewagens.

Artikel 4.888. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.887, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.889. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.887, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.890. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden voertuigen en werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gereinigd op een wasplaats die een aaneengesloten bodemvoorziening heeft.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het reinigen gebeurt op landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of als het reinigen incidenteel gebeurt.

Artikel 4.891. (water: wasplaats)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is er geen directe afvoer voor afvalwater en hemelwater van de wasplaats naar een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.892. (water: lozingsroutes uitwendig reinigen na gebruik gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, geloosd op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of op onverharde bodem of geloosd via die andere route.

Artikel 4.893. (water: lozingsroutes inwendig reinigen met gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, gelijkmatig verspreid op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of geloosd via die andere route.

Artikel 4.894. (water: lozingsroutes reinigen zonder gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het reinigen van voertuigen of werktuigen die niet voor gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, geloosd op onverharde bodem of in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op onverharde bodem of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.895. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.91. Opslaan van propaan of propeen in opslagtanks

Artikel 4.896. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank.

Artikel 4.897. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.896, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.898. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.901, eerste lid, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.899. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding, de aansluitpunten van die leiding en pomp, de bovengrondse opslagtank en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, is ten minste de helft van die afstand als het gaat om beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties waar ook een opslagtank voor propaan of propeen aanwezig is.

4.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstanden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Inhoud opslagtank Aantal bevoorradingen per jaar Afstand tot begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht in m Afstand tot zeer kwetsbare gebouwen in m Afstand tot beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in m
5 m3 of minder Niet meer dan 5 25 25 10
5 m3 of minder Meer dan 5 25 25 20
Meer dan 5 m3 maar niet meer dan 13 m3 Niet meer dan 5 50 50 15
Meer dan 5 m3 maar niet meer dan 13 m3 Meer dan 5 50 50 25
Artikel 4.900. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.899, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.901. (externe veiligheid: PGS 19)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.896, voldaan aan PGS 19.

Artikel 4.901a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.899, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.900 zijn niet van toepassing op het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.92. Opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks

Artikel 4.902. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, helium of lachgas in een opslagtank.

Artikel 4.903. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.902, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.904. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.907, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.905. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf een opslagtank:

2.

Als een opslagtank voor het opslaan van zuurstof ligt op een afstand van minder dan 10 m van een opslagtank voor het opslaan van propaan, propeen of een gas als bedoeld in artikel 4.902, is de afstand, bedoeld in het eerste lid, ten minste 20 m.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid:

4.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.906. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.905, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.907. (externe veiligheid: PGS 9)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.902, voldaan aan PGS 9.

Artikel 4.908. (externe veiligheid: vullen en drukvrij en gasvrij maken)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een opslagtank gevuld tot ten hoogste 90% van de inhoud of tot de vullingsgraad die op of bij de opslagtank is aangegeven en niet mag worden overschreden.

2.

Een buiten gebruik gestelde opslagtank wordt drukvrij en gasvrij gemaakt door een deskundig persoon.

Artikel 4.909. (informeren en gegevens en bescheiden: drukvrij en gasvrij maken)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt binnen vier weken na het drukvrij en gasvrij maken van de opslagtank daarover geïnformeerd.

2.

Binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over het drukvrij en gasvrij maken van de opslagtank.

Artikel 4.909a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.905, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.906 zijn niet van toepassing op het opslaan van zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, helium of lachgas in een opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.93. Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks

Artikel 4.910. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.

Artikel 4.911. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.910, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.912. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.916, eerste of tweede lid, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.913. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.914. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een bovengrondse opslagtank waarin polyesterhars wordt opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.915. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.914, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.916. (externe veiligheid: PGS 30 en 31)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, voldaan aan PGS 30, als het gaat om het opslaan van vloeibare brandstoffen, met uitzondering van benzine.

2.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van benzine of andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.

Artikel 4.917. (externe veiligheid en bodem: certificering en erkenning)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

2.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

3.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden ondergrondse leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.918. (bodem: bodembeschermende voorziening en lekdetectie)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

3.

Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

4.

Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

5.

De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.919. (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse opslagtank zich:

Artikel 4.919a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.919, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.920. (bodem: controle kathodische bescherming leiding van staal)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor AS SIKB 6800.

2.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.921

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.922

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.923

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.924

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.925. (overgangsrecht: afstand)
1.

Artikel 4.914, eerste lid, is niet van toepassing op opslagtanks die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

2.

De artikelen 4.914, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.915 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.94. Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks

Artikel 4.926. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan in een bovengrondse opslagtank van:

Artikel 4.927. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.926, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.928. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.926, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.929. (bodem: certificering en erkenning)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL, als op die opslagtank een ondergrondse leiding is aangesloten.

2.

Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

3.

Ondergrondse leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.930. (bodem: bodembeschermende voorziening en lekdetectie)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

3.

Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

4.

Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

5.

De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.931. (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse opslagtank zich:

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de bovengrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.941.

Artikel 4.931a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.931, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de bovengrondse opslagtank vloeistoffen worden opgeslagen van:

Artikel 4.932. (bodem: overvullen voorkomen)
1.

Met voorzieningen en maatregelen is gewaarborgd dat overvullen van een bovengrondse opslagtank niet mogelijk is.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een bovengrondse opslagtank vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als:

Artikel 4.933. (bodem: leegstromen opslagtank voorkomen)
1.

Voorkomen wordt dat een bovengrondse opslagtank kan leegstromen bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als wordt voldaan aan artikel 4.929, eerste en tweede lid.

Artikel 4.934. (bodem: controle kathodische bescherming leiding van staal)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor AS SIKB 6800.

2.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.935

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.936

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.937

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.938. (bodem: keuring bovengrondse opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL, als op die opslagtank een ondergrondse leiding is aangesloten.

2.

Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800, als de opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

3.

Ondergrondse leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

4.

De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.938. Voor leidingen als bedoeld in het derde lid gelden de termijnen die van toepassing zijn op de bovengrondse opslagtank waarop deze zijn aangesloten.

Type opslagtank en wand Termijn eerste keuring in jaren Termijn volgende keuringen in jaren
Staal enkelwandig
Geen volledige inwendige coating 15 15
Volledige inwendige coating maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 15 20
Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 20 20
Staal dubbelwandig met lekdetectiepotsysteem
Geen volledige inwendige coating 15 15
Volledige inwendige coating maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 15 20
Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 20 20
Staal dubbelwandig met elektronisch lekdetectiesysteem
Geen volledige inwendige coating 15 20
Volledige inwendige coating maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 20 20
Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 20 20
Kunststof enkelwandig 15 15
Kunststof dubbelwandig met elektronisch lekdetectiesysteem 20 20
Artikel 4.939. (bodem: visuele controle mobiele opslagtank)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een mobiele bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen na verplaatsing visueel gecontroleerd op:

Artikel 4.940. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich onder het aansluitpunt van een bovengrondse opslagtank bevindt waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of oliën of vetten die geen vloeibare gevaarlijke afvalstoffen van ADR-klasse 3 zijn worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.941. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.941a. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.941b. (overgangsrecht: certificering, erkenning en keuring)

Tot 1 januari 2023 zijn de artikelen 4.929 en 4.938 niet van toepassing op het opslaan van vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar als bedoeld in de ADR in een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2008.

§ 4.95. Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt

Artikel 4.942. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het in een tankcontainer of een verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, opslaan van:

Artikel 4.943. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.942, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.944. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.942, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.945. (bodem: ADR)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem voldoet een tankcontainer die als opslagtank wordt gebruikt aan hoofdstuk 6.8 van de ADR en een verpakking die als opslagtank wordt gebruikt aan hoofdstuk 6.5 van de ADR.

Artikel 4.946. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt een tankcontainer of verpakking zich boven of in een lekbak.

Artikel 4.947. (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een tankcontainer of verpakking zich:

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de tankcontainer of verpakking gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.957.

Artikel 4.947a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.947, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de tankcontainer of verpakking vloeistoffen worden opgeslagen van:

Artikel 4.948. (bodem: overvullen voorkomen)
1.

Met voorzieningen en maatregelen is gewaarborgd dat overvullen van een tankcontainer of verpakking niet mogelijk is.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een tankcontainer of verpakking vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als de tankcontainer of verpakking een overvulbeveiliging heeft die is geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

Artikel 4.949. (bodem: leegstromen tankcontainer of verpakking voorkomen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt voorkomen dat een tankcontainer of verpakking kan leegstromen bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie.

Artikel 4.950. (bodem: leidingen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een leiding die is aangesloten op een tankcontainer of verpakking vast aangelegd en zichtbaar.

Artikel 4.951. (externe veiligheid en bodem: aansluiting op een verpakking)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is in een aansluiting op een tankcontainer of verpakking zo dicht mogelijk bij de wand van de tankcontainer of verpakking een afsluiter geplaatst, die zo is uitgevoerd dat duidelijk zichtbaar is of de afsluiter is geopend of gesloten.

Artikel 4.952

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.953

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.954

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.955. (bodem: visuele controle tankcontainer of verpakking)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een tankcontainer of verpakking en de daarop aangesloten leidingen na verplaatsing visueel gecontroleerd op:

Artikel 4.956. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich onder het aansluitpunt van een tankcontainer of verpakking bevindt waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of oliën of vetten, die geen vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 zijn, worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.957. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.957a. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

§ 4.96. Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks

Artikel 4.958. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een ondergrondse opslagtank.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.

Artikel 4.959. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.958, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.960. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.966, eerste of tweede lid, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.961. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.962. (externe veiligheid: afstand bij opslaan brandstoffen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal worden opgeslagen:

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.963. (externe veiligheid: afstand bij opslaan organische oplosmiddelen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.964. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.962, tweede lid, of 4.963, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.965. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal worden opgeslagen.

Artikel 4.966. (externe veiligheid: PGS 28 en 31)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, voldaan aan PGS 28, als het gaat om het opslaan van vloeibare brandstoffen.

2.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.

Artikel 4.967. (externe veiligheid en bodem: erkenning)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.968. (bodem: uitvoering opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een ondergrondse opslagtank:

2.

Een systeem voor lekdetectie:

3.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.969. (bodem: peilbuis bij enkelwandige opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij een ondergrondse opslagtank als bedoeld in artikel 4.968, eerste lid, onder c, ten minste een peilbuis geïnstalleerd. Per groep van drie ondergrondse opslagtanks kan ook een peilbuis worden geïnstalleerd als die opslagtanks binnen 10 m van elkaar liggen.

2.

De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

3.

De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:

4.

De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.

Artikel 4.970. (bodem: bemonsteren peilbuis)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een geïnstalleerde peilbuis ten minste eenmaal per jaar bemonsterd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

2.

De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.

3.

Als in de ondergrondse opslagtank vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:

4.

Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.

Artikel 4.971. (informeren: aanwezigheid MTBE of ETBE)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste een week nadat de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van methyl-tertiair-butylether en ethyl-tertiair-butylether bekend zijn geworden, geïnformeerd, als de geanalyseerde waarde hoger is dan 15 μg/l.

Artikel 4.972. (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een ondergrondse opslagtank zich:

Artikel 4.972a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.972, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.972b. (bodem: keuring kathodische bescherming)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

2.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.973. (bodem: stroomopdrukproef als geen kathodische bescherming aanwezig is)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal geen kathodische bescherming hebben, tenzij beschadiging van de opslagtank of leiding door zwerfstromen niet is te verwachten.

2.

De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

3.

De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.974. (bodem: controle water en bezinksel bij opslagtank van staal)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt bij een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen ten minste eenmaal per jaar een controle plaats op de aanwezigheid van water en bezinksel.

2.

De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:

3.

De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

4.

De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.975. (bodem: verwijderen water)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt water dat tijdens de controle, bedoeld in artikel 4.974, is aangetroffen, zo spoedig mogelijk verwijderd.

2.

Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.

3.

Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.

5.

Een systeem voor lekdetectie:

Artikel 4.976. (informeren: inwendige keuring bij aantreffen water)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voor het begin van de inwendige keuring, bedoeld in artikel 4.975, derde lid, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.977. (bodem: financiële zekerheid)
1.

Voor een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen is financiële zekerheid gesteld ter dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de bodem als gevolg van dat opslaan.

2.

De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.1001a, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.

3.

De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.

Artikel 4.978. (gegevens en bescheiden: bewijs van financiële zekerheid)

Binnen acht weken na het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4.977.

Artikel 4.979

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.980

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.981. (lucht: terugvoeren damp bij levering benzine)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij het vullen van een ondergrondse opslagtank met benzine de uit die opslagtank verdreven dampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar het reservoir van de mobiele benzinetank die de benzine levert.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als per jaar minder dan 100 m3 benzine wordt geleverd.

3.

In dit artikel wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.982. (overgangsrecht: afstand)
1.

Artikel 4.962, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op opslagtanks die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

2.

De artikelen 4.962, eerste lid, aanhef en onder a, 4.963, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.964 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een ondergrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.97. Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks

Artikel 4.983. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan in een ondergrondse opslagtank van:

Artikel 4.984. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.983, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.985. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.983, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.986. (bodem: erkenning)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een ondergrondse opslagtank van beton die wordt gebruikt voor het opslaan van pekel.

3.

Een ondergrondse opslagtank als bedoeld in het tweede lid is gemaakt van een betonklasse die is bestand tegen de inwerking van pekel.

Artikel 4.987. (bodem: uitvoering opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een ondergrondse opslagtank:

2.

Een systeem voor lekdetectie:

3.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.988. (bodem: peilbuis bij enkelwandige opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij een ondergrondse opslagtank als bedoeld in artikel 4.987, eerste lid, onder c, ten minste een peilbuis geïnstalleerd. Per groep van drie ondergrondse opslagtanks kan ook een peilbuis worden geïnstalleerd als die opslagtanks binnen 10 m van elkaar liggen.

2.

De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

3.

De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:

4.

De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.

Artikel 4.989. (bodem: bemonsteren peilbuis)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een geïnstalleerde peilbuis ten minste eenmaal per jaar bemonsterd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

2.

De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.

3.

Als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of olie die geen vloeibare gevaarlijke stof van ADR-klasse 3 is wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:

4.

Als in de ondergrondse opslagtank pekel wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op de aanwezigheid van chloride volgens NEN-EN-ISO 15682.

5.

Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.

Artikel 4.990. (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een ondergrondse opslagtank zich:

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.1003.

Artikel 4.990a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.990, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de ondergrondse opslagtank vloeistoffen worden opgeslagen van:

Artikel 4.991. (bodem: keuring kathodische bescherming)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

2.

De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.992. (bodem: stroomopdrukproef als geen kathodische bescherming aanwezig is)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal geen kathodische bescherming hebben, tenzij beschadiging van de opslagtank of leidingen door zwerfstromen niet is te verwachten.

2.

De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

3.

De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.993. (bodem: controle water en bezinksel bij opslagtank van staal)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt bij een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, ten minste eenmaal per jaar een controle plaats op de aanwezigheid van water en bezinksel.

2.

De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:

3.

De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

4.

De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.994. (bodem: verwijderen water)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt water dat tijdens de controle, bedoeld in artikel 4.993, is aangetroffen, zo spoedig mogelijk verwijderd.

2.

Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.

3.

Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.

5.

Een systeem voor lekdetectie:

Artikel 4.995. (informeren: inwendige keuring bij aantreffen water)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voor het begin van de inwendige keuring, bedoeld in artikel 4.994, derde lid, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.996. (bodem: opslagtank met afgewerkte olie)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een ondergrondse opslagtank van staal waarin afgewerkte olie wordt opgeslagen, jaarlijks geleegd.

2.

Voordat een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie is opgeslagen gebruikt gaat worden voor het opslaan van een andere vloeistof, wordt een keuring verricht volgens artikel 4.997.

Artikel 4.997. (bodem: keuring ondergrondse opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

2.

De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.997.

3.

Een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie wordt opgeslagen, wordt ten minste eenmaal per vijf jaar beoordeeld en goedgekeurd. De eerste keuring vindt plaats binnen vijf jaar na de installatie van de opslagtank.

Type opslagtank en wand Termijn eerste keuring in jaren Termijn volgende keuringen in jaren
Staal enkelwandig
Geen volledige inwendige coating 15 15
Volledige inwendige coating maar voldoet niet aan BRL-K779 of niet aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 15 20
Volledige inwendige coating die voldoet aan BRL-K779 en is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL 20 20
Staal dubbelwandig met een systeem voor lekdetectie in de wand 20 20
Kunststof enkelwandig of dubbelwandig 15 15
Artikel 4.998. (bodem: visuele controle ondergrondse opslagtank van beton)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een ondergrondse opslagtank van beton die wordt gebruikt voor het opslaan van pekel ten minste eenmaal per jaar leeggemaakt en aan de binnenzijde visueel gecontroleerd.

2.

Als tijdens de controle verwering of beschadiging is geconstateerd, wordt de opslagtank gerepareerd voordat die weer in gebruik wordt genomen. Van de verrichte reparatie wordt een aantekening gemaakt.

3.

Ten minste eenmaal per zes jaar worden de opslagtank en de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door degene die de opslagtank heeft geïnstalleerd.

4.

De resultaten van controles en de aantekeningen van reparaties worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.999. (bodem: verwijderen of onklaar maken van afgekeurde opslagtank)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de vloeistof direct verwijderd als een ondergrondse opslagtank is afgekeurd.

2.

Een afgekeurde ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen wordt binnen acht weken na de afkeuring verwijderd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

3.

Als verwijdering van de ondergrondse opslagtank door de ligging redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de opslagtank met de daarop aangesloten leidingen binnen acht weken na de afkeuring onklaar gemaakt door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

Artikel 4.1000. (informeren: afkeuring opslagtank)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het afkeuren van een ondergrondse opslagtank.

Artikel 4.1001. (informeren en gegevens en bescheiden: verwijderen of onklaar maken opslagtank)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste tien dagen voor het verwijderen of het onklaar maken van een ondergrondse opslagtank daarover geïnformeerd.

2.

Ten hoogste drie maanden na het verwijderen of het onklaar maken van de ondergrondse opslagtank wordt een rapportage daarover verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1001a. (bodem: financiële zekerheid)
1.

Voor een ondergrondse opslagtank waarin gasolie, diesel, huisbrandolie of afgewerkte olie wordt opgeslagen is financiële zekerheid gesteld ter dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de bodem als gevolg van dat opslaan.

2.

De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.977, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.

3.

De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.

Artikel 4.1001b. (gegevens en bescheiden: bewijs van financiële zekerheid)

Binnen acht weken na het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4.1001a.

Artikel 4.1002. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich bevindt onder het aansluitpunt van een ondergrondse opslagtank waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, of oliën of vetten die geen vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 zijn worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1003. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Artikel 4.1003a. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

§ 4.98. Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking

Artikel 4.1004. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, met uitzondering van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2.

Artikel 4.1005. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1006. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1012, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.1007. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1008. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de opslagplaats waar meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen in verpakking, met uitzondering van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2 in gasflessen, wordt opgeslagen:

2.

De afstand vanaf de opslagplaats in de buitenlucht waar meer dan 1.000 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen wordt opgeslagen:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:

4.

Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.1009. (informeren: afstanden)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1008, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1010. (externe veiligheid: geen afstand bij afwezigheid brandbare stoffen)

Artikel 4.1008, eerste lid, is alleen van toepassing als in de opslagplaats gevaarlijke stoffen worden opgeslagen:

Artikel 4.1011. (externe veiligheid: andere afstanden bij brandcompartiment of brandwerende voorziening)
1.

De afstand, bedoeld in artikel 4.1008, eerste lid, onder a, is 8 m als de gevaarlijke stoffen in verpakking zijn opgeslagen in een brandcompartiment of als tussen de opslagplaats en de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11, wordt verricht, een brandwerende voorziening aanwezig is.

2.

De afstand, bedoeld in artikel 4.1008, tweede lid, onder a, is 7,5 m als tussen de opslagplaats en de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11, wordt verricht, een brandwerende voorziening aanwezig is.

3.

De brandwerende voorziening is ten minste 2 m hoog, strekt zich aan weerszijden van de opslagplaats ten minste 2 m uit en heeft een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

Artikel 4.1012. (externe veiligheid: PGS 15)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, voldaan aan PGS 15.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van:

Artikel 4.1013. (externe veiligheid: ruimte voor verkoop aan particulieren)
1.

Artikel 4.1012, eerste lid, is niet van toepassing op een ruimte voor verkoop aan particulieren:

2.

Als boven de ruimte voor verkoop aan particulieren:

3.

Als ten hoogste 5 l gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 per stelling die niet breder is dan 1,35 m, niet in of boven een opvangbak wordt opgeslagen, gelden de hoeveelheden in tabel 4.1013, rij II, als of die in of boven een opvangbak zijn geplaatst.

4.

Een opvangbak waarin of waarboven gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen, is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de daarin of daarboven opgeslagen stoffen opvangen.

Soort verpakte gevaarlijke stoffen Woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, tenzij die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 Woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, tenzij die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 Woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, tenzij die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 Woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, tenzij die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 Geen woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, of wel een of meer van die functies boven ruimte voor verkoop aan particulieren, als die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 Geen woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie boven ruimte voor verkoop aan particulieren, of wel een of meer van die functies boven ruimte voor verkoop aan particulieren, als die functie een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3
Soort verpakte gevaarlijke stoffen Ruimte voor verkoop aan particulieren is geen brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer Ruimte voor verkoop aan particulieren is geen brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer Ruimte voor verkoop aan particulieren is een brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer Ruimte voor verkoop aan particulieren is een brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer
Soort verpakte gevaarlijke stoffen Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 niet in of boven opvangbak Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in of boven opvangbak Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 niet in of boven opvangbak Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in of boven opvangbak Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 niet in of boven opvangbak Opslag gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in of boven opvangbak
I. Gevaarlijke stoffen in verpakking, met uitzondering van III, maar met inbegrip van II 500 750 500 750 1.000 1.500
II. Gevaarlijke stoffen van ADR-klassen 2 en 3 in verpakking, met uitzondering van gebruiksklare ruitensproeiervloeistof met een vlampunt hoger dan 40 °C 75 150 150 300 300 800
III. Verfproducten van ADR-klasse 3 in metalen verpakkingen 8.000 8.000 8.000 8.000 8.000 8.000
Artikel 4.1014. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden vloeibare gevaarlijke stoffen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

2.

Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:

Artikel 4.1014a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.1014, eerste lid, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.1014b. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.1008, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, en 4.1009 zijn niet van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.99. Opslaan van organische peroxiden in verpakking

Artikel 4.1015. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2 in verpakking.

Artikel 4.1016. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat het type organische peroxiden en de hoeveelheid die ten hoogste per type wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1017. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1019, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.1018. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1019. (externe veiligheid: PGS 8)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, voldaan aan PGS 8.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op stoffen die worden opgeslagen in verpakking als gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in de ADR in een opslagplaats die voldoet aan PGS 15.

Artikel 4.1020. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het gebruik van vloeibare stoffen van ADR-klasse 5.2, type D tot en met F, plaats boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

2.

Het gebruik van vaste stoffen van ADR-klasse 5.2, type D tot en met F, vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

3.

Vloeibare stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

Artikel 4.1020a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.1020, eerste lid, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

§ 4.100. Opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen

Artikel 4.1021. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen.

Artikel 4.1022. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1021, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de hoeveelheid minerale anorganische meststoffen die per meststoffengroep als bedoeld in PGS 7 ten hoogste wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1023. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1024, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.1024. (externe veiligheid: PGS 7)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1021, voldaan aan PGS 7.

§ 4.101. Vullen van gasflessen met propaan of butaan

Artikel 4.1025. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het vullen van gasflessen met propaan of butaan.

Artikel 4.1026. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1025, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de hoeveelheid gassen die ten hoogste wordt opgeslagen.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1027. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1028, eerste lid, is:

2.

Een melding bevat:

Artikel 4.1028. (externe veiligheid: PGS 16)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1025, voldaan aan PGS 16.

2.

Bij het vullen van gasflessen is ten hoogste 300 liter gassen in gasflessen aanwezig.

§ 4.102. Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Artikel 4.1029. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Artikel 4.1030. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 4.1029 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de ruimte, bedoeld in artikel 4.1031, tweede lid, of de bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1031. (externe veiligheid: opslaan in een politiebureau en afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een politiebureau:

2.

De afstand vanaf het midden van de deuropening van de ruimte waar het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een politiebureau worden opgeslagen tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste 8 m.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

4.

Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.1032

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.1033. (externe veiligheid: opslaan in theater)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een theater of op een andere locatie waarop een concert of voorstelling wordt gegeven, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32.

2.

Er wordt ten hoogste 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen.

3.

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 4.1034. (externe veiligheid: gegevens en wijze van opslaan)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden, behalve tijdens intern transport, vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen in een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, tenzij artikel 4.1031 of 4.1033 van toepassing is.

2.

Voor de toezichthouders zijn de volgende gegevens onverwijld toegankelijk:

3.

Stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen, zoals aangegeven in de ADR met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, zijn in verschillende brandcompartimenten opgeslagen, tenzij die stoffen en voorwerpen gezamenlijk kunnen worden opgeslagen zonder dat:

4.

In een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is alleen vuurwerk aanwezig dat behoort tot dezelfde compatibiliteitsgroep.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op de kortstondige gelijktijdige aanwezigheid van bij elkaar horende componenten tijdens het uitpakken, uit elkaar nemen, in elkaar zetten en inpakken van vuurwerk.

Artikel 4.1035. (externe veiligheid: hoeveelheden in bewaarplaatsen en bufferbewaarplaatsen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn op een locatie voor het opslaan van ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

2.

Op een locatie voor het opslaan van meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

3.

Op een locatie voor het opslaan van vuurwerk van categorie F4 is ten hoogste 6.000 kg NEM aanwezig.

4.

Voor het bepalen van het gewicht van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in:

5.

Op een locatie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt alleen vuurwerk opgeslagen dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 4.1036. (externe veiligheid: constructie, voorzieningen en interne afstanden)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

2.

Een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

3.

De scheidingsconstructie tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de ruimte voor verkoop aan particulieren heeft een brandwerendheid van ten minste 30 minuten en bevat naast de toegangsdeur geen openingen of ramen die kunnen worden opengezet.

4.

Als vanuit de deuropening van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bewaarplaats of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bewaarplaats gelegen op meer dan de in tabel 4.1036a bedoelde afstanden van de deuropening van die andere bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036a, wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

5.

Als vanuit de deuropening van een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bufferbewaarplaats, van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bufferbewaarplaats gelegen op een afstand groter dan de afstanden, bedoeld in tabel 4.1036b, van de deuropening van die andere bufferbewaarplaats, van die bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036b, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Hoeveelheid opgeslagen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op locatie in kg Categorie vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik Oppervlakte deuropening in m2 Afstand tussen deuropeningen in m
Ten hoogste 10.000 F1, F2 of F3 0 tot en met 4 8
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 0 tot en met 4 20
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 4 tot en met 6 25
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 6 tot en met 8 30
Hoeveelheid opgeslagen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op locatie in kg Categorie vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik Toegestane hoeveelheid vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in bufferbewaarplaats in kg Afstand tussen deuropeningen in m
--- --- --- ---
Ten hoogste 10.000 F1, F2 of F3 Vanaf 0 tot 1.000 8
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 Vanaf 0 tot 1.000 20
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 Vanaf 1.000 tot 2.000 25
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 Vanaf 2.000 tot 3.500 30
Meer dan 10.000 F1, F2, F3, T1 of T2 Vanaf 3.500 tot en met 5.000 35
Artikel 4.1037. (externe veiligheid: voorzieningen tegen brandoverslag)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn tussen de deuropening van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de toegangsdeur, bedoeld in artikel 4.1036, vierde of vijfde lid, bouwkundige voorzieningen aangebracht om brandoverslag te voorkomen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de toegangsdeur visueel kan worden waargenomen en als aan de afstanden, bedoeld in de tabellen 4.1036a en 4.1036b, wordt voldaan.

3.

De bouwkundige voorzieningen zijn gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton en hebben een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

4.

Als de toegangsdeuren van bewaarplaatsen of bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of ruimten voor verkoop aan particulieren naast elkaar zijn gelegen, worden die toegangsdeuren van elkaar gescheiden door een bouwkundige constructie die ten minste 300 mm uitsteekt.

Artikel 4.1038. (externe veiligheid: opslaan van vuurwerk van categorie F4)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid hebben een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

2.

De weerstand van een vloer wordt ten minste eenmaal per zes maanden gemeten door een onafhankelijke deskundige.

3.

Een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats als bedoeld in het eerste lid:

Artikel 4.1039. (externe veiligheid: werkzaamheden aan vuurwerk van categorie F4)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

2.

Werktuigen worden voor elke bewerking en ten minste eenmaal per maand gecontroleerd.

3.

Wanneer aan een werktuig een gebrek is geconstateerd of wordt vermoed, wordt dit onmiddellijk verwijderd of voor gebruik geblokkeerd.

4.

Een werktuig wordt gerepareerd in een ruimte waarin zich geen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden en wordt voor reparatie schoongemaakt.

5.

Een ruimte wordt ontruimd als binnen 15 m daarvan werkzaamheden worden verricht waarbij open vuur wordt gebruikt of vonkvorming kan optreden. Die afstand is 25 m als bij de werkzaamheden een explosief gasmengsel kan ontstaan.

Artikel 4.1040. (externe veiligheid: transportmiddelen bij vuurwerk van categorie F4)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden op een locatie voor het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk van categorie F4:

2.

Mechanische transportmiddelen hebben:

3.

Mechanische transportmiddelen die in een bufferbewaarplaats worden gebruikt, hebben:

Artikel 4.1041. (externe veiligheid: voorzieningen voor brandbestrijding)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid liggen een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op de begane grond.

2.

De locatie waarop de activiteit, bedoeld in artikel 4.1029, wordt verricht, heeft brandslanghaspels, waarbij de gecorrigeerde loopafstand, bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, tussen een brandslanghaspel en elk punt op de vloer van de locatie niet groter is dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m.

3.

Een brandslanghaspel heeft een lengte van ten hoogste 30 m, een statische druk van ten minste 100 kPa en een capaciteit van ten minste 1,3 m3/u, bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde voorziening voor leidingwater.

4.

Een brandslanghaspel is voor onmiddellijk gebruik beschikbaar, kan onbelemmerd worden bereikt en wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd door een ter zake deskundige.

5.

In een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

Artikel 4.1042. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand die in voorwaartse richting wordt gemeten als aangegeven in figuur 4.1042, vanaf het midden van de deuropening van een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk op een locatie voor het opslaan van ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3:

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

4.

Het eerste en tweede lid zijn, buiten het vrijwaringsgebied dat wordt begrensd door de afstand, bedoeld in het eerste lid, en de breedte van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en dat is aangegeven in figuur 4.1042, niet van toepassing als een scheidingsconstructie die voldoet aan artikel 4.1044 aanwezig is tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en:

5.

Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Figuur 4.1042 Afstand in voorwaartse richting van het midden van de deuropening

Artikel 4.1043. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1042, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1044. (externe veiligheid: scheidingsconstructie)

De scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 4.1042, vierde lid:

Artikel 4.1045. (externe veiligheid: opslaglocatie)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik geen andere goederen opgeslagen en worden daarin geen werkzaamheden verricht die niet rechtstreeks samenhangen met het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

2.

Het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn:

3.

Boven een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden zich geen beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen. Dit geldt niet als op de locatie ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 en geen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden opgeslagen.

4.

Vuurwerk wordt niet gelost op een moment dat binnen een afstand van 25 m een opslagtank wordt gevuld met vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 of brandbare gassen.

5.

Rondom een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is op een afstand van ten minste 15 m een deugdelijke afrastering van metaalvlechtwerk met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig. Binnen die afstand ligt geen transformatorgebouw of schakelgebouw. De toegang in de afrastering is afgesloten en wordt alleen geopend voor werkzaamheden of controles in de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4. Tussen die bewaarplaats en bufferbewaarplaats en de afrastering bevindt zich geen brandbaar materiaal.

Artikel 4.1046. (externe veiligheid: ruimten voor verkoop aan particulieren)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is in een ruimte voor verkoop aan particulieren alleen vuurwerk aanwezig dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

2.

Tijdens de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren ten hoogste 500 kg vuurwerk aanwezig. Het vuurwerk is niet bereikbaar voor particulieren. Buiten de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren geen vuurwerk aanwezig, met uitzondering van ten hoogste 200 kg vuurwerk van categorie F1 of fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

3.

In een brandcompartiment is ten hoogste een ruimte aanwezig voor verkoop aan particulieren.

4.

Een ruimte voor verkoop aan particulieren:

5.

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 4.1047. (externe veiligheid: voorzieningen voor brandbeveiliging)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid hebben een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en een ruimte voor verkoop aan particulieren een automatische sprinklerinstallatie. In de directe nabijheid van die plaatsen en ruimten is een brandmeldinstallatie aanwezig.

2.

Een automatische sprinklerinstallatie in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 heeft een automatische doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer.

3.

Een automatische sprinklerinstallatie en een brandmeldinstallatie:

4.

Het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties en de rapporten met bevindingen van de beoordelingen zijn op de locatie voor het opslaan van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.

5.

Eenmaal per vijf jaar wordt het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties door een inspectie-instantie als bedoeld in het derde lid, onder a, beoordeeld op de gebruikte uitgangspunten en normen in relatie tot de beste beschikbare technieken en wijzigingen in de activiteiten.

Artikel 4.1047a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.1042, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.1043 zijn niet van toepassing op het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.103. Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

Artikel 4.1048. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1049. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1050. (externe veiligheid: opslaan in brandcompartiment)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden zwart kruit en rookzwak kruit in een brandcompartiment opgeslagen in een vak waarvan de wanden bestaan uit ten minste 105 mm dik metselwerk en de horizontale verdeling uit ten minste 70 mm dik beton.

2.

In een vak als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste 250 g zwart kruit of 1 kg rookzwak kruit opgeslagen.

3.

Tussen de voorzijde van een vak als bedoeld in het eerste lid en de voorzijde van daarin opgeslagen zwart kruit of rookzwak kruit is ten minste 10 cm vrije ruimte en aan de voorzijde van een vak is ten minste 1 m vrije ruimte.

4.

De toegang tot een brandcompartiment bestaat uit een zelfsluitende en naar buiten draaiende deur die als drukontlasting kan dienen en die een brandwerendheid heeft van ten minste 60 minuten.

5.

Noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4 worden opgeslagen in een brandcompartiment of in een kast met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

Artikel 4.1051. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit of rookzwak kruit:

2.

De afstand vanaf de opslagplaats voor het opslaan van meer dan 10.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:

4.

Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.1052. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1051, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1052a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.1051, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, en 4.1052 zijn niet van toepassing op het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.104. Opslaan van goederen

Artikel 4.1053. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

Artikel 4.1054. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1053, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1055. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1053, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1056. (water: voorkomen ontstaan afvalwater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt het water dat eerder met de opgeslagen goederen in contact is geweest, gebruikt voor het bevochtigen van opgeslagen stuifgevoelige goederen.

Artikel 4.1057

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1058. (water: lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van lekkende, uitlogende of vermestende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel A, B of C, geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1059. (water: emissiegrenswaarden lozing in een vuilwaterriool)
1.

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1059, gemeten in een steekmonster.

2.

Als uit de goederen, bedoeld in artikel 4.1058, alleen olie kan lekken, kan, in afwijking van het eerste lid, het afvalwater afkomstig van die opslag voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:

Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l
Minerale olie 20 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l
Onopgeloste stoffen 300 mg/l
Artikel 4.1060

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.1061. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.1062. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

Artikel 4.1063. (bodem: bodembeschermende voorziening bij opslaan van lekkende goederen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden lekkende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel A, boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.

Artikel 4.1064. (bodem: bodembeschermende voorziening bij opslaan van uitlogende goederen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, opgeslagen boven een:

2.

Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.

Artikel 4.1064a. (bodem: bodembeschermende voorziening bij opslaan van vermestende goederen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden vermestende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel C, opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1065. (lucht: plaats van opslaan en mengen stuifgevoelige goederen)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, opgeslagen en gemengd in een gesloten ruimte.

Artikel 4.1066. (lucht: geen overslag bij wind van stuifgevoelige goederen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de lucht vindt geen overslag plaats van:

Artikel 4.1067. (lucht: emissie totaal stof bij stuifgevoelige goederen)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, in een gesloten ruimte is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Voor de emissie in de lucht bij pneumatisch transport uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de emissie de ondergrens van 100 kg/jaar niet overschrijdt.

Artikel 4.1068. (lucht: maatregelen bij opslaan, mengen en transport van stuifgevoelige goederen)
1.

Aan artikel 4.1067, eerste lid, wordt bij het opslaan en het mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, in ieder geval voldaan als:

2.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het vullen van een opslagruimte met goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, in ieder geval voldaan als:

3.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij continu mechanisch transport in ieder geval voldaan als goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, worden getransporteerd:

Artikel 4.1069. (lucht: maatregelen bij laden en lossen van stuifgevoelige goederen)
1.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen met storttrechters in ieder geval voldaan als de trechters afzuiging hebben.

2.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen met grijpers in ieder geval voldaan als wordt geladen en gelost met grijpers die van de bovenkant zijn afgesloten.

3.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen van lichters in ieder geval voldaan als de lichterbelader een stortkoker heeft die reikt:

4.

Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen met pneumatische elevatoren in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.1070. (lucht: meetmethoden bij stuifgevoelige goederen)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.1071. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij stuifgevoelige goederen)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068 en 4.1069, worden getroffen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als bij pneumatisch transport van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068 en 4.1069, worden getroffen.

Artikel 4.1072. (lucht: eenmalige meting bij stuifgevoelige goederen)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1070 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1073. (lucht: afvoeren emissies bij het opslaan en mengen van stuifgevoelige goederen)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.1073a. (afval: termijn opslaan)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden goederen die afvalstoffen zijn niet langer dan drie jaar opgeslagen.

2.

In afwijking van het eerste lid worden vermestende goederen en de volgende afvalstoffen niet langer dan een jaar opgeslagen:

§ 4.105. Benzineterminal

Artikel 4.1074. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een benzineterminal met een benzineopslagtank of een benzineoverslaginstallatie.

2.

In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.1075. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1076. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.1077. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.1082.

Artikel 4.1078. (lucht: verminderen stralingshittereflectie bij een benzineopslagtank)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp worden de buitenwand en het uitwendige dak van een bovengrondse benzineopslagtank geschilderd in een kleur waarvan de totale stralingshittereflectie ten minste 70% is.

2.

Er wordt geschilderd bij de periodieke onderhoudsbeurt van de bovengrondse benzineopslagtank.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als een benzineopslagtank is verbonden met een benzinedampterugwinningseenheid die voldoet aan de eisen voor een benzineoverslaginstallatie.

Artikel 4.1079. (lucht: afdichting voor vasthouden benzinedamp bij een benzineopslagtank)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp heeft een benzineopslagtank met een uitwendig drijvend dak een primaire afdichting die de ringvormige ruimte tussen de wand van de benzineopslagtank en de buitenste rand van het drijvende dak afdicht.

2.

Boven de primaire afsluiting is een secundaire afdichting.

3.

Door de primaire en secundaire afdichtingen wordt in vergelijking met een soortgelijke benzineopslagtank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen ten minste 95% van de damp vastgehouden.

Artikel 4.1080. (lucht: vast of drijvend dak bij een benzineopslagtank)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp is een benzineopslagtank die onderdeel is van een benzineterminal:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als voorlopige dampopslag als bedoeld in artikel 4.1081, vierde lid, is toegestaan op een benzineopslagtank met een vast dak van benzineterminals.

Artikel 4.1081. (lucht: vullen mobiele benzinetank bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie tijdens het vullen van een mobiele benzinetank, met uitzondering van het vullen van een tankwagen langs de bovenzijde, verplaatsingsdampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een benzinedampterugwinningseenheid.

2.

Als dampterugwinning onveilig of technisch niet mogelijk is door de hoeveelheden retourdamp, kan een benzinedampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid.

3.

Als een mobiele benzinetank langs de bovenzijde wordt gevuld, wordt het uiteinde van de vularm onderin de mobiele benzinetank gehouden.

4.

Als op een benzineterminal het benzinedebiet minder is dan 25.000 ton/jaar, kan directe dampterugwinning op de benzineterminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een benzineopslagtank met een vast dak op een benzineterminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere benzineterminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere benzineopslagtank op een benzineterminal.

5.

Het benzinedebiet is de grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine, gemeten in de drie voorafgaande jaren, die van een benzineopslagtank van een benzineterminal is overgeslagen in een mobiele benzinetank.

Artikel 4.1082. (lucht: concentratie dampen bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is bij een benzineoverslaginstallatie de gemiddelde concentratie dampen in de afvoer van een benzinedampterugwinningseenheid of een dampverbrandingseenheid, gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling, lager dan 0,15 g/Nm3 voor een uur.

Artikel 4.1083. (afbakening mogelijkheid maatwerk concentratie dampen)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de concentratie dampen, bedoeld in artikel 4.1082, wordt verhoogd, bevat een concentratie die lager is dan 35 g/Nm3.

Artikel 4.1084. (lucht: nauwkeurigheid meting bij een benzineoverslaginstallatie)

De nauwkeurigheid van de meting bij de benzineoverslaginstallatie is ten minste 95% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1085. (lucht: meetplicht bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Concentratiedampen bij een benzineoverslaginstallatie worden ten minste zeven uur achtereenvolgens met normaal debiet gemeten.

2.

Er wordt continu of periodiek gemeten.

3.

Een periodieke meting wordt ten minste vier keer per uur verricht.

Artikel 4.1086. (lucht: meetonzekerheid bij een benzineoverslaginstallatie)

Het totaal aan meetfouten als gevolg van de gebruikte apparatuur, het kalibratiegas en het toegepaste procedé bij een benzineoverslaginstallatie is niet meer dan 10% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1087. (lucht: nauwkeurigheid apparatuur bij een benzineoverslaginstallatie)

De apparatuur die wordt gebruikt bij het meten bij een benzineoverslaginstallatie kan concentraties meten die lager zijn dan 3 g/Nm3.

Artikel 4.1088. (lucht: niet vullen bij damplek bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden aansluitingen en leidingen van een benzineoverslaginstallatie regelmatig op lekken gecontroleerd.

2.

Als er een damplek is, worden geen tankwagens gevuld.

3.

Er is op het benzinelaadportaal een mechanisme aanwezig dat het vullen onderbreekt, als er een damplek is.

Artikel 4.1089. (lucht: normaal laaddebiet bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het normale laaddebiet van benzine per vularm op een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie niet meer dan 2.500 l/m.

Artikel 4.1090. (lucht: tegendruk bij piekbelasting benzineterminal bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht geeft het dampopvangsysteem van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie, met inbegrip van de benzinedampterugwinningseenheid, een tegendruk van ten hoogste 55 millibar aan de voertuigzijde van de dampopvangadapter bij piekbelasting van een benzineterminal.

Artikel 4.1091. (lucht: vullen tankwagen bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een tankwagen bij een benzineoverslaginstallatie alleen langs de onderzijde worden gevuld als het vultoelatingssignaal is gegeven door de gecombineerde aardings- en overloopbedieningseenheid.

2.

Als een tankwagen langs de onderzijde wordt gevuld, is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de benzineterminal.

3.

Bij overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal de vulcontroleklep aan het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1092. (lucht: terugvoeren damp bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie dampen die worden opgeslagen in een benzineopslagtank met vast dak voor voorlopige dampopslag via een dampdichte leiding teruggevoerd naar de mobiele benzinetank van waaruit de benzine wordt geleverd.

Artikel 4.1093. (lucht: aanwezigheid benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzineterminal met een benzineoverslaginstallatie voor het vullen van tankwagens ten minste een benzinelaadportaal.

Artikel 4.1094. (lucht: aansluiting vularm en dampopvangslang bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft de vularm van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een vrouwelijke vloeistofaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke API 1004-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

2.

De dampopvangslang van het benzinelaadportaal heeft een vrouwelijke nok-groef-dampopvangaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke nok-groef-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

Artikel 4.1095. (lucht: overloopdetectie bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een overloopdetectiebedieningseenheid.

2.

Als een benzinelaadportaal wordt verbonden met een tankwagen, geeft de overloopdetectiebedieningseenheid een faalveilig vultoelatingssignaal wanneer de compartimentsoverloopsensoren geen hoog peil signaleren.

Artikel 4.1096. (lucht: bedieningseenheid benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via een kabel waaraan een contrasteker is bevestigd, verbonden met de steker op de tankwagen via een standaard 10-pens elektrische contactdoos.

2.

De bedieningseenheid van een vulportaal is geschikt voor tweedraads thermistorsensoren, tweedraads optische sensoren, vijfdraads optische sensoren of gelijkwaardige sensoren op een tankwagen.

Artikel 4.1097. (lucht: verbinding tankwagen aan benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via de gemeenschappelijke retourdraad van de overloopsensoren verbonden met een tankwagen.

2.

De retourdraad is via het chassis van een tankwagen verbonden met pen 10 van de steker.

3.

Pen 10 van de contrasteker is verbonden met de omsluiting van de bedieningseenheid.

4.

De omsluiting is verbonden met de aarding van het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1098. (lucht: verbindingssysteem benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt bij het ontwerp van de vloeistoflaadvoorzieningen en dampopvangvoorzieningen aan een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie uitgegaan van een verbindingssysteem dat voldoet aan de volgende eisen:

§ 4.106. Opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen

Artikel 4.1099. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het tegelijkertijd voor minder dan 24 uur opstellen van niet meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers die zijn geladen met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

Artikel 4.1100. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1099, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de opstelplaats van de voertuigen, opleggers of aanhangers.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1101. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de opstelplaats van voertuigen, opleggers of aanhangers tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.

3.

De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

4.

Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.1102. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1101, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1103. (externe veiligheid: stoffen van ADR-klassen 1 en 6.2)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voertuig, oplegger of aanhanger niet geladen met gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1 of ADR-klasse 6.2, verpakkingsgroep I, met uitzondering van de classificatiecodes I3 en I4.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.

Artikel 4.1103a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.1101, eerste lid, en 4.1102 zijn niet van toepassing op het tegelijkertijd voor minder dan 24 uur opstellen van niet meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers die zijn geladen met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.107. Laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen

Artikel 4.1104. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen.

Artikel 4.1105. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1104, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1106. (water: voorkomen verontreiniging oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met stoffen bij het laden en lossen van een vaartuig of drijvend werktuig wordt de afstand tot de wal of tot een ander vaartuig of drijvend werktuig zo klein mogelijk gehouden of overbrugd door een ponton of een morsklep.

2.

Goederen waaruit stoffen kunnen lekken, worden opgesteld boven een lekbak.

Artikel 4.1107. (water: opslaan boven een oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan van goederen op een vaartuig of drijvend werktuig worden goederen waaruit:

§ 4.108. Buisleiding met gevaarlijke stoffen

Artikel 4.1108. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Artikel 4.1109. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1108, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de buisleiding.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.1110. (externe veiligheid: preventiebeleid)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is voor de buisleiding preventiebeleid opgesteld dat invulling geeft aan artikel 2.11, tweede lid, onder e, en dat evenredig is aan de gevaren van ongewone voorvallen.

2.

Het preventiebeleid bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht.

3.

Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het beleid herzien.

4.

Het beleid wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.

Artikel 4.1111. (externe veiligheid: veiligheidsbeheerssysteem)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.1110, eerste lid, uitgevoerd met passende middelen en een veiligheidsbeheerssysteem dat een beschrijving bevat van:

2.

De aantekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder k, worden ten minste vijf jaar bewaard.

3.

Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het veiligheidsbeheerssysteem herzien.

4.

Het veiligheidsbeheerssysteem wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.

Artikel 4.1112. (externe veiligheid: plaatsgebonden risico voor gebouwen en locaties)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is het plaatsgebonden risico van een buisleiding voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing binnen drie jaar nadat een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie in gebruik is genomen.

3.

Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1113. (externe veiligheid: plaatsgebonden risico op 5 en 4 m)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is het plaatsgebonden risico van het aanleggen of vervangen van een buisleiding op een afstand van 5 m gemeten vanuit het hart van de buisleiding ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar. De afstand is 4 m voor een buisleiding voor aardgas, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de overschrijding wordt veroorzaakt door een risicoverhogend bouwwerk dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt toegelaten in de directe omgeving van een buisleiding.

3.

Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1114. (externe veiligheid: exploitatieverbod)

Een buisleiding wordt niet geëxploiteerd als niet wordt voldaan aan artikel 4.1110, 4.1111, 4.1112 of 4.1113.

Artikel 4.1115. (externe veiligheid: berekeningen en gegevens voorhanden)
1.

Op basis van actuele en authentieke gegevens zijn de resultaten van de berekeningen voorhanden van:

2.

De volgende gegevens zijn voorhanden:

3.

Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

§ 4.109. Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk

Artikel 4.1116. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op:

Artikel 4.1117. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 4.1116 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Als op een afstand van ten hoogste 300 m van het hart van de boorinstallatie een geluidgevoelig gebouw ligt, worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de resultaten van een akoestisch onderzoek verstrekt, waarmee met geluidmetingen of geluidberekeningen is aangetoond dat aan de geluidniveaus uit tabel 4.1121a of bij maatwerkvoorschrift vastgestelde geluidniveaus kan worden voldaan en waarbij is aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de geldende geluidniveaus worden overschreden.

3.

Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1118

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.1119. (melding: affakkelen of afblazen)
1.

Het is verboden gecontroleerd af te fakkelen of af te blazen zonder dit ten minste 48 uur voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat informatie over het verwachte tijdstip van het begin van het affakkelen of afblazen en de verwachte duur ervan.

Artikel 4.1120. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen, op land)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.1116 op land wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1121. (bodem: bodembeschermende voorziening, op land)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem tot aan de formatie waarin zich delfstoffen bevinden met koolwaterstoffen of hulpstoffen, zijn het boorgat en de boortorenfundatie die op land worden gebruikt vloeistofdicht.

2.

Andere onderdelen van een verplaatsbaar mijnbouwwerk die op land worden gebruikt bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1121a. (geluid: waarden)
1.

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid en het maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door het verplaatsbare mijnbouwwerk, zijn niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 4.1121a.

2.

Het maximale geluidniveau LAmax is niet van toepassing op het laden en lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van gas of aardgas in de openlucht.

3.

De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, worden verricht tussen 07:00 en 19:00 uur, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

4.

De waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen gelden niet als:

5.

Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op een afstand van 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT in geluidgevoelige ruimten van geluidgevoelige gebouwen op een afstand van ten hoogste 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk 40 dB(A) 35 dB(A) 30 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax op een afstand van 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
Artikel 4.1121b. (geluid: monitoring)

Als binnen 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk een geluidgevoelig gebouw ligt, wordt het geluid continu gemonitord en geregistreerd. De monitoring gebeurt zodanig dat een indicatie wordt verkregen van het geluid op de gevel van het meest met geluid belaste geluidgevoelige gebouw.

Artikel 4.1122. (lucht: voorkomen koolwaterstoffen)

Met het oog op het voorkomen van emissies van koolwaterstoffen in de lucht wordt een mijnbouwfakkel gebruikt met een rendement van ten minste 99%.

Artikel 4.1123. (water: lozingsroute, op land)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt:

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afstromend hemelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1124. (water: lozing in een vuilwaterriool, op land)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt afstromend hemelwater dat wordt geloosd in het vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2.

Artikel 4.1125. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.1126. (geurhinder, op land)

Met het oog op het voorkomen van geurhinder op land worden:

Artikel 4.1126a. (overgangsrecht: geluid)

De waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 4.1121a, gelden niet als het geluidgevoelige gebouw geheel of gedeeltelijk ligt op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat voor dat terrein een van de volgende besluiten in werking is getreden:

§ 4.110. Lozen van koelwater

Artikel 4.1127. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater met een warmtevracht van 50 MW of minder.

Artikel 4.1128. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater, bedoeld in artikel 4.1127, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van meer dan 25.000 m3/jaar of een koelwaterdoorstroomsysteem wordt gebruikt.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1129. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van meer dan 25.000 m3/jaar of van een koelwaterdoorstroomsysteem geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Het te lozen koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van minder dan 25.000 m3/jaar wordt geloosd in een vuilwaterriool.

3.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het eerste lid, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route, of wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het tweede lid, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1130. (water: emissiegrenswaarde lozing op een oppervlaktewaterlichaam bij koelwaterdoorstroomsysteem)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het gebruik van koelwaterdoorstroomsysteem alleen chloorbleekloog aan het koelwater toegevoegd.

2.

Voor het koelwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam is de emissiegrenswaarde voor chloor:

Artikel 4.1131. (water: emissiegrenswaarde lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, wordt bij het gebruik van een koelwatercirculatiesysteem alleen chloorbleekloog aan het koelwater, bedoeld in artikel 4.1129, eerste lid, toegevoegd.

2.

Voor dat koelwater is de emissiegrenswaarde voor chloor:

Artikel 4.1132. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het bepalen van de temperatuur van het water is NEN 6414 van toepassing.

4.

Op het analyseren van een monster is voor vrij beschikbaar chloor NEN-EN-ISO 7393-1, NEN-EN-ISO 7393-2 of NEN-EN-ISO 7393-3 van toepassing.

Artikel 4.1133. (water: rekenmethode warmtevracht)

De warmtevracht van koelwater wordt berekend als het product van:

Artikel 4.1134. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

§ 4.111. Gesloten bodemenergiesysteem

Artikel 4.1135. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.

Artikel 4.1136. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1137. (gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit)

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

Artikel 4.1138. (registratieplicht)
1.

Van de volgende gegevens wordt een registratie bijgehouden:

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.1138a. (jaarlijks verstrekken van gegevens en bescheiden)

Jaarlijks voor 1 april worden de gegevens, bedoeld in artikel 4.1138, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1139. (energie: voorkomen negatieve interferentie)

Met het oog op het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen wordt negatieve interferentie voorkomen tussen het gesloten bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 4.1140. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen spoelwater afkomstig van het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem geloosd in een vuilwaterriool of op of in de bodem.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, op of in de bodem of via die andere route.

Artikel 4.1141. (bodem: temperatuur circulatievloeistof)

De temperatuur van de circulatievloeistof in de leiding waarin de circulatievloeistof wordt teruggeleid naar de bodem, is ten minste –3 °C en ten hoogste 30 °C.

Artikel 4.1142. (bodem: werkzaamheden)

Een gesloten bodemenergiesysteem wordt ontworpen, aangelegd, onderhouden, gerepareerd en buiten gebruik gesteld door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor:

Artikel 4.1143. (energie: systeemeisen)
1.

Met het oog op het doelmatig gebruik van bodemenergie is het gesloten bodemenergiesysteem zo geïnstalleerd dat het is afgestemd op de aard en de omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.

2.

Een gesloten bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.

3.

In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het gesloten bodemenergiesysteem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.1144. (energie: berekenen energierendement)

Het energierendement, uitgedrukt als SPF, wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het gesloten bodemenergiesysteem wordt geleverd;

Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;

E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;

G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

Artikel 4.1145. (meetverplichting: warmte en koude)

De hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem worden toegevoegd, worden gemeten met momentane metingen met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 5% die ten minste eenmaal per vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.1146. (gegevens en bescheiden voor het beëindigen van de activiteit)

Ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, worden de volgende gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

Artikel 4.1147. (bodem: buiten gebruik stellen gesloten bodemenergiesysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging en vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende lagen wordt zo spoedig mogelijk na het beëindigen van het gebruik van het besloten bodemenergiesysteem:

2.

Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.

Artikel 4.1147a. (overgangsrecht)

De artikelen 4.1136 tot en met 4.1145 zijn niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is aangelegd voor 1 juli 2013.

§ 4.112. Open bodemenergiesysteem

Artikel 4.1148. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem.

Artikel 4.1149. (melding als er geen vergunningplicht is)

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1148, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als de activiteit niet meer als vergunningplichtig is aangewezen in de omgevingsverordening, bedoeld in artikel 2.16.

Artikel 4.1150. (registratieplicht)

Van de volgende gegevens wordt een registratie bijgehouden:

Artikel 4.1150a. (jaarlijks verstrekken gegevens en bescheiden)

Jaarlijks voor 1 april worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1150, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1151. (energie: voorkomen negatieve interferentie)

Met het oog op het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen wordt negatieve interferentie voorkomen tussen het open bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 4.1152. (bodem: temperatuur grondwater)

De temperatuur van het grondwater dat door een open bodemenergiesysteem in de bodem wordt teruggeleid is ten hoogste 25 °C.

Artikel 4.1153. (bodem: werkzaamheden)

Een open bodemenergiesysteem wordt ontworpen, aangelegd, onderhouden, gerepareerd en buiten gebruik gesteld door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor:

Artikel 4.1154. (energie: systeemeisen)
1.

Met het oog op het doelmatig gebruik van bodemenergie is het open bodemenergiesysteem zo geïnstalleerd dat het is afgestemd op de aard en de omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.

2.

Een open bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.

3.

In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het systeem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.

Artikel 4.1155. (energie: berekenen energierendement)

Het energierendement, uitgedrukt als SPF, wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd;

Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;

E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;

G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

Artikel 4.1156. (meetverplichting: warmte en koude)

De hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem worden toegevoegd, worden gemeten met momentane metingen met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 5%, die ten minste eenmaal per vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.1157. (bodem: buiten gebruik stellen open bodemenergiesysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende lagen, wordt zo spoedig mogelijk na het beëindigen van het gebruik van een open bodemenergiesysteem, het systeem zo opgevuld dat de waterscheidende lagen in stand blijven.

2.

Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.

Artikel 4.1157a. (overgangsrecht)

De artikelen 4.1149 tot en met 4.1156 zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning is verleend en waarbij de aanvraag van die vergunning is gedaan voor 1 juli 2013.

§ 4.113. Militaire oefeningen

Artikel 4.1158. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van militaire oefeningen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1159. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1158, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1160. (veiligheid: gebruik oefenmunitie die projectielen veroorzaakt)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt geen oefenmunitie die projectielen veroorzaakt, gebruikt met een maximale dracht van meer dan 180 m, gebaseerd op de combinatie van wapen en munitie.

2.

Oefenmunitie die projectielen veroorzaakt wordt niet gebruikt als derden zonder beschermingsmiddelen binnen een cirkel met een straal van 180 m aanwezig zijn, gemeten vanuit iedere individuele schutter die deelneemt aan de oefening.

Artikel 4.1161. (veiligheid: gebruik oefenmunitie die geen projectielen veroorzaakt)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt oefenmunitie die geen projectielen veroorzaakt niet gebruikt binnen een afstand van 100 m ten opzichte van personen die niet aan de oefening deelnemen.

Artikel 4.1162. (veiligheid: gebruik springstoffen)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden explosieve ladingen niet ontstoken als:

Artikel 4.1163. (externe veiligheid: opslag ontplofbare stoffen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden gevaarlijke stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3 en 1.4 opgeslagen volgens de voorschriften 18301 tot en met 18308 van MP-40-21, en wordt een onveilige zone van 25 m aangehouden.

2.

Op militaire objecten zonder permanente voorzieningen voor de opslag van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1.3 wordt niet meer dan 50 kg NEM van deze gevaarlijke stoffen of voorwerpen opgeslagen.

Artikel 4.1164. (bodem en water: tanken brandstoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam vindt het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen buiten een vloeistofdichte bodemvoorziening plaats boven een lekbak.

2.

Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.

3.

Het vulpistool van een mobiele installatie voor het tanken wordt tijdens het tanken niet vastgezet.

Artikel 4.1165. (bodem en water: onderhoud voertuigen en vaartuigen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam vindt het onderhouden of repareren van onderdelen van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, die olie of koelvloeistof bevatten, buiten een daarvoor ingerichte voorziening plaats boven een lekbak.

2.

Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.

Artikel 4.1166. (bodem: opslag gevaarlijke (afval)stoffen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem op een militair object of terrein zonder permanente bodembeschermende voorzieningen voor het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in verpakking of gevaarlijke afvalstoffen in verpakking worden:

Artikel 4.1167. (bodem en water: opslag brandstoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden in een mobiel brandstofdepot, dat voor meer dan zeven dagen wordt opgesteld, de brandstofcontainers, tankwagens, pompen en leidingen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening geplaatst.

2.

In een mobiel brandstofdepot dat voor minder dan zeven dagen wordt opgesteld, worden de brandstofcontainers, tankwagens, pompen en leidingen boven een aaneengesloten bodemvoorziening geplaatst.

3.

Bij het gebruik van brandstofzakken in een mobiel brandstofdepot worden deze geplaatst in een omwalling met een folie dat voldoende sterk en voor brandstof ondoorlaatbaar is en worden de pompen en leidingen boven een lekbak geplaatst.

4.

Met brandstof verontreinigd hemelwater uit de bodembeschermende voorzieningen wordt niet geloosd.

Artikel 4.1168. (bodem: preventie wassen voertuigen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden gemotoriseerde voertuigen niet gewassen buiten een daarvoor ingerichte voorziening.

Artikel 4.1169. (water: lozingsroute bij drinkwaterbereiding)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam wordt proceswater van een mobiele drinkwaterinstallatie geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

§ 4.114. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen

Artikel 4.1170. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1171. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1170, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1172. (externe veiligheid: opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is bij het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kg NEM van ADR-klasse 1.3:

Artikel 4.1173. (externe veiligheid: opslaan, voorhanden hebben en onderhouden)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet het:

Artikel 4.1174. (externe veiligheid: opslaan stoffen van ADR-klassen 1.3, 1.4, 1.5 en 1.6)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid:

§ 4.115. Militaire schietbaan

Artikel 4.1175. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een militaire schietbaan.

Artikel 4.1176. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1175, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1177. (externe veiligheid: constructie binnenschietbaan)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking aan de voorschriften 2.6.1.20, 2.6.1.30, 2.6.3.10, 2.6.3.20, 2.6.4.10 en 2.6.4.30 van MP40-30.

Artikel 4.1178. (externe veiligheid: constructie buitenschietbaan)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een schietbaan die ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde aan de paragrafen 2.1.1 tot en met 2.1.5, 2.2.1 tot en met 2.2.5, 2.3.1 tot en met 2.3.5, 2.4.1 tot en met 2.4.4 en 2.5.1 tot en met 2.5.3 van MP40-30.

2.

Als het gebied waarin munitie afkomstig uit vuurwapens of wapenplatforms kan neerkomen tijdens het schieten buiten de afgebakende omgrenzing van het militaire object ligt, wordt tijdens het schieten:

3.

Voorafgaand aan het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, worden de mogelijke gebruikers van dat gebied tijdig gewaarschuwd.

4.

Het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, wordt onverwijld stilgelegd als personen binnen dat gebied dreigen te komen.

Artikel 4.1179. (externe veiligheid: handgranaatbaan)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een baan voor het werpen met handgranaten aan de paragrafen 3.1.1 tot en met 3.1.5 en aan de voorschriften 3.1.6.100 en 3.1.7.20 van MP40-30.

Artikel 4.1180. (bodem: uitvoeren bodem of vloer)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt op een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking de bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften 2.6.2.20 en 2.6.2.40 van MP40-30.

2.

Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1181. (bodem: opstellen kogelvanger)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem met kogelresten is op een schietbaan die ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde, de kogelvanger opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij de kogelvanger een overkapping tegen inregenen heeft.

§ 4.116. Het op of in de bodem brengen van meststoffen

Artikel 4.1182. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van meststoffen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1183. (bodem: meststoffen of afvalstoffen)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden alleen meststoffen op of in de bodem gebracht die op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mogen worden verhandeld.

Artikel 4.1184. (bodem en water: meststoffen op bevroren bodem of sneeuw)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als de bovenste laag van de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van stikstofkunstmest op kleigronden waarop graan wordt geteeld, als:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op grasland als voor de gronden beheer gericht op het in stand houden van natuurwaarden voor gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet is vastgesteld, ter uitvoering van een voorwaarde die is verbonden aan een verleende subsidie op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met dat beheer heeft ingestemd, en aan het beheer beperkingen zijn verbonden over de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat, die op of in de bodem worden gebracht.

Artikel 4.1185. (bodem: meststoffen op met water verzadigde bodemlaag)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als de bovenste bodemlaag met water is verzadigd.

Artikel 4.1186. (bodem: meststoffen bij bevloeien en beregenen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden van 1 september tot en met 31 januari dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid of beregend.

Artikel 4.1187. (bodem: perioden voor vaste mest)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op:

3.

Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vaste mest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vaste mest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1188. (bodem: perioden voor drijfmest)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt drijfmest van 1 augustus tot en met 15 maart niet op of in de bodem gebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van drijfmest op:

3.

Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van drijfmest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om drijfmest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1188a. (gegevens en bescheiden: eerdere bemesting van vroege teelten)

Jaarlijks worden uiterlijk de dag voorafgaand aan het gebruik van drijfmest in de periode van 16 februari tot en met 15 maart aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als in dat kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot:

Artikel 4.1188b. (elektronisch formulier en ondertekening)
1.

De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar worden gesteld.

2.

Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 4.1189. (bodem: perioden voor stikstofkunstmest)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt van 16 september tot en met 31 januari geen stikstofkunstmest op of in de bodem van bouwland of grasland gebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwland waarop:

Artikel 4.1190. (bodem: meststoffen op hellingen bij geulenerosie)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht op gronden met een hellingspercentage van ten minste 7% als deze zijn aangetast door de versnelde afvoer van bodemmateriaal door afstromend water en daarbij geulen van meer dan 30 cm diepte zijn ontstaan.

Artikel 4.1191. (bodem: meststoffen op hellingen niet-beteelde gronden)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage van ten minste 7%.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van dierlijke meststoffen op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage tussen de 7% en 18%, als deze gronden uiterlijk acht dagen na het op of in de bodem brengen hiervan zijn ingezaaid:

Artikel 4.1192. (bodem: meststoffen op hellingen bouwland)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden op bouwland met een hellingspercentage van ten minste 18% geen dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen of stikstofkunstmest gebracht.

Artikel 4.1193. (bodem: telen van mais op zandgronden of lössgronden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt aansluitend op de teelt van mais op zandgronden of lössgronden:

2.

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld:

3.

Het gewas dat aansluitend op mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.

Artikel 4.1194. (bodem: informeren na telen mais van ander gewas)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, wordt uiterlijk op 1 oktober geïnformeerd als een gewas als bedoeld in artikel 4.1193, eerste lid, onder b, of tweede lid, wordt geteeld.

Artikel 4.1194a. (bodem: telen van rustgewassen)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest uitsluitend op of in de bodem gebracht als op landbouwgrond op zandgronden of lössgronden per aaneengesloten periode van vier kalenderjaren, gerekend vanaf 1 januari 2023, ten minste in één kalenderjaar en uiterlijk in het vierde kalenderjaar, op de desbetreffende grond één van de bij ministeriële regeling als rustgewas aangewezen gewassen wordt geteeld.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

Artikel 4.1195. (bodem: meststoffen op natuurgronden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op natuurgronden alleen dierlijke meststoffen en compost op of in de bodem gebracht.

2.

Het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.

3.

Als het gaat om grasland, is het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost niet groter is dan 70 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

4.

Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.

Artikel 4.1196. (bodem: meststoffen bij beheer natuurgronden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem is artikel 4.1195, tweede en derde lid, niet van toepassing op het brengen van dierlijke meststoffen of compost op gronden waarvoor beheer gericht op het in stand houden van natuurwaarden voor gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet is vastgesteld, ter uitvoering van een voorwaarde die is verbonden aan een verleende subsidie op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met dat beheer heeft ingestemd, en aan het beheer beperkingen zijn verbonden over de te gebruiken hoeveelheid dierlijke meststoffen of compost, uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per hectare per jaar.

2.

Op overeenkomsten over aan het beheer van natuurgronden verbonden beperkingen voor de hoeveelheid op of in de bodem te brengen dierlijke meststoffen die zijn gesloten voor 1 januari 2020 en die na die datum niet zijn gewijzigd of verlengd, blijven die beperkingen voor de toepassing van dit artikel gelden.

Artikel 4.1197. (bodem: meststoffen overige gronden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op overige gronden alleen de volgende meststoffen op of in de bodem gebracht:

2.

Het totaal van de hoeveelheid meststoffen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.

3.

Als het gaat om grasland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht, niet groter dan 90 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

4.

Als het gaat om bouwland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht niet groter dan 60 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

5.

Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.

Artikel 4.1198. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de gebruiksnormen in deze paragraaf niet versoepeld.

2.

Artikel 4.1199c wordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.

Artikel 4.1199. (lucht: emissiearm op of in de bodem brengen meststoffen)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt bij het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen voldaan aan het BBT-document emissiearm aanwenden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het op of in de bodem brengen van drijfmest om winderosie te voorkomen:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op gronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.

Artikel 4.1199a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1199b

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1199c. (water: meststoffen bij oppervlaktewaterlichamen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen meststoffen op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1199c.

2.

De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:

3.

In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.

4.

In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van meststoffen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

Soort oppervlaktewaterlichaam Minimale breedte van de bufferstrook Minimale breedte van de bufferstrook Minimale breedte van de bufferstrook
Soort oppervlaktewaterlichaam Basis Afschaling 1: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat Afschaling 2: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook na afschaling 1 meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat
Oppervlaktewaterlichaam als aangewezen in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet 500 cm n.v.t. n.v.t.
Krw-oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving 500 cm 300 cm 100 cm als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van ten hoogste 1.000 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam n.v.t. als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van meer dan 1.000 cm
Oppervlaktewaterlichaam dat onder normale omstandigheden voor de zomer droogvalt en ten minste in de periode van 1 april tot en met 1 oktober droog staat 100 cm n.v.t. n.v.t.
Overige oppervlaktewaterlichamen 300 cm 100 cm 50 cm
Artikel 4.1199d. (geen gelijkwaardige maatregel)

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is tot en met 31 december 2025 uitgesloten voor artikel 4.1199c.

§ 4.117. Het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib

Artikel 4.1200. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1201. (bodem: zuiveringsslib alleen op landbouwgronden)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib alleen op landbouwgronden op of in de bodem gebracht.

Artikel 4.1202. (bodem: zuiveringsslib of afvalstoffen)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt alleen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht dat op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld.

Artikel 4.1203. (bodem en water: zuiveringsslib op bevroren bodem of sneeuw)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste laag van de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

Artikel 4.1204. (bodem: zuiveringsslib bij met water verzadigde bodemlaag)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste bodemlaag met water is verzadigd.

Artikel 4.1205. (bodem: zuiveringsslib bij bevloeien of beregenen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht als de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid of beregend.

Artikel 4.1206. (bodem: perioden voor steekvast zuiveringsslib)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt steekvast zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op:

3.

Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van steekvast zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om steekvast zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207. (bodem: perioden voor vloeibaar zuiveringsslib)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vloeibaar zuiveringsslib van 1 augustus tot en met 15 maart niet op of in de bodem gebracht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vloeibaar zuiveringsslib op:

3.

Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vloeibaar zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vloeibaar zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207a. (gegevens en bescheiden: eerdere bemesting van vroege teelten)

Jaarlijks worden uiterlijk de dag voorafgaand aan het gebruik van zuiveringsslib in de periode van 16 februari tot en met 15 maart aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als in dat kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen wordt ingezaaid, geplant of gepoot:

Artikel 4.1207b. (elektronisch formulier en ondertekening)
1.

De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar worden gesteld.

2.

Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 4.1208. (bodem: zuiveringsslib op hellingen bij geulenerosie)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht op gronden met een hellingspercentage van ten minste 7% als de bodem is aangetast door de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water en daarbij geulen van meer dan 30 cm diepte zijn ontstaan.

Artikel 4.1209. (bodem: zuiveringsslib op hellingen niet-beteelde gronden)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage van ten minste 7%.

Artikel 4.1210. (bodem: zuiveringsslib op hellingen bouwland)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op bouwland gebracht met een hellingspercentage van ten minste 18%.

Artikel 4.1211. (bodem: telen van mais op zandgronden of lössgronden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt aansluitend op de teelt van mais op zandgronden of lössgronden:

2.

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.

3.

Het gewas dat aansluitend op mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.

Artikel 4.1212. (bodem: informeren na telen mais van ander gewas)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, wordt uiterlijk op 1 oktober geïnformeerd als een gewas als bedoeld in artikel 4.1211, eerste lid, onder b, of tweede lid, wordt geteeld.

Artikel 4.1212a. (bodem: telen van rustgewassen)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib uitsluitend op of in de bodem gebracht als op landbouwgrond op zandgronden of lössgronden per aaneengesloten periode van vier kalenderjaren, gerekend vanaf 1 januari 2023, ten minste in één kalenderjaar en uiterlijk in het vierde kalenderjaar, op de desbetreffende grond één van de bij ministeriële regeling als rustgewas aangewezen gewassen wordt geteeld.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

Artikel 4.1212b. (water: zuiveringsslib bij oppervlaktewaterlichamen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1212b.

2.

De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:

3.

In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.

4.

In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

Soort oppervlaktewaterlichaam Minimale breedte van de bufferstrook Minimale breedte van de bufferstrook Minimale breedte van de bufferstrook
Soort oppervlaktewaterlichaam Basis Afschaling 1: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat Afschaling 2: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook na afschaling 1 meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat
Oppervlaktewaterlichaam als aangewezen in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet 500 cm n.v.t. n.v.t.
Krw-oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving 500 cm 300 cm 100 cm als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van ten hoogste 1.000 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam n.v.t. als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van meer dan 1.000 cm
Oppervlaktewaterlichaam dat onder normale omstandigheden voor de zomer droogvalt en ten minste in de periode van 1 april tot en met 1 oktober droog staat 100 cm n.v.t. n.v.t.
Overige oppervlaktewaterlichamen 300 cm 100 cm 50 cm
Artikel 4.1213. (lucht: emissiearm op of in de bodem brengen zuiveringsslib)
1.

Met het oog op het beperken van emissie in de lucht wordt bij het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib voldaan aan het BBT-document emissiearm aanwenden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op landbouwgronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.

Artikel 4.1213a. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Artikel 4.1212b wordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.

Artikel 4.1213b. (geen gelijkwaardige maatregel)

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is tot en met 31 december 2025 uitgesloten voor artikel 4.1212b.

§ 4.118. Het vernietigen van de zode van gras

Artikel 4.1214. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.

Artikel 4.1215. (bodem: vernietigen zode gras op weidegronden)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de zode van gras op weidegronden niet vernietigd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de zode van gras in de periode van 1 juni tot en met 15 juli wordt vernietigd en aansluitend uiterlijk op 16 juli de teelt van Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula begint die wordt ingezet voor aaltjesbeheersing in een vervolgteelt uiterlijk in het volgende kalenderjaar.

4.

Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula wordt niet verwijderd in de periode tussen het moment van inzaaien en 23 oktober van dat jaar.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op weidegronden in de periode van 16 september tot en met 30 november als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.

Artikel 4.1216. (bodem: informeren vernietigen zode van gras)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voorafgaand aan het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in artikel 4.1215, tweede lid, onder b, onder 3°, geïnformeerd over de datum waarop deze wordt vernietigd.

Artikel 4.1217. (bodem: stikstofhoudende meststoffen, bemonsterplicht en meetmethode)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op gronden die zijn beteeld met gewassen als bedoeld in artikel 4.1215, tweede lid, onder a en b, onder 1° en 2°, alleen stikstofhoudende meststoffen gebracht als de hoeveelheid stikstof, rekening houdend met de minerale stikstof en met de toevoer van stikstof door netto-mineralisatie van de organische stikstof in die gronden, onvoldoende is om te voldoen aan de behoefte van het gewas.

2.

De hoeveelheid organische stikstof in de bodem wordt vastgesteld met een representatief grondmonster, dat wordt geanalyseerd door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor een methode die geschikt is voor de vaststelling daarvan.

Artikel 4.1218. (bodem: vernietigen zode van gras bij herverkaveling en nutsvoorzieningen)

Artikel 4.1215, eerste lid, is niet van toepassing op:

§ 4.119. Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 4.1219. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1220. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1221. (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1222. (bodem en afval: gescheiden houden grond)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

Artikel 4.1222a. (bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

2.

Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 4.1223. (bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

2.

Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1222 worden gescheiden opgeslagen.

§ 4.120. Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 4.1224. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1225. (melding)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

4.

In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1226. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

3.

In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1227. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1228. (gegevens en bescheiden: na de activiteit bij spoedreparatie)

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over:

Artikel 4.1229. (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, wordt voldaan aan de regels over voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1230. (bodem en afval: gescheiden houden grond)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, het opslaan en het afvoeren of terugplaatsen van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

2.

Het gescheiden houden gebeurt door matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit die vrijkomt bij het graven op te delen in partijen volgens de volgende criteria:

Artikel 4.1230a. (bodem: tijdelijk uitnemen van grond)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel.

2.

Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 4.1231. (bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

2.

Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1230 worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 4.1232. (bodem en afval: kwaliteitsborging)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 4.1233. (bodem en afval: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als:

Artikel 4.1234. (gegevens en bescheiden: bij beëindigen activiteit)

Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

§ 4.121. Saneren van de bodem

Artikel 4.1235. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1236. (melding)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.1237. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1238. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1239. (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

Artikel 4.1240. (bodem: twee standaard saneringsaanpakken)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt het saneren van de bodem uitgevoerd volgens artikel 4.1241 of 4.1242 of met een combinatie van beide aanpakken.

Artikel 4.1241. (bodem: afdekken als saneringsaanpak)
1.

Dit artikel is van toepassing bij afdekken als saneringsaanpak.

2.

Er wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt.

3.

De afdeklaag bestaat uit:

4.

Onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval verstaan een verhardingslaag die bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat of bestrating met klinkers of tegels.

5.

Verontreinigde grond die is vrijgekomen, wordt alleen herschikt op het gedeelte van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht overeenkomstig dit artikel.

Artikel 4.1242. (bodem: verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak)
1.

Dit artikel is van toepassing bij verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak.

2.

Verontreiniging van de bodem wordt verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de in het omgevingsplan opgenomen waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld.

Artikel 4.1243. (bodem: kwaliteitsborging)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond, het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het saneren van de bodem verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 4.1244. (bodem: milieukundige begeleiding sanering)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 4.1245. (bodem: aanvullende maatregelen uitdampen)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem maatregelen getroffen om te voorkomen dat er blootstelling kan plaatsvinden aan uitdamping vanuit die verontreiniging naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

Artikel 4.1246. (gegevens en bescheiden: bij beëindigen activiteit)
1.

Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:

2.

Bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem wordt ook een onderzoek overgelegd dat aantoont dat de kwaliteit van de binnenlucht in een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie met de in artikel 4.1245, tweede lid, bedoelde maatregelen voldoet aan de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) in microgram per kubieke meter lucht zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3.

Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:

§ 4.122. Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie

Artikel 4.1247. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, voor een toepassing als bedoeld in artikel 4.1266, vierde lid, onder a.

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1248. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 4.1247 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

In afwijking van het eerste en derde lid geldt een termijn van een week als de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1249. (afval en water: administratie partijen grond of baggerspecie)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een administratie bijgehouden van de opgeslagen partijen grond of opgeslagen partijen baggerspecie, met daarin per partij geregistreerd:

Artikel 4.1250. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1247, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, als het gaat om het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.1251. (water: lozingsroutes bij opslaan van licht of matig verontreinigde baggerspecie)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan, zeven of mechanisch ontwateren van baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.1252. (water: lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1252, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100
Chemisch zuurstofverbruik 200
Artikel 4.1253. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

Artikel 4.1254. (bodem en water: bodembeschermende voorziening bij opslaan baggerspecie)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam met bodembedreigende stoffen wordt baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, opgeslagen in een met folie beklede grondput volledig omringd door een dijklichaam:

2.

Folie dat voor een baggerspeciedepot wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van baggerspecie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL-K1149.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van het opslaan mag worden toegepast.

Artikel 4.1255. (afval, bodem en water: samenvoegen partijen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam worden verschillende partijen grond of partijen baggerspecie niet samengevoegd tot een partij die groter is dan 25 m3.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

Artikel 4.1256. (afval en water: termijn opslaan)
1.

In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan drie jaar opgeslagen.

2.

In een oppervlaktewaterlichaam wordt in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan tien jaar opgeslagen.

§ 4.123. Toepassen van bouwstoffen

Artikel 4.1257. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen.

2.

De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1257a. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.

Artikel 4.1258. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Als AVI-bodemassen of immobilisaten worden toegepast, worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

2.

Het eerste lid, onder c, j, k, m, n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder voor het werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Artikel 4.1259. (gegevens en bescheiden: tijdens en na afloop van het aanbrengen)
1.

Tijdens het aanbrengen van de bouwstoffen zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

3.

Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de bouwstoffen bewaard.

Artikel 4.1260. (milieu, grondstof, afvalstof en water: functionele toepassing)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu worden bouwstoffen alleen toegepast voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk.

2.

Bouwstoffen worden, voor zover de bouwstoffen een afvalstof zijn, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

3.

In afwijking van het eerste lid worden met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam geen bouwstoffen toegepast met het doel:

Artikel 4.1261. (grondstof, afvalstof en water: functionele hoeveelheid)

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bouwstoffen niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van het werk volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1262. (bodem en water: beschermende maatregelen)
1.

Met het oog op het beschermen van de bodem en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bouwstoffen:

2.

Bouwstoffen worden verwijderd als het werk waarin ze zijn toegepast buiten gebruik is gesteld, tenzij het verwijderen van de bouwstoffen grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft dan het niet-verwijderen.

Artikel 4.1263. (grondstof, afvalstof en water: bouwstoffen vermengd met grond of baggerspecie)

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden geen bouwstoffen toegepast die zijn vermengd met meer dan 20 gewichtsprocent grond of baggerspecie, tenzij de grond of baggerspecie als grondstof voor de bouwstoffen heeft gediend.

Artikel 4.1264. (milieu: kwaliteitseisen)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen bouwstoffen toegepast die voldoen aan de voor bouwstoffen geldende kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit.

2.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.

§ 4.124. Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 4.1265. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

2.

De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1265a. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.

Artikel 4.1266. (melding)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het vijfde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het tweede lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1274, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

5.

In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:

Artikel 4.1267. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder d en f, is niet van toepassing op het toepassen van baggerspecie in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, als de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee en uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717 geen indicatie volgt dat de zeebodem waaruit de baggerspecie afkomstig is, is verontreinigd.

4.

Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op:

5.

Het eerste lid, onder c, f, k, l, n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

6.

In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:

7.

Als sprake is van toepassen van grond of baggerspecie die volgens BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, wordt dit vermeld bij het verstrekken van de gegevens en bescheiden volgens het eerste lid en wordt ook aangegeven volgens welke reinigingsmethode de grond of baggerspecie is gereinigd, tenzij deze informatie in de milieuverklaring bodemkwaliteit is vermeld.

Artikel 4.1268. (gegevens en bescheiden: tijdens en na afloop van het aanbrengen)
1.

Tijdens het aanbrengen van grond of baggerspecie zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

2.

Als op grond van artikel 4.1267, tweede lid, onder c, d of e, of artikel 4.1267, derde lid, geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt, is voor de grond of baggerspecie die wordt toegepast een milieuverklaring bodemkwaliteit beschikbaar, en ook een afleverbon, als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt.

3.

Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van grond of baggerspecie bewaard.

Artikel 4.1269. (milieu: functionele toepassing)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt grond of baggerspecie alleen toegepast:

2.

Als functionele toepassing worden de volgende werken aangewezen:

3.

Als functionele toepassingen worden ook aangewezen:

4.

Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

Artikel 4.1270. (grondstof, afvalstof en water: functionele hoeveelheid)

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt grond of baggerspecie niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1271. (milieu: bodemvreemd materiaal)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt alleen grond of baggerspecie toegepast als:

2.

Als in grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de grond of baggerspecie bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was.

Artikel 4.1272. (milieu: kwaliteitseisen)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in het kader van functionele toepassingen als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, a tot en met e en g, en derde lid, onder a en c, op de landbodem alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

2.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in de artikelen 4.1269, tweede lid, a, d en f tot en met h, en 4.1269, derde lid, onder b en c, in een oppervlaktewaterlichaam alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan:

3.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

Artikel 4.1273. (afbakening mogelijkheid maatwerk kwaliteitseisen)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste of tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

Artikel 4.1274. (milieu: grootschalig toepassen)
1.

Grond of baggerspecie mag in afwijking van artikel 4.1272, eerste en tweede lid, ook volgens het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel worden toegepast als sprake is van toepassen in het kader van:

2.

Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:

3.

In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:

4.

In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste grond of baggerspecie:

5.

Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.

Artikel 4.1275. (afbakening mogelijkheid maatwerk grootschalig toepassen)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het grootschalig toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1274, tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

Artikel 4.1276. (milieu: toepassen in een diepe plas)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1272, tweede lid, in het kader van het toepassen van grond of baggerspecie in opvullingen van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i, alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder c, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor toepassen in een diepe plas geschikte grond of de kwaliteit voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie.

2.

Op de toegepaste grond of baggerspecie wordt binnen een jaar nadat het toepassen is voltooid of onderbroken een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder d, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

3.

Als de diepe plas bij de herinrichting geheel of gedeeltelijk tot landbodem is ontwikkeld, wordt binnen een jaar na de beëindiging van het toepassen een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1272 gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem.

4.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid wordt voldaan.

Artikel 4.1277. (afbakening mogelijkheid maatwerk toepassen in een diepe plas)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het in een diepe plas toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1276, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

Artikel 4.1278. (milieu: verspreiden baggerspecie)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1272, eerste en tweede lid, in het kader van verspreiding van baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, alleen baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder b, c of d, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor verspreiden geschikte baggerspecie.

2.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.1279. (afbakening mogelijkheid maatwerk verspreiden baggerspecie)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het verspreiden van baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1278, alleen worden toegestaan als de toe te passen baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt verspreid.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het verspreiden van baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

Artikel 4.1280. (milieu: toepassen van tarragrond)
1.

Als sprake is van toepassen van tarragrond, wordt in afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, met het oog op het beschermen van het milieu alleen tarragrond toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor tarragrond, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder e, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse en de bodemfunctieklasse waarin de ontvangende landbodem is ingedeeld.

2.

Als sprake is van het grootschalig toepassen van tarragrond, wordt in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, onder a, met het oog op het beschermen van het milieu alleen tarragrond toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor tarragrond, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond en voor de kwaliteitsklasse industrie.

3.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

4.

Tarragrond wordt alleen op de landbodem toegepast.

5.

Tarragrond die is ontstaan bij het schoonmaken van aardappelen die zijn behandeld met chloorprofam wordt niet toegepast in een gebied dat op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland.

§ 4.125. Toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg

Artikel 4.1281. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

2.

De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.1282. (melding)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1281, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het zesde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het eerste lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1290, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

5.

Dit artikel is niet van toepassing als voor het werk waarin de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, al eerder een melding is gedaan.

6.

In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor het grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 4.1290.

Artikel 4.1283. (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1281, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 25 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 4.1290.

4.

Het eerste lid, onder b, d, e en f, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Artikel 4.1284. (gegevens en bescheiden: tijdens en na afloop van het aanbrengen)
1.

Tijdens het aanbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

2.

Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewaard.

Artikel 4.1285. (milieu: functionele toepassing)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt mijnsteen of vermengde mijnsteen alleen toegepast in een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een functionele toepassing die is aangewezen in het tweede lid.

2.

Als functionele toepassing worden aangewezen:

3.

Mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt, voor zover de mijnsteen of vermengde mijnsteen een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

Artikel 4.1286. (grondstof, afvalstof en water: functionele hoeveelheid)

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden mijnsteen of vermengde mijnsteen niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1287. (milieu: bodemvreemd materiaal)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast, als:

2.

Als in mijnsteen of vermengde mijnsteen bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de vermengde mijnsteen aanwezig was.

Artikel 4.1288. (milieu: kwaliteitseisen)
1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt op de landbodem alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

2.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in een oppervlaktewaterlichaam alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast die voldoet aan:

3.

Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

Artikel 4.1289. (afbakening mogelijkheid maatwerk kwaliteitseisen)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1288, eerste of tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

Artikel 4.1290. (grootschalig toepassen)
1.

Mijnsteen of vermengde mijnsteen mag in afwijking van artikel 4.1288, eerste en tweede lid, ook volgens het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel worden toegepast als sprake is van toepassen voor:

2.

Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, zesde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit «emissiearme mijnsteen» of de kwaliteit «emissiearme vermengde mijnsteen», en de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

3.

In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:

4.

In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen:

Artikel 4.1291. (afbakening mogelijkheid maatwerk grootschalig toepassen)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1288, eerste en tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

2.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede, derde of vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

§ 4.126. Kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen

Artikel 4.1292. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie waarin de volgende stoffen worden gestookt:

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

3.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

4.

In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.

Artikel 4.1293. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1292, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

5.

Het tweede lid, onder d, en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.

Artikel 4.1294. (informeren: sector en verwachte bedrijfsuren)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste vier weken voor het begin van de activiteit geïnformeerd over:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.

Artikel 4.1295. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1292, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1296. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift, gesteld na 1 januari 2024, worden de emissiegrenswaarden in deze paragraaf niet versoepeld voor stookinstallaties waarop voor die datum een emissiegrenswaarde van toepassing was.

Artikel 4.1297. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstof wordt een stookinstallatie die daarmee wordt gestookt gevuld en geleegd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1298. (lucht: opstarten en stilleggen)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt de periode van het opstarten of stilleggen van een stookinstallatie zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 4.1299. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarden)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1301 tot en met 4.1305, 4.1307 en 4.1308, gelden niet voor:

2.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1302 tot en met 4.1305, 4.1307 en 4.1308, gelden ook niet voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.

3.

Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is, bedoeld in het tweede lid, wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:

4.

Bij tijdelijke of definitieve vervanging van een installatie als bedoeld in het tweede lid, is de totale gezamenlijke bedrijfstijd van de installaties in het jaar van vervanging niet meer dan 500 uur.

Artikel 4.1300. (lucht: omrekenen van emissies)
1.

De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide, totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen worden omgerekend naar een volumegehalte aan zuurstof van:

2.

De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.

3.

De emissies van onverbrande koolwaterstoffen worden berekend als koolstof.

Artikel 4.1301. (lucht: emissiegrenswaarde stookinstallatie 500 uur voor totaal stof)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is en die wordt gestookt op een vaste brandstof, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 100 mg/Nm3.

Artikel 4.1302. (lucht: emissiegrenswaarden regeneratie glycol)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol is de emissiegrenswaarde van stikstofoxiden 80 mg/Nm3.

Artikel 4.1303. (lucht: emissiegrenswaarden ketel)
1.

Voor de emissie in de lucht van een ketel zijn de emissiegrenswaarden:

2.

Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:

3.

Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als de afgezogen stofemissies door een geschikt doekenfilter worden gevoerd.

4.

Aan het eerste lid wordt bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 0,5 MW in ieder geval voldaan als Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PbEU 2015, L 193/100) van toepassing is.

Brandstof / nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa, gestookt in een ketel van meer dan 400 kW en minder dan 1 MW 120 200 20
Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa, gestookt in een ketel van tenminste 1 MW 120 200 5
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten hoogste 0,5 MW 300 200 40
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van meer dan 0,5 MW en minder dan 1 MW 275 100 15
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 1 en minder dan 5 MW 145 100 5
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 5 MW 100 60 5
Vergistingsgas, gestookt in een ketel van meer dan 400 kW en minder dan 1 MW 70 200
Vergistingsgas, gestookt in een ketel van meer dan 1 MW 70 100
Aardgas, gestookt in een ketel van meer dan 400 kW 70
Propaangas of butaangas, gestookt in een ketel van meer dan 400 kW 140
Artikel 4.1303a. (afbakening mogelijkheid maatwerk emissiegrenswaarde ammoniak)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1303, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

Artikel 4.1304. (lucht: emissiegrenswaarden gasturbine)

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1304.

Brandstof Stikstofoxiden in mg/Nm 3 Zwaveldioxide in mg/Nm 3 Totaal stof in mg/Nm 3
Vloeibare brandstof 50 65 5
Aardgas 50
Andere gasvormige brandstof 50 15
Artikel 4.1305. (lucht: emissiegrenswaarden dieselmotor)

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1305.

Nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm 3 Zwaveldioxide in mg/Nm 3 Totaal stof in mg/Nm 3
Ten hoogste 5 MW 150 65 20
Meer dan 5 MW 150 65 10
Artikel 4.1306. (gegevens en bescheiden: haalbaarheid vermindering stikstofoxiden)
1.

Als een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift is gesteld voor 1 januari 2022 voor een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 600 kW op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform waarmee de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden is verhoogd tot meer dan 150 mg/Nm3, wordt elke 5 jaar een haalbaarheidsstudie over de vermindering van de emissies van stikstofoxiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

2.

De haalbaarheidsstudie gaat in op emissiebeperkende maatregelen en alternatieve technieken.

3.

Onder alternatieve technieken worden in ieder geval verstaan zonne-energie, windenergie, gasmotoren en gasturbines.

Artikel 4.1307. (lucht: emissiegrenswaarden gasmotor)

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1307.

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm 3 Zwaveldioxide in mg/Nm 3 Onverbrande koolwaterstoffen in mg/Nm 3
Minder dan 2,5 MW, gestookt op aardgas 95
Minder dan 2,5 MW, gestookt op propaangas of butaangas 115
Ten minste 2,5 MW, tenzij het gaat om vergistingsgas 35 500
Vergistingsgas 115 40
Artikel 4.1308. (lucht: emissiegrenswaarden andere stookinstallatie)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1308.

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm 3 Zwaveldioxide in mg/Nm 3 Totaal stof in mg/Nm 3
Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa 120 200 5
Rie-biomassa, voor zover de installatie een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van ten hoogste 5 MW 275 200 20
Rie-biomassa, voor zover de installatie een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van meer dan 5 MW 145 200 5
Vergistingsgas 80 100
Aardgas 80
Propaangas, butaangas 140
Artikel 4.1309. (lucht: emissiegrenswaarden vervangende stookinstallatie)

Voor een stookinstallatie die ten hoogste zes maanden een stookinstallatie vervangt die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoomnet of elektriciteitsnet waaraan zij levert, zijn de emissiegrenswaarden de waarden voor de stookinstallatie die buiten bedrijf is.

Artikel 4.1310. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.1301 tot en met 4.1305, 4.1307, 4.1308 en 4.1331 tot en met 4.1336 is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:

Artikel 4.1311. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt periodiek of continu gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide, onverbrande koolwaterstoffen, ammoniak en totaal stof wordt voldaan.

2.

De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, onverbrande koolwaterstoffen en totaal stof van een stookinstallatie:

3.

De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1309 binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.

4.

Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing:

Artikel 4.1312. (lucht: meting)
1.

Een meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1312.

3.

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW is voor totaal stof de meetonzekerheid niet meer dan 40% van de emissiegrenswaarde.

4.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

5.

Een meting wordt verricht door:

6.

Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op:

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Onverbrande koolwaterstoffen 20
Ammoniak 40
Artikel 4.1313. (informeren: niet-continue meting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

2.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1314. (lucht: meetfrequentie niet-continue meting)
1.

Bij een stookinstallatie wordt gemeten:

2.

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt vervolgens elk jaar periodiek gemeten.

3.

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt vervolgens elke drie jaar periodiek gemeten.

4.

Bij een gasturbine, een gasmotor of een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.

5.

Het tweede tot en met vierde lid is niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.

Artikel 4.1315. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden bij niet-continue meting)

Als geen van de gevalideerde meetresultaten, bedoeld in artikel 4.1312, hoger is dan de desbetreffende emissiegrenswaarde, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

Artikel 4.1316. (lucht: omstandigheden voor niet-continue meting)
1.

Metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering als het brandstofmengsel wordt gebruikt dat de hoogste emissie zal opleveren.

2.

Een meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden gebruikt.

3.

Een meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.

Artikel 4.1317. (lucht: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1310 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1318. (lucht: informeren parallelmeting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.1317.

2.

Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

3.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1319. (lucht: resultaat van continue meting)
1.

Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde daggemiddelden.

2.

Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1319.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Onverbrande koolwaterstoffen 20
Ammoniak 40
Artikel 4.1320. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden bij continue meting)
1.

Als bij een continue meting geen van de gevalideerde daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarden, wordt aan de emissiegrenswaarde voldaan.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:

Artikel 4.1321. (lucht: ongeldige metingen continue meting)
1.

De continue metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

2.

Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.1322. (lucht: gelijktijdig gebruik verschillende soorten brandstoffen)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

2.

Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.1323. (lucht: storing)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een stookinstallatie die als gevolg van een storing niet aan de emissiegrenswaarden kan voldoen uiterlijk 120 uren na het optreden van de storing in bedrijf blijven, met een maximum van 120 uren per kalenderjaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:

3.

Tijdens een storing die samenhangt met de gestookte brandstof kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn de emissiegrenswaarden niet van toepassing.

4.

Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.

Artikel 4.1324. (informeren: storing op offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform)

Het Staatstoezicht op de mijnen wordt ten hoogste 120 uur na een storing bij een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1323, tweede lid, schriftelijk geïnformeerd over de reden van de storing en van het niet tijdige herstel.

Artikel 4.1325. (informeren: niet voldoen aan emissiegrenswaarden)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd als niet aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan, over de oorzaak waarom daaraan niet wordt voldaan, en de maatregelen die worden getroffen om zo spoedig mogelijk weer aan de emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel 4.1326. (keuring)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht, het veilig functioneren van de stookinstallatie en het zuinig gebruik van energie wordt:

2.

De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in bedrijf is genomen voor 20 december 2018 vanaf:

3.

Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant beschikbaar is van een koolmonoxide-meting die is verricht aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder d.

4.

Een stookinstallatie wordt gekeurd binnen zes weken nadat deze in bedrijf is genomen.

5.

Een niet-gasgestookte stookinstallatie wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd.

6.

Een gasgestookte stookinstallatie wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd.

7.

De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagement ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

Artikel 4.1327. (verslag keuring)
1.

Van de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, wordt een verslag gemaakt.

2.

Het verslag voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat:

Artikel 4.1328. (lucht en energie: onderhoud)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht, het waarborgen van de veiligheid en het zuinig gebruik van energie wordt de stookinstallatie binnen twee weken na de keuring onderhouden, als uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1327, blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft.

Artikel 4.1329. (lucht en energie: afmeldsysteem)
1.

Als een stookinstallatie bij de keuring of na het onderhoud, bedoeld in artikel 4.1328, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, wordt deze afgemeld in het afmeldsysteem van de Stichting Scios.

2.

De afmelding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.1327, tweede lid.

Artikel 4.1330. (lucht en energie: bewaren registratie, resultaten en overzichten)

De volgende gegevens worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

Artikel 4.1331. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden stookinstallatie 500 uur voor totaal stof)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is en die wordt gestookt op een vaste brandstof, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 200 mg/Nm3, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1332. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden ketel)
1.

Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 200 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 170 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in bedrijf is genomen zijn de emissiegrenswaarden de waarden die volgens het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden golden of de emissiegrenswaarden die bij maatwerkvoorschrift zijn gesteld, tot het tijdstip waarop:

4.

Voor de emissie in de lucht van een ketel gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa die in bedrijf is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof:

5.

De emissiegrenswaarden in tabel 4.1332 zijn van toepassing:

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van minder dan 1 MW 300 200 40
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 1 en minder dan 5 MW 275 200 20
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 5 MW 145 200 5
Artikel 4.1332a. (overgangsrecht: meetverplichting)

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW hoeft niet periodiek of continu te worden gemeten op totaal stof, als de stookinstallatie voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf is genomen en een meetrapport van de leverancier beschikbaar is, waaruit blijkt dat met een filter aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1303, wordt voldaan.

Artikel 4.1333. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden gasturbine)

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine is de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden 75 mg/Nm3 voor een gasturbine op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform, als de gasturbine voor 1 april 2010 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1334. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden dieselmotor)
1.

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW is tot 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en ten hoogste 20 MW is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1335. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden gasmotor)
1.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 2,5 MW is tot 1 januari 2030 de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden 115 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op vergistingsgas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

4.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2030 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1336. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden andere stookinstallatie)
1.

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn tot 1 januari 2025 de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1308, niet van toepassing, als de andere stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn tot 1 januari 2030 de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1308, niet van toepassing, als de andere stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Op een stookinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide:

Artikel 4.1337. (overgangsrecht: meetfrequentie niet-continue meting)
1.

Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 1 januari 2025 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

4.

Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen en die ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.

§ 4.127. Middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen

Artikel 4.1338. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW, met uitzondering van:

2.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

3.

In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.

Artikel 4.1339. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1338, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.1340. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift, gesteld na 1 januari 2024, worden de emissiegrenswaarden in deze paragraaf niet versoepeld voor stookinstallaties waarop voor die datum een emissiegrenswaarde van toepassing was.

Artikel 4.1341. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstof wordt een stookinstallatie die daarmee wordt gestookt, gevuld en geleegd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1342. (lucht: opstarten en stilleggen)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt de periode van het opstarten of stilleggen van een stookinstallatie zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 4.1343. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarden)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350, gelden niet voor een stookinstallatie die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.

2.

Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:

Artikel 4.1344. (gegevens en bescheiden: verklaring maximum uren)
1.

Ten minste vier weken voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 4.1343, wordt een verklaring verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, dat de stookinstallatie ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zal zijn.

2.

Als een verklaring is verstrekt en het aantal bedrijfsuren in een kalenderjaar de grens van 500 uur overschrijdt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd en komt de verklaring te vervallen.

Artikel 4.1345. (lucht: omrekenen van emissies)
1.

De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof worden omgerekend naar een volumegehalte aan zuurstof van:

2.

De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.

Artikel 4.1346. (lucht: emissiegrenswaarden gasturbine)

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1346.

Brandstof Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Vloeibare brandstof 50 65 10
Gasvormige brandstof 50 15
Artikel 4.1347. (lucht: emissiegrenswaarden dieselmotor)

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1347.

Nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Ten hoogste 5 MW 150 65 20
Meer dan 5 MW 150 65 10
Artikel 4.1348. (lucht: emissiegrenswaarden gasmotor)

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1348.

Nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3
Minder dan 2,5 MW 115 15
Ten minste 2,5 MW 35 15
Artikel 4.1349. (lucht: emissiegrenswaarden stookinstallatie anders dan gasturbine of zuigermotor)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, zijn de emissiegrenswaarden:

Brandstof Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Vaste brandstof, met uitzondering van rie-biomassa 100 200 5
Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa 120 200 5
Rie-biomassa 100 60 5
Gasvormige brandstof, anders dan cokesovengas of hoogovengas 70 35
Cokesovengas 100 35
Hoogovengas 100 35
Artikel 4.1349a. (afbakening mogelijkheid maatwerk emissiegrenswaarde ammoniak)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1349, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

Artikel 4.1350. (lucht: afwijkende emissiegrenswaarde voor totaal stof)

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 100 mg/Nm3.

Artikel 4.1351. (lucht: emissiegrenswaarden vervangende stookinstallatie)

Voor een stookinstallatie die ten hoogste zes maanden een stookinstallatie vervangt die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoomnet of elektriciteitsnet waaraan zij levert, zijn de emissiegrenswaarden de waarden voor de stookinstallatie die buiten bedrijf is.

Artikel 4.1352. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350 en 4.1370 tot en met 4.1374, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:

Artikel 4.1353. (lucht: meetplicht)
1.

Er wordt periodiek of continu gemeten of aan de emissiegrenswaarden van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof wordt voldaan.

2.

De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak en totaal stof van een stookinstallatie wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast.

3.

In afwijking van het tweede lid kan periodiek worden gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

4.

De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1351 binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.

5.

De meting van zwaveldioxide is niet verplicht als aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide.

Artikel 4.1354. (lucht: periodieke meting)
1.

Een periodieke meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1354.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

4.

Een periodieke meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Ammoniak 40
Artikel 4.1355. (informeren: periodieke meting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

2.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1356. (lucht: meetfrequentie periodieke meting)
1.

Bij een stookinstallatie wordt periodiek gemeten:

2.

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt elk jaar periodiek gemeten.

3.

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt elke drie jaar periodiek gemeten.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt elke vier jaar periodiek gemeten.

Artikel 4.1357. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden bij periodieke meting)

Als geen van de gevalideerde meetresultaten, bedoeld in artikel 4.1354, hoger is dan de desbetreffende emissiegrenswaarde, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

Artikel 4.1358. (lucht: omstandigheden voor periodieke meting)
1.

Periodieke metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering als het brandstofmengsel wordt gebruikt dat de hoogste emissie zal opleveren.

2.

Een periodieke meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een eenmalige meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting waarbij deze continu kan worden gebruikt.

3.

Een periodieke meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.

Artikel 4.1359. (lucht: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1360. (lucht: informeren parallelmeting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.1359.

2.

Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

3.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1361. (lucht: resultaat van continue meting)
1.

Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde daggemiddelden.

2.

Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid. De aangetoonde meetonzekerheid is niet meer dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1361.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Ammoniak 40
Artikel 4.1362. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden bij continue meting)
1.

Als bij een continue meting geen van de gevalideerde daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarden, wordt aan de emissiegrenswaarde voldaan.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:

Artikel 4.1363. (lucht: ongeldige metingen continue meting)
1.

De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

2.

Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.1364. (lucht: gelijktijdig gebruik verschillende soorten brandstoffen)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing.

2.

Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.1365. (lucht: storing)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een stookinstallatie die als gevolg van een storing niet aan de emissiegrenswaarden kan voldoen uiterlijk 120 uren na het optreden van de storing in bedrijf blijven, met een maximum van 120 uren per kalenderjaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:

3.

Tijdens een storing die samenhangt met de brandstof die wordt gestookt kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing.

4.

Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.

Artikel 4.1366. (informeren: storing op offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform)

Het Staatstoezicht op de mijnen wordt ten hoogste 120 uur na een storing bij een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1365, tweede lid, schriftelijk geïnformeerd over de reden van de storing en van het niet-tijdige herstel.

Artikel 4.1367. (informeren: niet voldoen aan emissiegrenswaarden)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd als niet aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan, over de oorzaak dat niet wordt voldaan, en de maatregelen die worden getroffen om zo spoedig mogelijk weer aan de emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel 4.1368. (lucht en energie: bewaren registratie, resultaten en overzichten)

De volgende gegevens worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

Artikel 4.1369. (overgangsrecht: uitstel van toepassing zijn emissiegrenswaarden)
1.

Als een stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in deze paragraaf, van toepassing vanaf:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op glycolfornuizen.

Artikel 4.1370. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden gasturbine)
1.

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op vloeibare brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1371. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden dieselmotor)

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 20 MW is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1372. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden gasmotor)
1.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1373. (overgangsrecht: emissiegrenswaarden stookinstallatie anders dan gasturbine of zuigermotor)

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine of zuigermotor die wordt gestookt op gasvormige brandstof anders dan cokesovengas, is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 200 mg/Nm3, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374. (overgangsrecht: afwijkende emissiegrenswaarde voor totaal stof)

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 200 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374a. (overgangsrecht: afwijkende emissiegrenswaarde voor stoken van rie-biomassa)

Voor een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, die wordt gestookt op rie-biomassa en die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf was, zijn de emissiegrenswaarden voor de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1374a.

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen Stikstofoxiden in mg/Nm3 Zwaveldioxide in mg/Nm3 Totaal stof in mg/Nm3
Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa 145 200 5
Artikel 4.1375. (overgangsrecht: meetfrequentie periodieke meting)
1.

Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 1 januari 2025 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

2.

Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

3.

Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

4.

Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Hoofdstuk 5. Milieubelastende activiteiten: modules

Afdeling 5.1. Toepassingsbereik

Artikel 5.1. (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3, 4, 6 of 7 is bepaald.

Afdeling 5.2. Onderzoeken

§ 5.2.1. Eindonderzoek bodem

Artikel 5.2. (gegevens en bescheiden: locatie gebruik bodembedreigende stoffen)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een plattegrond van de locatie waarop is aangegeven waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

2.

Ten hoogste vier weken na een wijziging van die locatie, wordt een plattegrond waarop die gewijzigde locatie is aangegeven verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

3.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie die in hoofdstuk 3 als vergunningplichtig is aangewezen.

Artikel 5.3. (eindonderzoek bodem)
1.

Bij het beëindigen van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een bodemonderzoek verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

2.

Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waarop de activiteit is verricht.

3.

Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, voor zover de activiteit plaatsvindt op de landbodem, of aan NEN 5717 en NEN 5720, voor zover de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam.

4.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 5.4. (rapport van het eindonderzoek bodem)

Het rapport van het bodemonderzoek bevat:

Artikel 5.5. (gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit)

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 5.6. (herstel van de bodemkwaliteit)
1.

Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het bodemonderzoek bij het beëindigen van de activiteit de bodemkwaliteit hersteld tot:

2.

Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

3.

Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 5.7. (informeren: herstelwerkzaamheden)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

§ 5.2.2. Voorafgaand bodemonderzoek

Artikel 5.7a. (vooronderzoek bodem)
1.

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een vooronderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

2.

Het vooronderzoek bodem voldoet aan NEN 5725.

Artikel 5.7b. (verkennend bodemonderzoek)
1.

Als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek verricht.

2.

Een verkennend bodemonderzoek voldoet aan NEN 5740.

3.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

4.

De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

Artikel 5.7c. (verkennend bodemonderzoek asbest)
1.

Als uit het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er een verdenking bestaat op aanwezigheid van asbest in de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek asbest verricht.

2.

Een verkennend bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.

3.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

4.

De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

Artikel 5.7d. (nader bodemonderzoek)
1.

Als uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek verricht.

2.

Een nader bodemonderzoek voldoet aan NTA 5755.

3.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

4.

De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

Artikel 5.7e. (nader bodemonderzoek asbest)
1.

Als uit het verkennend bodemonderzoek asbest blijkt dat er een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek asbest verricht.

2.

Een nader bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.

3.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

4.

De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

Artikel 5.7f. (water: lozing bij voorafgaand bodemonderzoek)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van bodemonderzoek als bedoeld in de artikelen 5.7b, 5.7c, 5.7d en 5.7e geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

§ 5.2.3. Kosten-batenanalyse energie-efficiëntie

Artikel 5.7g. (kosten-batenanalyse bij stookinstallaties)
1.

Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd als een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW:

2.

Als de stookinstallatie, bedoeld in het eerste lid, restwarmte op een bruikbare temperatuur genereert, worden ook de kosten en baten berekend van:

Artikel 5.7h. (kosten-batenanalyse bij warmte- of koudenet)

Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd om de kosten en baten te berekenen van het gebruik van restwarmte van stookinstallaties in de nabijheid van een warmtenet of een koudenet, als:

Artikel 5.7i. (inhoud kosten-batenanalyse)
1.

De kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd volgens de beginselen, bedoeld in deel 2 van bijlage IX bij de richtlijn energie-efficiëntie.

2.

Op het berekenen van de kosten en baten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.7j. (uitzonderingen kosten-batenanalyse)
1.

De artikelen 5.7g, tweede lid, en 5.7h zijn niet van toepassing als:

2.

De artikelen 5.7g en 5.7h zijn niet van toepassing op:

Artikel 5.7k. (gegevens en bescheiden: kosten-batenanalyse)

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.2.1, 3.3.13 of 3.4.3 wordt de kosten-batenanalyse, bedoeld in de artikelen 5.7g en 5.7h, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 5.7l. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 5.7g, 5.7h, 5.7i en 5.7k niet versoepeld.

Afdeling 5.3. Verslagen

§ 5.3.1. PRTR

Artikel 5.8. (verbod)

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 5 van de PRTR-verordening.

Artikel 5.9. (rapportageplicht)
1.

Als degene die de activiteit verricht rapportageplichtig is, wordt het PRTR-verslag uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarover een PRTR-verslag moet worden opgesteld, ingediend bij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

2.

Bij het overschrijden van de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van ongevaarlijk afval of de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van gevaarlijk afval, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de PRTR-verordening, is de rapportageplicht zowel op het overbrengen van ongevaarlijk afval als op het overbrengen van gevaarlijk afval van toepassing.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.

Artikel 5.10. (inhoud en kwaliteit PRTR-verslag)
1.

Het PRTR-verslag bevat de gegevens, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de PRTR-verordening.

2.

Het PRTR-verslag bevat ook gegevens over de stoffen, bedoeld in bijlage V, als een of meer van de emissiegrenswaarden die daarbij zijn genoemd, worden overschreden. De artikelen 5, tweede tot en met vijfde lid, en 9, eerste en tweede lid, van de PRTR-verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.

Artikel 5.11. (geheimhouding)
1.

Bij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, 6.1 of 7.1, kan een aanvraag worden ingediend om aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geen informatie te verstrekken over bepaalde in het PRTR-verslag opgenomen gegevens voor opname in het PRTR.

2.

Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

3.

De aanvraag wordt gelijktijdig met het indienen van het PRTR-verslag ingediend.

4.

In een aanvraag om geheimhouding wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI, waarvan de geheim te houden verontreinigende stof deel uitmaakt.

Artikel 5.12. (meet- en registratiesysteem)
1.

Er is een meet- en registratiesysteem aanwezig, waarmee:

2.

Onder meet- en registratiesysteem wordt verstaan: de voor de gegevensinzameling gebruikte methodiek.

Artikel 5.13. (meten emissie fijnstof)
1.

Op het meten van PM10 is NTA 8029 van toepassing.

2.

De zin beginnend met «Bedrijven mogen» en eindigend met «resultaat leiden» in hoofdstuk 1 Onderwerp en toepassingsgebied in de NTA 8029 is niet van toepassing.

Artikel 5.14. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt niet van de artikelen 5.8 tot en met 5.13 afgeweken.

Afdeling 5.4. Overige modules

§ 5.4.1. Verduurzaming van het energiegebruik

Artikel 5.15. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing:

4.

Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen, tenzij artikel 5.15b van toepassing is.

5.

Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

6.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte met een temperatuur van ten hoogste 100 °C.

Artikel 5.15a. (gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Als artikel 5.15, eerste lid, van toepassing is, worden uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Dit artikel is niet van toepassing als:

3.

Het eerste lid is van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder b.

Artikel 5.15b. (gegevens en bescheiden onderzoek maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Als artikel 5.15, eerste lid, van toepassing is en het energiegebruik van de milieubelastende activiteit in enig kalenderjaar groter is dan 10.000.000 kWh elektriciteit of 170.000 m3 aardgasequivalenten wordt onderzoek verricht naar alle mogelijke maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar.

2.

Ten behoeve van het onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik worden uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

3.

Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a.

4.

Op het onderzoek zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.15c. (elektronisch formulier en ondertekening)
1.

De gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 5.15a en 5.15b, worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.

2.

Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 5.15d. (overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.

Artikel 5.16. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 5.15 niet versoepeld.

2.

Een maatwerkvoorschrift over artikel 5.15 kan het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, inhouden.

Artikel 5.17

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/215.

§ 5.4.2. Bodembeschermende voorzieningen

Artikel 5.17a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is alleen van toepassing voor zover in hoofdstuk 4 met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is bepaald dat een bodembeschermende voorziening wordt toegepast.

Artikel 5.18. (bodem: lekbak)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem heeft een lekbak waarboven of waarop vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking of in een opslagtank worden opgeslagen, een opvangcapaciteit van ten minste 110% van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank, waarbij de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

2.

Er wordt voorkomen dat water in een lekbak blijft staan.

Artikel 5.18a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is een lekbak niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 5.19. (bodem: beoordeling vloeistofdichte bodemvoorziening)
1.

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden zo spoedig mogelijk na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

2.

Als een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool zijn aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700, worden deze uiterlijk zes jaar na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd.

3.

Als het beoordelen van het vuilwaterriool volgens AS SIKB 6700 redelijkerwijs niet mogelijk is, kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, het ondergrondse vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor inwerkingtreding van dit besluit worden beoordeeld volgens het CUR rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming.

4.

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden jaarlijks gecontroleerd volgens bijlage 6 bij AS SIKB 6700.

5.

Als een vloeistofdichte bodemvoorziening of het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool is gerepareerd, wordt na reparatie het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd door een instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de reparatie wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7700 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

Artikel 5.20. (bodem: logboek bodembeschermende voorziening)

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 5.21

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 5.22. (overgangsrecht: beoordeling vloeistofdichte riolering)

Tot drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is artikel 5.19, eerste en tweede lid, niet van toepassing op het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 5.4.3. Zeer zorgwekkende stoffen

Artikel 5.22a. (zeer zorgwekkende stof)
1.

Een zeer zorgwekkende stof is een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de reach-verordening.

2.

Een stof is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als die:

Artikel 5.23. (informeren: emissie zeer zorgwekkende stof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt elke vijf jaar geïnformeerd over:

Artikel 5.24. (vermijdings- en reductieprogramma)
1.

Er worden vermijdings- en reductieprogramma’s opgesteld voor zeer zorgwekkende stoffen.

2.

Deze programma’s bevatten:

3.

Bij het overzicht van de technieken wordt informatie opgenomen over het rendement en de validatie van de technieken.

4.

Op het bepalen van de kosten en het rendement van de technieken, bedoeld in het derde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.25. (concentratie zeer zorgwekkende stoffen in de lucht)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu overschrijdt de concentratie van zeer zorgwekkende stoffen op leefniveau als gevolg van emissies door de activiteit, waarbij rekening wordt gehouden met de achtergrondwaarden, niet de grenswaarden, bedoeld in bijlage VIa.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.

Artikel 5.26. (meetmethoden)

Op een berekening is standaardrekenmethode 3 Nieuw Nationaal Model van toepassing.

§ 5.4.4. Emissies in de lucht

Artikel 5.27. (uitzondering toepassingsbereik)

Deze paragraaf is niet van toepassing op emissies in de lucht:

Artikel 5.28. (stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 5.29. (emissierelevante parameter)
1.

In deze paragraaf wordt onder emissierelevante parameter verstaan: een meetbare of berekenbare grootheid die in relatie staat met de emissies die worden beoordeeld.

2.

Onder een emissierelevante parameter categorie A wordt verstaan: een parameter die, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie.

3.

Onder een emissierelevante parameter categorie B wordt verstaan: een parameter die een kwalitatief beeld geeft van de emissie.

Artikel 5.30. (emissiegrenswaarden)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden vanuit alle puntbronnen per stof of stofklasse de waarden, bedoeld in tabel 5.30, gemeten in een eenmalige, periodieke of continue meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 5.30, niet overschrijdt.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in ng/Nm3 of mg/Nm3 of ng TEQ/Nm3 Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Zwaveldioxide 50 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Stikstofoxide 100 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Waterstofchloride 2 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride 1 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Ammoniak 5 mg/Nm3 75 kg/jaar
ERS 0,05 ng TEQ/Nm3 20 mg TEQ/jaar
MVP1 0,05 mg/Nm3 0,075 kg/jaar
MVP2 1 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
S 3 mg/Nm3 100 kg/jaar
sA.1 0,05 mg/Nm3 0,125 kg/jaar
sA.2 0,5 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
sA.3 0,5 mg/Nm3 5 kg/jaar
gA.1 0,5 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
gA.2 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
gA.3 30 mg/Nm3 75 kg/jaar
gO.1 20 mg/Nm3 50 kg/jaar
gO.2 50 mg/Nm3 250 kg/jaar
Artikel 5.31. (meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 5.30, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige, periodieke of parallelmeting zijn van toepassing:

3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

Artikel 5.32. (controleregime en meetplicht)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, worden gecontroleerd volgens het controleregime, bedoeld in tabel 5.32.

2.

De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 5.32.

3.

De storingsfactor wordt berekend door de helft van de storingsemissie te delen door de ondergrens, uitgedrukt in kilogram per jaar.

4.

De storingsemissie is de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in gram per uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel, en wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom, berekend uit het debiet, vermenigvuldigd met de geldende emissiegrenswaarde.

5.

In afwijking van het tweede lid is controleregime 4 van toepassing op stoffen in stofklasse ERS.

6.

Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:

Storingsfactor Controle-regime Controlevormen
Minder dan 3 0 Emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3, maar minder dan 30 1 Meting eenmalig en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 30, maar minder dan 300 2 Meting 1 keer per 3 jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 300, maar minder dan 3.000 3 Meting 1 keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3.000 4 Continue meting of emissierelevante parameters categorie A of meting twee keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Artikel 5.33. (meetinstantie)

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 5.31 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 5.34. (omrekenen naar zuurstof)

De emissies van verbrandingsprocessen worden omgerekend naar afgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

Artikel 5.35. (eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Artikel 5.36. (continue meting)
1.

Een continue meting bestaat uit:

2.

Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuursgemiddelden of etmaalgemiddelden, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 5.37. (berekening voldoen emissiegrenswaarden)
1.

Het resultaat van de individuele meting overschrijdt de emissiegrenswaarde niet.

2.

De daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continue metingen, is niet meer dan de emissiegrenswaarde.

3.

De halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continue metingen, zijn niet meer dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.

Artikel 5.38. (rapport)
1.

De resultaten van emissiemetingen of controles van emissierelevante parameters worden vastgelegd in een rapport.

2.

De resultaten van emissiemetingen worden:

Artikel 5.38a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 5.38b. (overgangsrecht: emissies)
1.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride en ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op emissies naar de lucht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum gelden in dat geval de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3 zoals opgenomen in tabel 5.38b.

2.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op de emissie naar de lucht van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stoffen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3 of mg/Nm3 Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Stikstofoxide 200 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Waterstofchloride 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Ammoniak 30 mg/Nm3 75 kg/jaar
ERS 0,1 ng TEQ/Nm3 20 mg TEQ/jaar
S 5 mg/Nm3 100 kg/jaar
sA.3 5 mg/Nm3 5 kg/jaar

§ 5.4.5. Geluid op industrieterreinen

Artikel 5.39. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VIII.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan 50 dB(A) over de periode van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) over de periode van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) over de periode van 23.00 tot 07.00 uur.

Artikel 5.40. (niet buiten industrieterreinen met geluidproductieplafonds)

De activiteit wordt niet verricht buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

Artikel 5.41. (overgangsrecht)

Artikel 5.40 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, of op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, en dat besluit in werking is getreden.

Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

Afdeling 6.1. Algemeen

Artikel 6.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over:

2.

Dit hoofdstuk gaat niet over:

Artikel 6.2. (oogmerken)
1.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en wateronttrekkingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

2.

De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

3.

De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

4.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en de werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.

Artikel 6.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

Artikel 6.4. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)

Voor een mijnbouwlocatieactiviteit en een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

Artikel 6.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:

2.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

3.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:

4.

Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:

5.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

6.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd.

7.

Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

8.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van die mijnbouwinstallatie worden voorkomen.

Artikel 6.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 6.6, 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, met uitzondering van bepalingen:

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 6.6, vierde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

4.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

5.

De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:

6.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels in artikel 8.76, eerste en derde lid, van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 6.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 6.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 6.11. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 6.12. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 6.13. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4:

Artikel 6.14. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 6.12 en 6.13 niet versoepeld.

Artikel 6.15. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 6.2. Inhoudelijke regels

§ 6.2.1. Bouwwerken, werken en objecten

Artikel 6.16. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte, afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken, op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor:

4.

Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

Artikel 6.17. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:

Artikel 6.18. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterkering)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:

Artikel 6.19. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 6.20. (melding lozingsactiviteit)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Artikel 6.21. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.16 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 6.22. (water: bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen)

Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:

Artikel 6.23. (water: werkinstructie bij reinigen en conserveren)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:

Artikel 6.24. (water: werkinstructie bij bouwen en slopen)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:

Artikel 6.25. (water: beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 6.26. (water: meetmethode)

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

§ 6.2.2. Grondverzet

Artikel 6.27. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 6.28. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: ontgrondingsactiviteiten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, voor zover het gaat om:

Artikel 6.29. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om het aanleggen of in stand houden van een terreinophoging met een volume van meer dan 50 m3 per kadastraal perceel.

Artikel 6.30. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterkering)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.31. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 6.32. (gegevens en bescheiden bij beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 6.33. (gegevens en bescheiden bij ontgrondingen voor het testen van materieel en het verrichten van onderzoek)

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.28, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

§ 6.2.3. Onttrekken van water

Artikel 6.34. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.35. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: instroomvoorziening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, tweede lid.

Artikel 6.36. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: onttrekken oppervlaktewater)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, als:

2.

Het verbod geldt niet voor baggerwerkzaamheden.

Artikel 6.37. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: onttrekken grondwater)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c.

2.

Het verbod geldt niet voor:

Artikel 6.37a. (meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

2.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder c, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in tabel 6.37a opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

3.

De analyse van de monsters vindt plaats volgens de op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het Drinkwaterbesluit gestelde regels.

Parameter Afkorting Frequentie
Bacteriën van de coligroep Vierwekelijks
Kleur Vierwekelijks
Zwevende stof SS Vierwekelijks
Geleidingsvermogen voor elektriciteit Vierwekelijks
Temperatuur T Vierwekelijks
Zuurgraad pH Vierwekelijks
Opgelost zuurstof O2 Vierwekelijks
Totaal organisch koolstof TOC Vierwekelijks
Bicarbonaat HCO3 Vierwekelijks
Nitriet NO2 Vierwekelijks
Nitraat NO3 Vierwekelijks
Ammonium NH4 Vierwekelijks
Totaal fosfaat Totaal P Vierwekelijks
Fluoride F Driemaandelijks
Chloride Cl Vierwekelijks
Sulfaat SO4 Driemaandelijks
Natrium Na Driemaandelijks
IJzer Fe Driemaandelijks
Mangaan Mn Driemaandelijks
Chroom Cr Driemaandelijks
Lood Pb Driemaandelijks
Koper Cu Driemaandelijks
Zink Zn Driemaandelijks
Cadmium Ca Driemaandelijks
Arseen As Driemaandelijks
Cyanide CN Driemaandelijks
Minerale olie Vierwekelijks
Adsorbeerbaar organisch halogeen AOX Vierwekelijks
Vluchtig organisch gebonden chloor VOC Vierwekelijks
Vluchtige aromaten Vierwekelijks
Polycyclische aromaten PAK Driemaandelijks
Fenolen Driemaandelijks
Artikel 6.37b. (jaarlijks verstrekken van gegevens en bescheiden)

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.38. (water: niet onttrekken)
1.

Waterschaarste en dreigende waterschaarste zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.

3.

Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.

§ 6.2.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 6.39. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.

Artikel 6.40. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, tweede lid.

Artikel 6.41. (melding lozingsactiviteit)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 6.42. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3.

Artikel 6.43. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

4.

Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.

Artikel 6.44. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 6.2.5. Mijnbouwlocatieactiviteiten

Artikel 6.45. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk:

Artikel 6.46. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:

Artikel 6.47. (melding mijnbouwinstallatie onder het wateroppervlak)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, te verrichten als het gaat om een mijnbouwinstallatie die niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de installatie.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 6.47a. (gegevens en bescheiden bij verkenningsonderzoek)
1.

Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 6.48. (veiligheid: begeleiding verkenningsvaartuig)
1.

Met het oog op de veiligheid van de scheepvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.

2.

Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.

Artikel 6.48a. (natuur: geluidsvolume kunstmatig opgewekte trillingen)

Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.

Artikel 6.48b. (vervoer bij toezicht op verkenningsonderzoek)

Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders als bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.

§ 6.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 6.49. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:

Artikel 6.50. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.49, eerste lid.

Artikel 6.51. (water: preventie verontreiniging)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan het oppervlaktewaterlichaam toegevoegd.

Artikel 6.52. (PRTR-verslag)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.49, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.

§ 6.2.7. Andere lozingen

§ 6.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 6.53. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1, 6.2.4 en 6.2.6.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening.

Artikel 6.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: uitstroomvoorziening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.53, tweede lid.

Artikel 6.55. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozingsactiviteiten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 6.53, eerste lid, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen, water of warmte afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.

§ 6.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 6.56. (gegevens en bescheiden over een calamiteitenoefening)
1.

Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.

§ 6.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen

Artikel 6.56a. (melding bij opslaan van goederen)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 6.56b. (water: lozen bij opslaan uitlogende goederen)

In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 6.56c. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56b, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56c, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l
Minerale olie 10 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Som van stikstofverbindingen 10 mg/l
Som van fosforverbindingen 2 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l
Artikel 6.56d. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 6.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw

Artikel 6.56e. (melding bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 6.56f. (water: lozen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)

In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 6.56g. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56g, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
Artikel 6.56h. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 6.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen

Artikel 6.56ha. (melding lozingsactiviteit bij graven en saneringen)
1.

Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:

2.

Een melding bevat:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 6.56hb. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.56ha, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 6.56hc. (niet lozen bij bodemonderzoek grondwatersanering)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.56hd. (water: emissiegrenswaarden afvalwater graven en saneringen)

Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56hd, gemeten in een steekmonster.

Stoffen Emissiegrenswaarde in μg/l
Naftaleen 0,2
PAK’s 1
BTEX 50
Tetrachlooretheen 3
Trichlooretheen 20
1,2-dichlooretheen 20
1,1,1-trichloorethaan 20
Vinylchloride 8
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20
Monochloorbenzeen 7
Dichloorbenzenen 3
Trichloorbenzenen 1
Minerale olie 1.000
Cadmium 4
Kwik 1
Koper 10
Nikkel 40
Lood 50
Zink 100
Chroom 20
Onopgeloste stoffen 50.000
Artikel 6.56he. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 6.2.7a. Beperkingengebiedactiviteiten bij mijnbouwinstallaties

Artikel 6.56i. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.56j. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit mijnbouwinstallatie waterstaatswerk)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.56i, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:

§ 6.2.8. Andere beperkingengebiedactiviteiten in of bij rijkswateren

Artikel 6.57. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1 tot en met 6.2.7, die bestaan uit:

2.

Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

Artikel 6.58. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk tussen 1 oktober en 1 april.

Artikel 6.59. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterkering)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.60. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 6.61. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee

Afdeling 7.1. Algemeen

Artikel 7.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over de volgende activiteiten in de Noordzee:

2.

Dit hoofdstuk gaat niet over:

Artikel 7.2. (oogmerken)
1.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en stortingsactiviteiten op zee zijn gesteld met het oog op:

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

3.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

4.

De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

5.

De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 7.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, een stortingsactiviteit op zee, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

Artikel 7.4. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk en een mijnbouwlocatieactiviteit is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

Artikel 7.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.2, is verplicht:

2.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

3.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:

4.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van installaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.

5.

Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:

6.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

7.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat:

8.

Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

Artikel 7.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 7.6, 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, met uitzondering van bepalingen:

2.

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 7.6, vijfde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

4.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

5.

De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:

6.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkschrift zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.84 en 8.87 van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 7.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 7.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 7.8 en 7.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 7.11. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 7.12. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en het Kustwachtcentrum worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 7.13. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en aan het Kustwachtcentrum:

Artikel 7.14. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 7.12 en 7.13 niet versoepeld.

Artikel 7.15. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 7.2. Inhoudelijke regels

§ 7.2.1. Bouwwerken, werken en objecten

Artikel 7.16. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot de Noordzee:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken in de Noordzee.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor:

4.

Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

Artikel 7.17. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:

Artikel 7.18. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 7.19. (melding lozingsactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Artikel 7.20. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.16worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 7.21. (water: bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen)

Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:

Artikel 7.22. (water: werkinstructie bij reinigen en conserveren)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:

Artikel 7.23. (water: werkinstructie bij bouwen, renoveren en slopen)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:

Artikel 7.24. (water: beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 7.25. (water: meetmethode)

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

§ 7.2.2. Grondverzet

Artikel 7.26. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in de Noordzee.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 7.27. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: ontgrondingsactiviteiten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.26, tweede lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:

Artikel 7.28. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:

Artikel 7.29. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 7.30. (gegevens en bescheiden bij beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 7.31. (gegevens en bescheiden bij ontgrondingen voor het testen van materieel en het verrichten van onderzoek)

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, ook gegevens en bescheiden verstrekt over:

Artikel 7.32. (informeren bij een waarneming van belang voor de archeologische monumentenzorg)

Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

§ 7.2.3. Windparken

Artikel 7.33. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het aanleggen, in stand houden of verwijderen van windparken in de Noordzee.

Artikel 7.34. (melding aanleg)
1.

Het is verboden een windpark als bedoeld in artikel 7.33 aan te leggen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.35. (gegevens en bescheiden bij aanleg en verwijderen)
1.

Uiterlijk drie maanden na het aanbrengen van de funderingen van het windpark worden gegevens over de feitelijke positie van de funderingen en van de andere voorzieningen die deel uitmaken van het windpark verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.

2.

Uiterlijk drie maanden na het aanleggen van een windparkexportkabel worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt over de feitelijke ligging van de windparkexportkabel.

3.

Uiterlijk drie maanden nadat een windpark of windparkexportkabel is verwijderd, worden aan het bevoegd gezag de gegevens verstrekt waaruit dit blijkt.

Artikel 7.36. (gegevens en bescheiden bij onderhoud)

Ten minste vier weken voor het onderhouden van een windpark worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

Artikel 7.37. (informeren bij een waarneming van belang voor de archeologische monumentenzorg)

Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Artikel 7.38. (veiligheid: uitvoeringsplan)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt een windpark of een windparkexportkabel aangelegd, onderhouden en verwijderd volgens een uitvoeringsplan.

2.

Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

Artikel 7.39. (veiligheid: constructieve eisen windturbine)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee zijn windturbines en andere installaties die deel uitmaken van een windpark voldoende sterk om de krachten die worden verwacht als gevolg van windsterkte, golfslag, zeestroming en gebruik van de turbines te weerstaan.

2.

De sterkte van de windturbines en andere installaties blijkt uit een verklaring die is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. De deskundige toetst aan een in de praktijk beproefd stelsel van normen die betrekking hebben op het ontwerp van installaties van een windpark.

Artikel 7.40. (veiligheid: veiligheidsvoorzieningen)
1.

Met het oog op het veilige gebruik van de Noordzee door luchtvaartverkeer en scheepvaartverkeer heeft een windpark herkenningstekens en bakens.

2.

De herkenningstekens en bakens voldoen aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures, en de Civil Aviation Authority Policy and Guidelines on Wind Turbines.

3.

Het windpark heeft controlesystemen, waarschuwingssystemen en besturingssystemen, met inbegrip van een noodvoorziening voor het kunnen bedienen en bewaken van het windpark, zowel ter plaatse als vanaf de wal.

Artikel 7.41. (veiligheid: staat van onderhoud windpark)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt zorg gedragen voor een goede staat van onderhoud van het windpark en worden daarvoor periodiek de turbines, andere installaties en veiligheidsvoorzieningen onderzocht.

2.

Als een deel van het windpark een gebrek vertoont waardoor de veiligheid in het geding is, worden passende maatregelen getroffen. Bij direct gevaar voor de veiligheid van personen wordt het windpark of het deel van het windpark onverwijld buiten werking gesteld.

Artikel 7.42. (informeren over gebrek)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, wordt onverwijld geïnformeerd over een gebrek als bedoeld in artikel 7.41, tweede lid.

Artikel 7.43. (water: windparkexportkabels)
1.

Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee ligt een windparkexportkabel:

2.

De ligging van een windparkexportkabel wordt periodiek onderzocht.

Artikel 7.44. (veiligheid: plan voor ongewone voorvallen)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee en het beschermen van het milieu is een plan opgesteld dat een beschrijving bevat van de maatregelen die worden getroffen als zich een ongewoon voorval voordoet in, of in de directe omgeving van een windpark, dat een gevaar oplevert voor dat windpark.

2.

Het plan bevat in ieder geval:

Artikel 7.45. (water: verwijderen windpark)
1.

Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee wordt een windpark dat of een windparkexportkabel die niet meer in gebruik is, verwijderd.

2.

Materiaal dat ter plaatse of in de directe omgeving is terechtgekomen bij het aanleggen, onderhouden, gebruiken of verwijderen van het windpark, wordt verwijderd.

§ 7.2.4. Beperkingengebiedactiviteiten bij installaties in zee

Artikel 7.46. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in de Noordzee.

Artikel 7.47. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit installatie waterstaatswerk)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om het zich bevinden in dat beperkingengebied.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:

§ 7.2.5. Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 7.48. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater in de Noordzee en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het huishoudelijk afvalwater, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.

Artikel 7.49. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.48, tweede lid.

Artikel 7.50. (melding lozingsactiviteit)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.

Artikel 7.51. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.

Artikel 7.52. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, anders dan afkomstig van een pleziervaartuig, dat wordt geloosd in de Noordzee, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

4.

Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.

Artikel 7.53. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 7.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 7.54. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten in de Noordzee:

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in de Noordzee brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:

Artikel 7.55. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.54, eerste lid.

Artikel 7.56. (water: preventie verontreiniging)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan de Noordzee toegevoegd.

Artikel 7.57. (PRTR-verslag)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 7.54, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.

§ 7.2.7. Andere lozingen

§ 7.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 7.58. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte in de Noordzee, anders dan bedoeld in de paragrafen 7.2.1, 7.2.5 en 7.2.6.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.

Artikel 7.59. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, tweede lid.

Artikel 7.60. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozingsactiviteiten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op het oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, eerste lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.

§ 7.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 7.61. (gegevens en bescheiden bij een calamiteitenoefening)
1.

Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.

§ 7.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen

Artikel 7.61a. (melding bij opslaan van goederen)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.61b. (water: lozen bij opslaan uitlogende goederen)

In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in de Noordzee, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 7.61c. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61b, dat wordt geloosd in de Noordzee, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61c, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l
Minerale olie 10 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Som van stikstofverbindingen 10 mg/l
Som van fosforverbindingen 2 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l
Artikel 7.61d. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 7.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw

Artikel 7.61e. (melding bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.61f. (water: lozen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)

In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 7.61g. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61g, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
Artikel 7.61h. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 7.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen

Artikel 7.61i. (melding lozingsactiviteit bij graven en saneringen)
1.

Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:

2.

Een melding bevat:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 7.61j. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.61i, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 7.61k. (niet lozen bij bodemonderzoek grondwatersanering)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op de Noordzee.

Artikel 7.61l. (water: emissiegrenswaarden afvalwater graven en saneringen)

Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op de Noordzee zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61l, gemeten in een steekmonster.

Stoffen Emissiegrenswaarde in μg/l
Naftaleen 0,2
PAK’s 1
BTEX 50
Tetrachlooretheen 3
Trichlooretheen 20
1,2-dichlooretheen 20
1,1,1-trichloorethaan 20
Vinylchloride 8
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20
Monochloorbenzeen 7
Dichloorbenzenen 3
Trichloorbenzenen 1
Minerale olie 1.000
Cadmium 4
Kwik 1
Koper 10
Nikkel 40
Lood 50
Zink 100
Chroom 20
Onopgeloste stoffen 50.000
Artikel 7.61m. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

§ 7.2.8. Stortingsactiviteiten op zee

Artikel 7.62. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op stortingsactiviteiten op zee.

Artikel 7.63. (aanwijzing vergunningvrije gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een stortingsactiviteit op zee te verrichten, geldt niet voor een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om een activiteit die wordt verricht vanaf een vaartuig of drijvend werktuig dat in gebruik is voor het uitoefenen van defensietaken.

Artikel 7.64. (gegevens en bescheiden)
1.

Binnen vier weken na afloop van de maand waarin de afgifte heeft plaatsgevonden, worden aan de instantie, bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gegevens en bescheiden verstrekt over de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen die zijn afgegeven met de bedoeling om zich ervan te ontdoen in zee.

2.

De artikelen 5 tot en met 7 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van de gegevens en bescheiden.

Artikel 7.65. (afval: ontvangst gevaarlijke afvalstoffen)

Gevaarlijke afvalstoffen worden niet in ontvangst genomen zonder omschrijving en begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer.

§ 7.2.9. Mijnbouwlocatieactiviteiten

Artikel 7.66. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in de Noordzee:

Artikel 7.66a. (geen nieuwe mijnbouwinstallaties in Natura 2000-gebied Noordzeekustzone)

De activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, wordt niet verricht als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen en de locatie voor die mijnbouwinstallatie, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, ligt in het in de territoriale zee gelegen deel van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.

Artikel 7.67. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:

Artikel 7.68. (melding mijnbouwinstallatie onder wateroppervlak)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, te verrichten als de mijnbouwinstallatie niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de onderzeese installatie.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.69. (gegevens en bescheiden verkenningsonderzoek)
1.

Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Als het verkenningsonderzoek wordt verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over:

3.

Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 7.70. (veiligheid: begeleiding verkenningsvaartuig)
1.

Met het oog op de veiligheid van de scheepsvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.

2.

Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.

3.

Een verkenningsvaartuig dat onderzoek verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, wordt begeleid door twee andere vaartuigen waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.

Artikel 7.71. (natuur: geluidsvolume kunstmatig opgewekte trillingen)

Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.

Artikel 7.72. (vervoer bij toezicht op verkenningsonderzoek)

Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders, bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.

Artikel 7.73. (overgangsrecht: bestaande mijnbouwinstallaties)

De artikelen 7.66a en 7.67, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing op het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116, op een locatie waarop zich een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen bevindt die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit rechtmatig aanwezig is.

Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen

Afdeling 8.1. Algemeen

Artikel 8.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk.

Artikel 8.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort.

Artikel 8.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Tenzij in artikel 8.4 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

Artikel 8.4. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

Artikel 8.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 8.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.2, is verplicht:

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

Artikel 8.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 8.6, 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, met uitzondering van bepalingen:

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 8.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 8.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 8.8 en 8.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 8.11. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 8.12. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

Artikel 8.13. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 8.11 en 8.12 niet versoepeld.

Artikel 8.14. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een weg in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die weg is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 8.2. Inhoudelijke regels

§ 8.2.1. Beperkingengebiedactiviteiten met uitzondering van kabels en leidingen

Artikel 8.15. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk als het gaat om:

2.

Het eerste lid geldt niet voor kabels en leidingen als bedoeld in artikel 8.19.

3.

Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 8.16. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 8.15, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod geldt niet voor:

Artikel 8.17. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 8.15, onder a tot en met e, te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de kilometrering en de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 8.18. (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.15, onder a tot en met e, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

2.

Dit artikel is niet van toepassing:

§ 8.2.2. Kabels en leidingen

Artikel 8.19. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels of leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, met inbegrip van:

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 8.20. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 8.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.21. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.22. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z- coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1.

Artikel 8.23. (ontgravingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een ontgraving:

2.

De bekleding of verharding van de weg worden niet opgebroken.

3.

De afwatering van de weg wordt niet belemmerd.

Artikel 8.24. (ligging van de kabel of leiding)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:

2.

De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.

3.

Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.

4.

In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.

5.

Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.

Artikel 8.25. (wegkruisingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een weg:

2.

Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:

3.

Als een gestuurde boring onevenredige meerkosten met zich meebrengt of niet uitvoerbaar is, kan een persing worden toegepast.

Artikel 8.26. (gestuurd boren en persen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geboord of geperst volgens de Richtlijn Boortechnieken en open ontgraving voor kabels en leidingen.

2.

Bij het boren is controleerbaar of de inhoud van de hoeveelheid uitkomende grond ongeveer gelijk is aan de inhoud van de voorwaartse verplaatsing van de persbuis, waarbij rekening wordt gehouden met de uitlevering van de grond.

3.

Bij het verwijderen van de grond aan de voorzijde van de buis wordt niet uitgeboord.

Artikel 8.27. (afstanden bij boren)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg is bij een boring de afstand tussen de bovenkant van de verharding en de bovenkant van de leiding of kabel ten minste 2,5 m.

2.

Een boring wordt op ten minste 5 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.

Artikel 8.28. (mantelbuizen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een mantelbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het weglichaam.

2.

De lengte van een mantelbuis bestrijkt ten minste een spreidingszone onder 45° vanuit de zijkant van de wegconstructie.

Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen

Afdeling 9.1. Algemeen

Artikel 9.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

2.

Dit hoofdstuk gaat niet over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een bijzondere spoorweg:

Artikel 9.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorwegen, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorwegen behoort.

Artikel 9.3. (bevoegd gezag dagelijks bestuur vervoerregio)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg binnen de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in dat artikel het bevoegd gezag:

Artikel 9.4. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, zijn voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg buiten de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

Artikel 9.5. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

Artikel 9.6. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

Artikel 9.7. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 9.8. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.2, is verplicht:

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

Artikel 9.9. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en in aanvulling op artikel 9.8, voor zover het betreft beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 9.2.

4.

Een maatwerkregel wordt gesteld in:

Artikel 9.10. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, met uitzondering van bepalingen over meldingen.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.11. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 9.12. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 9.13. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 9.11 en 9.12, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 9.14. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 9.15. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder:

Artikel 9.16. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 9.14 en 9.15 niet versoepeld.

Artikel 9.17. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een spoorweg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die spoorweg is vereist, verplaatst of verlegd als deze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die spoorweg door of namens de spoorwegbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag deze termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 9.2. Inhoudelijke regels hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen

§ 9.2.1. Kabels en leidingen

Artikel 9.19. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, met inbegrip van:

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.20. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.19, voor zover het gaat om het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van:

Artikel 9.21. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

Artikel 9.22. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20.

Artikel 9.23. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten op de basisbeheerkaart verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1.

Artikel 9.24. (ontgravingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een ontgraving:

2.

De gedichte sleuf wordt gedurende een jaar onderhouden.

Artikel 9.25. (kabel of leiding in een sleuf in langsligging)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een kabel of leiding in een sleuf, koker of goot op een diepte van ten minste 0,6 m gelegd.

2.

Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd.

3.

Als een kabel of leiding parallel aan andere kabels, leidingen of beschermbuizen wordt gelegd, wordt deze op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf die kabels, leidingen of beschermbuizen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel of leiding.

4.

Als andere kabels of leidingen worden gekruist:

Artikel 9.26. (spoorwegkruisingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een hoofdspoorweg:

2.

Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:

Artikel 9.27. (gestuurd boren)

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt geboord volgens de Technische Voorschriften bij vergunningen voor kabels en leidingen langs, onder en boven de spoorweg.

Artikel 9.28. (afstanden bij boren)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een boring in zandgrond op ten minste 5 m en in andere grond op ten minste 10 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.

2.

Een boring wordt op ten minste 10 m afstand van de fundering van een viaduct verricht.

Artikel 9.29. (mantelbuizen)

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een beschermbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het beperkingengebied.

§ 9.2.2. Bouwwerken, werken en objecten

Artikel 9.30. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg:

2.

Het eerste lid geldt niet voor:

3.

Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.31. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.30, voor zover het gaat om het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten:

Artikel 9.32. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.30 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.31.

Artikel 9.33. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.30.

Artikel 9.34. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1.

Artikel 9.35. (grondwater onttrekken en graven)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt, als bij het bouwen van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is of het plaatsen van een ander object grondwater wordt onttrokken:

2.

Bij het verrichten van graafwerkzaamheden wordt niet dieper gegraven dan 1,20 m.

Artikel 9.36. (hijskranen)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt, als bij het bouwen van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is of het plaatsen van een ander object hijswerkzaamheden worden verricht, de kraan geaard met een weerstand van minder dan 10 ohm.

2.

De kabelbelasting is niet meer dan 20% van de gegarandeerde breuklast.

3.

Tijdens de hijswerkzaamheden:

4.

Er worden geen lasten verplaatst boven spoorlijnen die in dienst zijn.

§ 9.2.3. Activiteiten op perrons en stations

Artikel 9.37. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden, het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten, op perrons en stations in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, anders dan activiteiten als bedoeld in artikel 9.30.

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.38. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.37, voor zover het gaat om:

Artikel 9.39. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.37 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1.000, waarop de activiteit is aangegeven.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.

Artikel 9.40. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.

Artikel 9.41. (grondwater onttrekken en graven)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt geen grondwater onttrokken.

2.

Graafwerkzaamheden hebben een diepte van niet meer dan 1,20 m.

Artikel 9.42. (afstand tot spanningvoerende delen)

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt bij het verrichten van werkzaamheden een afstand aangehouden van 5 m tot de buitenkant van spanningvoerende delen.

§ 9.2.4. Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen of bijzondere spoorwegen

Artikel 9.43. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, anders dan activiteiten als bedoeld in de paragrafen 9.2.1 tot en met 9.2.3, als het gaat om:

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.44. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.43.

2.

Het verbod geldt niet voor:

Artikel 9.45. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.44, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de locatie van de activiteit in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.46. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.44, tweede lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

Afdeling 9.3. Inhoudelijke regels lokale spoorwegen

Artikel 9.47. (toepassingsbereik)
1.

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg.

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een lokale spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.48. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.47, voor zover het gaat om:

Artikel 9.48a. (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Met het oog op het doelmatig beheer van lokale spoorwegen kan worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningplichtige gevallen, bedoeld in artikel 9.48, in:

Hoofdstuk 10. Activiteiten rond luchthavens

Afdeling 10.1. Algemeen

Artikel 10.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven die zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 10.2. (oogmerk)

De regels in afdeling 10.2 over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van luchthavens voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die luchthavens, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die luchthavens behoort.

Artikel 10.3. (bevoegd gezag provincie)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.4. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis en een buitenlandse burgerluchthaven is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.5. (bevoegd gezag Minister van Defensie)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven is Onze Minister van Defensie het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.6. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 10.7. (specifieke zorgplicht)

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.2, is verplicht:

Artikel 10.8. (maatwerkregels)

Een maatwerkregel kan in een omgevingsverordening worden gesteld over artikel 10.7, als het gaat om beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis.

Artikel 10.9. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over artikel 10.7.

2.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 10.2. Inhoudelijke regels

Artikel 10.10. (aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten)

Als beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven als bedoeld in artikel 10.1 worden aangewezen het plaatsen en aanleggen van objecten in strijd met een regel in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven als bedoeld in artikel 8a.54 van de Wet luchtvaart over de maximale hoogte van objecten.

Artikel 10.11. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 10.10.

2.

Het verbod geldt niet voor:

Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen

Afdeling 10.2. Inhoudelijke regels

§ 11.1.1. Algemeen

Artikel 11.1. (activiteiten)
1.

Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.

2.

Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.2. (oogmerken)

De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Artikel 11.3. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.4 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 11.4. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof)
1.

Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.

Artikel 11.5. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:

2.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:

Artikel 11.7. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.

Artikel 11.8. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4 heeft.

Artikel 11.9. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.10. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 11.11. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.10, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.

Artikel 11.12. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden over een activiteit die wordt verricht of is voorgenomen en die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gelet op de instandhoudingsdoelstellingen.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 11.13. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 11.14. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4:

Artikel 11.15. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.13 en 11.14 niet versoepeld.

§ 11.1.2. Natura 2000-activiteiten

Artikel 11.16. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: Natura 2000-toets in kader van ander besluit en visserij in de exclusieve economische zone)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:

Artikel 11.17

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 11.18. (aanwijzing vergunningvrije gevallen in programma)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een programma.

2.

Het programma:

Artikel 11.19. (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in omgevingsverordening)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

Artikel 11.20. (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in ministeriële regeling)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

Artikel 11.21. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen)
1.

Een Natura 2000-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.18, 11.19 of 11.20 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als:

2.

Aan artikel 11.19, tweede lid, of 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:

Afdeling 11.2. Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild

§ 11.2.1. Algemeen

Artikel 11.22. (activiteiten)
1.

Deze afdeling gaat over:

2.

De paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 en 11.2.8 gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.23. (oogmerken)
1.

De regels in de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

2.

De regels in de paragrafen 11.2.6 en 11.2.7 over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:

3.

De regels in paragraaf 11.2.8 over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:

4.

De regels in paragraaf 11.2.9 over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.

5.

De regels in paragraaf 11.2.10 over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:

6.

De regels in paragraaf 11.2.11 over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.

Artikel 11.24. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.25 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 11.25. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof)
1.

Voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:

Artikel 11.26. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.27. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:

2.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

3.

Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Artikel 11.28. (voorkomen onnodig lijden van dieren)

Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Artikel 11.29. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.27, 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 en 11.2.9.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6, 11.2.8 en 11.2.9, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.23.

Artikel 11.30. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.25 heeft.

Artikel 11.31. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.27, 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een flora- en fauna-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.32. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 11.33. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.32, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.

Artikel 11.34. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 11.35. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25:

Artikel 11.36. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.34 en 11.35 niet versoepeld.

§ 11.2.2. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn

Artikel 11.37. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:

2.

Het verbod geldt niet, als:

3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Artikel 11.38. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: commercieel bezit)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.

2.

Het verbod geldt niet voor vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de vogelrichtlijn, die aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen of verkregen en op delen of producten van die vogels.

Artikel 11.39. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: niet-commercieel bezit)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.

2.

Het verbod geldt niet, als:

Artikel 11.40. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: wijze vangen of doden)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor:

2.

Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend:

Artikel 11.41. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in programma)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37 of 11.39 in gevallen aangewezen in een programma.

2.

Het programma:

Artikel 11.42. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in omgevingsverordening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor:

Artikel 11.43. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in ministeriële regeling)
1.

Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.42 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, met betrekking tot:

Artikel 11.44. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn)
1.

Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.41, 11.42 of 11.43 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.42 of 11.43 en alleen als:

3.

Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.42 en alleen als het bestrijden:

4.

In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:

5.

Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.

6.

De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.

Artikel 11.45. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:

2.

Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:

3.

Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:

§ 11.2.3. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn

Artikel 11.46. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:

2.

Het verbod geldt niet als:

3.

Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.

Artikel 11.47. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: bezit)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:

2.

Het verbod geldt niet als:

Artikel 11.48. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: wijze vangen of doden)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het vangen of doden van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage II bij het verdrag van Bern, en het aan de natuur onttrekken van dieren van soorten, genoemd in bijlage V, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage III bij het verdrag van Bern, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, door het gebruik van niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van populaties van soorten tot gevolg kunnen hebben, waartoe in ieder geval behoren:

Artikel 11.49. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in programma)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, in gevallen aangewezen in een programma.

2.

Het programma:

Artikel 11.50. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in omgevingsverordening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening:

Artikel 11.51. (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in ministeriële regeling)
1.

Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.50 worden aangewezen in een ministeriële regeling als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een in een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot dieren of planten van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten.

Artikel 11.52. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn)
1.

Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.49, 11.50 of 11.51 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50 en alleen als:

3.

Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50 en alleen als het bestrijden:

4.

In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen voor het vangen of doden zijn toegestaan en worden alleen middelen toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.

5.

Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.

6.

De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.

Artikel 11.53. (vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:

2.

Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:

3.

Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:

§ 11.2.4. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten

Artikel 11.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:

2.

Het verbod geldt niet als:

Artikel 11.55. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in programma)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 in gevallen aangewezen in een programma.

2.

Het programma:

Artikel 11.56. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in omgevingsverordening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in in een omgevingsverordening aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 met betrekking tot dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten.

Artikel 11.57. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in ministeriële regeling)

Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.56 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:

Artikel 11.58. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten andere soorten)
1.

Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.55, 11.56, of 11.57 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a, b en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van de artikelen 11.56 en 11.57 en alleen als:

3.

Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.56 en alleen als het bestrijden:

4.

In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen daarvoor zijn toegestaan, waarbij alleen middelen worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.

5.

In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten wordt bepaald:

6.

Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.

7.

De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet aangewezen als vergunningvrij geval.

Artikel 11.59. (vergunningvrije gevallen andere soorten op basis van aangewezen gedragscode)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen gevallen van activiteiten die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:

2.

Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen als:

3.

Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:

§ 11.2.5. Flora- en fauna-activiteiten: overige bepalingen omgevingsvergunning

Artikel 11.60. (aanwijzing vergunningplichtige activiteit: bijvoeren van specifieke soorten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het bijvoeren van in het wild levende edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen, fazanten, wilde eenden, houtduiven, hazen of konijnen.

Artikel 11.61. (aanwijzing vergunningplichtige activiteit en vergunningvrije gevallen: uitzetten van dieren of eieren van dieren)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het uitzetten van dieren of eieren van dieren.

2.

Het verbod geldt niet voor het uitzetten van vis als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 of voor het uitzetten van eieren van deze vis.

3.

Het verbod geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen voor dieren of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

4.

Vergunningvrije gevallen als bedoeld in het derde lid worden aangewezen bij ministeriële regeling:

5.

Een flora- en fauna-activiteit wordt op grond van het derde of vierde lid alleen als vergunningvrij geval aangewezen, als is voldaan aan artikel 8.74n, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het het uitzetten van dieren of eieren van dieren betreft, en aan artikel 8.74n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het een herintroductie van soorten betreft.

Artikel 11.62. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: jacht)

De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.

§ 11.2.5. Flora- en fauna-activiteiten: overige bepalingen omgevingsvergunning

Artikel 11.63. (handelen volgens faunabeheerplan)
1.

Het beperken van de omvang van populaties van in het wild levende dieren, het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht worden uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt alleen van het eerste lid afgeweken als:

§ 11.2.7. De uitoefening van de jacht

Artikel 11.64. (uitoefening van de jacht door de jachthouder of anderen)
1.

De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet bij de uitoefening van de jacht door:

2.

De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:

3.

Voor een aan een jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet het vereiste dat die is voorzien van een aantekening van de korpschef.

4.

Voor een aan een ander dan de jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet het vereiste dat diens personalia worden vermeld, als:

Artikel 11.65. (redelijke wildstand)

De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet te handhaven, of, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door dat wild te voorkomen.

Artikel 11.66. (geen jacht in bepaalde gevallen)
1.

De jacht wordt niet uitgeoefend:

2.

De jacht wordt niet uitgeoefend op wild:

Artikel 11.67. (uitzonderingen)
1.

In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder a, mag de jacht op de wilde eend ook gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang worden uitgeoefend.

2.

In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend vanaf of vanuit een vaartuig dat vaart met een snelheid van ten hoogste 5 km/u.

3.

In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder g, mag de jacht ook als de grond met sneeuw is bedekt worden uitgeoefend op:

4.

In afwijking van artikel 11.66, tweede lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om wild te lokken, als gebruik wordt gemaakt van een eendenkooi.

Artikel 11.68. (opening jacht)

De jacht op een wildsoort wordt alleen uitgeoefend als de jacht op die wildsoort bij ministeriële regeling is geopend.

Artikel 11.69. (afbakening mogelijkheid maatwerk: opening jacht)

Met een maatwerkregel kan de jacht op wildsoorten alleen worden gesloten, in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

Artikel 11.70. (einde duur huurovereenkomst op datum inschrijving ruilakte)

Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de wet mag worden bedongen dat, als een onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft wordt opgenomen in een herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136, eerste lid, van de wet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

Artikel 11.71. (middelen voor de jacht)
1.

Bij de uitoefening van de jacht worden geen andere middelen gebruikt dan:

2.

De jacht wordt niet uitgeoefend als zich in het veld andere middelen bevinden die geschikt zijn voor het vangen of doden van dieren dan de in het eerste lid genoemde middelen.

3.

Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht toegestane middelen of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee bij de uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.

4.

De jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.

§ 11.2.8. Het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden

Artikel 11.72. (verboden locaties voor middelen voor het vangen of doden van dieren)
1.

Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met een of meer van de volgende middelen of met materialen waarmee die middelen direct kunnen worden gemaakt, als moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren:

2.

Het is verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt, tenzij het betreft:

3.

Als met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt afgeweken van het eerste lid, wordt rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.

Artikel 11.73. (verboden handel in mistnetten)

Het is verboden netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder dan 150 deniers (16,2 mg/m) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 mm, te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben.

Artikel 11.74. (afbakening mogelijkheid maatwerk: handel in mistnetten)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.73, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming gestelde regels.

Artikel 11.75. (toegestane activiteiten met geweren)
1.

Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten, geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. Vergunningvrije gevallen worden aangewezen bij ministeriële regeling als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.

Artikel 11.76. (eisen omvang veld bij gebruik geweer)
1.

Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt op een jachtveld met:

2.

Als het ook anderen dan de jachthouder of de jachtopzichter, bedoeld in artikel 11.64, eerste lid, onder d, is toegestaan om in het jachtveld de jacht uit te oefenen, wordt de aaneengesloten oppervlakte van het jachtveld vermeerderd met 40 ha per ander aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.

3.

Bij het berekenen van de oppervlakte van het jachtveld worden niet meegerekend:

4.

Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook als zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan de jacht uit te oefenen:

Artikel 11.77. (afbakening mogelijkheid maatwerk: omvang veld bij uitoefening jacht)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt niet afgeweken van artikel 11.76 als het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht.

Artikel 11.78. (verzekering jachtgeweeractiviteiten)
1.

Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het gebruik van het geweer leidt, is gedekt door een verzekering, die is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge artikel 2.48 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang mag uitoefenen.

2.

De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en geldt voor geheel Nederland.

3.

De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000 per gebeurtenis.

4.

De polis, bedoeld in artikel 932 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de verzekering bevat in ieder geval de volgende gegevens:

5.

De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit informeert de korpschef onverwijld over een wijziging van deze gegevens van de polis.

Artikel 11.79. (specificaties geweren en munitie)
1.

Een geweer en munitie worden ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als is voldaan aan de eisen, bedoeld in dit artikel en in de artikelen 11.80 en 11.81.

2.

Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 mm.

3.

Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.

4.

Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.

5.

Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.

6.

De munitie die wordt gebruikt in een geweer bestaat uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 mm of minder of uit kogelpatronen, mits:

Artikel 11.80. (specificaties geweren en munitie voor bepaalde diersoorten)
1.

Voor dieren van de volgende soorten voldoen de te gebruiken geweren en munitie ook aan de volgende eisen:

2.

Voor konijnen en houtduiven te gebruiken kogelpatronen hebben een kaliber van .22 inch of 5,58 mm.

3.

Voor hazen, fazanten en wilde eenden worden alleen hagelpatronen gebruikt.

Artikel 11.81. (afwijking bestrijding muskusratten en beverratten)

In afwijking van de artikelen 11.79 en 11.80 kan voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, bestrijding van muskus- en beverratten plaatsvinden met gebruikmaking van het luchtdrukgeweer door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren.

Artikel 11.82. (afbakening mogelijkheid maatwerk: specificaties munitie)

Als met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt afgeweken van de regels over de te gebruiken munitie in artikel 11.79, zesde lid, of 11.80, wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.

Artikel 11.83. (verboden tijden en locaties gebruik van het geweer)
1.

Het geweer wordt niet gebruikt:

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, mag het geweer bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden ook worden gebruikt gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.

Artikel 11.84. (verboden locaties dragen van het geweer)
1.

Een geweer of een gedeelte van een geweer wordt niet in het veld gedragen als de drager geen houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is, tenzij de drager om een andere reden het recht heeft daar een geweer te gebruiken.

2.

De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit draagt geen geweer op gronden waarop hij niet het recht heeft een geweer te gebruiken.

Artikel 11.85. (valkeniersactiviteiten)

Vogels worden voor het vangen of doden van dieren ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:

Artikel 11.86. (eendenkooien)
1.

Eendenkooien worden alleen gebruikt als daartoe met goed gevolg een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkend examen is afgelegd.

2.

Een eendenkooi voldoet aan de volgende voorwaarden:

3.

Met een eendenkooi gevangen dieren worden onverwijld na het vangen in vrijheid gesteld of gedood.

4.

De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y m, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor:

5.

Het eerste lid is niet van toepassing als de gebruiker van de eendenkooi vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen:

Artikel 11.87. (eisen voor erkenning examens voor jachtgeweeractiviteiten)
1.

Een examen voor jachtgeweeractiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte bevat die voldoen aan de eisen in het tweede en derde lid.

2.

Het theoretisch gedeelte van het examen voor een jachtgeweeractiviteit bevat een toetsing op kennis van:

3.

Het praktisch gedeelte van het examen voor jachtgeweeractiviteiten bevat een toetsing op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.

Artikel 11.88. (eisen voor erkenning examens voor valkeniersactiviteiten)

Een examen voor valkeniersactiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het:

Artikel 11.89. (eisen voor erkenning examens voor het gebruik van eendenkooien)

Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen in aanmerking voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a tot en met c, e, j, k en l.

Artikel 11.90. (eisen voor erkenning examens gesteld bij ministeriële regeling)

Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komen alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als zij voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde nadere regels over:

Artikel 11.91. (erkenning organisaties die examens afnemen)
1.

Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komen alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als zij worden afgenomen door een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkende organisatie die voldoet aan de volgende eisen:

2.

Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan door Onze Minister voor Natuur en Stikstof met het toezicht belaste personen desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.

Artikel 11.92. (inleveren omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit of valkeniersactiviteit)
1.

Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van het geweer is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij de korpschef of degene die de omgevingsvergunning namens de korpschef heeft verleend.

2.

Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van de roofvogel is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij Onze Minister voor Natuur en Stikstof of degene die namens die Minister de omgevingsvergunning heeft verleend.

§ 11.2.9. Het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan

Artikel 11.93. (verboden te handelen in strijd met cites-basisverordening)
1.

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, eerste zin, tweede lid, eerste zin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste zin, 6, derde lid, 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de cites-basisverordening.

2.

Het is verboden te handelen in strijd met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening.

Artikel 11.94. (aanwijzing douanekantoren)

Dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening worden alleen via bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren binnen of buiten het grondgebied van Nederland gebracht.

Artikel 11.95. (fytosanitaire certificaten)

In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de cites-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is afgegeven door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie en dat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening.

Artikel 11.96. (aanvullend verbod bezit van en handel in dieren en planten)
1.

Gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan worden niet onder zich gehouden of verhandeld.

2.

Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet onder zich gehouden.

3.

Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet verhandeld.

4.

Het tweede en het derde lid gelden niet voor:

Artikel 11.97. (uitzondering op bezits- en handelsverboden voor gefokte vogels)
2.

Voor een aantoonbaar gefokte vogel die behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn geldt het eerste lid alleen:

3.

Voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, en die geen soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, geldt het eerste lid:

4.

Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor:

Artikel 11.98. (afbakening mogelijkheid maatwerk: gefokte havik)
1.

Met een maatwerkregel wordt niet afgeweken van artikel 11.96 voor het onder zich hebben van een levende havik.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.96 voor het onder zich hebben of verhandelen van een levende havik, als dat maatwerkvoorschrift inhoudt dat DNA-fingerprints worden overgelegd van zowel de oudervogels als de jonge vogel als bewijs dat de havik in gevangenschap is gefokt.

Artikel 11.99. (uitzondering op bezitsverbod voor andere dieren dan gefokte vogels en voor planten)
1.

Artikel 11.96, tweede lid, geldt niet voor het onder zich hebben van:

2.

Het eerste lid geldt alleen:

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).

4.

Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).

5.

Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor levende dieren van de soorten:

Artikel 11.100. (uitzondering op handelsverbod voor andere dieren dan gefokte vogels en voor planten)
1.

Artikel 11.96, derde lid, geldt niet voor het verhandelen van een dier, met uitzondering van een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

2.

Het eerste lid geldt alleen als het dier of de plant aantoonbaar:

Artikel 11.101. (bezits- en handelsverbod wild, niet behorende tot cites-soorten)
1.

Uit het wild afkomstige dieren van de volgende soorten worden niet onder zich gehouden of verhandeld:

2.

Het eerste lid geldt niet voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier of voor het onder zich hebben van een levend dier, als het dier:

Artikel 11.102. (verbod op prepareren van wilde vogels)
1.

Een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn wordt niet geprepareerd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:

Artikel 11.103. (administratieve verplichtingen voor het fokken van dieren of het kweken van planten)
1.

Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij over dat dier of die plant die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels, als het dier of de plant behoort tot:

2.

Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft op verzoek inzage in die administratie aan de toezichthouder.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, onder zich heeft.

Artikel 11.104. (pootringen voor gefokte vogels)
1.

Degene die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening.

3.

De pootringen:

Artikel 11.105. (verbod te handelen in strijd met EU-zeehondenregelgeving)
1.

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de zeehonden-basisverordening.

2.

Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Inuit.

Artikel 11.106. (verbod te handelen in strijd met wildklemverordening)

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de wildklemverordening.

Artikel 11.107. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen)

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van de artikelen 11.93, 11.105 en 11.106, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de cites-basisverordening, de Europese zeehondenregelgeving en de wildklemverordening gestelde regels.

§ 11.2.10. Activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben

Artikel 11.108. (verbod te handelen in strijd met invasieve-exoten-basisverordening)
1.

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, e, f, g of h, van de invasieve-exoten-basisverordening.

2.

Het eerste lid geldt niet voor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening voor activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, d, e en f, van die verordening voor bij ministeriële regeling aangewezen diersoorten en onder de daarin vastgestelde voorwaarden bij:

3.

Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling vastgestelde noodmaatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de invasieve-exoten-basisverordening.

4.

Het eerste lid geldt niet voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas eekhoorn (Callosciurus erythraeus), als de houder op 1 januari 2017 aantoonbaar voldeed aan artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Artikel 11.109. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen)

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.108, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de invasieve-exoten-basisverordening gestelde regels.

Artikel 11.109a. (handelsverbod invasieve exoten, niet behorende tot invasieve uitheemse soorten aangewezen op grond van invasieve-exoten-basisverordening)
1.

Planten, of delen of producten daarvan, die zich kunnen voortplanten, van de volgende soorten worden niet verhandeld:

2.

Het eerste lid geldt niet voor zover het verhandelen plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort, onder de bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden.

§ 11.2.10. Activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben

Artikel 11.110. (verbod walvisvangst)

Walvissen worden niet vanuit een Nederlands schip gevangen of gedood, of aan boord van een Nederlands schip verwerkt.

Afdeling 11.3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen

§ 11.3.1. Algemeen

Artikel 11.111. (activiteiten)
1.

Deze afdeling gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, en over handel in en bezit van hout of houtproducten.

2.

De afdeling gaat niet over:

Artikel 11.112. (oogmerken)
1.

De regels in paragraaf 11.3.2 over het vellen en herbeplanten van houtopstanden zijn gesteld met het oog op:

2.

De regels in paragraaf 11.3.2 over de handel in het bezit van hout of houtproducten zijn gesteld met het oog op:

Artikel 11.113. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.114 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 11.114. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof)

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:

Artikel 11.115. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.116. (specifieke zorgplicht)

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.111, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.112, is verplicht:

Artikel 11.117. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.116, 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.112.

Artikel 11.118. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.114 heeft.

Artikel 11.119. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 11.116 en paragraaf 11.3.2.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.

Artikel 11.120. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 11.121. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 11.122. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.120, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114.

Artikel 11.123. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 11.124. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114:

Artikel 11.125. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.123 en 11.124 niet versoepeld.

§ 11.3.2. Houtopstanden, hout en houtproducten

Artikel 11.126. (melding: vellen houtopstanden)
1.

Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het periodiek vellen van griend- of hakhout.

Artikel 11.127. (gegevens en bescheiden vellen houtopstanden)
1.

Als de minister het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

2.

Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 11.128. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: kapverbod)

Een maatwerkvoorschrift verbiedt het vellen van een houtopstand:

Artikel 11.129. (plicht tot herbeplanting)
1.

Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of als een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, wordt zorg gedragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

2.

Binnen drie jaar na de herbeplanting wordt de beplanting die niet is aangeslagen vervangen.

3.

Degene die de eigendom overdraagt van grond waarvoor een plicht tot herbeplanting geldt, of een beperkt recht op die grond vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.

Artikel 11.130. (afbakening mogelijkheid maatwerk: herbeplanting)

Het met een maatwerkvoorschrift toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, kan:

Artikel 11.131. (uitzondering op melding vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting)
1.

De artikelen 11.126 en 11.129 zijn niet van toepassing op:

2.

De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, onder d, waarborgt dat:

Artikel 11.132. (verbod te handelen in strijd met EU-verordeningen over hout)

Het is verboden te handelen in strijd met:

Artikel 11.133. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen)

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.132 als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de daar genoemde verordening (EG) nr. 2173/2005 of verordening (EU) nr. 995/2010 gestelde regels.

Hoofdstuk 12. Landinrichtingsactiviteiten

Afdeling 12.1. Algemeen

Artikel 12.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over landinrichtingsactiviteiten.

Artikel 12.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op een doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma.

Artikel 12.3. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Voor een landinrichtingsactiviteit zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de betrokken onroerende zaken geheel of in hoofdzaak liggen het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 12.4. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 12.5. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een landinrichtingsactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 12.2, is vanaf het moment waarop het ontwerp van het inrichtingsprogramma ter inzage is gelegd, verplicht:

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat de doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma niet ernstig wordt belemmerd.

Artikel 12.6. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 12.5 en 12.7.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 12.7.

Afdeling 12.2. Inhoudelijke regels

Artikel 12.7. (geen waardeverandering onroerende zaken in herverkavelingsblok)

De waarde van de tot een herverkavelingsblok behorende onroerende zaken wordt na de bekendmaking van het inrichtingsprogramma niet veranderd. Dit geldt niet voor het veranderen van de waarde als gevolg van een landinrichtingsactiviteit die nodig is voor een normale bedrijfsvoering.

Hoofdstuk 13. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen

Afdeling 13.1. Algemeen

Artikel 13.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over:

Artikel 13.2. (oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 13.3. (bevoegd gezag gemeente)

Tenzij in de artikelen 13.4 of 13.5 anders is bepaald, is voor een rijksmonumentenactiviteit of een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 13.4. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een rijksmonumentenactiviteit of een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de territoriale zee die buiten een gemeente ligt, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 13.5. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een rijksmonumentenactiviteit of een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 13.6. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 13.7. (specifieke zorgplicht)

Degene die een rijksmonumentenactiviteit of een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 13.8. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in het omgevingsplan worden gesteld:

2.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 13.2.

Artikel 13.9. (afbakening mogelijkheid maatwerkregel)
1.

Een maatwerkregel over inpandige wijzigingen als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, onder b, kan alleen inhouden een verbod om die activiteit te verrichten zonder dit ten minste twee werkdagen voor het begin ervan aan het bevoegd gezag te melden.

2.

De maatwerkregel kan alleen inhouden dat die melding bevat:

Artikel 13.10. (maatwerkvoorschriften)

Een maatwerkvoorschrift kan over een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft worden gesteld over artikel 13.7.

Artikel 13.11. (aanwijzing vergunningvrije gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten, geldt niet voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten, geldt niet voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument, voor zover het gaat om:

Afdeling 13.2. Inhoudelijke regels

Artikel 13.12. (verbod)

Het is verboden:

Artikel 13.13. (archeologische toevalsvondst in de Noordzee buiten de aansluitende zone)

Bij een archeologische toevalsvondst als bedoeld in artikel 13.1, onder c, gedaan bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, is artikel 5.10 van de Erfgoedwet van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen

Artikel 14.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die werelderfgoed betreffen.

Artikel 14.2. (oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.

Artikel 14.3. (bevoegd gezag gemeente)

Tenzij in de artikelen 14.4 of 14.5 anders is bepaald, is voor een activiteit die werelderfgoed betreft het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 14.4. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een activiteit die werelderfgoed betreft die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de territoriale zee die buiten een gemeente ligt, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 14.5. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een activiteit die werelderfgoed betreft, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 14.6. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 14.7. (specifieke zorgplicht)

Degene die een activiteit verricht die werelderfgoed betreft en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van werelderfgoed of een onderdeel daarvan, is, voor zover dit de uitzonderlijke universele waarde raakt, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 14.8. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in het omgevingsplan worden gesteld over artikel 14.7.

2.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.

Artikel 14.9. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 14.7.

2.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.

Hoofdstuk 15. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden

Afdeling 15.1. Algemeen

Artikel 15.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin.

2.

Dit hoofdstuk gaat niet over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin:

Artikel 15.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 15.3. (bevoegd gezag provincie)

Voor het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 15.4. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 15.5. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een badwaterbassin en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 15.2, is verplicht:

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

Artikel 15.6. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 15.5 en de afdelingen 15.2 en 15.3.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de afdelingen 15.2 en 15.3, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 15.2.

4.

Een maatwerkregel wordt gesteld in de omgevingsverordening.

Artikel 15.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 15.5 en de afdelingen 15.2 en 15.3, met uitzondering van bepalingen over meldingen.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 15.2 en 15.3, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 15.2.

Artikel 15.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

Artikel 15.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 15.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 15.8 en 15.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3.

Artikel 15.11. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Afdeling 15.2. Inhoudelijke regels

§ 15.2.1. Badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd

Artikel 15.12. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin waarin het water wordt gedesinfecteerd.

Artikel 15.13. (melding)

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 15.12, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 15.14. (aanwijzing modules: risicoanalyse, beheersplan en registratie incidenten)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 15.12, wordt voldaan aan de regels over de risicoanalyse, het beheersplan en het registreren van incidenten, bedoeld in afdeling 15.3.

Artikel 15.15. (water: vullen en aanvullen badwaterbassin)
1.

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit wordt een badwaterbassin gevuld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.

2.

Een badwaterbassin wordt aangevuld met:

Artikel 15.16. (water: kwaliteitseisen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit in een gevuld badwaterbassin worden maatregelen getroffen om te voldoen aan de kwaliteitseisen, bedoeld in tabel 15.16.

2.

In afwijking van het eerste lid is de kwaliteitseis:

3.

Aan het water wordt geen cyanuurzuur toegevoegd.

4.

Bij gebruik van ozon voor de waterbehandeling wordt voorkomen dat ozon in het badwaterbassin terechtkomt.

Parameter of parameter groep Kwaliteitseis
Vrij chloor, berekend als elementair chloor: bovengrens ≤ 1,5 mg/l in een badwaterbassin in een gesloten ruimte ≤ 5,0 mg/l in een badwaterbassin anders dan in een gesloten ruimte
Vrij chloor, berekend als elementair chloor: ondergrens ≥ 0,5 mg/l
Gebonden chloor, berekend als elementair chloor ≤ 0,6 mg/l
Zuurgraad 7,00 ≤ pH ≤ 7,60
Doorzicht Bodem is duidelijk zichtbaar
Troebelheid ≤ 0,50 formazine troebelingseenheden
Bromaat ≤ 100 μg/l
Chloraat ≤ 30 mg/l
Chloride ≤ 1000 mg/l
Kaliumpermanganaatverbruik ≤ 3,5 mg/l zuurstof
Nitraat ≤ 70 mg/l
Som van trihalomethanen, berekend als chloroform ≤ 50 μg/l
Ureum ≤ 2,0 mg/l
Waterstofcarbonaat ≥ 40 mg/l
Intestinale enterococcen ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Legionella < 100 kolonievormende eenheden/l
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Sporen van sulfietreducerende Clostridia ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Artikel 15.17. (informeren: overschrijden kwaliteitseis Legionella)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, wordt onverwijld geïnformeerd over het overschrijden van de kwaliteitseis voor Legionella.

Artikel 15.18. (water: meetmethoden)
1.

Op het onderzoeken van watermonsters is van toepassing:

2.

Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd.

Artikel 15.19. (water: plaats van bemonsteren)
1.

Er wordt in elk badwaterbassin bemonsterd op:

2.

Als meerdere badwaterbassins op een circulatiesysteem aan elkaar zijn geschakeld, wordt in het badwaterbassin met de grootste inhoud van die badwaterbassins bemonsterd op:

3.

Er wordt op de parameters, bedoeld in het eerste en tweede lid, bemonsterd op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

4.

Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

5.

De locaties, bedoeld in het derde en vierde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

Artikel 15.20. (water: eigen meting)
1.

Er wordt dagelijks gemeten op vrij chloor, berekend als elementair chloor, gebonden chloor, berekend als elementair chloor, zuurgraad en doorzicht:

2.

De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

3.

De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.

Artikel 15.21. (water: meting laboratorium)
1.

De metingen in dit artikel worden verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.18 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten.

2.

Er wordt maandelijks gemeten op:

3.

Er wordt één keer per drie maanden gemeten op de volgende stoffen, waarbij deze periode met ten hoogste zes weken kan worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten:

Deze periode van drie maanden kan met ten hoogste zes weken worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.

4.

Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella. Deze periode van een half jaar kan met ten hoogste een maand worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.

Artikel 15.22. (lucht: kwaliteitseisen)

Met het oog op het waarborgen van de kwaliteit van de binnenlucht worden in een gesloten ruimte bij een badwaterbassin maatregelen getroffen om te voldoen aan de kwaliteitseisen, bedoeld in tabel 15.22.

Parameter of parametergroep Kwaliteitseis
Ozon ≤ 120 μg/m3 lucht
Trichlooramine, berekend als elementair chloor ≤ 500 μg/m3 lucht
Artikel 15.23. (lucht: meetmethoden)

Op het onderzoeken van luchtmonsters is van toepassing:

Artikel 15.24. (lucht: plaats van bemonsteren)
1.

Bij gebruik van ozon voor de waterbehandeling wordt in elke zwemzaal bemonsterd op ozon op een locatie waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

2.

Er wordt bemonsterd op trichlooramine in de zwemzaal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten, op de locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

3.

De locaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

Artikel 15.25. (lucht: meting laboratorium)
1.

De metingen in dit artikel worden verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.23 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten.

2.

Er wordt één keer per drie maanden gemeten op ozon. Deze periode kan met ten hoogste zes weken worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.

3.

Er wordt jaarlijks gemeten op trichlooramine, berekend als elementair chloor.

Artikel 15.26. (gezondheid: maatregelen bij niet voldoen aan kwaliteitseisen)
1.

Tabel 15.26 bevat een indeling van parameters in de klassen I tot en met III.

2.

Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.20, 15.21 of 15.25 volgt dat:

3.

In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:

4.

Als het gaat om een overschrijding van de bovengrens voor vrij chloor, de kwaliteitseis voor gebonden chloor, zuurgraad of doorzicht of een onderschrijding van de ondergrens voor vrij chloor, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.

5.

Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.16 en 15.22, anders dan die, bedoeld in het vierde lid, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.18 of 15.23 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.

Parameter of parameter groep Klassenindeling
Vrij chloor: berekend als elementair chloor, ondergrens I
Vrij chloor: berekend als elementair chloor, bovengrens III
Gebonden chloor, berekend als elementair chloor III
Zuurgraad I
Doorzicht I
Troebelheid II
Bromaat II
Chloraat II
Chloride III
Kaliumpermanganaatverbruik III
Nitraat III
Ureum III
Waterstofcarbonaat III
Intestinale enterococcen II
Legionella I
Pseudomonas aeruginosa II
Som van trihalomethanen, berekend als chloroform II
Sporen van sulfietreducerende Clostridia II
Ozon I
Trichlooramine, berekend als elementair chloor II
Artikel 15.27. (gegevens en bescheiden: resultaten meting en gegevens)

Uiterlijk de vijftiende dag van elke maand worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Artikel 15.28. (overgangsrecht: kwaliteitseisen)
1.

Tot 1 januari 2025 hoeft in afwijking van artikel 15.16 niet te worden voldaan aan de kwaliteitseisen voor:

2.

Tot 1 januari 2025 hoeft in afwijking van artikel 15.22 niet te worden voldaan aan de kwaliteitseisen voor:

Artikel 15.29. (overgangsrecht: meetmethoden)

Tot 1 januari 2025 is in afwijking van artikel 15.18 op het onderzoeken van watermonsters van toepassing:

§ 15.2.2. Zwemvijvers

Artikel 15.30. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een zwemvijver.

Artikel 15.31. (melding)

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 15.30, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 15.32. (aanwijzing modules: risicoanalyse, beheersplan en registratie incidenten)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 15.30, wordt voldaan aan de regels over de risicoanalyse, het beheersplan en de registratie van incidenten, bedoeld in afdeling 15.3.

Artikel 15.33. (water: vullen en aanvullen badwaterbassin)
1.

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit wordt een badwaterbassin gevuld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.

2.

Een badwaterbassin wordt aangevuld met:

Artikel 15.34. (water: kwaliteitseisen)
1.

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit in een gevuld badwaterbassin worden maatregelen getroffen om te voldoen aan de kwaliteitseisen, bedoeld in tabel 15.34.

2.

Voor de waterbehandeling wordt gebruik gemaakt van een helofytenfilter, zijnde een veld van planten waarmee water wordt gefilterd.

Parameter of parametergroep Kwaliteitseis
Doorzicht ≥ 1,8 m
Zuurgraad 6,0 ≤ pH ≤ 8,5
Zuurstofverzadiging 80% ≤ zuurstofverzadiging ≤ 120%
Ammonium ≤ 0,3 mg/l in badwaterbassin ≤ 0,1 mg/l in water dat na een biologische behandeling direct wordt gebruikt om een badwaterbassin mee te vullen
Fytoplankton ≤ 1 mm3/l ≤ 100 μg/l
Geleidbaarheid 200 ≤ μS/cm ≤ 1000 bij 25°C
Hardheid totaal ≥ 1,0 mmol/l
Nitraat ≤ 30 mg/l
Totaal fosfor ≤ 0,02 mg/l
Waterstofcarbonaat ≥ 2 mmol/l
Escherichia coli ≤ 100 kolonievormende eenheden/100 ml
Intestinale enterococcen ≤ 50 kolonievormende eenheden/100 ml
Legionella < 100 kolonievormende eenheden/l
Pseudomonas aeruginosa ≤ 10 kolonievormende eenheden/100 ml
Artikel 15.35. (informeren: overschrijden kwaliteitseis Legionella)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, wordt onverwijld geïnformeerd over het overschrijden van de kwaliteitseis voor Legionella.

Artikel 15.36. (water: meetmethoden)
1.

Op het onderzoeken van watermonsters is van toepassing:

2.

Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd met een Secchischijf.

Artikel 15.37. (water: plaats van bemonsteren)
1.

Er wordt in elk badwaterbassin bemonsterd op:

2.

Er wordt op de parameters, bedoeld in tabel 15.34, bemonsterd op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

3.

Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

4.

De locaties, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

Artikel 15.38. (water: eigen meting)
1.

Er wordt dagelijks gemeten op doorzicht, zuurgraad en zuurstofverzadiging:

2.

De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

3.

De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.

Artikel 15.39. (water: meting laboratorium)
1.

De metingen in dit artikel worden verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.36 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten.

2.

Er wordt tweewekelijks gemeten op Escherichia coli, intestinale enterococcen en Pseudomonas aeruginosa.

3.

Er wordt maandelijks gemeten op ammonium, fytoplankton, geleidbaarheid, hardheid totaal, nitraat, totaal fosfor en waterstofcarbonaat.

4.

Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella.

Artikel 15.40. (gezondheid: watertemperatuur)
1.

Met het oog op het waarborgen van de gezondheid van de gebruikers is de watertemperatuur ten hoogste 25 °C.

2.

Het water wordt alleen technisch verwarmd als de watertemperatuur lager is dan 23 °C.

3.

In afwijking van het eerste lid mag de watertemperatuur ten hoogste vijf dagen per jaar ten hoogste 28 °C zijn.

4.

De watertemperatuur wordt dagelijks in de ochtend, middag en avond met een thermometer gemeten aan het wateroppervlak.

Artikel 15.41. (gezondheid: aanwezigheid dieren)
1.

Met het oog op het waarborgen van de gezondheid van de gebruikers wordt de aanwezigheid van vissen, watervogels, ratten en slakken zoveel mogelijk beperkt door aanwezige vissen en slakken te verwijderen en maatregelen te treffen om watervogels en ratten op afstand te houden.

2.

Er wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van vissen, watervogels, ratten en slakken:

3.

Er wordt met de volgende frequentie geïnspecteerd op de aanwezigheid van:

Artikel 15.42. (gezondheid: maatregelen bij niet voldoen aan kwaliteitseisen)
1.

Tabel 15.42 bevat een indeling van parameters in de klassen I en II.

2.

Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.38 of 15.39 volgt dat:

3.

In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:

4.

Als het gaat om een overschrijding van de kwaliteitseis voor zuurstofverzadiging, zuurgraad of doorzicht wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.

5.

Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.34, anders dan die, bedoeld in het vierde lid, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.36 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.

Parameter of parameter groep Klassenindeling
Doorzicht I
Zuurgraad II
Zuurstofverzadiging II
Ammonium II
Fytoplankton II
Geleidbaarheid II
Hardheid totaal II
Nitraat II
Totaal fosfor II
Waterstofcarbonaat II
Escherichia coli II
Intestinale enterococcen II
Legionella I
Pseudomonas aeruginosa II
Watertemperatuur II
Artikel 15.43. (gegevens en bescheiden: resultaten meting en gegevens)

Uiterlijk de vijftiende dag van elke maand worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Artikel 15.44. (overgangsrecht: kwaliteitseisen)

Tot 1 januari 2025 hoeft in afwijking van artikel 15.34 niet te worden voldaan aan de kwaliteitseisen voor:

Artikel 15.45. (overgangsrecht: meetmethoden)

Tot 1 januari 2025 is in afwijking van artikel 15.36 op het onderzoeken van watermonsters van toepassing:

§ 15.2.3. Badwaterbassins voor eenmalig gebruik

Artikel 15.46. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin:

Artikel 15.47. (melding)

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 15.46, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 15.48. (water: vullen, aanvullen en schoonmaken badwaterbassin)
1.

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit wordt een badwaterbassin gevuld en aangevuld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.

2.

Het badwaterbassin wordt dagelijks gedesinfecteerd en nagespoeld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.

§ 15.2.3. Badwaterbassins voor eenmalig gebruik

Artikel 15.49. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin:

Artikel 15.50. (melding)

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 15.49, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 15.51. (aanwijzing modules: risicoanalyse, beheersplan en registratie incidenten)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 15.49, wordt voldaan aan de regels over de risicoanalyse, het beheersplan en de registratie van incidenten, bedoeld in afdeling 15.3.

Artikel 15.52. (water: vullen en aanvullen badwaterbassin)

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit wordt een badwaterbassin gevuld en aangevuld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.

Artikel 15.53. (water: kwaliteitseisen)

Met het oog op het waarborgen van de waterkwaliteit in een gevuld badwaterbassin worden maatregelen getroffen om te voldoen aan de kwaliteitseisen, bedoeld in tabel 15.53.

Parameter of parameter groep Kwaliteitseis
Doorzicht Bodem is duidelijk zichtbaar
Troebelheid ≤ 0,50 formazine troebelingseenheden
Intestinale enterococcen ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Legionella < 100 kolonievormende eenheden/l
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Sporen van sulfietreducerende Clostridia ≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
Artikel 15.54. (informeren: overschrijden kwaliteitseis Legionella)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, wordt onverwijld geïnformeerd over het overschrijden van de kwaliteitseis voor Legionella.

Artikel 15.55. (water: meetmethoden)
1.

Op het onderzoeken van watermonsters is van toepassing:

2.

Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd.

Artikel 15.56. (water: plaats van bemonsteren)
1.

Er wordt in elk badwaterbassin bemonsterd op:

2.

Er wordt bemonsterd op de parameters, bedoeld in tabel 15.53, op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

3.

Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.

4.

De locaties, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

Artikel 15.57. (water: eigen meting)
1.

Er wordt dagelijks gemeten op doorzicht:

2.

De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.

3.

De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.

Artikel 15.58. (water: meting laboratorium)
1.

De metingen in dit artikel worden verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.51 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten.

2.

Er wordt maandelijks gemeten op:

3.

Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella. Deze periode kan met ten hoogste een maand worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.

Artikel 15.59. (gezondheid: maatregelen bij niet voldoen aan kwaliteitseisen)
1.

Tabel 15.59 bevat een indeling van parameters in de klassen I en II.

2.

Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.57 of 15.58 volgt dat:

3.

In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:

4.

Als het gaat om een overschrijding van de kwaliteitseis voor doorzicht wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor doorzicht.

5.

Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.53, anders dan doorzicht, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.55 van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.

Parameter of parameter groep Klassenindeling
Doorzicht I
Troebelheid II
Intestinale enterococcen II
Legionella I
Pseudomonas aeruginosa II
Sporen van sulfietreducerende Clostridia II
Artikel 15.60. (gegevens en bescheiden: resultaten meting en gegevens)

Uiterlijk de vijftiende dag van elke maand worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Artikel 15.61. (overgangsrecht: kwaliteitseisen)

Tot 1 januari 2025 hoeft in afwijking van artikel 15.53 niet te worden voldaan aan de kwaliteitseisen voor:

Artikel 15.62. (overgangsrecht: meetmethoden)

Tot 1 januari 2025 is in afwijking van artikel 15.55 op het onderzoeken van watermonsters van toepassing:

Afdeling 15.3. Module risicoanalyse, beheersplan en registratie van incidenten

Artikel 15.63. (risicoanalyse)
1.

Met het oog op het voorkomen van verdrinking van de gebruikers van een badwaterbassin, het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin en het in en om een badwaterbassin voorkomen van letsel van de gebruikers van een badwaterbassin wordt een risicoanalyse opgesteld.

2.

De risicoanalyse gaat over:

3.

De risicoanalyse bevat in ieder geval:

4.

De risicoanalyse is beschikbaar.

Artikel 15.64. (beheersplan)
1.

Met het oog op het voorkomen van verdrinking van de gebruikers van een badwaterbassin, het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin en het in en om een badwaterbassin voorkomen van letsel van de gebruikers van een badwaterbassin wordt een plan opgesteld om de risico’s die zijn vastgesteld in de risicoanalyse, bedoeld in artikel 15.63, te beheersen.

2.

Het beheersplan omschrijft in ieder geval:

3.

Het beheersplan wordt uitgevoerd.

Artikel 15.65. (logboek en registratie incidenten)
1.

Met het oog op het voorkomen van verdrinking van de gebruikers van een badwaterbassin, het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin en het in en om het badwaterbassin voorkomen van letsel van de gebruikers van een badwaterbassin wordt een logboek bijgehouden over de uitvoering van het beheersplan.

2.

Het logboek bevat in ieder geval een registratie van incidenten met vermelding van:

Artikel 15.66. (overgangsrecht: risicoanalyse)
1.

Tot 1 januari 2026 hoeft geen risicoanalyse als bedoeld in artikel 15.63 te zijn opgesteld voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Tot het moment dat een risicoanalyse als bedoeld in artikel 15.63 beschikbaar is, is voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden voor inwerkingtreding van dit besluit, de risicoanalyse, bedoeld in artikel 2a van het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, beschikbaar.

Artikel 15.67. (overgangsrecht: beheersplan)
1.

Tot 1 januari 2026 hoeft geen beheersplan als bedoeld in artikel 15.64 te zijn opgesteld voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Tot het moment dat een beheersplan als bedoeld in artikel 15.64 beschikbaar is, zijn voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden voor inwerkingtreding van dit besluit, het beheersplan, bedoeld in artikel 2b, en het logboek, bedoeld in artikel 2c van het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, beschikbaar.

Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren

Afdeling 16.1. Algemeen

Artikel 16.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over:

Artikel 16.2. (oogmerken)
1.

De regels in paragraaf 16.2.1 over wateronttrekkingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

2.

De regels in paragraaf 16.2.2 over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Afdeling 16.2. Inhoudelijke regels

§ 16.2.1. Wateronttrekkingsactiviteiten

Artikel 16.3. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om:

Artikel 16.4. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.3.

Artikel 16.5. (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

In de omgevingsverordening kan met het oog op het doelmatig waterbeheer worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningplichtige gevallen, bedoeld in artikel 16.4, voor zover het gaat om wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen.

§ 16.2.1. Wateronttrekkingsactiviteiten

Artikel 16.6. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.

Artikel 16.7. (aanwijzing vergunningvrije gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:

Artikel 16.8. (aanwijzing vergunningvrije gevallen zonder afwijkmogelijkheid)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:

2.

Het eerste lid geldt niet voor het ontgronden om het bodemmateriaal dat voor die maatregelen nodig is, te verkrijgen.

Artikel 16.9. (afwijken van aanwijzing vergunningvrije gevallen)
1.

Er kan worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningvrije gevallen, bedoeld in artikel 16.7.

2.

Een aanvullend verbod of vergunningvrij geval kan worden opgenomen in de omgevingsverordening, als dat doelmatig en doeltreffend is.

Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren

Afdeling 17.1. Algemeen

Artikel 17.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam dat deel uitmaakt van de binnenwateren als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee die zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

2.

Afdeling 17.3 gaat over het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

3.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 17.2. (oogmerken)

De regels in de afdelingen 17.1 en 17.2 zijn gesteld met het oog op:

Artikel 17.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

Artikel 17.4. (bevoegd gezag waterschap)

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap is het dagelijks bestuur van het waterschap waarbinnen de activiteit wordt verricht het bevoegd gezag:

Artikel 17.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 17.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 17.2, is verplicht:

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

Artikel 17.7. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 17.6 en afdeling 17.2, met uitzondering van bepalingen waarin lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam worden aangewezen.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 17.2.

4.

Een maatwerkregel wordt voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap gesteld in de waterschapsverordening.

Artikel 17.8. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 17.6, 17.11 en 17.12 en afdeling 17.2, met uitzondering van bepalingen waarin lozingsactiviteiten worden aangewezen.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 17.6, tweede lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

4.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

5.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 17.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 17.9, onder b, wijzigen, worden die gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4.

Artikel 17.11. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die watersystemen.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 17.12. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 17.13. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4:

Artikel 17.14. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 17.12 en 17.13 niet versoepeld.

Afdeling 17.2. Inhoudelijke regels

§ 17.2.1. Pleziervaart

Artikel 17.15. (aanwijzing lozingsactiviteiten)

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 17.1 wordt aangewezen het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een pleziervaartuig.

Artikel 17.16. (water en gezondheid: geen toiletwater lozen)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt vanaf een pleziervaartuig geen toiletwater geloosd.

2.

In afwijking van het eerste lid kan toiletwater vanaf een pleziervaartuig worden geloosd als:

Artikel 17.16a. (gezondheid: gegevens op en bij zuiveringsvoorziening)
1.

Op een zuiveringsvoorziening met een certificaat van typegoedkeuring zijn de volgende gegevens zichtbaar:

2.

Bij de zuiveringsvoorziening is een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aanwezig.

§ 17.2.1. Pleziervaart

Artikel 17.17. (aanwijzing lozingsactiviteiten)
1.

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 17.1 wordt aangewezen het lozen van stoffen of afvalwater afkomstig van een vaartuig.

2.

Onder de aanwijzing valt niet:

Artikel 17.18. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozingsactiviteiten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 17.17.

Afdeling 17.3. Certificatie van zuiveringsvoorzieningen

Artikel 17.19. (toepassingsbereik)

Deze afdeling gaat over het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

Artikel 17.20. (aanvragen erkenning certificatie-instantie)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een certificatie-instantie voor het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

Artikel 17.21. (verlenen erkenning certificatie-instantie)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent de erkenning als de certificatie-instantie:

Artikel 17.22. (lijst erkende certificatie-instanties)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat houdt een lijst bij van erkende certificatie-instanties en stelt die beschikbaar via een aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Artikel 17.23. (intrekken erkenning certificatie-instantie)

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een erkenning intrekken:

Artikel 17.24. (aanvraag certificaat van typegoedkeuring)

Een erkende certificatie-instantie stelt een procedure vast waarmee aan een fabrikant van zuiveringsvoorzieningen in ieder geval wordt gevraagd gegevens en bescheiden te verstrekken over:

Artikel 17.25. (verstrekken certificaat van typegoedkeuring)
1.

De erkende certificatie-instantie verstrekt een certificaat van typegoedkeuring voor een zuiveringsvoorziening als:

2.

De erkende certificatie-instantie neemt in het certificaat voorwaarden op met betrekking tot het functioneren van de zuiveringsvoorziening BBT die moeten zijn vervuld voordat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de grenswaarden, bedoeld in tabel 17.25.

Stof Grenswaarden in eenheden/100 ml
Intestinale enterokokken 330
Escherichia coli 900
Artikel 17.26. (meting grenswaarde zuiveringsvoorziening)
1.

De erkende certificatie-instantie meet als volgt:

2.

Bij het beoordelen of aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 17.25, eerste lid, wordt voldaan, wordt gebruik gemaakt van de 90-percentielwaarde van de gemeten bacterietelling per gegevensreeks.

3.

Bij een normale waarschijnlijkheidsverdeling van log10 van de gemeten waarden wordt de 90-percentielwaarde als volgt afgeleid:

Artikel 17.27. (intrekken certificaat van typegoedkeuring)

Een certificaat van typegoedkeuring kan door de erkende certificatie-instantie worden ingetrokken als:

Artikel 17.28. (uitbesteding meting)

De erkende certificatie-instantie kan de meting, bedoeld in artikel 17.26, eerste lid, laten verrichten door een laboratorium of andere instantie:

Hoofdstuk 19. Overige en slotbepalingen

Afdeling 19.1. Implementatie internationaalrechtelijke verplichtingen

§ 19.1.1. Grenswaarden afvalwater

Artikel 19.1. (grenswaarden afvalwater)
1.

Onverminderd de bij dit besluit voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk gestelde regels, zijn de emissiegrenswaarden voor stoffen in afvalwater, bedoeld in de volgende internationaalrechtelijke regelgeving, van toepassing:

2.

Onverminderd de bij dit besluit voor een milieubelastende activiteit gestelde regels zijn op de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) de emissiegrenswaarden voor VCM in de lucht, bedoeld in Ospar-besluit 98/5 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing voor de vinylchloridesector bij de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 40), van toepassing.

§ 19.1.2. Produceren, leveren, opslaan, distribueren en gebruiken van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie

Artikel 19.1a. (activiteiten)

Deze paragraaf gaat over het produceren, leveren, opslaan, distribueren en gebruiken van stedelijk afvalwater dat is gezuiverd in overeenstemming met de Richtlijn stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

Artikel 19.1b. (oogmerken)

De regels in deze paragraaf zijn gesteld ter uitvoering van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

Artikel 19.1c. (vergunningplichtige gevallen: gelijkstelling)
1.

De vergunningplicht voor het produceren en leveren van teruggewonnen water, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater, geldt als het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten.

2.

In de omgevingsverordening kan worden bepaald dat geen omgevingsvergunning is vereist in gevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

Artikel 19.1d. (verboden)
1.

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, derde lid, laatste zin, 4, eerste en tweede lid, 5, tweede lid, 6, eerste en tweede lid, en 7, derde en vierde lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

2.

Het is verboden water voor landbouwirrigatie te hergebruiken als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater in bij ministeriële regeling aangewezen stroomgebiedsdistricten of delen daarvan.

3.

Het is verboden teruggewonnen water op te slaan, te distribueren of te gebruiken in strijd met het risicobeheerplan voor hergebruik van water, bedoeld in artikel 5, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

Afdeling 19.2. Slotbepalingen

Artikel 19.2. (inwerkingtreding)

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 19.3. (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit activiteiten leefomgeving.

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

aaneengesloten bodemvoorziening: vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht;

aardgas: in de natuur voorkomend methaan met ten hoogste 20 volumeprocent andere bestanddelen;

accreditatie: verklaring dat een laboratorium, certificatie-instantie of inspectie-instantie voldoet aan de eisen die in die verklaring zijn vermeld, verstrekt door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening accreditatie en markttoezicht;

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

aaneengesloten bodemvoorziening: vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht;

aardgas: in de natuur voorkomend methaan met ten hoogste 20 volumeprocent andere bestanddelen;

accreditatie: verklaring dat een laboratorium, certificatie-instantie of inspectie-instantie voldoet aan de eisen die in die verklaring zijn vermeld, verstrekt door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening accreditatie en markttoezicht;

ADR-klasse: klasse waarin een gevaarlijke stof volgens de ADR valt vanwege het overheersende gevaar en het bijkomende gevaar;

afgas: emissie in de lucht van gassen van verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur;

afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit inzamelen afvalstoffen;

afvalmeeverbrandingsinstallatie: afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, onder 41, van de richtlijn industriële emissies;

afvalverbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, onder 40, van de richtlijn industriële emissies;

API: norm die door het American Petroleum Institute is uitgegeven;

asbest: asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

AS SIKB: accreditatieschema dat door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer is uitgegeven;

assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van gewassen bedoeld voor de bevordering van het groeiproces van gewassen;

autowrak:

AVI-bodemas: bodemas dat resteert na verbranding in een installatie die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen in een roosteroven of een wervelbedoven;

badwaterbassin: waterkerende constructie voor het vasthouden van water bedoeld voor het zwemmen of baden;

batterijhuisvesting: afgesloten ruimte voor het houden van een of meer landbouwhuisdieren waarin die dieren zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, met uitzondering van gevaarlijke afvalstoffen en nog niet ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen;

benzinedampterugwinningseenheid: dampterugwinningseenheid als bedoeld in artikel 2, onder j, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

aaneengesloten bodemvoorziening: vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht;

aardgas: in de natuur voorkomend methaan met ten hoogste 20 volumeprocent andere bestanddelen;

accreditatie: verklaring dat een laboratorium, certificatie-instantie of inspectie-instantie voldoet aan de eisen die in die verklaring zijn vermeld, verstrekt door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening accreditatie en markttoezicht;

ADR-klasse: klasse waarin een gevaarlijke stof volgens de ADR valt vanwege het overheersende gevaar en het bijkomende gevaar;

afgas: emissie in de lucht van gassen van verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur;

afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit inzamelen afvalstoffen;

afvalmeeverbrandingsinstallatie: afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, onder 41, van de richtlijn industriële emissies;

afvalverbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, onder 40, van de richtlijn industriële emissies;

API: norm die door het American Petroleum Institute is uitgegeven;

asbest: asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

AS SIKB: accreditatieschema dat door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer is uitgegeven;

assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van gewassen bedoeld voor de bevordering van het groeiproces van gewassen;

autowrak:

AVI-bodemas: bodemas dat resteert na verbranding in een installatie die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen in een roosteroven of een wervelbedoven;

badwaterbassin: waterkerende constructie voor het vasthouden van water bedoeld voor het zwemmen of baden;

batterijhuisvesting: afgesloten ruimte voor het houden van een of meer landbouwhuisdieren waarin die dieren zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, met uitzondering van gevaarlijke afvalstoffen en nog niet ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen;

benzinedampterugwinningseenheid: dampterugwinningseenheid als bedoeld in artikel 2, onder j, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

benzinelaadportaal: laadportaal als bedoeld in artikel 2, onder o, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

benzineopslagtank: opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onder c, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

benzineoverslaginstallatie: installatie als bedoeld in artikel 2, onder n, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

benzineterminal: terminal als bedoeld in artikel 2, onder d, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

beperkt kwetsbaar gebouw: beperkt kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

beperkt kwetsbare locatie: beperkt kwetsbare locatie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: besloten ruimte waarin vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een transportverpakking als bedoeld in de ADR worden bewaard;

bijeenkomstfunctie: bijeenkomstfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen: elke handeling die is gericht op het bewerkstelligen van het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen;

biociden: biociden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L 167);

biologisch geteelde gewassen: gewassen die zijn voortgebracht overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening;

bodembeschermende voorziening: vloeistofdichte bodemvoorziening, aaneengesloten bodemvoorziening, elementenbodemvoorziening, lekbak, geomembraanbaksysteem of vulpuntmorsbak;

bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken;

bodemfunctieklasse: bodemfunctieklasse als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

bodemgevoelig gebouw: bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bodemgevoelige locatie: bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bodemzijdig vermogen: grootste vermogen dat het bodemzijdig deel van een gesloten bodemenergiesysteem bij normaal gebruik kan uitwisselen met de bodem;

bouwland: landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die ten minste een deel van het kalenderjaar in de openlucht zijn beteeld met gewassen, met uitzondering van grasland en weidegronden;

bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

bovengrondse opslagtank: opslagtank die geen ondergrondse opslagtank is;

brandcompartiment: brandcompartiment als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

BRL: beoordelingsrichtlijn;

BRL-K: BRL die door Kiwa is uitgegeven;

BRL KvINL: BRL die door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland is uitgegeven;

BRL SIKB: BRL die door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer is uitgegeven;

bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: besloten ruimte waarin vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik uit de transportverpakking worden genomen voor het samenstellen van pakketten of bestellingen van klanten en het aansluitend bewaren van onverpakt vuurwerk of onverpakte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

bunkerstation: drijvend bouwsel met permanente ligplaats voor het opslaan en tanken van brandstof voor de voortstuwing van vaartuigen of drijvende werktuigen;

CAS-nummer: numerieke aanduiding voor chemische stoffen die door de Chemical Abstract Service is uitgegeven;

celfunctie: celfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

certificaat: verklaring van een certificatie-instantie dat een onderneming, een dienst, een product, een ontwerp of een systeem voldoet aan de eisen die in die verklaring zijn vermeld;

CNG: gecomprimeerd aardgas;

coating: preparaat dat organische oplosmiddelen bevat of waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt, dat wordt gebruikt om op een oppervlak een film met decoratieve, beschermende of andere functionele laag aan te brengen;

compost: compost als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

diepe plas: oppervlaktewaterlichaam of een deel daarvan, ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak;

dierenverblijf: gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren;

dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Meststoffenwet;

dierplaats: deel van een huisvestingssysteem voor het houden van een landbouwhuisdier;

dieselmotor: verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;

diffuse emissie: niet-gekanaliseerde emissie;

digestaat: stabiel restproduct dat overblijft na het vergisten van 50% of meer van de dierlijke uitwerpselen met als nevenbestanddeel alleen producten die op grond van artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zijn aangewezen;

dikke fractie: vast restproduct dat ontstaat na het scheiden van drijfmest;

dioxinen en furanen: dioxinen en furanen als bedoeld in artikel 3, onder 43, van de richtlijn industriële emissies;

drainagewater: water dat wordt afgevoerd via een stelsel van waterdoorlatende buizen die in de bodem zijn aangebracht;

drainwater: voedingswater dat bij substraatteelt niet wordt opgenomen door het gewas;

drijfmest: drijfmest als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

dunne fractie: vloeibaar restproduct dat ontstaat na het scheiden van drijfmest;

elementenbodemvoorziening: vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht;

emissiegrenswaarde: massa, gerelateerd aan een parameter, concentratie of niveau van een emissie die tijdens een of meer vastgestelde perioden niet wordt overschreden;

erkenning bodemkwaliteit: erkenning als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

ERS: extreem risicovolle stoffen, zijnde persistente, gemakkelijk accumuleerbare en zeer toxische stoffen;

exoot: exemplaar van een uitheemse soort;

fase II-benzinedampterugwinningssysteem: systeem als bedoeld in artikel 2, onder 6, van de richtlijn benzinedampterugwinning;

gA: gasvormige anorganische stoffen;

gasmotor: verbrandingsmotor die werkt volgens de ottocyclus en gebruik maakt van vonkontsteking of, bij dual-fuelmotoren, van compressieontsteking om brandstof te verbranden;

gasturbine: roterende machine die thermische energie omzet in arbeid, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd en een turbine;

gebouwerf: gebouwerf als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

geluidgevoelig gebouw: geluidgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

geluidgevoelige ruimte: geluidgevoelige ruimte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

genetisch gemodificeerd organisme: genetisch gemodificeerd organisme als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013;

geomembraanbaksysteem: ondergronds aangelegd kunststof foliesysteem in een bakconstructie waardoor stoffen niet in de bodem terecht kunnen komen;

gesloten bodemenergiesysteem: bodemenergiesysteem met een gesloten circuit van leidingen;

gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);

gezondheidszorgfunctie: gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

ggo-gebied: ggo-gebied als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen 2013;

gO: gasvormige organische stoffen, met uitzondering van methaan;

grasland: landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras dat is bedoeld als voer voor dieren;

grondwatersanering: het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;

hernieuwbare energie: energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn hernieuwbare energie;

herwonnen fosfaten: herwonnen fosfaten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

hogedrempelinrichting: Seveso-inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 3, of deel 2, kolom 3, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage;

huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

huishoudelijke afvalstoffen: huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

huisvestingssysteem: systeem voor het houden van landbouwhuisdieren van een diercategorie in een dierenverblijf of een gedeelte daarvan;

insteek: snijlijn van het talud met het maaiveld;

interventiewaarde bodemkwaliteit: waarde waarboven significante risico’s voor mens, plant of dier bestaan als gevolg van verontreiniging van de bodem, zoals opgenomen in bijlage IIA;

invasieve exoot: exemplaar van een invasieve uitheemse soort;

inwonerequivalent: inwonerequivalent als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn stedelijk afvalwater;

inzameling van afvalstoffen: inzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

ISO: norm die door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie is uitgegeven;

jachtopzichter: degene die zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van een jachthouder en ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten;

kleigronden: kleigrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder p, van de Meststoffenwet;

koelinstallatie: combinatie van met koudemiddel gevulde onderdelen die met elkaar zijn verbonden en samen een gesloten koudemiddelcircuit vormen waarin het koudemiddel circuleert met het doel warmte op te nemen of af te staan;

koudenet: koudenet als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie;

kwetsbaar gebouw: kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

kwetsbare locatie: kwetsbare locatie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

landbodem: bodem, niet zijnde waterbodem;

landbouwgronden: landbouwgronden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Meststoffenwet;

landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT: langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

lekbak: aaneengesloten bodemvoorziening met opstaande randen;

LNG: vloeibaar gemaakt aardgas;

logiesfunctie: logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

LPG: tot vloeistof verdicht mengsel dat hoofdzakelijk bestaat uit propaan, propeen, butaan en buteen;

maximaal geluidniveau LAmax: maximaal geluidniveau LAmax als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

meerjarenafspraak energie-efficiëntie: de op 1 juli 2008 tot stand gekomen meerjarenafspraak energie-efficiëntie (Stcrt. 2018, 50932);

mestbassin: voorziening voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie van meststoffen, met uitzondering van een mestkelder of een opslagtank;

mestkelder: ondergrondse voorziening voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie met een afdekking die als vloer fungeert;

meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Meststoffenwet;

mestzak: mestbassin, geheel of gedeeltelijk gelegen boven het maaiveld, voornamelijk opgebouwd uit folies waarvan de bodemafdichting en afdekking een geheel vormen;

mijnsteen: mijnsteen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

milieuverklaring bodemkwaliteit: milieuverklaring bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit;

milieuverontreiniging: milieuverontreiniging als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

mobiele benzinetank: mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onder e, van de richtlijn opslag en distributie benzine;

motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

MP40-21: Ministeriële Publicatie 40-21, Voorschrift opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen Defensie;

MP40-30: Ministeriële Publicatie 40-30, Voorschrift voor de inrichting en het gebruik van schietinrichtingen;

munitie-QRA: middel om de risico's van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht inzichtelijk te maken;

MVP: stofklasse van minimalisatieverplichte stoffen;

natte koeltoren: installatie met een open constructie voor het afvoeren van overtollige warmte uit een productieproces of bouwwerk door het vernevelen van water;

natuurgronden: natuurterreinen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Meststoffenwet en de artikelen 25a en 32 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

NEM: netto explosieve massa, uitgedrukt als de massa van de explosieve stof of de massa van de explosieve stof in een ontplofbaar voorwerp;

NEN: norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

NEN-EN: NEN die door het Europees Comité voor Normalisatie is vastgesteld;

NEN-EN-ISO: NEN-EN die door de International Organization for Standardization is vastgesteld;

NEN-EN-IEC: NEN-EN die door de International Electrotechnical Commission is vastgesteld;

NEN-EN-ISO/IEC: NEN-EN die door de International Organization for Standardization en de International Electrotechnical Commission is vastgesteld;

NEN-ISO: NEN die door de International Organization for Standardization is vastgesteld;

niet-beteelde gronden: bouwland waarop niet kan worden waargenomen dat dit met een gewas is bedekt;

Nm3: gashoeveelheid bij 273,15 K en 101,3 kPa en betrokken op droge lucht;

NPR: Nederlandse praktijkrichtlijn die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

NPR-CEN/TS: NPR die als technical specification door het Europees Comité voor Normalisatie is vastgesteld;

NTA: Nederlandse technische afspraak die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

nuttige toepassing: nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

ondergrondse opslagtank: opslagtank die geheel in de bodem of in een terp ligt;

onderwijsfunctie: onderwijsfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

open bodemenergiesysteem: bodemenergiesysteem waarbij grondwater wordt onttrokken en na gebruik in de bodem wordt gebracht;

oplosmiddelenhergebruik: gebruik van organische oplosmiddelen die uit een oplosmiddeleninstallatie zijn teruggewonnen, met uitzondering van het verwijderen van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afvalstoffen;

oplosmiddeleninput: hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het verrichten van een activiteit wordt gebruikt, met inbegrip van de hergebruikte oplosmiddelen;

oplosmiddeleninstallatie: installatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de richtlijn industriële emissies, voor zover daarin een activiteit of proces als bedoeld in deel 1 van bijlage VII bij de richtlijn industriële emissies wordt verricht;

opslagtank: voorziening voor het opslaan van gas of vloeistof, met uitzondering van een verpakking, tankcontainer of ladingtank van een bunkerstation;

overige gronden: andere gronden dan natuurgronden en landbouwgronden;

overige organische meststoffen: overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

PGS: richtlijn uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

plaatsgebonden risico: plaatsgebonden risico als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

PM10: PM10 als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

PRTR: register als bedoeld in artikel 20.11, aanhef en onder a, van de wet;

PRTR-installatie: installatie als bedoeld in artikel 2 van de PRTR-verordening;

PRTR-verslag: rapportage als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid;

puntbron: gefixeerde en gekanaliseerde bron van emissies;

pyrotechnisch artikel voor theatergebruik: artikel voor podiumgebruik, dat een explosieve stof of explosief mengsel bevat en tot doel heeft warmte, licht, geluid, gas of rook te maken door zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties;

pyrotechnisch artikel voor theatergebruik van categorie T1: pyrotechnisch artikel voor theatergebruik dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie T1;

pyrotechnisch artikel voor theatergebruik van categorie T2: pyrotechnisch artikel voor theatergebruik dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie T2;

recycling: recycling als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

rie-biomassa: biomassa als bedoeld in artikel 3, onder 31, van de richtlijn industriële emissies;

sA: stofvormige anorganische stoffen;

saneren van de bodem: beperken of ongedaan maken van de blootstelling aan de verontreiniging van de bodem of het beperken of ongedaan maken van de verontreiniging van de bodem;

Seveso-inrichting: volledige door degene die de Seveso-inrichting exploiteert beheerde locatie, waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer Seveso-installaties, met inbegrip van:

Seveso-installatie: technische eenheid binnen een Seveso-inrichting, waar een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, loskades, aanlegsteigers, pieren, depots of andere constructies die voor de werking daarvan nodig zijn;

SIKB protocol: protocol dat door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer is uitgegeven;

sO: stofvormige organische stoffen;

SPF: seizoensgebonden prestatiefactor (Seasonal Performance Factor);

steekvast zuiveringsslib: zuiveringsslib dat niet verpompbaar is;

stikstofoxiden: stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide;

stofklasse: clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische, chemische en toxologische eigenschappen;

stookinstallatie: technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd om de warmte die zo wordt opgewekt te gebruiken;

substraatmateriaal: materiaal, bedoeld om te worden gebruikt voor het telen van gewassen los van de ondergrond;

tarragrond: tarragrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

tijdelijk uitnemen van grond: het uitnemen van grond uit de bodem, waarna die grond weer wordt teruggebracht op of in de bodem onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt;

UN-nummer: nummer van de chemische stof uit de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, uitgegeven door de Verenigde Naties;

vaargeul: geul in de bodem van een waterstaatswerk die voor de scheepvaart op een vastgestelde diepte wordt gehouden;

vaste bijvoedermiddelen: plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw of plantaardige restproducten uit de voedselbereiding en voedselverwerking;

vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;

veengronden: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de Meststoffenwet;

verdichten van afvalstoffen: reduceren van het volume van afvalstoffen bij een gelijkblijvende massa of een gelijkblijvend gewicht;

vergistingsgas: gasvormige brandstof, met als hoofdbestanddelen methaan en kooldioxide, dat is ontstaan door vergisting van organisch materiaal;

vermengde mijnsteen: vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

verpakkingsgroep: groep waarin een stof is ingedeeld volgens de ADR;

verwerking van afvalstoffen: verwerking als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

verwijdering van afvalstoffen: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

vloeistofdichte bodemvoorziening: vloer, verharding of constructie waardoor stoffen niet in de bodem terecht kunnen komen;

vluchtige organische stof: organische verbinding, en ook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning heeft van ten minste 0,01 kPa of onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;

voorbereiding voor hergebruik van afvalstoffen: voorbereiding voor hergebruik als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

B. Verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en internationale verdragen

vuilwaterriool: voorziening of werk voor de inzameling en het transport van afvalwater, die of dat is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk of op een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van stedelijk afvalwater;

vuurwerk: artikel voor vermaak, dat een explosieve stof of explosief mengsel bevat en tot doel heeft warmte, licht, geluid, gas of rook te maken door zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties;

vuurwerk van categorie F1: vuurwerk dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie F1,

vuurwerk van categorie F2: vuurwerk dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie F2,

vuurwerk van categorie F3: vuurwerk dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie F3,

vuurwerk van categorie F4: vuurwerk dat op grond van artikel 1A.1.3 van het Vuurwerkbesluit is ondergebracht in categorie F4,

warmtenet: warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;

warmtevracht: warmtevracht berekend volgens artikel 4.1133;

waterbodem: bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust;

weidegronden: landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras voor het beweiden van dieren of voor het gebruik als voer voor dieren;

wet: Omgevingswet;

windparkexportkabel: kabel die het transformatorstation van een windpark verbindt met een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Elektriciteitswet 1998;

winterbed: rivierbed, met uitzondering van:

woonfunctie: woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

wrak van een tweewielig motorvoertuig: motorvoertuig op twee wielen dat een bromfiets of motorfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 71, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is en dat een afvalstof is;

zandgronden of lössgronden: zandgronden of lössgronden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van de Meststoffenwet;

zeer kwetsbaar gebouw: zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

Bijlage II. bij de artikelen 3.39, 3.40, 3.184, 3.195 en 3.196 van dit besluit (categorieën afvalstoffen)

Cat.1, 2 ga/nga3 beschrijving
1 ga Autowrakken die gevaarlijke afvalstoffen zijn
2 nga Autowrakken die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
3 nga Banden afkomstig van voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer autobanden en banden met een vergelijkbare samenstelling
4 nga Tanks van voertuigen voor gecomprimeerd of tot vloeistof verdicht gas (LPG-, aardgas- en waterstoftanks)
5 nga Opgegraven ondergrondse opslagtanks
6A ga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
6B nga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
7A ga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
7B nga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
8 nga Deelstromen van grove huishoudelijke afvalstoffen van milieustraten die op grond van een maatwerkvoorschrift bij artikel 4.623 in dezelfde opslagvoorziening mogen worden opgeslagen
9 nga Grove huishoudelijke restafvalstoffen die gemengd zijn aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden zijn gehouden
10 nga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
11 ga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
12 nga Groenafval
13 nga bioafval als bedoeld in de Wet milieubeheer en daarmee vergelijkbaar biologisch afbreekbaar bedrijfsafval, met uitzondering van groenafval
14 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het vegen van openbare straten, terreinen en overige openbare ruimten, met uitzondering van stranden (veegafval)
15 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het reinigen van riolen, kolken en gemalen (RKG-slib)
16 nga Slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie
17 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding met een gehalte aan arseen van ten hoogste 500 mg/kg droge stof die • geschikt zijn voor gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen of in een zuiveringtechnisch werk; of • binnen geldende wet- en regelgeving geschikt zijn voor andere vormen van recycling
18 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding die zijn bedoeld om in te zetten als bouwstof of voor de productie van een bouwstof en die daarvoor geschikt zijn volgens de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit
19 nga Niet-geïmpregneerd hout (A- en B-hout), met uitzondering van houten verpakkingen
20 nga Niet-geïmpregneerde houten verpakkingen
21 ga Hout dat is behandeld om de gebruiksduur te verlengen met middelen die koper en chroom (CC-hout) of koper, chroom en arseen (CCA-hout) bevatten (gewolmaniseerd C-hout)
22 nga Gemengde kunststof afvalstoffen, met inbegrip van mengsels van kunststof en rubber, of partijen thermoplastische kunststoffen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit geëxpandeerd polystyreenschuim (categorie 31); • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit rubber (categorie 112); • kunststof afvalstoffen die, vanwege de aanwezigheid van weekmakers, bepaalde pigmenten of andere additieven, als gevaarlijk afval worden aangemerkt (categorie 112); en • thermohardende kunststoffen, elastomeren en biologisch afbreekbare kunststoffen (categorie 112)
23 nga Kunstgras
24 nga Metalen
25A ga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
25B nga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
26 nga Papier en karton met uitzondering van niet-ontwikkeld fotopapier
27 nga Niet-ontwikkeld fotopapier
28 nga Textiel, met uitzondering van tapijt
29 nga Matrassen
30 nga Luiers en ander incontinentiemateriaal
31 nga Geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS) met een concentratie aan HBCDD die lager is dan 1.000 mg/kg
32 nga Steenwol
33 ga Verpakkingen van verf, lijm, kit en hars die zijn verontreinigd met niet volledig uitgeharde restanten en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
34 nga Verpakkingsglas
35 nga Vlakglas dat geen gevaarlijke afvalstof is
36 nga Afvalstoffen die vallen onder de verordening dierlijke bijproducten
37A ga Infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen, afkomstig van de gezondheidszorg bij de mens of van verwant onderzoek, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
37B nga Lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
38 nga Afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens of van verwant onderzoek waarvoor het infectierisico is verwijderd door middel van decontaminatie conform de Richtlijn decontaminatie apparatuur ziekenhuisafval
39 ga Infectieuze afvalstoffen en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen afkomstig van de gezondheidszorg bij dieren of verwant onderzoek
40A ga Asfalt met meer dan 75 mg/kg PAK10 VROM dat op basis van de Regeling Europese afvalstoffenlijst als gevaarlijke afvalstof moet worden aangemerkt
41 nga Asfalt met niet meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is
42 nga Zeefzand met meer dan 50 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij: • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
43 nga Zeefzand met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
44A ga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK dat een gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
44B nga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
45 nga Dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
46A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
46B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
47A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
47B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
48 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
49 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
50A ga Verkleefd dakgrind dat een gevaarlijke afvalstof is
50B nga Verkleefd dakgrind dat geen gevaarlijke afvalstof is
51 nga Gips, gipsblokken, gipsplaat
52 nga Cellenbeton
53A ga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat een gevaarlijke afvalstof is
53B nga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat geen gevaarlijke afvalstof is
54 nga Steenachtig materiaal met meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
55 nga Steenachtig materiaal met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
56A ga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
56B nga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
57 nga Bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover niet vallend onder een van de categorieën 40 t/m 56
58 ga Oliefilters afkomstig uit vaartuigen, voertuigen en werktuigen
59 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l
60 ga Bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte hoger dan 100 mg/l
61 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 50 mg/l en bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 100 mg/l en slibben en andere residuen die ontstaan bij de eerste stap in de verwerking van ontwikkelaar en fixeer
62 ga Hardingszouten
63 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor is niet hoger dan 1.000 mg/kg (as received); • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, niet vermengd met andere stoffen; en • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, separaat afgetapt of verzameld en opgeslagen of opgebulkt
64 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; en • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor, is hoger dan 1.000 mg/kg (as received)
65 ga Oplosmiddelen en glycolen met niet meer dan 0,5% fluor, niet meer dan 4% chloor, niet meer dan 4% broom en niet meer dan 4% jood, als het gaat om een partij van meer dan 1.000 l, afkomstig van één ontdoener
66 ga Olie-watermengsels (ow-mengsels) en olie-water-slibmengsels (ows-mengsels) • die vrijkomen bij olie- en slibafscheiders; • die ontstaan bij schoonmaakactiviteiten; of • afkomstig uit de scheepvaart (bijvoorbeeld oliehoudende ladingrestanten, oliehoudend afval van lading, oliehoudend waswater, ballastwater, bilgewater en slops); • en overige oliehoudende slibben voor zover zij qua aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met de slibfractie van olie- en slibafscheiders.
67 ga Niet-gebruikte oliën en partijen olie en brandstof die niet aan de specificaties voldoen (off-spec partijen)
68 ga Boorspoeling op oliebasis (oil-based-mud; obm), met obm verontreinigd boorgruis en de oliefractie van met obm verontreinigde stoffen
69 ga Oliehoudende vloeistof die bij de bewerking van metalen en kunststoffen is toegepast, waaronder boor-, snij-, slijp- en walsolie
70A ga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en die een gevaarlijke afvalstof is
70B nga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheeren die geen gevaarlijke afvalstof is
71 ga Arseensulfideslib en arseensulfidefilterkoek
72 ga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die een gevaarlijke afvalstof is
73 nga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die geen gevaarlijke afvalstof is
74 ga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die gevaarlijke afvalstoffen zijn
75 nga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
76A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
76B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
77A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
77B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
78 ga Filterkoek van het ontgiften, neutraliseren, ontwateren (ONO-filterkoek) die een gevaarlijke afvalstof is
79A ga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die een gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
79B nga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die geen gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
80A ga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
80B nga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het geen gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
81A ga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat een gevaarlijke afvalstof is
81B nga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat geen gevaarlijke afvalstof is
82 ga Loodzuurbatterijen en -accu’s
83A ga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
83B nga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
84 ga Gasontladingslampen
85A ga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat een gevaarlijke afvalstof is
85B nga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat geen gevaarlijke afvalstof is
86 ga Kwikhoudende voorwerpen
87A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
87B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
90 ga Metallisch kwik, zijnde kwikafval zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137/1) en gestabiliseerd metallisch kwik ten behoeve van permanente berging
91A ga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die niet vallen onder categorie 92.
91B nga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die niet vallen onder categorie 92.
92A ga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
92B nga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
93A ga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die een gevaarlijke afvalstof is
93B nga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die geen gevaarlijke afvalstof is
94A ga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die een gevaarlijke afvalstof is
94B nga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die geen gevaarlijke afvalstof is
95 ga PCB-houdende afvalstoffen voor zover niet vallend onder categorie 96 en voor zover het niet gaat om baggerspecie (categorie 107) en waarvan het PCB-gehalte hoger is dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180
96 ga Apparaten waarvan de in het apparaat aanwezige vloeistof een PCB-gehalte heeft hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180, betrokken op deze in het apparaat aanwezige vloeistof
97 ga Metaalafvalstoffen met aanhangende olie of emulsie
98 nga Toepasbare grond of baggerspecie die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «landbouw/natuur» (grond) of «niet verontreinigd» (baggerspecie) als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
99 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «wonen» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
100 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «industrie» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
101 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «licht verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
102 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, met uitzondering van baggerspecie die valt onder categorie 107
103 nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
104A ga Niet-toepasbare grond die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 95 of 106
104B nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is, en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
105A ga Niet-toepasbare baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
105B nga Niet-toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
106A ga Grond die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
106B nga Grond die geen gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
107A ga Baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
107B nga Baggerspecie die geen gevaarlijke stof is, waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
108 ga Zwavelzuur
109A ga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat een gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
109B nga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat geen gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
110 ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
111 nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112A ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112B nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan

1 Afvalwaterstromen die niet in categorie 1 tot en met 109 zijn vermeld, worden niet gerekend tot categorie 112A of 112B. Die afvalwaterstromen worden gerekend tot dezelfde categorie als andere niet in categorie 1 tot en met 109 vermelde afvalwaterstromen, als het lozen op dezelfde wijze is toegestaan en:

2 Voor de toepassing van de artikelen 3.39, eerste lid, onder d, e en f, en 3.184, derde lid, onder j, worden twee categorieën die zijn aangeduid met hetzelfde nummer, voorzien van de aanduiding A en B, aangemerkt als dezelfde categorie.

3 De aanduiding «ga» betekent dat een afvalstof alleen in de categorie valt als de afvalstof eigenschappen bezit als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij de aanduiding nga valt een afvalstof alleen in de categorie als de afvalstof deze eigenschappen niet bezit.

Bijlage IIa. bij de artikelen 3.48d en 3.48f van dit besluit (interventiewaarde bodemkwaliteit)

Stof CAS-nummer Interventiewaarde bodemkwaliteit (mg/kg ds)1, 2
1. Metalen 1. Metalen
Antimoon 7440-36-0 22
Arseen 7440-38-2 76
Barium3 7440-39-3
Cadmium 7440-43-9 13
Chroom III 7440-47-3 180
Chroom VI 18540-29-9 78
Kobalt 7440-48-4 190
Koper 7440-50-8 190
Kwik (anorganisch) 36
Kwik (organisch) 4
Lood 7439-92-1 530
Molybdeen 7439-98-7 190
Nikkel 7440-02-0 100
Zink 7440-66-6 720
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Cyanide (vrij) 57-12-5 20
Cyanide (complex) 50
Thiocyanaat 20
3. Aromatische verbindingen 3. Aromatische verbindingen
Benzeen 71-43-2 1,1
Ethylbenzeen 100-41-4 110
Tolueen 108-88-3 32
Xylenen (som)4 17
Styreen (vinylbenzeen) 100-42-5 86
Fenol 108-95-2 14
Cresolen (som)4 13
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)
PAK’s (totaal) (som 10)4 40
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
Vluchtige chloorkoolwaterstoffen Vluchtige chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen (Vinylchloride)5 75-01-4 0,1
Dichloormethaan 75-09-2 3,9
1,1-dichloorethaan 75-34-3 15
1,2-dichloorethaan 107-06-2 6,4
1,1-dichlooretheen5 75-35-4 0,3
1,2-dichlooretheen (som)4 540-59-0 1
Dichloorpropanen (som)4 2
Trichloormethaan (chloroform) 67-66-3;75-62-7 5,6
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6 15
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5 10
Trichlooretheen (Tri) 79-01-6 2,5
Tetrachloormethaan (Tetra) 56-23-5 0,7
Tetrachlooretheen (Per) 127-18-4 8,8
Chloorbenzenen Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7 15
Dichloorbenzenen (som)4 25321-22-6 19
Trichloorbenzenen (som)4 11
Tetrachloorbenzenen (som)4 12408-10-5 2,2
Pentachloorbenzeen 608-93-5 6,7
Hexachloorbenzeen 118-74-1 2
Chloorfenolen Chloorfenolen
Monochloorfenolen (som)4 25167-80-0 5,4
Dichloorfenolen(som)4 22
Trichloorfenolen(som)4 22
Tetrachloorfenolen (som)4 21
Pentachloorfenol 87-86-5 12
Polychloorbifenylen (PCB’s) Polychloorbifenylen (PCB’s)
PCB’s (som 7)4 1
Overige gechloreerde koolwaterstoffen Overige gechloreerde koolwaterstoffen
Monochlooranilinen (som)4 50
Dioxine (som TEQ)4, 6 0,00018
Chloornaftaleen (som)4 25586-43-0 23
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen
Chloordaan (som)4 57-74-9 4
DDT (som)4 1,7
DDE (som)4 2,3
DDD (som)4 34
Aldrin 309-00-2 0,32
Drins (som)4 4
α-endosulfaan 959-98-8 4
α-HCH 319-84-6 17
β-HCH 319-85-7 1,6
γ-HCH (lindaan) 58-89-9 1,2
Heptachloor 76-44-8 4
Heptachloorepoxide (som)4 1024-57-3 4
b. Organotinbestrijdingsmiddelen b. Organotinbestrijdingsmiddelen
Organotinverbindingen (som)4 2,5
c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6 4
d. Overige bestrijdingsmiddelen d. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9 0,71
Carbaryl 63-25-2 0,45
Carbofuran5 1563-66-2 0,017
7. Overige stoffen 7. Overige stoffen
Asbest7 1332-21-4 100
Cyclohexanon 108-94-1 150
Dimethyl ftalaat 131-11-3 82
Diethyl ftalaat 84-66-2 53
Di-isobutyl ftalaat 84-69-5 17
Dibutyl ftalaat 84-74-2 36
Benzylbutylftalaat 85-68-7 48
Dihexyl ftalaat 84-75-3 220
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7 60
Minerale olie8 8042-47-5 5000
Pyridine 110-86-1 11
Tetrahydrofuran 109-99-9 7
Tetrahydrothiofeen 110-01-0 8,8
Tribroommethaan (bromoform) 75-25-2 75

1 De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

2 Op het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

3 De norm voor barium wordt op termijn herzien. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Als sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds

4 Deze stoffen maken onderdeel uit van een somparameter. Op de samenstelling van de somparameters zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

5 De interventiewaarde voor deze stoffen is gelijk aan of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

6 Op het berekenen van de som TEQ voor dioxine zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

7 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Serpentijn asbest bestaat uit chrysotiel. Amfibool asbest bestaat uit amosiet, crocidoliet, tremoliet, actinoliet en anthofylliet. Op het vaststellen van het gewogen gehalte asbest van partijen grond onder, gelijk aan en boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is NEN 5707 van toepassing bij gebruik van ten hoogste 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal en NEN 5897 bij gebruik van meer dan 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal.

8 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Als er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie), wordt behalve het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.

Bijlage III. bij de artikelen 4.192, 4.207, 4.226, 4.236, 4.277, 4.654 en 5.28van dit besluit (stofklassen)

Stoffen kunnen zijn ingedeeld in de stofklassen ERS, MVP 1, MVP 2, gA, gO, totaal stof (S), sO en sA. De stofklasse van een individuele stof kan afwijken van die voor een stofgroep. In dat geval geldt de stofklasse met de strengste emissiegrenswaarde voor de individuele stof.

CAS-nummer Naam Stofklasse
100-18-5 p-diisopropylbenzeen gO.2
100-21-0 benzeen-1,4-dicarbonzuur; tereftaalzuur S
10025-78-2 trichloorsiliciumhydride gA.3
10026-04-7 siliciumtetrachloride gA.3
10034-85-2 waterstofjodide gA.2
100-41-4 ethylbenzeen gO.2
100-42-5 styreen; vinylbenzeen gO.2
10043-35-3 boorzuur MVP 1
100-44-7 benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen MVP 2
10049-04-4 chloordioxide gA.1
100-51-6 benzylalcohol gO.2
100-52-7 benzaldehyde gO.1
100-63-0 fenylhydrazine MVP 1
100-66-3 anisool; methoxybenzeen gO.2
100784-20-1 halosulfuronmethyl MVP 1
10102-49-5 ijzer(III)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10102-50-8 ijzer(II)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10103-50-1 magnesiumarsenaat (berekend als As) MVP 1
101-14-4 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline; 4,4’-methyleenbis(2-chlooraniline); zouten van 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline MVP 1
101-21-3 isopropyl-3-chloorfenylcarbamaat; chloorprofam; isopropyl-3-chloorcarbanilaat gO.1
10124-43-3 kobaltsulfaat MVP 1
10124-50-2 kaliumarseniet (berekend als As) MVP 1
10141-05-6 kobalt(II)dinitraat MVP 1
101-61-1 N,N,N’,N’-tetramethyl-4,4’-methyleendianiline; Michler’s base MVP 1
101-68-8 difenylmethaan-4,4-diisocyanaat; MDI S
101-77-9 4,4’-methyleendianiline; 4,4’-diaminodifenylmethaan MVP 1
101-80-4 4,4’-oxydianiline; zouten van 4,4’-oxydianiline; p-aminofenylether; zouten van p-aminofenylether MVP 1
101-84-8 difenylether S
10190-55-3 loodmolybdaat, MVP 1
10215-33-5 3-butoxy-1-propanol gO.2
10222-01-2 dibroomnitrilopropiamide MVP 1
1024-57-3 heptachloorepoxide MVP 1
102561-46-6 benzyltributyl-ammonium 4-hydroxy-naftaleen-1-sulfonaat S
102-71-6 tri-ethanolamine gO.2
10290-12-7 koperarseniet (berekend als As) MVP 1
10294-34-5 boriumtrichloride gA.2
103112-35-2 ethyl-1-(2,4-dichloorfenyl)-5-(trichloormethyl)-1H-1,2,4-triazool-3-carboxylaat MVP 1
103-11-7 2-ethylhexylacrylaat gO.1
103122-66-3 O-isobutyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
10332-33-9 perboorzuur (HBO(O2)) natrium zout monohydraat MVP 1
103-33-3 azobenzeen MVP 1
103361-09-7 flumioxazine; N-(7-fluor-3,4-dihydro-3-oxo-4-prop-2-ynyl-2H-1,4-benzoxazin-6-yl)cyclohex-1-een-1,2-dicarboxamide MVP 1
103-65-1 isocumol; n-propylbenzeen gO.2
104-40-5 p-nonylfenol; 4-(para)-nonylfenol MVP 1
104653-34-1 difethialon MVP 1
10486-00-7 perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat MVP 1
105024-66-6 (4-ethoxyfenyl)(3-(3-fenoxy-4-fluorfenyl)propyl)dimethylsilaan MVP 1
105-58-8 diethylcarbonaat gO.2
105-60-2 caprolactam gO.1
105-67-9 2,4-dimethylfenol; 2,4-xylenol gO.2
10605-21-7 carbendazim; methylbenzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
106-46-7 1,4-dichloorbenzeen gO.2
106-47-8 4-chlooraniline MVP 1
106-65-0 dimethylsuccinaat gO.1
106-89-8 epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; chloormethyloxiraan MVP 2
106-91-2 2,3-epoxypropylmethacrylaat MVP 2
106-93-4 1,2-dibroomethaan MVP 2
106-94-5 1-broompropaan MVP 2
106-97-8 butaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
106-99-0 1,3-butadieen MVP 2
107-02-8 2-propenal; acroleïne gO.1
107-06-2 1,2-dichloorethaan; ethyleenchloride MVP 2
107-10-8 n-propylamine gO.1
107-13-1 acrylonitril; 2-propeennitril; propeennitril MVP 2
107-15-3 1,2-diaminoethaan MVP 2
107-20-0 2-chloorethanal; chlooraceetaldehyde gO.1
107-21-1 1,2-ethaandiol; ethyleenglycol; glycol gO.2
107-22-2 ethaandial; glyoxaal gO.1
1072-63-5 1-vinylimidazool MVP 2
107-30-2 chloordimethylether; chloormethyl-methylether MVP 2
107-31-3 methylformiaat gO.2
107-46-0 hexylmethyldisiloxaan gO.2
107-87-9 2-pentanon; methylpropylketon gO.2
107-98-2 1-methoxy-2-propanol gO.2
108-01-0 dimethylaminoethanol gO.2
108-05-4 azijnzuurvinylester; vinylacetaat gO.2
108-10-1 4-methyl-2-pentanon; isobutylmethylketon; methylisobutylketon; MIBK gO.2
108-20-3 2-isopropoxypropaan; diisopropylether gO.2
108-21-4 i-propylacetaat; isopropylacetaat gO.2
108225-03-2 (6-(4-hydroxy-3-(2-methoxyfenylazo)-2-sulfonato-7-naftylamino)-1,3,5-triazin-2,4-diyl)bis[(amino-1-methylethyl)ammonium]-formaat MVP 1
108-24-7 azijnzuuranhydride gO.1
108-31-6 maleïnezuuranhydride; MAA S
108-46-3 1,3-dihydroxybenzeen; resorcinol gO.2
108-65-6 1-methoxy-2-propylacetaat; 2-methoxy-1-methylethylacetaat gO.2
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen MVP 1
108-83-8 diisobutylketon gO.2
108-87-2 methylcyclohexaan gO.2
108-88-3 tolueen; methylbenzeen gO.2
108-90-7 chloorbenzeen gO.2
108-93-0 cyclohexanol gO.2
108-94-1 cyclohexanon gO.2
108-95-2 fenol gO.1
109-60-4 n-propylacetaat gO.2
109-65-9 1-broombutaan gO.2
109-66-0 pentaan gO.2
109-70-6 1-broom-3-chloorpropaan gO.2
109-86-4 2-methoxyethanol; methyleenglycolmonomethylether; ethyleenglycolmonomethylether; methylglycol MVP 2
109-89-7 diethylamine gO.1
109-94-4 ethylformiaat gO.2
109-99-9 tetrahydrofuraan gO.2
110-00-9 furaan MVP 2
110-12-3 5-methyl-2-hexanon; methylisoamylketon gO.2
110-19-0 iso-butylacetaat gO.2
110-49-6 2-methoxyethylacetaat MVP 2
110-71-4 1,2-dimethoxyethaan; ethyleenglycoldimethylether MVP 2
110-80-5 2-ethoxyethanol; ethyleenglycolmonoethylether MVP 2
110-82-7 cyclohexaan gO.2
110-85-0 piperazine gO.1
110-86-1 pyridine gO.1
110-88-3 1,3,5-trioxaan gO.2
11113-50-1 natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtsprocenten berekend op de droge stof MVP 1
111-15-9 2-ethoxyethylacetaat; ethylglycolacetaat MVP 2
111-35-3 3-ethoxy-1-propanol gO.2
11138-47-9 perboorzuur natriumzout MVP 1
111-41-1 2-(2-aminoethylamino)ethanol; AEEA MVP 1
111-42-2 2,2’-iminodiethanol; diethanolamine gO.2
1116-54-7 2,2’-(nitrosoimino)bisethanol MVP 1
111-76-2 2-butoxyethanol; butylglycol gO.2
111-77-3 2-(2-methoxyethoxy)ethanol; DEGME gO.2
111-90-0 diethyleenglycolmonoethylether; ethyldiglycol gO.2
1119-40-0 dimethylglutaraat gO.1
111-96-6 bis(2-methoxyethyl)ether MVP 2
111988-49-9 thiacloprid MVP 1
1120-71-4 1,3-propaansulton MVP 2
112-07-2 1-butoxy-2-ethylacetaat; butylglycolacetaat gO.2
112-24-3 triethyleentetramine gO.2
112-34-5 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethanol; butyldiglycol; diethyleenglycolbutylether gO.2
112-49-2 1,2-bis(2-methoxyethoxy)ethaan; TEGDME; triethyleenglycoldimethylether; triglyme MVP 1
112-70-9 tridecanol (isomeren mengsel); tridecylalkohol gO.2
115-10-6 dimethylether gO.2
115-11-7 2-methylpropeen; isobuteen; isobutyleen gO.2
115-29-7 endosulfan MVP 1
115-32-2 dicofol MVP 1
115-86-6 trifenylfosfaat gO.1
115-96-8 tris(2-chloorethyl)fosfaat MVP 1
116-14-3 tetrafluoretheen; tetrafluorethyleen MVP 1
116-15-4 hexafluorpropeen gO.1
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP MVP 1
117-82-8 bis(2-methoxyethyl)ftalaat MVP 1
117955-40-5 2-methoxypropylacetaat MVP 2
118658-99-4 (methyleenbis(4,1-fenyleenazo(1-(3-(dimethylamino)propyl)-1,2-dihydro-6-hydroxy-4-methyl-2-oxopyridine-5,3-diyl)))-1,1’-dipyridiniumdichloridedihydrochloride MVP 1
118-74-1 hexachloorbenzeen MVP 1
118-79-6 2,4,6-tribroomfenol gO.1
119313-12-1 2-benzyl-2-dimethylamino-4′-morfolinobutyrofenon MVP 1
1194-65-6 dichlobenil S
119-64-2 1,2,3,4-tetrahydronaftaleen; tetraline gO.2
119738-06-6 (±) tetrahydrofurfuryl-(R)-2-[4-(6-chloorchinoxalin-2-yloxy)-fenyloxy]propanoaat MVP 1
119-90-4 3,3’-dimethoxybenzidine; o-dianisidine; zouten van 3,3’-dimethoxybenzidine; zouten van o-dianisidine MVP 1
119-93-7 3,3’-dimethylbenzidine; 4,4’-bi-o-toluidine; zouten van 3,3’-dimethylbenzidine; zouten van 4,4’-bi-o-toluidine MVP 1
12002-03-8 koperacetoarseniet (berekend als As) MVP 1
12007-00-0 nikkelboride (NiB) MVP 1
12007-01-1 dinikkelboride MVP 1
12007-02-2 trinikkelboride MVP 1
12008-41-2 dinatriumoctaboraat watervrij MVP 1
120-12-7 antraceen MVP 1
12036-01-0 zirkoonoxide S
12040-72-1 perboorzuur natriumzout monohydraat MVP 1
12068-61-0 nikkeldiarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
120-71-8 6-methoxy-m-toluidine; p-cresidine MVP 1
120-80-9 catechol MVP 1
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen MVP 2
120-92-3 cyclopentanon gO.1
121-14-2 2,4-dinitrotolueen MVP 1
121158-58-5 fenol, dodecyl-, vertakt MVP 1
121-44-8 triethylamine gO.1
121-69-7 N,N-dimethylaniline gO.1
12179-04-3 boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraatpentahydraat MVP 1
122-60-1 1,2-epoxy-3-fenoxypropaan; fenylglycidylether MVP 1
122-66-7 hydrazobenzeen; 1,2-difenylhydrazine MVP 1
12267-73-1 tetraboordinatriumheptaoxide hydraat MVP 1
12280-03-4 dinatriumoctaboraat tetrahydraat MVP 1
122-99-6 fenoxyethanol gO.2
123-03-5 cetylpyridiniumchloride gO.1
123312-54-9 distearyldimethylammonium-bisulfaat gO.1
123-38-6 propanal; propionaldehyde gO.2
123-39-7 N-methylformamide MVP 2
123-42-2 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon; diacetonalcohol gO.2
123-72-8 butanal; n-butylaldehyde; n-butyraldehyd gO.2
123-73-9 (2E)-2-butenal MVP 1
123-77-3 azodicarbonamide; 1,1-Azobisformamide; C,C’-azodi(formamide) MVP 1
123-86-4 azijnzuurbutylester; n-butylacetaat gO.2
123-91-1 1,4-dioxan gO.1
123-92-2 iso-amylacetaat gO.2
123-95-5 butylstearaat gO.2
124-17-4 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethylacetaat gO.2
124-40-3 dimethylamine gO.1
124495-18-7 quinoxyfen; 5,7-dichloor-4-(p-fluorfenoxy)quinoline MVP 1
124-65-2 natriumkakodylaat MVP 1
124-68-5 isobutanol-2-amine gO.2
12510-42-8 erioniet MVP 1
12619-90-8 nikkelboride MVP 1
126-99-8 chloropreen; 2-chloor-1,3-butadieen; 2-chloropreen MVP 2
127-18-4 perchloorethyleen; tetrachlooretheen; PER gO.2
127-19-5 N,N-dimethylaceetamide MVP 2
12737-30-3 kobaltnikkeloxide MVP 1
1300-71-6 xylenolen gO.1
1303-00-0 galliumarsenide (berekend als As) MVP 1
1303-28-2 arseenpentoxide; diarseenpentaoxide (berekend als As) MVP 1
1303-86-2 booroxide; diboortrioxide MVP 1
1303-96-4 boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat MVP 1
1304-56-9 berylliumoxide MVP 1
1305-78-8 calciumoxide sA.3
1306-23-6 cadmiumsulfide (berekend als Cd) MVP 1
1310-58-3 kaliumhydroxide sA.3
1310-73-2 natriumhydroxide sA.3
131-18-0 di-n-pentylftalaat; n-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
1313-99-1 nikkeloxide; nikkelmonoxide MVP 1
1314-36-9 yttriumoxide sA.3
1314-62-1 vanadiumpentoxide sA.1
13149-00-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (cis-isomeer); cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
1317-61-9 ijzeroxide (Fe3O4) S
1319-77-3 cresolen gO.1
1321-64-8 pentachloornaftaleen ERS
1321-65-9 trichloornaftaleen ERS
132-32-1 3-amino-9-ethylcarbazool; 9-ethylcarbazool-3-ylamine MVP 1
13252-13-6 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur MVP 2
1327-53-3 arseentrioxide (berekend als As) MVP 1
1330-43-4 boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat MVP 1
1331-22-2 methylcyclohexanon gO.2
1332-21-4 asbest sA.1
1333-86-4 carbon black S
133-49-3 pentachloorbenzeenthiol MVP 1
1335-32-6 loodacetaat, basisch MVP 1
1335-87-1 hexachloornaftaleen ERS
1335-88-2 tetrachloornaftaleen ERS
13360-57-1 dimethylsulfamoylchloride MVP 2
1336-36-3 polychloorbifenylen; PCB’s ERS
1338-23-4 methylethylketonperoxide gO.1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
13463-39-3 nikkeltetracarbonyl; tetracarbonylnikkel MVP 2
13463-40-6 ijzerpentacarbonyl sA.1
13463-67-7 titaandioxide S
13477-70-8 nikkel(II)arsenaat; trinikkelbis(arsenaat) (berekend als Ni + As) MVP 1
13517-20-9 perboorzuur (H3BO2(O2)) mononatriumzout trihydraat MVP 1
13560-89-9 Dechloraan Plus MVP 1
137-17-7 2,4,5-trimethylaniline MVP 1
13746-66-2 kaliumferricyanide sA.3
13814-96-5 loodbis(tetrafluorboraat); loodfluorboraat MVP 1
138-22-7 butyllactaat gO.2
13840-56-7 orthoboorzuur natriumzout MVP 1
138-86-3 limoneen gO.2
139-65-1 4,4’-thiodianiline; zouten van 4,4’-thiodianiline MVP 1
140-01-2 pentanatrium diethyleen-triaminepenta-azijnzuur MVP 1
140-66-9 1,1,3,3-tetramethyl-4-butylfenol; 4-tert-octylfenol; para-tert-octylfenol MVP 1
140-88-5 acrylzuurethylester; ethylacrylaat; ethylpropenoaat gO.1
141-32-2 butylacrylaat gO.1
141-43-5 ethanolamine gO.2
14166-21-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (trans-isomeer); trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
141-78-6 azijnzuurester; azijnzuurethylester; ethylacetaat gO.2
1420-07-1 dinoterb; 2-tert-butyl-4,6-dinitrofenol; zouten en esters van dinoterb MVP 1
142844-00-6 aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1
142-96-1 dibutylether gO.2
143-18-0 kaliumoleaat gO.2
143-50-0 chloordecon MVP 1
143860-04-2 3-ethyl-2-methyl-2-(3-methylbutyl)-1,3-oxazolidine MVP 1
14464-46-1 cristoballiet sA.1
1464-53-5 2,2’-bioxiraan; 1,2:3,4-diepoxybutaan MVP 2
14708-14-6 nikkelbis(tetrafluorboraat) MVP 1
14808-60-7 silica (kwarts) als respirabel stof, met uitzondering van silicavezels; zand en andere siliciumverbindingen, met uitzondering van kristallijne of vezelvormige verbindingen sA.2
148-24-3 8-hydroxychinoline MVP 1
148477-71-8 spirodiclofen MVP 1
14977-61-8 chromylchloride MVP 1
15087-24-8 3-benzylideenkamfer MVP 1
15120-17-9 natriumarseniet (berekend als As) MVP 1
15120-21-5 natriumperboraat MVP 1
151-56-4 aziridine; ethyleenimine MVP 2
151798-26-4 2-[2-hydroxy-3-(2-chlorfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]-7-[2-hydroxy-3-(3-methylfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]fluoreen-9-on MVP 1
15195-06-9 strontiumarseniet (berekend als As) MVP 1
15468-32-3 tridymiet sA.1
15606-95-8 triethylarsenaat (berekend als As) MVP 1
1569-01-3 n-propoxypropanol-2 gO.2
1569-02-4 1-ethoxy-2-propanol gO.2
1582-09-8 trifluraline MVP 1
1589-47-5 2-methoxypropanol MVP 2
16071-86-6 dinatrium-5-[(4’-((2,6-dihydroxy-3-((2-hydroxy-5-sulfofenyl)azo)fenyl)azo)(1,1’-bifenyl)-4-yl)azo]salicylato(4-)cupraat(2-) MVP 1
16118-49-3 carbetamide MVP 1
1634-04-4 methyl-tertiair-butylether; MTBE gO.2
164058-22-4 trinatrium-[4’-(8-acetylamino-3,6-disulfonato-2-nafthylazo)-4’’-(6-benzoylamino-3-sulfonato-2-nafthylazo)-bifenyl-1,3’,3’’,1’’’-tetraolato-O,O’,O’’,O’’’]koper(II) MVP 1
16812-54-7 nikkelsulfide; nikkel(II)sulfide MVP 1
1763-23-1 heptadecafluoroctaan-1-sulfonzuur; perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) MVP 1
17804-35-2 benomyl; methyl-1-(butylcarbamoyl)benzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
1825-21-4 pentachlooranisol MVP 1
183196-57-8 kalium-1-methyl-3-morfolinocarbonyl-4-[3-(1-methyl-3-morfolinocarbonyl-5-oxo-2-pyrazoline-4-ylideen)-1-propenyl]pyrazool-5-olaat [met 0,5% of meer N,N-dimethylformamide (EG-nr. 200-679-5)] MVP 2
1836-75-5 nitrofeen; 2,4-dichloorfenyl-4-nitrofenylether MVP 1
18540-29-9 chroom(VI) MVP 1
189-55-9 dibenzo[a,i]pyreen (PAK) MVP 1
189-64-0 dibenzo[a,h]pyreen (PAK) MVP 1
1897-52-5 2,6-difluorbenzonitril; diflubenil S
19089-47-5 2-ethoxy-1-propanol gO.2
191-24-2 benzo[g,h,i]peryleen (PAK) MVP 1
191-30-0 dibenzo[a,l]pyreen (PAK) MVP 1
192-65-4 dibenzo[a,e]pyreen (PAK) MVP 1
19287-45-7 diboraan (B2H6) gA.1
192-97-2 benzo[e]pyreen (PAK) MVP 1
193-39-5 indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK) MVP 1
1937-37-7 dinatrium-4-amino-3-[[4’-[(2,4-diaminofenyl)azo][1,1’-bifenyl]-4-yl]azo]-6-(fenylazo)-5-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat MVP 1
19438-60-9 methylcyclohexyl-1,6-dicarboxylzuur-anhydride MVP 1
194-59-2 7H-dibenzo[c,g]carbazol (PAK) MVP 1
199327-61-2 7-methoxy-6-(3-morfoline-4-ylpropoxy)-3H-chinazoline-4-on [met 0,5% of meer formamide (EG-nr. 200-842-0)] MVP 1
2040-90-6 2-chloor-6-fluorfenol MVP 1
205-82-3 benzo[j]fluorantheen (PAK) MVP 1
2058-94-8 perfluorundecanoaat MVP 1
205-99-2 benzo[b]fluorantheen (PAK); benzo[e]acefenantryleen (PAK) MVP 1
2062-98-8 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propionyl fluoride MVP 2
206-44-0 fluorantheen (PAK) MVP 1
207-08-9 benzo[k]fluorantheen MVP 1
207122-15-4 hexabroomdifenylether; BDE-154 ERS
207122-16-5 heptabroomdifenylether; BDE -183 ERS
208-96-8 acenaftyleen MVP 1
2104-64-5 ethyl-p-nitrofenylthio-benzeenfosfenaat; EPN MVP 1
21049-39-8 natriumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
210555-94-5 fenol, 4-dodecyl-, vertakt MVP 1
21136-70-9 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
214353-17-0 1-(2-amino-5-chloorfenyl)-2,2,2-trifluor-1,1-ethaandiol hydrochloride [met 0,1% of meer 4-chlooraniline (EG-nr. 203-401-0)] MVP 1
21436-97-5 2,4,5-trimethylanilinehydrochloride MVP 1
218-01-9 chryseen (PAK) MVP 1
2227-13-6 tetrasul MVP 1
2234-13-1 octachloornaftaleen ERS
22398-80-7 indium fosfide MVP 1
224-42-0 dibenz[a,j]acridine (PAK) MVP 1
226-36-8 dibenz[a,h]acridine (PAK) MVP 1
23593-75-1 clotrimazol; 1-(2-chloorfenyl)difenylmethyl-1-h-imidazol MVP 1
2385-85-5 mirex MVP 1
2425-06-1 captafol MVP 1
24280-93-1 mycofenolinezuur MVP 1
2440-02-0 heptachloornorborneen MVP 1
2451-62-9 1,3,5-tris(oxiranylmethyl)-1,3,5-triazine-2,4,6(1H3H5H)-trion; TGIC MVP 1
24602-86-6 tridemorf; 2,6-dimethyl-4-tridecylmorfoline MVP 1
2475-45-8 1,4,5,8-tetraaminoantrachinon MVP 1
24937-79-9 polyvinylideenfluoride S
25038-54-4 6-aminohexaanzuur, dimeer gO.2
25086-15-1 polymethylmethacrylaat S
25154-52-3 nonylfenolen en verwante verbindingen; NPs MVP 1
25155-23-1 trixylyl fosfaat; TXP MVP 1
25167-70-8 2,4,4-trimethyl-1-penteen; diisobuteen gO.2
25214-70-4 oligomere reactieproducten van formaldehyde met aniline (technisch MDA) MVP 1
25321-09-9 diisopropylbenze(e)n(en) gO.2
25321-14-6 dinitrotolueen MVP 1
25339-17-7 isodecanol gO.2
25340-17-4 diethylbenzeen, isomeren:1,2-;1,3-;1,4 gO.2
2551-62-4 zwavelhexafluoride gA.3
25550-51-0 methylhexahydroftaalzuur anhydride (MHHPA) MVP 1
2580-56-5 [4-[[4-anilino-1-naftyl][4-(dimethylamino)fenyl]methyleen]cyclohexa-2,5-dien-1-ylidene] dimethylammonium chloride (C.I. Basic Blue 26) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
25973-55-1 2-(2H-benzotriazol-2-yl)-4,6-ditertpentylfenol MVP 1
2602-46-2 tetranatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis[5-amino-4-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat] MVP 1
26140-60-3 terfenyl MVP 1
26761-40-0 di-isodecylftalaat; DIDP; diisodecylftalaat S
2687-91-4 N-ethyl-2-pyrrolidon; 1-ethylpyrrolidin-2-one MVP 2
27016-75-7 nikkelarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
27140-08-5 fenylhydrazinehydrochloride MVP 1
27366-72-9 N,N-(dimethylamino)thioaceetamide hydrochloride MVP 2
27458-92-0 isotrideca-1-ol gO.1
2795-39-3 kaliumheptadecafluoroctaan-1-sulfonaat; kaliumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
28553-12-0 diisononylftalaat; DINP S
28680-45-7 heptachloornorborneen MVP 1
28772-56-7 bromadiolon MVP 1
288-32-4 imidazool MVP 1
29081-56-9 ammoniumheptadecafluoroctaansulfonaat; ammoniumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
2915-52-8 didodecylmaleaat; dilauryl maleate gO.2
29457-72-5 lithiumheptadecafluoroctaansulfonaat; lithiumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
294-62-2 cyclododecaan MVP 1
301-04-2 looddiacetaat MVP 1
302-01-2 hydrazine MVP 2
3033-77-0 2,3-epoxypropyltrimethylammoniumchloride; glycidyltrimethylammoniumchloride MVP 1
307-55-1 perfluordodecanoaat MVP 1
309-00-2 aldrin MVP 1
3108-42-7 ammonium perfluordecaanzuur MVP 1
3165-93-3 4-chloor-o-toluidinehydrochloride MVP 1
319-84-6 alfa-HCH MVP 1
319-85-7 beta-HCH MVP 1
32241-08-0 heptachloornaftaleen ERS
32534-81-9 pentabroomdifenyl ether ERS
32536-52-0 octabroomdifenylether; OctaBDE; commercieel octabroomdifenylether ERS
330-54-1 diuron MVP 1
330-55-2 linuron; 3-(3,4-dichloorfenyl)-1-methoxy-1-methylureum MVP 1
33213-65-9 beta-endosulfan MVP 1
334-88-3 diazomethaan MVP 2
335-57-9 hexadecafluorheptaan ERS
335-67-1 perfluoroctaanzuur; decapentafluoroctaanzuur; PFOA MVP 2
335-76-2 perfluordecaanzuur MVP 1
3424-82-6 o,p-DDE isomeer MVP 1
34590-94-8 dipropyleenglycolmonomethylether gO.2
35367-38-5 diflubenzuron S
355-46-4 perfluorhexaan-1-sulfonzuur MVP 2
36065-30-2 1,3,5-tribroom-2-(2,3-dibroom-2-methylpropoxy)benzeen; 2,4,6-tribroomfenyl 2-methyl-2,3-dibroompropylether MVP 1
36341-27-2 benzidine acetaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine acetaat MVP 1
36355-01-8 hexabroombifenyl ERS
36437-37-3 2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol MVP 1
36643-28-4 tributyltin-kation en tributyltin verbindingen MVP 1
3687-31-8 trilooddiarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
3691-35-8 chloorfacinon MVP 1
37240-96-3 loodrhodiumoxide MVP 1
3724-43-4 chloor-N,N-dimethylformiminiumchloride MVP 1
37244-98-7 perboorzuur natriumzout tetrahydraat MVP 1
375-73-5 perfluorbutaansulfonzuur; PFBS MVP 1
375-95-1 perfluornonaanzuur MVP 2
376-06-7 perfluortetradecanoaat MVP 1
37894-46-5 etacelasil; 6-(2-chloorethyl)-6-(2-methoxyethoxy)-2,5,7,10-tetraoxa-6-silaundecaan MVP 1
382-21-8 perfluorisobuteen MVP 2
3825-26-1 ammonium pentadecafluoroctanoaat; APFO MVP 1
3830-45-3 natrium perfluordecaanzuur MVP 1
3843-16-1 distearyldimethylammonium-methosulfaat gO.1
3846-71-7 2-benzotriazol-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol MVP 1
3864-99-1 2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol MVP 1
39156-41-7 2,4-diaminoanisoolsulfaat MVP 1
39300-45-3 dinocap; (RS)-2,6-dinitro-4-octylfenylcrotonaten en (RS)-2,4-dinitro-6-octylfenylcrotonaten waarbij octyleen een mengsel is van 1-methylheptyl-, 1-ethylhexyl- en 1-propylpentylgroepen MVP 1
39807-15-3 oxadiargyl S
399-95-1 4-amino-3-fluorfenol MVP 1
40722-80-3 (2-chloorethyl)(3-hydroxypropyl)ammoniumchloride MVP 1
41083-11-8 azocyclotin MVP 1
4149-60-4 ammoniumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
4170-30-3 2-butenal MVP 1
446255-22-7 heptabroomdifenylether; BDE-175 ERS
463-58-1 carbonylsulfide gO.1
465-73-6 isodrin MVP 1
470-90-6 chloorfenvinfos MVP 1
48122-14-1 hexahydro-1-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
485-31-4 binapacryl; 2-sec-butyl-4,6-dinitrofenyl-3-methylcrotonaat MVP 1
488-23-3 1,2,3,4-tetramethylbenzeen gO.2
4904-61-4 1,5,9-cyclododecatrieen MVP 1
49690-63-3 tri-2,4-dibroomfenylfosfaat; tris(2,4-dibroomfenyl)fosfaat S
50-00-0 formaldehyde MVP 2
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT MVP 1
50-32-8 benzo[a]pyreen (PAK) MVP 1
50471-44-8 vinchlozolin; N-3,5-dichloorfenyl-5-methyl-5-vinyl-1,3-oxazolidine-2,4-dion MVP 1
506-77-4 chloorcyaan gA.1
51000-52-3 ethenyl ester van neodecaanzuur MVP 2
512-04-9 3beta,25R-spirost-5-en-3-ol MVP 1
5131-66-8 1-butoxy-2-propanol gO.2
513-42-8 2-methylallylalcohol gO.1
513-79-1 kobaltcarbonaat MVP 1
5146-66-7 3,7-dimethylocta-2,6-dieennitril MVP 1
51594-55-9 (R)-1-chloor-2,3-epoxypropaan MVP 2
51-79-6 urethaan; ethylcarbamaat MVP 2
52033-74-6 fenylhydrazinesulfaat (2:1) MVP 1
52125-53-8 1,2-propaandiolmonoethylether gO.2
5216-25-1 p-chloorbenzotrichloride; α,α,α,4-tetrachloortolueen MVP 1
527-53-7 1,2,3,5-tetramethylbenzeen gO.2
531-85-1 benzidine dihydrochloride; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine hydrochloride MVP 1
531-86-2 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
5343-92-0 1,2-pentaandiol gO.2
53-70-3 dibenz[a,h]antraceen (PAK); dibenzo(a,h)-antraceen (PAK) MVP 1
540-59-0 1,2-dichlooretheen gO.2
540-73-8 1,2-dimethylhydrazine MVP 2
540-97-6 dodecamethylcyclohexasiloxaan MVP 1
541-02-6 decamethylcyclopentasiloxaan; D5 MVP 2
541-05-9 hexamethylcyclotrisiloxaan; D3 gO.2
542-56-3 isobutylnitriet MVP 2
542-88-1 bis(chloormethyl)ether; oxybis(chloormethaan) MVP 2
5436-43-1 tetrabroomdifenylether; BDE-47 ERS
548-62-9 C.I. Basic Violet 3 [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5)] MVP 1
55219-65-3 triadimenol MVP 1
552-30-7 benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride MVP 1
553-00-4 2-naftylamine acetaat; 2-naftaleenamine acetaat MVP 1
5543-57-7 (S)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
5543-58-8 (R)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat MVP 1
556-52-5 glycidol; 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
556-67-2 octamethyltetra-siloxaan; D4 MVP 2
557-05-1 zinkstearaat S
5571-36-8 cyclisch 3-(1,2-ethaandiylacetaal)oestra-5(10),9(11)-dieen-3,17-dion MVP 1
56073-07-5 difenacum MVP 1
56073-10-0 brodifacoum MVP 1
561-41-1 4,4’-bis(dimethylamino)-4’’-(methylamino)trityl alcohol [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG No. 202-959-2)] MVP 1
5625-90-1 N,N′-methyleendimorfoline MVP 1
56-35-9 tributyltinoxide MVP 1
563-80-4 3-methyl-2-butanon; methylisopropylketon gO.2
56-55-3 benz[a]antraceen (PAK); benzo[a]antraceen (PAK) MVP 1
56-81-5 glycerol S
569-61-9 4,4’-(4-iminocyclohexa-2,5-dienylideenmethyleen)dianilinehydrochloride MVP 1
57044-25-4 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
57110-29-9 hexahydro-3-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
57-14-7 N,N-dimethylhydrazine MVP 2
57171-56-9 geethoxyleerd sorbitolhexaoleaat gO.2
573-58-0 dinatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis(4-aminonaftaleen-1-sulfonaat) MVP 1
57-55-6 1,2-propaandiol; propyleenglycol gO.2
57-57-8 1,3-propiolacton; 3-propanolide MVP 2
57-74-9 chloordaan MVP 1
578-94-9 difenylaminochloorarsine MVP 1
581-89-5 2-nitronaftaleen MVP 1
5836-29-3 cumatetralyl MVP 1
584-84-9 1-methyl-2,4-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,4-diisocyanaat; TDI S
58591-45-0 kobaltnikkeldioxide MVP 1
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; lindaan MVP 1
592-62-1 methyl-ONN-azoxymethylacetaat; methylazoxymethylacetaat MVP 1
593-60-2 vinylbromide MVP 2
59447-55-1 (pentabroomfenyl)methylacrylaat; (pentabroomfenyl) methylester van 2-propeenzuur MVP 1
59653-74-6 1,3,5-tris-[(2S en 2R)-2,3-epoxypropyl]-1,3,5-triazine-2,4,6-(1H3H5H)-trion MVP 1
598-14-1 ethyldichloorarsine MVP 1
59-88-1 fenylhydrazinechloride MVP 1
60-09-3 4-aminoazobenzeen MVP 1
602-01-7 2,3-dinitrotolueen MVP 1
60207-90-1 propiconazool MVP 1
602-87-9 5-nitroacenafteen MVP 1
60-29-7 diethylether; ether gO.2
60-32-2 6-aminohexaanzuur, monomeer gO.2
603-35-0 trifenylfosfine MVP 1
60-34-4 methylhydrazine MVP 2
60348-60-9 pentabroomdifenylether; BDE-99 ERS
605-50-5 di-isopentylftalaat MVP 1
60-57-1 dieldrin MVP 1
606-20-2 2,6-dinitrotolueen MVP 1
608-33-3 2,6-dibroomfenol S
608-73-1 hexachloorcyclohexaan MVP 1
608-93-5 pentachloorbenzeen MVP 1
610-39-9 3,4-dinitrotolueen MVP 1
612-52-2 2-naftylamine hydrochloride; 2-naftaleenamine hydrochloride MVP 1
612-82-8 4,4’-bi-o-toluidine dihydrochloride; 3,3’-dimethylbenzidine dihydrochloride; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine dihydrochloride MVP 1
613-35-4 N,N’-diacetylbenzidine MVP 1
615-05-4 2,4-diaminoanisool; 4-methoxy-m-fenyleendiamine MVP 1
615-58-7 2,4-dibroomfenol gO.1
61571-06-0 tetrahydrothiopyraan-3-carboxaldehyde MVP 2
61788-32-7 gehydrogeneerd terfenyl MVP 1
61788-33-8 polychloorterfenylen MVP 1
6180-61-6 fenoxypropanol; 3-fenoxy-1-propanol gO.2
618-85-9 3,5-dinitrotolueen MVP 1
619-15-8 2,5-dinitrotolueen MVP 1
620-14-4 1-methyl-3-ethylbenzeen gO.2
62037-80-3 ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
621-64-7 nitrosodipropylamine MVP 2
62-53-3 aminobenzeen; aniline gO.1
625-45-6 methoxyazijnzuur MVP 2
62-55-5 thioaceetamide MVP 2
626-38-0 sec-amylacetaat gO.1
62-75-9 N-nitrosodimethylamine; dimethylnitrosoamine MVP 2
627-93-0 dimethyladipaat gO.1
628-63-7 n-amylacetaat gO.2
629-14-1 1,2-diethoxyethaan MVP 2
630-08-0 koolmonoxide (CO) (deze verbinding heeft geen emissiegrenswaarde) ---
63148-62-9 siliconenolie gO.2
63989-69-5 ijzer(III)arseniet (berekend als As) MVP 1
64-17-5 ethanol gO.2
64-18-6 mierenzuur gO.1
64-19-7 azijnzuur gO.2
64475-85-0 white spirit gO.2
646-13-9 isobutylstearaat gO.2
64-67-5 diethylsulfaat MVP 2
64-86-8 colchicine MVP 1
64969-36-4 4,4’-bi-o-toluidine disulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine disulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine disulfaat MVP 1
65229-23-4 nikkelboorfosfide MVP 1
65277-42-1 1-[4-[4-[[(2SR,4RS)-2-(2,4-dichloorfenyl)-2-(imidazool-1-ylmethyl)-1,3-dioxolaan-4-yl]methoxy]fenyl]piperazine-1-yl]ethanon; ketoconazool MVP 1
65321-67-7 tolueen-2,4-diammoniumsulfaat MVP 1
65996-93-2 pek koolteer, hoge temperatuur [Het residu dat wordt verkregen bij de destillatie van bij hoge temperatuur verkregen koolteer. Een zwarte vaste stof met een verwekingstraject van bij benadering 30 °C tot 180 °C. Voornamelijk samengesteld uit een complexe verzameling van aromatische koolwaterstoffen met drie- of meervoudig gecondenseerde ringen] MVP 1
65997-15-1 Portland cement S
66-81-9 cycloheximide; 4-(2R)-2-[(1S,3S,5S)-3,5-dimethyl-2-oxocyclohexyl]-2-hydroxyethylpiperidine-2,6-dion MVP 1
67118-55-2 kalium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
67-56-1 methanol gO.2
67-63-0 2-propanol; iso-propanol; isopropylalcohol gO.2
67-64-1 aceton; propanon gO.2
67-66-3 chloroform; trichloormethaan gO.1
6786-83-0 α,α-bis[4-(dimethylamino)fenyl]-4 (fenylamino)naftaleen-1-methanol (C.I. Solvent Blue 4) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
68016-03-5 kobaltdimolybdeennikkeloctaoxide MVP 1
680-31-9 hexamethylfosforamide; hexamethylfosforzuurtriamide MVP 1
6804-07-5 carbadox MVP 1
68049-83-2 azafenidin; 2-(2,4-dichloor-5-prop-2-ynyloxyfenyl)- 5,6,7,8-tetrahydro-1,2,4-triazool[4,3-a]pyridin-3(2H)- one MVP 1
6807-17-6 4,4-isobutylethylideendifenol MVP 1
68-12-2 N,N-dimethylformamide MVP 2
68186-89-0 kobaltnikkel grijze periklaas: C.I. Pigment black 25; C.I. 77332 MVP 1
68515-42-4 1,2-benzeendicarboxylzuur, di-C7-11 vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-50-4 1,2-benzeendicarbonzuur, dihexyl ester, vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-51-5 1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkyl esters MVP 1
68631-49-2 hexabroomdifenylether; BDE-153 ERS
68648-93-1 1,2-benzeendicarbonzuur, mengsel van decyl en hexyl en octyl diesters MVP 1
68694-11-1 triflumizool MVP 1
69029-86-3 tellurium sA.2
693-98-1 2-methylimidazool MVP 1
69806-50-4 fluazifop-butyl; butyl-2-[4-[[5-(trifluormethyl)- 2-pyridyl]oxy]fenoxy]propionaat MVP 1
70124-77-5 flucythrinaat MVP 1
70225-14-8 diethanolamineperfluoroctaansulfonaat MVP 1
70-25-7 1-methyl-3-nitro-1-nitrosoguanidine MVP 1
70657-70-4 2-methoxypropylacetaat MVP 2
70776-03-3 polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van naftaleen ERS
70987-78-9 (S)-oxiraanmethanol 4-methylbenzeensulfonaat MVP 1
71-23-8 n-propenol gO.2
712-48-1 difenylchloorarsine MVP 1
71-36-3 butylalcohol; n-butanol gO.2
71-43-2 benzeen MVP 2
71-48-7 kobaltacetaat MVP 1
71850-09-4 diisohexylftalaat MVP 1
71868-10-5 2-methyl-1-(4-methylthiofenyl)-2-morfolinopropaan-1-on MVP 1
71888-89-6 1,2-benzeendicarbonzuur; C7-rijk di-C6-8-vertakte alkylesters MVP 1
72-20-8 endrin MVP 1
72-43-5 methoxychloor MVP 1
72629-94-8 perfluortridecanoaat MVP 1
732-26-3 2;4;6-tri-tert-butylfenol; dodecylfenol MVP 1
7397-62-8 butylglycolaat gO.2
7439-97-6 kwik MVP 1
7429-90-5 aluminium S
7439-92-1 lood MVP 1
7439-96-5 mangaan sA.3
7439-98-7 molybdeen S
7440-02-0 nikkel MVP 1
7440-05-3 palladium sA.3
7440-06-4 platina sA.3
7440-16-6 rhodium sA.2
7440-22-4 zilver sA.2
7440-25-7 tantaal sA.3
7440-28-0 thallium sA.1
7440-31-5 tin sA.3
7440-36-0 antimoon sA.3
7440-38-2 arseen MVP 1
7440-39-3 barium sA.3
7440-41-7 beryllium MVP 1
7440-42-8 borium S
7440-43-9 cadmium MVP 1
7440-47-3 Chroom, met uitzondering van chroom(VI) sA.3
7440-48-4 kobalt MVP 1
7440-50-8 koper sA.3
7440-62-2 vanadium sA.3
7440-65-5 yttrium sA.3
7440-66-6 zink S
7440-67-7 zirkoon S
74499-35-7 fenol, (tetrapropenyl)- derivaten MVP 1
74646-29-0 trinikkelbis(arseniet) (berekend als As + Ni) MVP 1
74753-18-7 4,4’-bi-o-toluidine sulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine sulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 2
74-85-1 etheen gO.2
74-86-2 acetyleen; ethyn gO.2
74-87-3 chloormethaan; methylchloride gO.1
74-89-5 aminomethaan; methylamine gO.1
74-90-8 blauwzuurgas; cyaanwaterstof; HCN gA.2
75-00-3 chloorethaan; ethylchloride gO.2
75-01-4 vinylchloride; chlooretheen; chloorethyleen MVP 2
75-04-7 aminoethaan; ethylamine gO.1
75-05-8 acetonitril gO.2
75-07-0 ethanal MVP 2
75-09-2 dichloormethaan; methyleenchloride gO.2
75113-37-0 di-µ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan; dibutyltinhydrogeenboraat; dibutyltinwaterstofboraat MVP 1
75-12-7 formamide MVP 1
75-15-0 koolstofdisulfide; zwavelkoolstof gO.2
75-18-3 dimethylmercaptaan; thiobismethaan gO.1
75-21-8 1,2-epoxyethaan; ethyleenoxide; oxiraan; etheenoxide MVP 2
75-25-2 tribroommethaan gO.1
75-26-3 2-broompropaan MVP 2
75-27-4 broomdichloormethaan gO.1
75-28-5 isobutaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
75-29-6 2-chloorpropaan gO.2
75-34-3 1,1-dichloorethaan gO.2
75-35-4 1,1-dichlooretheen gO.1
75-38-7 1,1-difluoretheen; vinylideenfluoride gO.2
75-44-5 fosgeen gA.1
75-52-5 nitromethaan gO.2
75-55-8 2-methylaziridine MVP 2
75-56-9 propyleenoxide; methyloxiraan; 1,2-epoxypropaan; propeenoxide MVP 2
75-60-5 kakodylzuur MVP 1
75-65-0 2-methyl-2-propanol; tert-butanol gO.2
75-73-0 koolstoftetrafluoride; methaantetrafluoride; tetrafluormethaan gO.2
75-91-2 1,1-dimethylethyl-hydroperoxide; tertiairbutylhydroperoxide; TBHP gO.1
76-01-7 pentachloorethaan MVP 2
7601-90-3 perchloorzuur gA.1
76-16-4 hexafluorethaan gO.2
76-19-7 octafluorpropaan gO.2
76253-60-6 monomethyltetrachloordifenylmethaan MVP 1
7631-86-9 siliciumdioxide (amorf) S
7631-89-2 natriumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7632-04-4 natriumperoxometaboraat MVP 1
7637-07-2 boriumtrifluoride gA.2
764-41-0 1,4-dichloorbut-2-een MVP 2
76-44-8 heptachloor MVP 1
7646-79-9 kobaltchloride; kobaltdichloride MVP 1
7646-85-7 zinkchloride (rook) sA.3
7664-38-2 fosforzuur gA.2
7664-93-9 zwavelzuur gA.2
76-87-9 fentinhydroxide; trifenyltinhydroxide MVP 1
7697-37-2 salpeterzuur (nevels) gA.3
77-09-8 fenolftaleïne MVP 1
77182-82-2 glufosinaat-ammonium; ammonium-2-amino- 4-(hydroxymethylfosfinyl)butyraat MVP 1
7726-95-6 broom gA.2
77402-03-0 methylacrylamidomethoxyacetaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77402-05-2 methylacrylamidoglycolaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77-47-4 1,2,3,4,5,5-hexachloor(1,3-)cyclopentadieen MVP 1
7758-01-2 kaliumbromaat MVP 1
77-58-7 dibutyltindilauraat MVP 1
776297-69-9 N-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
77-78-1 dimethylsulfaat MVP 2
7778-39-4 arseenzuur (berekend als As) MVP 1
7778-44-1 calciumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7782-41-4 fluor gA.1
7782-42-5 grafiet S
7782-49-2 seleen sA.2
7782-50-5 chloorgas (Cl2) gA.2
7782-65-2 germaniumhydride (GeH4) gA.2
7783-06-4 waterstofsulfide; zwavelwaterstof gA.2
7783-54-2 stikstoftrifluoride gA.2
7783-61-1 siliciumtetrafluoride gA.2
7784-08-9 zilverarseniet (berekend als As + Ni) MVP 1
7784-33-0 arseenbromide (berekend als As) MVP 1
7784-34-1 arseentrichloride (berekend als As) MVP 1
7784-40-9 loodarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
7784-41-0 kaliumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7784-42-1 arseenwaterstof; arsine (berekend als As) MVP 1
7784-44-3 ammoniumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7789-75-5 calciumfluoride sA.3
7790-79-6 cadmiumfluoride (berekend als Cd) MVP 1
7803-51-2 fosforwaterstof; fosfine gA.1
7803-57-8 hydraten van hydrazine MVP 2
7803-62-5 siliciumtetrahydride gA.2
78-10-4 ethylsilicaat; tetraethylorthosilicaat gO.2
78-59-1 3,5,5-trimethyl-2-cyclohexeen-1-on; isoforon gO.2
78-79-5 isopreen MVP 2
78-83-1 isobutanol gO.2
78-87-5 1,2-dichloorpropaan MVP 2
789-02-6 2,4-DDT isomeer MVP 1
78-92-2 2-butanol; sec-butanol gO.2
78-93-3 2-butanon; ethylmethylketon; methylethylketon; MEK gO.2
79-00-5 1,1,2-trichloorethaan gO.1
79-01-6 trichlooretheen; trichloorethyleen; TRI MVP 2
79-06-1 acrylamide MVP 1
79-09-4 propaanzuur; propionzuur gO.2
79-10-7 acrylzuur; propeenzuur gO.1
79-11-8 chloorazijnzuur gO.1
79-16-3 N-methylacetamide MVP 2
79-20-9 azijnzuurmethylester; methylacetaat gO.2
79-21-0 perazijnzuur gO.1
79-24-3 nitroethaan gO.2
79-27-6 1,1,2,2- tetrabroomethaan gO.1
79-29-8 2,3-dimethylbutaan gO.2
793-24-8 N-(1,3-dimethylbutyl)-N’-fenyl-1,4-benzeendiamine; 4-(dimethylbutylamino) difenylamine MVP 1
79-34-5 1,1,2,2-tetrachloorethaan gO.1
79-44-7 dimethylcarbamoylchloride MVP 2
79-46-9 2-nitropropaan MVP 2
79-94-7 tetrabroombisfenol A MVP 1
8001-35-2 toxafeen MVP 1
80-05-7 bisfenol A MVP 2
8021-39-4 creosoot, hout MVP 1
80387-97-9 2-ethylhexyl-[[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)- 4-hydroxyfenyl]methyl]thio]acetaat MVP 1
80-46-6 p-(1,1-dimethylpropyl)fenol MVP 1
80-62-6 methacrylzuurmethylester; methyl-(2-methyl)- propenoaat; methylmethacrylaat gO.1
81-15-2 musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6- trinitro-m-xyleen MVP 1
81-81-2 warfarine MVP 1
822-06-0 1,6-hexaandiisocyanaat; hexamethyleendiisocyanaat gO.1
82413-20-5 (E)-3-[1-[4-[2-(dimethylamino)ethoxy]fenyl]- 2-fenylbut-1-enyl]fenol MVP 1
83-32-9 acenafteen MVP 1
838-88-0 4,4’-methyleendi-o-toluidine MVP 1
84-15-1 o-terfenyl MVP 1
84245-12-5 N-[6,9-dihydro-9-[[2-hydroxy-1-(hydroxymethyl)ethoxy]methyl]-6-oxo-1H-purin- 2-yl]acetamide MVP 1
84540-57-8 methoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
84-61-7 dicyclohexylftalaat MVP 1
84-65-1 antrachinon MVP 1
84-69-5 diisobutylftalaat; DIBP MVP 2
84-74-2 dibutylftalaat; DBP MVP 1
84-75-3 dihexylftalaat MVP 1
84-76-4 dinonylftalaat gO.1
84777-06-0 vertakte en lineaire dipentylesters van 1,2- benzeendicarbonzuur MVP 1
84929-62-4 ricinusolie-ethoxylaat (met 15 ethyleenoxide- eenheden) gO.2
85-01-8 fenantreen MVP 1
85136-74-9 6-hydroxy-1-(3-isopropoxypropyl)-4-methyl-2-oxo- 5-[4-(fenylazo)fenylazo]-1,2-dihydro-3-pyridinecarbonitril MVP 1
85-22-3 pentabroomethylbenzeen MVP 1
85-42-7 hexahydroftaalzuur-anhydride; cyclohexaan-1,2- dicarbonzuuranhydride MVP 1
85-44-9 ftaalzuuranhydride S
85509-19-9 flusilazool; bis(4-fluorfenyl)(methyl)(1H-1,2,4-triazol- 1-ylmethyl)silane MVP 1
85535-84-8 C10-13-chlooralkanen; kortketenige gechloreerde paraffines; SCCP’s; C10-13 alifatische chloorkoolwaterstoffen MVP 1
85-68-7 benzylbutylftalaat; BBP MVP 1
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon MVP 2
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen MVP 2
87-68-3 hexachloorbutadieen MVP 1
87-86-5 pentachloorfenol MVP 1
88-72-2 2-nitrotolueen MVP 2
88-85-7 dinoseb; 6-(1-methylpropyl)-2,4-dinitrofenol; zouten en esters van dinoseb MVP 1
90035-08-8 flocumafen MVP 1
90-04-0 o-anisidine; 2-methoxyaniline MVP 2
9016-45-9 nonylfenolethoxylaten en verwante verbindingen; NPEs MVP 1
90640-80-5 antraceenolie, Een complexe verzameling polycyclische aromatische koolwaterstoffen die wordt verkregen uit koolteer met een destillatietraject van ongeveer 300 °C tot 400 °C. Voornamelijk samengesteld uit fenantreen antraceen en carbazool. MVP 1
90640-81-6 antraceenolie, antraceenpasta; antraceenolie, fractie [De antraceenrijke vaste stof die wordt verkregen door de kristallisatie en centrifugatie van antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
90640-82-7 antraceenolie, antraceenarm; antraceenolie, fractie [De olie die resteert na de verwijdering, door middel van een kristallisatieproces, van een antraceenrijke vaste stof (antraceenpasta) uit antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit aromatische verbindingen met twee, drie of vier ringen] MVP 1
90-72-2 2,4,6-tri(dimethylaminomethyl)fenol S
90-94-8 4,4’-bis(dimethylamino)benzofenon; Michler’s keton MVP 1
91079-47-9 fenolen C9-11-; gedestilleerde fenolen MVP 1
91-08-7 1-methyl-2,6-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,6-diisocyanaat S
91-17-8 bicyclo(4,4,0)decaan; decahydronaftaleen; decaline gO.2
91-20-3 naftaleen; naftaline MVP 1
91-22-5 quinoline; chinoline MVP 1
91-23-6 2-nitroanisool MVP 1
91-59-8 2-naftylamine; 2-naftaleenamine; zouten van 2-naftylamine; zouten van 2-naftaleenamine MVP 1
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine; zouten van 3,3- dichloorbenzidine MVP 1
91-95-2 bifenyl-3,3’,4,4’-tetrayltetraamine; diaminobenzidine MVP 1
91995-15-2 antraceenolie, antraceenpasta, antraceenfractie; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 330 °C tot 350 °C. Bevat hoofdzakelijk antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
91995-17-4 antraceenolie, antraceenpasta, lichte destillatiefracties; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 290 °C tot 340 °C. Bevat hoofdzakelijk tricyclische aromaten en dihydroderivaten daarvan] MVP 1
924-42-5 N-methylolacrylamide MVP 1
92-52-4 bifenyl; difenyl S
92-67-1 4-aminobifenyl; xenylamine; zouten van 4-aminobifenyl; zouten van xenylamine MVP 1
92-87-5 benzidine; 4,4’-diaminobifenyl; zouten van benzidine; zouten van 4,4’-diaminobifenyl MVP 1
92-93-3 4-nitrobifenyl MVP 1
93-58-3 benzoëzuurmethylester; methylbenzoaat S
94-26-8 butylparabeen MVP 1
94361-06-5 cyproconazool MVP 1
94551-87-8 ontkoperd afvalslik en bezinksel van elektrolytische koperzuivering MVP 1
94-59-7 5-allyl-1,3-benzodioxoo; safrool MVP 1
94723-86-1 2-butyryl-3-hydroxy-5-thiocyclohexaan-3-ylcyclohex- 2-een-1-on MVP 1
95-06-7 sulfallaat; 2-chloorallyldiethyldithiocarbamaat MVP 1
95-50-1 1,2-dichloorbenzeen gO.1
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine; zouten van o-toluidine; zouten van 2-aminotolueen; zouten van 2-methylbenzeenamine MVP 2
95-69-2 4-chloor-o-toluidine MVP 1
95-80-7 4-methyl-m-fenyleendiamine MVP 1
95-92-1 diethyloxalaat gO.2
95-93-2 1,2,4,5-tetramethylbenzeen gO.2
959-98-8 alfa-endosulfan MVP 1
96-09-3 (epoxyethyl)benzeen; fenyloxiraan; styreenoxide MVP 2
96-12-8 dibroomchloorpropaan; 1,2-dibroom- 3-chloorpropaan MVP 2
96-13-9 2,3-dibroompropaan-1-ol MVP 2
96-18-4 1,2,3-trichloorpropaan MVP 2
96-22-0 3-pentanon gO.2
96-23-1 1,3-dichloorpropaan-2-ol MVP 2
96-29-7 2-butanonoxim MVP 2
96-33-3 acrylzuurmethylester; methylacrylaat; methylpropenoaat gO.1
96-45-7 ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion MVP 1
96-48-0 γ-butyrolacton gO.1
97-56-3 o-aminoazotolueen; 4-amino-2’,3- dimethylazobenzeen; 4-o-tolylazo-o-toluidine MVP 1
97-64-3 ethyllactaat; ethyl-α-hydroxypropionaat gO.2
97-88-1 n-butylmethacrylaat gO.2
97925-95-6 ethanol, 2,2’-iminobis-, N-(C13-15-vertakt en lineair alkyl)-derivaten MVP 1
97-99-4 tetrahydro-2-furylmethanol MVP 2
98-00-0 2-hydroxymethylfuran; furfurylalcohol gO.2
98-01-1 2-furaldehyde; furfural; furfurol gO.1
98-07-7 benzotrichloride; trichloormethylbenzeen MVP 2
98-54-4 4-tert-butylfenol MVP 1
98-55-5 α-terpineol gO.2
98-73-7 4-tert-butylbenzoëzuur MVP 1
98-82-8 cumeen; isopropylbenzeen gO.2
98-83-9 isopropenylbenzeen; α-methylstyreen gO.2
98-87-3 benzalchloride gO.1
98-95-3 nitrobenzeen MVP 2
99-62-7 m-diisopropylbenzeen gO.2
996-35-0 dimethylisopropylamine gO.1
99688-47-8 monomethyldibroomdifenylmethaan MVP 1
2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur, zijn zouten en zijn acylhaliden (omvattend elk van hun individuele isomeren en combinaties daarvan) MVP 2
4-heptylfenol, vertakt en lineair MVP 1
5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
6-aminohexaanzuur, trimeer gO.2
aardolie gO.2
alifatisch koolwaterstofmengsel gO.2
alkoholethyleen-oxide-fosfaatester (mengsel van C12/C14 mono- di- en trimeren) gO.2
alkylalcoholen gO.2
aluminiumverbindingen S
antimoonverbindingen sA.3
aromatisch koolwaterstofmengsel gO.2
arseenverbindingen (berekend als As) MVP 1
azokleurstoffen op basis van benzidine; 4,4- diarylazobifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-dianisidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethoxybifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-tolidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethylbifenylkleurstoffen MVP 1
bariumverbindingen sA.3
benzine gO.2
berylliumverbindingen MVP 1
boriumverbindingen (stofvormig) S
broomverbindingen1Gebromeerde brandvertragers zijn uitgezonderd van deze stofgroep, zie aparte vermeldingen in deze bijlage. gA.2
cadmiumverbindingen (berekend als Cd) MVP 1
calciumverbindingen, met uitzondering van calciumoxide S
chloorbenzenen, met uitzondering van 1,2-dichloorbenzeen gO.2
chloorverbindingen gA.3
chroomverbindingen, met uitzondering van chroom(VI)verbindingen sA.3
chroom(VI)verbindingen MVP1
cyaniden sA.3
dichloorfenol(en) gO.1
dichloorsiliciumdihydride gA.3
e-glas microvezels met een representatieve samenstelling MVP 1
ester van penta-erythritol en C9-C10-vetzuur gO.2
ethoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
fenol, 2-dodecyl-, vertakt MVP 1
fenol, 3-dodecyl-, vertakt MVP 1
fluoriden sA.3
fluorspar sA.3
gebromeerde brandvertragers MVP 1
geëthoxyleerd 4-(1,1,3,3-tetramethylbutyl)fenol MVP 1
geëthoxyleerd lineair en vertakt 4-nonylfenol MVP 1
gesulfateerde plantaardige olie gO.2
glaswolvezels sA.2
hexachloorcyclohexanen MVP 1
houtstof (deeltjes <10 μm) S
hydrazinebis(3-carboxy-4-hydroxybenzeensulfonaat) MVP 2
hydrazine-trinitromethaan MVP 2
hydrazine zouten MVP 2
iso-octyl/nonyl-fenyl-polyglycolether (met 5 ethyleenoxide-eenheden) gO.2
keramische vezels sA.1
kobaltverbindingen MVP 1
kobaltlithiumnikkeloxide MVP 1
koperverbindingen, met uitzondering van koperrook sA.3
koperrook sA.2
kwikverbindingen MVP 1
loodalkylen MVP 1
loodverbindingen, anorganisch MVP 1
loodverbindingen organisch MVP 1
magnesiumverbindingen S
mangaanverbindingen sA.3
mengsel van 4-[[bis-(4-fluorfenyl)methylsilyl]methyl]- 4H-1,2,4-triazool en 1-[[bis-(4- fluorfenyl)methylsilyl]methyl]-1H-1,2,4-triazool MVP 1
mengsel van dimethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat, diethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat en methylethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat MVP 1
mengsel van dinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-hydroxy-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat en trinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-oxido-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat MVP 1
mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)-propoxymethyl]-2-methyl-acrylamide, N-[2,3-bis-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide, methacrylamide, 2-methyl-N-(2-methyl-acryloylamino-methoxy-methyl)-acrylamide en N-(2,3-dihydroxy-propoxymethyl)-2-methyl-acrylamide MVP 1
mengsel van: 1,3,5-tris(3-aminomethylfenyl)-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion; mengsel van oligomeren van 3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-1-poly[3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-2,4,6-trioxo-1,3,5-(1H3H5H)-triazin-1-yl]-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion MVP 1
mercaptanen gO.1
methylfenolen gO.1
methylfenyleendiamine; diaminotolueen; [technisch product – mengsel van 4-methyl-m-fenyleendiamine (EU-nr. 202-453-1) en 2-methyl-m-fenyleendiamine (EG-nr. 212-513-9) MVP 1
molybdeenverbindingen S
monomethyldichloordifenylmethaan MVP 1
nikkelverbindingen MVP 1
nitrocresolen S
nitrofenolen S
nitrotolue(e)n(en) S
O-hexyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
olefinische koolwaterstoffen gO.2
PAKs; polycyclische aromatische koolwaterstoffen MVP 1
palladiumverbindingen sA.3
paraffine-olie gO.2
paraffinische koolwaterstoffen gO.2
perfluorbutaansulfonzuur zouten MVP 1
pinenen gO.2
platinaverbindingen, niet wateroplosbaar sA.3
platinaverbindingen, wateroplosbaar sA.1
polybroomdibenzodioxines ERS
polybroomdibenzofuranen ERS
polychloordibenzodioxines; polychloordibenzo- p-dioxinesn; PCDD’s; dioxine ERS
polychloordibenzofuranen; PCDF’s ERS
polyethyleenglycol S
polyhalogeendibenzodioxines ERS
polyhalogeendibenzofuranen ERS
polyvinylalcohol S
reactieproducten van 1,3,4-thiadiazolidin-2,5-dithion, formaldehyde en vertakt en lineair 4-heptylfenol [met 0,1% of meer vertakt of lineair 4-heptylfenol (EG-nr. 217-862-0)] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde en 2-hydroxypropylamine (ratio 3:2) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde met 2-hydroxypropylamine (ratio 1:1) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
rhodiumverbindingen, niet wateroplosbaar sA.2
rhodiumverbindingen, wateroplosbaar sA.1
seleenverbindingen sA.2
silicavezels, met name cristoballiet en tridymiet sA.1
slakkenwolvezels sA.1
steenwolvezels sA.2
stof S
telluriumverbindingen sA.2
thalliumverbindingen sA.1
thioalcoholen gO.1
thioethers gO.1
tinverbindingen, anorganisch sA.3
tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen MVP 1
trichloorfenolen gO.1
trimethylbenzeen gO.2
tris(vertakt en lineair 4-nonylfenyl) fosfiet [met ≥ 0.1 gewichtsprocent vertakt en lineair 4-nonylfenol] MVP 1
vanadiumlegeringen en vanadiumcarbide sA.3
vanadiumverbindingen sA.1
vuurvaste keramische vezels, vezels voor speciale toepassingen, met uitzondering van minerale wol zoals gedefinieerd in bijlage VI bij de CLP-verordening [synthetische (silicaat)glasvezels met een willekeurige oriëntatie en een gehalte aan alkali- en aardalkalioxiden (Na2O plus K2O plus CaO plus MgO plus BaO) van ten hoogste 18 gewichtsprocent] MVP 1
xylenen gO.2
zilververbindingen sA.1
zinkverbindingen S
zinkarsenaat of zinkarseniet of zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel (berekend als As) MVP 1
zirkonium aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1

Bijlage IV. bij de artikelen 4.145, 4.410 en 4.1053 van dit besluit (stuifklassen)

S1: sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig

Goed Specificatie Stuifklasse
Abbrände (pyrietas) Abbrände (pyrietas) S2
Aluinaarde S1
Bariet S3
Gemalen bariet S1
Bauxiet China gecalcineerd S1
Bauxiet Gecalcineerd S1
Bauxiet Ruw bauxiet S5
Bimskies S4
Borax S3
Bodemas Vochtgehalte 30% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Bruinsteen S2
Calcium Carbid S1
Carborundum S5
Cement Vochtgehalte 0,3% S1, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cement Klinkers S4
Cokes Steenkoolcokes S4
Cokes Petroleumcokes, grof S4
Cokes Petroleumcokes, fijn S2
Cokes Petroleumcokes, gecalcineerd S1
Cokes Petroleumcokes oiled/non-oiled S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cokes Fluid cokes S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelmeel S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelschijfjes S3
Derivaten en aanverwante producten Alfalfapellets S3
Derivaten en aanverwante producten Amandelmeel S3
Derivaten en aanverwante producten Appelpulppellets S3
Babassupellets S3
Babassuschroot S3
Beendermeel S1
Beenderschroot S3
Bierbostelpellets S3
Bladmeelpellets S3
Boekweitmeel S1
Cacaobonen S3 (voorlopige indeling)
Corndistillergrainpellets S3
Corndistillergrainmeel S3
Corncobpellets S3
Cornplantpellets S3
Citruspellets S3
D.F.G. pellets (maiskiempellets) S3
Druivenpulpgranulaat S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Gerstemeel S1
Gerstpellets S3
Grondnoten S5
Grondnotenpellets S3
Grondnotenschroot S3
Havermeel S1
Haverpellets S3
Hominecychoppellets S3
Hominecychopmeel S3
Houtsnippers met een vochtgehalte van 44% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Katoenzaadpellets S3
Katoenzaadschroot S3
Kapokzaadpellets S3
Kapokzaadschroot S3
Kardizaadschroot S3
Koffiepulppellets S3
Kokosgruis met een vochtgehalte van 81,1% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Kopra S5
Kopracakes S3
Koprachips S3
Koprapellets S3
Kopraschroot S3
Lijnzaadpellets S3
Lijnzaadschroot S3
Lucernepellets S3
Macojapellets S3
Macojaschroot S3
Macunameel S3
Maisglutenpellets S3
Maisglutenmeel S3
Maismeel S3
Maltsproutpellets S3
Mangopellets S3
Mangoschroot S1
Maniokpellets, hard S3
Maniokwortel S3
Mengvoederpellets S3
Millrunpellets S3
Miloglutenpellets S3
Milomeel S3
Moutkiempellets S3
Nigerzaadpellets S3
Nigerzaadschroot S3
Olijfpulppellets S3
Olijfschroot S3
Palmpitten S5
Palmpittenpellets S3
Palmpittenschilfers S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Palmpittenschroot S3
Palmpittencakes S3
Peanuthullpellets S3
Pine-applepellets S3
Pollardpellets S3
Quarbeanmealpellets S3
Quarbeanmeal S3
Raapzaadpellets S3
Raapzaadschroot S3
Ricehullpellets S3
Ricehuspellets S3
Ricebran S1
Roggemeel S1
Roggepellets S3
Safflowerzaadpellets S3
Safflowerzaadschroot S3
Salseedextractionpellets S3
Salseedschroot S1
Sesamzaadpellets S3
Sesamzaadschroot S3
Shearnutmeel S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Shearnutschroot met een vochtgehalte van 10% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Soiulacpellets S3
Sorghumzaadpellets S3
Sojapellets S3
Sojachips S3
Sojameel S3
Sojaschroot S3
Splentgrainpellets S3
Suikerbietenpulppellets S3
Suikerrietpellets S3
Sweetpotatopellets S3
Tapiochips S1
Tapiocabrokjes S1
Tapiocapellets, hard S3
Tapiocapellets, natives S1
Tarwemeel S1
Tarwepellets S3
Theepellets S3
Tucumschroot S3
Veevoederpellets S3
Zonnebloemzaadpellets S3
Zonnebloemzaadschroot S3
Dolomiet Brokken S5
Dolomiet Gemalen S1
Erts Amarilerts, brokken S5
Erts Chroomerts S4
Erts IJzererts Zie IJzererts in de kolom «goed»
Erts Kopererts S4
Erts Looderts S2
Erts Mangaanerts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Erts Tantalieterts S4
Erts Titaanerts Zie Titaan in de kolom «goed»
Erts Zinkblende S4
Ferrochroom, brokken S5
Ferrofosfor, brokken S5
Ferromangaan, brokken S5
Ferrosilicium, brokken S3
Fosfaat Gehalte vrij vocht >4 gew% S4
Fosfaat Gehalte vrij vocht <1 gew% S1
Gips S3
Gips Gipsstof grof met een vochtgehalte van 33,5% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Glasafval S5
Graan Boekweit S3
Graan Gerst met een vochtgehalte van 4,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Graan Gort S3
Graan Haver S5
Graan Haverscreenings S3
Graan Kaficorn S3
Graan Lijnzaadscreenings S3
Graan Maïs S3
Graan Milicorn S3
Graan Mout S3
Graan Raapzaadscreenings S3
Graan Ricehusk S3
Graan Rogge S3
Graan Rijst S5
Graan Sojagrits S3
Graan Sorghumzaad S3
Graan Tarwe S3
Graniet S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat S5
Grond Licht verontreinigde grond met een vochtgehalte van 4,5% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Leemgrond met een vochtgehalte van 3,6% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 50% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 60% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Hoogovenslakken S4
Hoogovenslakken Slakken met een vochtgehalte van 0,2% S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
IJzererts Beeshoek, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Beeshoek, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bomi Hill, stuk erts S4
IJzererts Bong Range pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bong Range concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
IJzererts Braz. Nat. erts S4
Carol Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Carol Lake concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Cassinga, fijn erts S4
Cassinga, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Cassinga pellets S5
Cerro Bolivar erts S4
Coto Wagner erts S5 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Dannemora erts S4
El Pao, fijn erts S4
Fabrica pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Fabrica Sinter Feed S5
Fabrica Special pellet ore S5
F'Derik Ho S4
Fire Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Grängesberg erts S4
Hamersley Pebble S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Ilmeniet erts S5
Itabira Special sinter feed S5
Itabira Run of Mine S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kiruna B, fijn erts S5
Kiruna pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Malmberg pellets S5
Manoriver Ho S4
Menera, fijn erts S5
Mount Newman pellets S4
Migrolite S4
Mount Wright concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Nimba, fijn erts S5
Nimba erts S4
Pyriet erts S4
Robe River, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Samarco pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Svappavaara erts S4
Svappavaara pellets S4
Sydvaranger pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Tazadit, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kalkzout S5
Kalk Brokken S5
Kalk Gemalen S1
Kalkzandsteen, fijne fractie, droog Kalkzandsteen, fijne fractie, droog S3
Kalkzandsteen granulaat Kalkzandsteen granulaat S3
Kattenbakkorrels Vochtgehalte 0,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Klei Bentoniet, brokken S3
Klei Bentoniet, gemalen S1
Klei Chamotte klei, brokken S4
Klei Chamotte klei, gemalen S1
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, brokken S3
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, gemalen S1
Kolen Bruinkool, briketten S4
Kolen Poederkolen S1
Kolen Kolen met een vochtgehalte hoger dan 8% S4
Kolen Kolen met een vochtgehalte lager dan 8% S2
Kolen Antraciet S2
Kunstmest Ammonsulfaatsalpeter S3
Kunstmest Diamfosfaat S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, korrels S3
Kunstmest Kalkammon-salpeter S3
Kunstmest Nitraat meststof met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Nitraat meststof vermalen met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Tripelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Zwavelzure ammoniak S3
Kyaniet S4
Metallisch slijpstof Vochtgehalte 0,6% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Metselpuin S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Nepheline S3
Olivin steen S4
Ongebluste kalk S1
Peulvruchten Bonen S3
Peulvruchten Erwten S3
Peulvruchten Guarsplit S3
Peulvruchten Linzen S3
Peulvruchten Lupinezaad S3
Peulvruchten Paardebonen S3
Peulvruchten Sojabonen S3
Peulvruchten Sojabeanhusk S3
Peulvruchten Sojascreenings S3
Peulvruchten Wikken S3
Piekijzer S4
Puin Gebroken schoon/gemengd S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Puingranulaat S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Pyrietas S2
Polymeerprodukten Kunststofpoeder S1
Potas S3
Puimsteen S5
Roet S1
Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming S4
Sillimaniet S5
Sintels, slakken S4
Sintermagnesiet S3
Soda S3
Suiker S5
Talk Gemalen S1
Talk Gebroken S3
Tapioca Tapioca Zie Derivaten en aanverwante producten
Titaan Ilmeniet S5
Titaan Rutiel S3
Titaan Rutielzand S3
Titaan Rutielslakken S5
Toonaarde Toonaarde Zie Aluinaarde
Ureum S3
Vanadiumslakken S4
Veltspaat S5
Vermiculiet Brokken S3
Vermiculiet Gemalen S1
Vliegas Vochtgehalte < 1% S2, ingedeeld op basis van meting met de methode EPA-microwindtunnel en Lundgren-methode
Vloeispaat S5
Wollastoniet S5
Wegenzout S5
Zaden en aanverwante producten Darizaad S3
Zaden en aanverwante producten Kanariezaad S5
Zaden en aanverwante producten Kardizaad S3
Zaden en aanverwante producten Koolzaad S3
Zaden en aanverwante producten Lijnzaad S5
Zaden en aanverwante producten Maanzaad S5
Zaden en aanverwante producten Millietzaad S5
Zaden en aanverwante producten Mosterdzaad S5
Zaden en aanverwante producten Nigerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Paricumzaad S3
Zaden en aanverwante producten Raapzaad S5
Zaden en aanverwante producten Safflowerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Sesamzaad S5
Zaden en aanverwante producten Tamarinzaad S3
Zaden en aanverwante producten Zonnebloemzaad S5
Zand Fijn zand S2
Zand Grof zand, waaronder betonzand, metselzand en filterzand voor de betonmortel en betonproductenindustrie S4
Zand Olivin zand S4
Zand Rutielzand, zie Titaan
Zand Speelzand, grof zand met een vochtgehalte van 2,5% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 2,0% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 3,8% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zirconzand S3
Zwaarspaat S5
Zwavel Grof S4
Zwavel Fijn S1

Bijlage II. bij de artikelen 3.39, 3.40, 3.184, 3.195 en 3.196 van dit besluit (categorieën afvalstoffen)

Cat.1, 2 ga/nga3 beschrijving
1 ga Autowrakken die gevaarlijke afvalstoffen zijn
2 nga Autowrakken die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
3 nga Banden afkomstig van voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer autobanden en banden met een vergelijkbare samenstelling
4 nga Tanks van voertuigen voor gecomprimeerd of tot vloeistof verdicht gas (LPG-, aardgas- en waterstoftanks)
5 nga Opgegraven ondergrondse opslagtanks
6A ga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
6B nga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
7A ga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
7B nga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
8 nga Deelstromen van grove huishoudelijke afvalstoffen van milieustraten die op grond van een maatwerkvoorschrift bij artikel 4.623 in dezelfde opslagvoorziening mogen worden opgeslagen
9 nga Grove huishoudelijke restafvalstoffen die gemengd zijn aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden zijn gehouden
10 nga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
11 ga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
12 nga Groenafval
13 nga bioafval als bedoeld in de Wet milieubeheer en daarmee vergelijkbaar biologisch afbreekbaar bedrijfsafval, met uitzondering van groenafval
14 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het vegen van openbare straten, terreinen en overige openbare ruimten, met uitzondering van stranden (veegafval)
15 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het reinigen van riolen, kolken en gemalen (RKG-slib)
16 nga Slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie
17 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding met een gehalte aan arseen van ten hoogste 500 mg/kg droge stof die • geschikt zijn voor gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen of in een zuiveringtechnisch werk; of • binnen geldende wet- en regelgeving geschikt zijn voor andere vormen van recycling
18 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding die zijn bedoeld om in te zetten als bouwstof of voor de productie van een bouwstof en die daarvoor geschikt zijn volgens de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit
19 nga Niet-geïmpregneerd hout (A- en B-hout), met uitzondering van houten verpakkingen
20 nga Niet-geïmpregneerde houten verpakkingen
21 ga Hout dat is behandeld om de gebruiksduur te verlengen met middelen die koper en chroom (CC-hout) of koper, chroom en arseen (CCA-hout) bevatten (gewolmaniseerd C-hout)
22 nga Gemengde kunststof afvalstoffen, met inbegrip van mengsels van kunststof en rubber, of partijen thermoplastische kunststoffen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit geëxpandeerd polystyreenschuim (categorie 31); • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit rubber (categorie 112); • kunststof afvalstoffen die, vanwege de aanwezigheid van weekmakers, bepaalde pigmenten of andere additieven, als gevaarlijk afval worden aangemerkt (categorie 112); en • thermohardende kunststoffen, elastomeren en biologisch afbreekbare kunststoffen (categorie 112)
23 nga Kunstgras
24 nga Metalen
25A ga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
25B nga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
26 nga Papier en karton met uitzondering van niet-ontwikkeld fotopapier
27 nga Niet-ontwikkeld fotopapier
28 nga Textiel, met uitzondering van tapijt
29 nga Matrassen
30 nga Luiers en ander incontinentiemateriaal
31 nga Geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS) met een concentratie aan HBCDD die lager is dan 1.000 mg/kg
32 nga Steenwol
33 ga Verpakkingen van verf, lijm, kit en hars die zijn verontreinigd met niet volledig uitgeharde restanten en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
34 nga Verpakkingsglas
35 nga Vlakglas dat geen gevaarlijke afvalstof is
36 nga Afvalstoffen die vallen onder de verordening dierlijke bijproducten
37A ga Infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen, afkomstig van de gezondheidszorg bij de mens of van verwant onderzoek, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
37B nga Lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
38 nga Afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens of van verwant onderzoek waarvoor het infectierisico is verwijderd door middel van decontaminatie conform de Richtlijn decontaminatie apparatuur ziekenhuisafval
39 ga Infectieuze afvalstoffen en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen afkomstig van de gezondheidszorg bij dieren of verwant onderzoek
40A ga Asfalt met meer dan 75 mg/kg PAK10 VROM dat op basis van de Regeling Europese afvalstoffenlijst als gevaarlijke afvalstof moet worden aangemerkt
41 nga Asfalt met niet meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is
42 nga Zeefzand met meer dan 50 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij: • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
43 nga Zeefzand met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
44A ga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK dat een gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
44B nga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
45 nga Dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
46A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
46B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
47A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
47B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
48 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
49 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
50A ga Verkleefd dakgrind dat een gevaarlijke afvalstof is
50B nga Verkleefd dakgrind dat geen gevaarlijke afvalstof is
51 nga Gips, gipsblokken, gipsplaat
52 nga Cellenbeton
53A ga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat een gevaarlijke afvalstof is
53B nga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat geen gevaarlijke afvalstof is
54 nga Steenachtig materiaal met meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
55 nga Steenachtig materiaal met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
56A ga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
56B nga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
57 nga Bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover niet vallend onder een van de categorieën 40 t/m 56
58 ga Oliefilters afkomstig uit vaartuigen, voertuigen en werktuigen
59 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l
60 ga Bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte hoger dan 100 mg/l
61 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 50 mg/l en bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 100 mg/l en slibben en andere residuen die ontstaan bij de eerste stap in de verwerking van ontwikkelaar en fixeer
62 ga Hardingszouten
63 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor is niet hoger dan 1.000 mg/kg (as received); • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, niet vermengd met andere stoffen; en • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, separaat afgetapt of verzameld en opgeslagen of opgebulkt
64 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; en • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor, is hoger dan 1.000 mg/kg (as received)
65 ga Oplosmiddelen en glycolen met niet meer dan 0,5% fluor, niet meer dan 4% chloor, niet meer dan 4% broom en niet meer dan 4% jood, als het gaat om een partij van meer dan 1.000 l, afkomstig van één ontdoener
66 ga Olie-watermengsels (ow-mengsels) en olie-water-slibmengsels (ows-mengsels) • die vrijkomen bij olie- en slibafscheiders; • die ontstaan bij schoonmaakactiviteiten; of • afkomstig uit de scheepvaart (bijvoorbeeld oliehoudende ladingrestanten, oliehoudend afval van lading, oliehoudend waswater, ballastwater, bilgewater en slops); • en overige oliehoudende slibben voor zover zij qua aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met de slibfractie van olie- en slibafscheiders.
67 ga Niet-gebruikte oliën en partijen olie en brandstof die niet aan de specificaties voldoen (off-spec partijen)
68 ga Boorspoeling op oliebasis (oil-based-mud; obm), met obm verontreinigd boorgruis en de oliefractie van met obm verontreinigde stoffen
69 ga Oliehoudende vloeistof die bij de bewerking van metalen en kunststoffen is toegepast, waaronder boor-, snij-, slijp- en walsolie
70A ga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en die een gevaarlijke afvalstof is
70B nga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheeren die geen gevaarlijke afvalstof is
71 ga Arseensulfideslib en arseensulfidefilterkoek
72 ga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die een gevaarlijke afvalstof is
73 nga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die geen gevaarlijke afvalstof is
74 ga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die gevaarlijke afvalstoffen zijn
75 nga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
76A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
76B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
77A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
77B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
78 ga Filterkoek van het ontgiften, neutraliseren, ontwateren (ONO-filterkoek) die een gevaarlijke afvalstof is
79A ga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die een gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
79B nga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die geen gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
80A ga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
80B nga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het geen gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
81A ga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat een gevaarlijke afvalstof is
81B nga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat geen gevaarlijke afvalstof is
82 ga Loodzuurbatterijen en -accu’s
83A ga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
83B nga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
84 ga Gasontladingslampen
85A ga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat een gevaarlijke afvalstof is
85B nga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat geen gevaarlijke afvalstof is
86 ga Kwikhoudende voorwerpen
87A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
87B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
90 ga Metallisch kwik, zijnde kwikafval zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137/1) en gestabiliseerd metallisch kwik ten behoeve van permanente berging
91A ga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die niet vallen onder categorie 92.
91B nga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die niet vallen onder categorie 92.
92A ga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
92B nga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
93A ga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die een gevaarlijke afvalstof is
93B nga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die geen gevaarlijke afvalstof is
94A ga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die een gevaarlijke afvalstof is
94B nga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die geen gevaarlijke afvalstof is
95 ga PCB-houdende afvalstoffen voor zover niet vallend onder categorie 96 en voor zover het niet gaat om baggerspecie (categorie 107) en waarvan het PCB-gehalte hoger is dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180
96 ga Apparaten waarvan de in het apparaat aanwezige vloeistof een PCB-gehalte heeft hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180, betrokken op deze in het apparaat aanwezige vloeistof
97 ga Metaalafvalstoffen met aanhangende olie of emulsie
98 nga Toepasbare grond of baggerspecie die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «landbouw/natuur» (grond) of «niet verontreinigd» (baggerspecie) als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
99 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «wonen» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
100 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «industrie» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
101 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «licht verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
102 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, met uitzondering van baggerspecie die valt onder categorie 107
103 nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
104A ga Niet-toepasbare grond die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 95 of 106
104B nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is, en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
105A ga Niet-toepasbare baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
105B nga Niet-toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
106A ga Grond die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
106B nga Grond die geen gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
107A ga Baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
107B nga Baggerspecie die geen gevaarlijke stof is, waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
108 ga Zwavelzuur
109A ga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat een gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
109B nga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat geen gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
110 ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
111 nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112A ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112B nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan

1 Afvalwaterstromen die niet in categorie 1 tot en met 109 zijn vermeld, worden niet gerekend tot categorie 112A of 112B. Die afvalwaterstromen worden gerekend tot dezelfde categorie als andere niet in categorie 1 tot en met 109 vermelde afvalwaterstromen, als het lozen op dezelfde wijze is toegestaan en:

2 Voor de toepassing van de artikelen 3.39, eerste lid, onder d, e en f, en 3.184, derde lid, onder j, worden twee categorieën die zijn aangeduid met hetzelfde nummer, voorzien van de aanduiding A en B, aangemerkt als dezelfde categorie.

3 De aanduiding «ga» betekent dat een afvalstof alleen in de categorie valt als de afvalstof eigenschappen bezit als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij de aanduiding nga valt een afvalstof alleen in de categorie als de afvalstof deze eigenschappen niet bezit.

B. Verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en internationale verdragen

B. Uitlogende goederen

C. Vermestende goederen

Bijlage IVa. bij de artikelen 4.1053, 4.1055, 4.1058, 4.1063, 4.1064 en 4.1064a van dit besluit (lekkende, uitlogende en vermestende goederen)

Bijlage V. bij artikel 5.10 van dit besluit (stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR)

Stofnummer CAS-nummer Stof Emissiegrenswaarde in kg/jaar
2 630-08-0 Koolmonoxide 10.000
3 124-38-9 Kooldioxide 100.000
4 Fluorkoolwaterstoffen 1
4,01 HFK-23 1
4,02 HFK-32 1
4,03 430-57-9 HFK-41 1
4,04 HFK-43-10mee 1
4,05 HFK-125 1
4,06 HFK-134 1
4,07 HFK-134a 1
4,08 HFK-143 1
4,09 HFK-143a 1
4,10 HFK-152a 1
4,11 HFK-227ea 1
4,12 HFK-236fa 1
4,13 HFK-245ca 1
4,14 HFK-365mfc 1
7 Andere vluchtige organische stoffen dan methaan, NMVOS 10.000
8 11104-93-1 Stikstofoxiden 10.000
9 Perfluorkoolwaterstoffen 1
9,1 CF4 1
9,2 C2F6 1
9,3 76-19-7 C3F8 1
9,4 C4F10 1
9,5 c-C4F8 1
9,6 678-26-2 C5F12 1
9,7 355-42-0 C6F14 1
10 2551-62-4 Zwavelhexafluoride 10
11 7446-09-5 Zwaveloxiden 20.000
18 7440-43-9 Cadmium en zijn verbindingen, als Cd 1
21 7439-97-6 Kwik en zijn verbindingen, als Hg 1
23 7439-92-1 Lood en zijn verbindingen, als Pb 50
47 PCDD + PCDF, dioxinen en furanen, als Teq 0,00001
62 71-43-2 Benzeen 500
71 Fenolen, als totaal C 100
72 Polycyclische aromatische koolwaterstoffen2 1
73 108-88-3 Tolueen 10.000
86 PM10 5.000
86,1 Totaal stof3 0
92 107-02-8 Acroleïne, acrylaldehyd 1
93 107-13-1 Acrylonitril, 2-propeennitril 100
94 74-85-1 Etheen 1.000
95 50-00-0 Formaldehyde, methanal 100
96 100-42-5 Styreen 500

1 Rapportage voor de afzonderlijke verontreinigende stoffen is vereist als de drempelwaarde voor de stofgroep (HFK’s of PFK’s) wordt overschreden.

2 Op grond van bijlage II bij de PRTR-verordening wordt over 4 PAK's gerapporteerd, namelijk benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en Indeno(1,2,3-cd)pyreen. Voor de stofgroep PAK’s is de drempelwaarde 1. Als daarnaast een van de vier componenten afzonderlijk de drempelwaarde van 1 overschrijdt, wordt ook over die stof individueel gerapporteerd.

3 Rapportage van totaal stof is vereist als de drempelwaarde voor PM10 wordt overschreden.

Bijlage VI. bij artikel 5.11 van dit besluit (groepen verontreinigende stoffen PRTR)

De volgende namen van groepen verontreinigende stoffen worden gebruikt ter vervanging van de aanduiding van afzonderlijke verontreinigende stoffen bij geheimhouding:

Groepen verontreinigende stoffen Stofnaam Afkorting van de stofnaam
Broeikasgassen Methaan CH4
Broeikasgassen Kooldioxide CO2
Broeikasgassen Fluorkoolwaterstoffen HFK’s
Broeikasgassen Distikstofoxide N2O
Broeikasgassen Perfluorkoolwaterstoffen PFK’s
Broeikasgassen Zwavelhexafluoride SF6
Overige gassen Koolmonoxide CO
Overige gassen Ammoniak NH3
Overige gassen Andere vluchtige organische stoffen dan methaan NMVOS
Overige gassen Stikstofoxiden NOx/NO2
Overige gassen Zwaveloxiden SOx/SO2
Overige gassen Chloorfluorkoolwaterstoffen HCFK’s
Overige gassen Chloorfluorkoolstoffen CFK’s
Overige gassen Halonen
Overige gassen Chloor en zijn anorganische verbindingen HCl
Overige gassen Fluor en zijn anorganische verbindingen HF
Overige gassen Waterstofcyanide HCN
Zware metalen Arseen en zijn verbindingen As
Zware metalen Cadmium en zijn verbindingen Cd
Zware metalen Chroom en zijn verbindingen Cr
Zware metalen Koper en zijn verbindingen Cu
Zware metalen Kwik en zijn verbindingen Hg
Zware metalen Nikkel en zijn verbindingen Ni
Zware metalen Lood en zijn verbindingen Pb
Zware metalen Zink en zijn verbindingen Zn
Bestrijdingsmiddelen Alachloor
Bestrijdingsmiddelen Aldrin
Bestrijdingsmiddelen Atrazine
Bestrijdingsmiddelen Chlordaan
Bestrijdingsmiddelen Chloordecon
Bestrijdingsmiddelen Chloorfenvinfos
Bestrijdingsmiddelen Chloorpyrifos
Bestrijdingsmiddelen DDT
Bestrijdingsmiddelen Dieldrin
Bestrijdingsmiddelen Diuron
Bestrijdingsmiddelen Endosulfaan
Bestrijdingsmiddelen Endrin
Bestrijdingsmiddelen Heptachloor
Bestrijdingsmiddelen 1,2,3,4,5,6-hexachloorcyclohexaan
Bestrijdingsmiddelen Lindaan
Bestrijdingsmiddelen Mirex
Bestrijdingsmiddelen Simazine
Bestrijdingsmiddelen Toxafeen
Bestrijdingsmiddelen Isoproturon
Bestrijdingsmiddelen Tributyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifenyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifluralin
Bestrijdingsmiddelen Isodrin
Gechloreerde organische stoffen Chlooralkanen C10-C13
Gechloreerde organische stoffen 1,2-dichloorethaan EDC
Gechloreerde organische stoffen Dichloormethaan DCM
Gechloreerde organische stoffen Gehalogeneerde organische verbindingen AOX
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbenzeen HCB
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbutadieen HCBD
Gechloreerde organische stoffen PCDD en PCDF, dioxinen en furanen Teq
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorbenzeen
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorfenol PCF
Gechloreerde organische stoffen Polychloorbifenylen PCB’s
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloorethyleen PER
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloormethaan TCM
Gechloreerde organische stoffen Trichloorbenzenen, alle isomeren TCB’s
Gechloreerde organische stoffen 1,1,1-trichloorethaan
Gechloreerde organische stoffen 1,1,2,2-tetrachloorethaan
Gechloreerde organische stoffen Trichloorethyleen
Gechloreerde organische stoffen Trichloormethaan
Gechloreerde organische stoffen Vinylchloride
Gechloreerde organische stoffen Gebromeerde difenylethers PBDE
Gechloreerde organische stoffen Hexabroombifenyl
Overige organische stoffen Antraceen
Overige organische stoffen Benzeen
Overige organische stoffen Nonylfenol en nonylfenol-ethoxylaten NP/NPE’s
Overige organische stoffen Ethylbenzeen
Overige organische stoffen Ethyleenoxide
Overige organische stoffen Naftaleen
Overige organische stoffen Organische tinverbindingen, als totaal Sn
Overige organische stoffen Di(2-ethylhexyl)ftalaat DEHP
Overige organische stoffen Fenolen, als totaal C
Overige organische stoffen Polycyclische aromatische koolwaterstoffen PAK
Overige organische stoffen Tolueen
Overige organische stoffen Totaal organisch koolstof, als totaal C of COD/3 TOC
Overige organische stoffen Xylenen
Overige organische stoffen Octylfenolen en Octylfenolethoxylaten
Overige organische stoffen Fluorantheen
Overige organische stoffen Benzo(g,h,i)peryleen
Anorganische stoffen Totaal stikstof
Anorganische stoffen Totaal fosfor
Anorganische stoffen Chloriden, als totaal Cl
Anorganische stoffen Asbest
Anorganische stoffen Cyaniden, als totaal CN
Anorganische stoffen Fluoriden, als totaal F
Anorganische stoffen Fijnstof PM10

Bijlage VIa. bij artikel 5.25 (Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen)

CAS-nummer Stof Immissiegrenswaarde in (μg/m3)1
100-44-7 Benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen 2,8
10124-43-3 Kobaltsulfaat 0,5
10141-05-6 Kobalt(II)dinitraat2 0,5
106-89-8 Epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; Chloormethyloxiraan 80
106-93-4 1,2-dibroomethaan 0,2
106-94-5 1-broompropaan 70
106-99-0 1,3-butadieen; buta-1,3-dieen 3
107-06-2 1,2-dichloorethaan; Ethyleenchloride 48
107-13-1 Acrylonitril; 2-propeennitril; Propeennitril 10
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen 50
109-86-4 2-methoxyethanol; Methyleenglycolmonomethylether; Ethyleenglycolmono-methylether; Methylglycol 200
110-80-5 2-ethoxyethanol; Ethyleenglycolmono-ethylether 200
115-29-7 Endosulfan 0,02
116-14-3 Tetrafluoretheen; Tetrafluorethyleen 30
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP 14
118-74-1 Hexachloorbenzeen 0,75
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen 50
121-14-2 2,4-dinitrotolueen 7,0
1303-28-2 Arseenpentoxide; Diarseenpentaoxide 0,006
1303-96-4 Boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat 700
1327-53-3 Arseentrioxide 0,006
1333-82-0 Chroomtrioxide 0,0025
1335-32-6 Loodacetaat, basisch 0,5
143-50-0 Chloordecon 1,1
14977-61-8 Chromyldichloride 0,0025
1582-09-8 Trifluraline 26
18540-29-9 Chroom(VI)verbindingen 0,0025
301-04-2 Looddiacetaat 0,5
302-01-2 Hydrazine 0,07
309-00-2 Aldrin 0,35
32534-81-9 Pentabroomdifenylether 7,0
382-21-8 Perfluorisobuteen 0,1
50-00-0 Formaldehyde 10
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT 1,8
513-79-1 Kobaltcarbonaat 0,5
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat 0,05
57-74-9 Chloordaan 0,02
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; Lindaan 0,14
593-60-2 Vinylbromide 3
60-57-1 Dieldrin 0,35
606-20-2 2,6-dinitrotolueen 0,35
608-73-1 Hexachloorcyclohexaan 0,2
608-93-5 Pentachloorbenzeen 2,8
629-14-1 1,2-diethoxyethaan 200
70776-03-3 Polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van Naftaleen 1,0
71-43-2 Benzeen 5
71-48-7 Kobaltacetaat 0,5
72-20-8 Endrin 0,7
7439-92-1 Lood 0,5
7439-97-6 Kwik 0,05
7440-02-0 Nikkel 0,02
7440-38-2 Arseen 0,006
7440-41-7 Beryllium3 0,02
7440-43-9 Cadmium3 0,005
7440-48-4 Kobalt 0,50
75-01-4 Vinylchloride 3,6
75-07-0 Ethanal 70
75-21-8 Ethyleenoxide 3
75-56-9 Propyleenoxide 90
76-44-8 Heptachloor 0,5
7646-79-9 Kobaltchloride; Kobaltdichloride 0,5
7738-94-5 Chroomzuur 0,0025
7778-39-4 Arseenzuur2 0,006
78-79-5 Isopreen 225
78-87-5 1,2-dichloorpropaan 12
79-01-6 Trichlooretheen; Trichloorethyleen; TRI 200
79-06-1 Acrylamide 0,6
79-46-9 2-nitropropaan 20
8001-35-2 Toxafeen 0,07
84-69-5 Diisobutylftalaat; DIBP 30
84-74-2 Dibutylftalaat; DBP 0,1
85-68-7 Benzylbutylftalaat; BBP 1.750
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon 71
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen 50
87-68-3 Hexachloorbutadieen 5
87-86-5 Pentachloorfenol 11
88-72-2 2-nitrotolueen 16
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine 0,02
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine 32
96-18-4 1,2,3-trichloropropaan 0,012
96-45-7 Ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion 18
98-07-7 Benzotrichloride; trichloormethylbenzeen 0,028
98-95-3 Nitrobenzeen 9
Tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen 0,02
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 0,001

1 De immissiegrenswaarde kan ook als indicatieve waarde zijn vastgesteld.

2 Geldt ook voor zouten van Arseenzuur.

Bijlage IVb. bij artikel 4.1215 van dit besluit (relatief stikstofbehoeftige gewassen)

Aardbei

Aardappelen

Acidanthera

Andijvie

Anemone coronaria

Augurk

Bleek- en groenselderij

Bloemkool

Boerenkool

Broccoli

Buitenbloemen

Chinese kool

Courgette

Fritillaria imperialis

Gladiool

Gras

Graszaad

Graszoden

Iris

Japanse haver

Hyacint

Karwij

Knolbegonia

Knolselderij

Knolvenkel

Koolraap

Koolrabi

Koolzaad

Krokus

Kroten

Kruiden

Laanbomen: opzetters

Landbouwstambonen

Lelie

Mais

Meloen

Muscari

Narcis

Paksoi

Plantui, 2e jaars

Pompoen

Prei

Raapstelen

Rabarber

Rode kool

Savooiekool

Schorseneren

Sla

Spinazie

Spitskool

Spruitkool

Stam- en stokbonen

Suikerbiet

Suikermais

Tagetes

Triticale

Tulp

Vaste planten

Venkel

Voederbiet

Wintergerst

Winterrogge

Wintertarwe

Winterui

Witte kool

Zaaiui

Zomertarwe

Bijlage V. bij artikel 5.10 van dit besluit (stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR)

Stofnummer CAS-nummer Stof Emissiegrenswaarde in kg/jaar
2 630-08-0 Koolmonoxide 10.000
3 124-38-9 Kooldioxide 100.000
4 Fluorkoolwaterstoffen 1
4,01 HFK-23 1
4,02 HFK-32 1
4,03 430-57-9 HFK-41 1
4,04 HFK-43-10mee 1
4,05 HFK-125 1
4,06 HFK-134 1
4,07 HFK-134a 1
4,08 HFK-143 1
4,09 HFK-143a 1
4,10 HFK-152a 1
4,11 HFK-227ea 1
4,12 HFK-236fa 1
4,13 HFK-245ca 1
4,14 HFK-365mfc 1
7 Andere vluchtige organische stoffen dan methaan, NMVOS 10.000
8 11104-93-1 Stikstofoxiden 10.000
9 Perfluorkoolwaterstoffen 1
9,1 CF4 1
9,2 C2F6 1
9,3 76-19-7 C3F8 1
9,4 C4F10 1
9,5 c-C4F8 1
9,6 678-26-2 C5F12 1
9,7 355-42-0 C6F14 1
10 2551-62-4 Zwavelhexafluoride 10
11 7446-09-5 Zwaveloxiden 20.000
18 7440-43-9 Cadmium en zijn verbindingen, als Cd 1
21 7439-97-6 Kwik en zijn verbindingen, als Hg 1
23 7439-92-1 Lood en zijn verbindingen, als Pb 50
47 PCDD + PCDF, dioxinen en furanen, als Teq 0,00001
62 71-43-2 Benzeen 500
71 Fenolen, als totaal C 100
72 Polycyclische aromatische koolwaterstoffen2 1
73 108-88-3 Tolueen 10.000
86 PM10 5.000
86,1 Totaal stof3 0
92 107-02-8 Acroleïne, acrylaldehyd 1
93 107-13-1 Acrylonitril, 2-propeennitril 100
94 74-85-1 Etheen 1.000
95 50-00-0 Formaldehyde, methanal 100
96 100-42-5 Styreen 500

1 Rapportage voor de afzonderlijke verontreinigende stoffen is vereist als de drempelwaarde voor de stofgroep (HFK’s of PFK’s) wordt overschreden.

2 Op grond van bijlage II bij de PRTR-verordening wordt over 4 PAK's gerapporteerd, namelijk benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en Indeno(1,2,3-cd)pyreen. Voor de stofgroep PAK’s is de drempelwaarde 1. Als daarnaast een van de vier componenten afzonderlijk de drempelwaarde van 1 overschrijdt, wordt ook over die stof individueel gerapporteerd.

3 Rapportage van totaal stof is vereist als de drempelwaarde voor PM10 wordt overschreden.

Bijlage VI. bij artikel 5.11 van dit besluit (groepen verontreinigende stoffen PRTR)

De volgende namen van groepen verontreinigende stoffen worden gebruikt ter vervanging van de aanduiding van afzonderlijke verontreinigende stoffen bij geheimhouding:

Groepen verontreinigende stoffen Stofnaam Afkorting van de stofnaam
Broeikasgassen Methaan CH4
Broeikasgassen Kooldioxide CO2
Broeikasgassen Fluorkoolwaterstoffen HFK’s
Broeikasgassen Distikstofoxide N2O
Broeikasgassen Perfluorkoolwaterstoffen PFK’s
Broeikasgassen Zwavelhexafluoride SF6
Overige gassen Koolmonoxide CO
Overige gassen Ammoniak NH3
Overige gassen Andere vluchtige organische stoffen dan methaan NMVOS
Overige gassen Stikstofoxiden NOx/NO2
Overige gassen Zwaveloxiden SOx/SO2
Overige gassen Chloorfluorkoolwaterstoffen HCFK’s
Overige gassen Chloorfluorkoolstoffen CFK’s
Overige gassen Halonen
Overige gassen Chloor en zijn anorganische verbindingen HCl
Overige gassen Fluor en zijn anorganische verbindingen HF
Overige gassen Waterstofcyanide HCN
Zware metalen Arseen en zijn verbindingen As
Zware metalen Cadmium en zijn verbindingen Cd
Zware metalen Chroom en zijn verbindingen Cr
Zware metalen Koper en zijn verbindingen Cu
Zware metalen Kwik en zijn verbindingen Hg
Zware metalen Nikkel en zijn verbindingen Ni
Zware metalen Lood en zijn verbindingen Pb
Zware metalen Zink en zijn verbindingen Zn
Bestrijdingsmiddelen Alachloor
Bestrijdingsmiddelen Aldrin
Bestrijdingsmiddelen Atrazine
Bestrijdingsmiddelen Chlordaan
Bestrijdingsmiddelen Chloordecon
Bestrijdingsmiddelen Chloorfenvinfos
Bestrijdingsmiddelen Chloorpyrifos
Bestrijdingsmiddelen DDT
Bestrijdingsmiddelen Dieldrin
Bestrijdingsmiddelen Diuron
Bestrijdingsmiddelen Endosulfaan
Bestrijdingsmiddelen Endrin
Bestrijdingsmiddelen Heptachloor
Bestrijdingsmiddelen 1,2,3,4,5,6-hexachloorcyclohexaan
Bestrijdingsmiddelen Lindaan
Bestrijdingsmiddelen Mirex
Bestrijdingsmiddelen Simazine
Bestrijdingsmiddelen Toxafeen
Bestrijdingsmiddelen Isoproturon
Bestrijdingsmiddelen Tributyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifenyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifluralin
Bestrijdingsmiddelen Isodrin
Gechloreerde organische stoffen Chlooralkanen C10-C13
Gechloreerde organische stoffen 1,2-dichloorethaan EDC
Gechloreerde organische stoffen Dichloormethaan DCM
Gechloreerde organische stoffen Gehalogeneerde organische verbindingen AOX
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbenzeen HCB
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbutadieen HCBD
Gechloreerde organische stoffen PCDD en PCDF, dioxinen en furanen Teq
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorbenzeen
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorfenol PCF
Gechloreerde organische stoffen Polychloorbifenylen PCB’s
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloorethyleen PER
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloormethaan TCM
Gechloreerde organische stoffen Trichloorbenzenen, alle isomeren TCB’s
Gechloreerde organische stoffen 1,1,1-trichloorethaan
Gechloreerde organische stoffen 1,1,2,2-tetrachloorethaan
Gechloreerde organische stoffen Trichloorethyleen
Gechloreerde organische stoffen Trichloormethaan
Gechloreerde organische stoffen Vinylchloride
Gechloreerde organische stoffen Gebromeerde difenylethers PBDE
Gechloreerde organische stoffen Hexabroombifenyl
Overige organische stoffen Antraceen
Overige organische stoffen Benzeen
Overige organische stoffen Nonylfenol en nonylfenol-ethoxylaten NP/NPE’s
Overige organische stoffen Ethylbenzeen
Overige organische stoffen Ethyleenoxide
Overige organische stoffen Naftaleen
Overige organische stoffen Organische tinverbindingen, als totaal Sn
Overige organische stoffen Di(2-ethylhexyl)ftalaat DEHP
Overige organische stoffen Fenolen, als totaal C
Overige organische stoffen Polycyclische aromatische koolwaterstoffen PAK
Overige organische stoffen Tolueen
Overige organische stoffen Totaal organisch koolstof, als totaal C of COD/3 TOC
Overige organische stoffen Xylenen
Overige organische stoffen Octylfenolen en Octylfenolethoxylaten
Overige organische stoffen Fluorantheen
Overige organische stoffen Benzo(g,h,i)peryleen
Anorganische stoffen Totaal stikstof
Anorganische stoffen Totaal fosfor
Anorganische stoffen Chloriden, als totaal Cl
Anorganische stoffen Asbest
Anorganische stoffen Cyaniden, als totaal CN
Anorganische stoffen Fluoriden, als totaal F
Anorganische stoffen Fijnstof PM10

A. Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a

Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties: uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties (PbEU 2017, L 212);

verordening accreditatie en markttoezicht: Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218);

verordening dierlijke bijproducten: Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PbEU 2009, L 300);

verordening gefluoreerde broeikasgassen: Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU 2014, L 150);

verordening hergebruik stedelijk afvalwater: Verordening (EU) nr. 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water (PbEU 2020, L 177);

verordening ozonlaag afbrekende stoffen: Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEU 2009, L 286);

verordening persistente organische verontreinigende stoffen: Verordening (EU) nr. 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking) (PbEU 2019 L 169).

Bunzing

Damhert

Das

Dwergmuis

Dwergspitsmuis

Edelhert

Eekhoorn

Egel

Eikelmuis

Gewone bosspitsmuis

Gewone zeehond

Grote bosmuis

Grijze zeehond

Haas

Hermelijn

Huisspitsmuis

Aardmuis

Boommarter

Bosmuis

Bunzing

Damhert

Das

Dwergmuis

Dwergspitsmuis

Edelhert

Eekhoorn

Egel

Eikelmuis

Gewone bosspitsmuis

Gewone zeehond

Grote bosmuis

Grijze zeehond

Haas

Hermelijn

Huisspitsmuis

Konijn

Molmuis

Ondergrondse woelmuis

Ree

Rosse woelmuis

Steenmarter

Tweekleurige bosspitsmuis

Veldmuis

Veldspitsmuis

Vos

Waterspitsmuis

Wezel

Wild zwijn

Woelrat

Alpenwatersalamander

Bruine kikker

Gewone pad

Kleine watersalamander

Meerkikker

Middelste groene kikker

Vinpootsalamander

Vuursalamander

Reptielen

Adder

Hazelworm

Levendbarende hagedis

Ringslang

Beekdonderpad

Beekprik

Elrits

Europese rivierkreeft

Gestippelde alver

Grote modderkruiper

Kwabaal

Aardbeivlinder

Bosparelmoervlinder

Bruin dikkopje

Bruine eikenpage

Duinparelmoervlinder

Gentiaanblauwtje

B. Soorten vaatplanten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder c

Grote vos

Grote weerschijnvlinder

Iepenpage

Kleine heivlinder

Kleine ijsvogelvlinder

Kommavlinder

Sleedoornpage

Spiegeldikkopje

Veenbesblauwtje

Veenbesparelmoervlinder

Veenhooibeestje

Veldparelmoervlinder

Zilveren maan

Beekrombout

Bosbeekjuffer

Donkere waterjuffer

Gevlekte glanslibel

Gewone bronlibel

Hoogveenglanslibel

Kempense heidelibel

Speerwaterjuffer

Vliegend hert

Franjegentiaan

Akkerboterbloem

Akkerdoornzaad

Akkerogentroost

Beklierde ogentroost

Berggamander

Bergnachtorchis

Blaasvaren

Blauw guichelheil

Bokkenorchis

Bosboterbloem

Bosdravik

Brave hendrik

Brede wolfsmelk

Breed wollegras

Bruinrode wespenorchis

Dennenorchis

Dreps

Echte gamander

Franjegentiaan

Geelgroene wespenorchis

Geplooide vrouwenmantel

Getande veldsla

Gevlekt zonneroosje

Glad biggenkruid

Gladde zegge

Groene nachtorchis

Groensteel

Groot spiegelklokje

Grote bosaardbei

Grote leeuwenklauw

Honingorchis

Kalkboterbloem

Kalketrip

Karthuizeranjer

Karwijselie

Kleine ereprijs

Kleine Schorseneer

Kleine wolfsmelk

Kluwenklokje

Knollathyrus

Knolspirea

Korensla

Kranskarwij

Kruiptijm

Lange zonnedauw

Liggende ereprijs

Moerasgamander

Muurbloem

Naakte lathyrus

Naaldenkervel

Pijlscheefkelk

Roggelelie

Rood peperboompje

Bijlage X. bij artikel 11.103, eerste lid, onder c, onder 2°, van dit besluit (van administratieplicht uitgezonderde soorten)

Lama guanicoe (Goeanaco)

Rhea americana (Nandoe)

Anas formosa (Baikaltaling)

Coscoroba (Coscoroba)

Dendrocygna arborea (Westindische fluiteend)

Sarkidiornis melanotos (Knobbeleend)

Argusianus argus (Argusfazant)

Gallus sonneratii (Sonnerats hoen)

Lophura erythrophthalma (Kuifloze vuurrugfazant)

Lophura ignita (Gekuifde vuurrugfazant)

Pavo muticus (Groene pauw)

Polyplectron bicalcaratum (Spiegelpauw)

Polyplectron germaini (Germains spiegelpauw)

Polyplectron malacense (Maleise spiegelpauw)

Gallicolumba luzonica (Luzondolksteekduif)

Agapornis canus (Grijskopagapornis)

Agapornis fischeri (Fischers agapornis)

Agapornis lilianae (Nyasa-agapornis)

Agapornis nigrigenis (Zwartwangagapornis)

Agapornis personatus (Zwartmaskeragapornis)

Agapornis roseicollis (Perzikkopagapornis)

Agapornis taranta (Zwartvleugelagapornis)

Alisterus scapularis (Australische koningsparkiet)

Amazona amazonica (Oranjevleugelamazone)

Amazona farinosa (Gepoederde amazone)

Aprosmictus erythropterus (Roodvleugelparkiet)

Ara ararauna (Blauwgele ara)

Aratinga acuticaudata (Blauwkopparkiet)

Aratinga leucophthalmus (Witoogparkiet)

Aratinga pertinax (Maisparkiet)

Bolborhynchus lineola (Catharinaparkiet)

Brotogeris chrysopterus (Oranjevleugelparkiet)

Cyanoramphus auriceps (Geelvoorhoofdkakariki)

Forpus coelestis (Blauwe muspapegaai)

Forpus conspicillatus (Gebrilde muspapegaai)

Forpus cyanopygius (Mexicaanse muspapegaai)

Forpus passerinus (Groene muspapegaai)

Forpus xanthops (Geelwangmuspapegaai)

Forpus xanthopterygius (Spix» muspapegaai)

Lathamus discolor (Zwaluwparkiet)

Loriculus vernalis (Indische hangparkiet)

Myiopsitta monachus (Monniksparkiet)

Nandayus nenday (Nandayparkiet)

Neophema chrysostoma (Blauwvleugelparkiet)

Neophema elegans (Prachtparkiet)

Neophema pulchella (Turkooisparkiet)

Neophema splendida (Splendidparkiet)

Neopsephotus bourkii (Bourke’s parkiet)

Northiella haematogaster (Roodbuikparkiet)

Pionites melanocephala (Zwartkopcaique)

Pionus maximiliani (Maximiliaans papegaai)

Pionus menstruus (Zwartoorpapegaai)

Platycercus adelaidae (Adelaiderosella), P. elegans x P. flaveoleus

Platycercus adscitus (Bleekkoprosella)

Platycercus barnardi (Barnards rosella)

Platycercus caledonicus (Geelbuikrosella)

Platycercus elegans (Pennantrosella)

Platycercus eximius (Prachtrosella)

Platycercus flaveolus (Strogele rosella)

Platycercus icterotis (Stanleyrosella)

Platycercus venustus (Zwartkoprosella)

Platycercus zonarius (Port Lincolnrosella)

Polytelis alexandrae (Prinses van Walesparkiet)

Polytelis anthopeplus (Regentparkiet)

Polytelis swainsonii (Barrabandparkiet)

Psephotus haematonotus (Roodrugparkiet)

Psephotus varius (Regenboogparkiet)

Psittacula alexandri (Roseborstparkiet)

Psittacula cyanocephala (Pruimenkopparkiet)

Psittacula derbiana (Lord Derby’s parkiet)

Psittacula eupatria (Grote Alexanderparkiet)

Psittacula roseata (Bloesemkopparkiet)

Purpureicephalus spurius (Roodkapparkiet)

Pyrrhura picta (Bonte parkiet)

Poephila cincta (Gordelamadine)

Iguana (Groene leguaan)

Boa constrictor (met uitzondering van de Boa constrictor occidentalis)

Corallus hortulanus (Tuinboa)

Python molurus bivittatus

Python regius (Koningspython)

Python reticulatus (Netpython)

Python sebae (Rotspython)

Ambystoma mexicanum (Axolotl)

Tridacna crocea

Tridacna maxima

ordo Antipatharia

ordo Coenothecalia

ordo Scleractinia

familia Tubiporidae

familia Milleporidae

familia Stylasteridae

Bijlage XI. bij artikel 17.26, eerste lid, onder a, van dit besluit (testen voor zuiveringsvoorzieningen)

I. Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering

II. Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 5.4.1a. Openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra

Artikel 5.16a. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, bedoeld in artikel 3.235, eerste lid, voor zover het gaat om een rekencentrum of datacentrum met een geïnstalleerd IT-vermogen, zijnde het vermogen van de geïnstalleerde informatietechnologie in de ruimten en van de apparatuur die hoofdzakelijk of alleen dienen voor gegevensgerelateerde functies, met inbegrip van de noodzakelijke bijbehorende apparatuur, van ten minste 500 kW.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geheel wordt verricht voor het uitoefenen van:

Artikel 5.16b. (openbaarmaking van gegevens)
1.

Uiterlijk op 15 juli 2024 en daarna jaarlijks uiterlijk op 15 mei worden door degene die de activiteit verricht gegevens over de energie-efficiëntie van de activiteit openbaar gemaakt via een elektronische voorziening.

2.

Degene die de activiteit verricht, voldoet aan de verplichting van het eerste lid door de volgende gegevens over de activiteit over het voorafgaande kalenderjaar te verzamelen en openbaar te maken:

3.

Voor zover er sprake is van gegevens waarvan de geheimhouding op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid gerechtvaardigd is, zijn deze gegevens uitgezonderd van de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

Op het verzamelen en openbaar maken van de gegevens zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.16c. (elektronisch formulier en ondertekening)
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 5.16b, worden openbaar gemaakt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.

2.

Gegevens die openbaar zijn gemaakt via de elektronische voorziening gelden als ondertekend.

§ 5.4.2. Bodembeschermende voorzieningen

§ 5.4.3. Zeer zorgwekkende stoffen

§ 5.4.4. Emissies in de lucht

§ 5.4.5. Geluid op industrieterreinen

Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

Afdeling 6.1. Algemeen

Afdeling 6.2. Inhoudelijke regels

§ 6.2.1. Bouwwerken, werken en objecten

§ 6.2.2. Grondverzet

§ 6.2.3. Onttrekken van water

§ 6.2.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater

§ 6.2.5. Mijnbouwlocatieactiviteiten

§ 6.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam

§ 6.2.7. Andere lozingen

§ 6.2.7.2. Lozingen bij een calamiteitenoefening

§ 6.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen

§ 6.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw

§ 6.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen

§ 6.2.7a. Beperkingengebiedactiviteiten bij mijnbouwinstallaties

§ 6.2.8. Andere beperkingengebiedactiviteiten in of bij rijkswateren

Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee

Afdeling 7.1. Algemeen

Afdeling 7.2. Inhoudelijke regels

§ 7.2.1. Bouwwerken, werken en objecten

§ 7.2.2. Grondverzet

§ 7.2.3. Windparken

§ 7.2.4. Beperkingengebiedactiviteiten bij installaties in zee

§ 7.2.5. Lozen van huishoudelijk afvalwater

§ 7.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam

§ 7.2.7. Andere lozingen

§ 7.2.7.2. Lozingen bij een calamiteitenoefening

§ 7.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen

§ 7.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw

§ 7.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen

§ 7.2.8. Stortingsactiviteiten op zee

§ 7.2.9. Mijnbouwlocatieactiviteiten

Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen

Afdeling 8.1. Algemeen

Afdeling 8.2. Inhoudelijke regels

§ 8.2.1. Beperkingengebiedactiviteiten met uitzondering van kabels en leidingen

§ 8.2.2. Kabels en leidingen

Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen

Afdeling 9.1. Algemeen

Afdeling 9.2. Inhoudelijke regels hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen

§ 9.2.1. Kabels en leidingen

§ 9.2.2. Bouwwerken, werken en objecten

§ 9.2.3. Activiteiten op perrons en stations

§ 9.2.4. Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen of bijzondere spoorwegen

Afdeling 9.3. Inhoudelijke regels lokale spoorwegen

Hoofdstuk 10. Activiteiten rond luchthavens

Afdeling 10.1. Algemeen

Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen

Afdeling 11.1. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden

§ 11.1.1. Algemeen

§ 11.1.2. Natura 2000-activiteiten

Afdeling 11.2. Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild

§ 11.2.1. Algemeen

§ 11.2.2. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn

§ 11.2.3. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn

§ 11.2.4. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten

§ 11.2.6. Handelen volgens faunabeheerplan

§ 11.2.7. De uitoefening van de jacht

§ 11.2.8. Het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden

§ 11.2.9. Het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan

§ 11.2.11. Walvisvangst

Afdeling 11.3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen

§ 11.3.1. Algemeen

§ 11.3.2. Houtopstanden, hout en houtproducten

Hoofdstuk 12. Landinrichtingsactiviteiten

Afdeling 12.1. Algemeen

Afdeling 12.2. Inhoudelijke regels

Hoofdstuk 13. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen

Afdeling 13.1. Algemeen

Afdeling 13.2. Inhoudelijke regels

Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen

Hoofdstuk 15. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden

Afdeling 15.1. Algemeen

Afdeling 15.2. Inhoudelijke regels

§ 15.2.1. Badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd

§ 15.2.2. Zwemvijvers

§ 15.2.4. Overige badwaterbassins

Afdeling 15.3. Module risicoanalyse, beheersplan en registratie van incidenten

Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren

Afdeling 16.1. Algemeen

Afdeling 16.2. Inhoudelijke regels

§ 16.2.2. Ontgrondingsactiviteiten

Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren

Afdeling 17.1. Algemeen

Afdeling 17.2. Inhoudelijke regels

§ 17.2.2. Beroepsvaart

Afdeling 17.3. Certificatie van zuiveringsvoorzieningen

Hoofdstuk 18. Emissies door mobiliteit

Afdeling 18.1. Emissies van kooldioxide door werkgebonden personenmobiliteit

§ 18.1.1. Algemeen

§ 19.1.2. Produceren, leveren, opslaan, distribueren en gebruiken van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie

Afdeling 19.2. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen

vrij chloor: som van opgelost onderchlorigzuur, hypochloriet-ion en chloorgas;

B. Verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en internationale verdragen

zeer zorgwekkende stof: zeer zorgwekkende stof als bedoeld in artikel 5.22a;

zuiveringsslib: zuiveringsslib als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

zuiveringsvoorziening: werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is;

zwaar ongeval: zwaar ongeval als bedoeld in artikel 3, dertiende lid, van de Seveso-richtlijn;

Bijlage IIa. bij de artikelen 3.48d en 3.48f van dit besluit (interventiewaarde bodemkwaliteit)

Stof CAS-nummer Interventiewaarde bodemkwaliteit (mg/kg ds)1, 2
1. Metalen 1. Metalen
Antimoon 7440-36-0 22
Arseen 7440-38-2 76
Barium3 7440-39-3
Cadmium 7440-43-9 13
Chroom III 7440-47-3 180
Chroom VI 18540-29-9 78
Kobalt 7440-48-4 190
Koper 7440-50-8 190
Kwik (anorganisch) 36
Kwik (organisch) 4
Lood 7439-92-1 530
Molybdeen 7439-98-7 190
Nikkel 7440-02-0 100
Zink 7440-66-6 720
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Cyanide (vrij) 57-12-5 20
Cyanide (complex) 50
Thiocyanaat 20
3. Aromatische verbindingen 3. Aromatische verbindingen
Benzeen 71-43-2 1,1
Ethylbenzeen 100-41-4 110
Tolueen 108-88-3 32
Xylenen (som)4 17
Styreen (vinylbenzeen) 100-42-5 86
Fenol 108-95-2 14
Cresolen (som)4 13
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)
PAK’s (totaal) (som 10)4 40
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
Vluchtige chloorkoolwaterstoffen Vluchtige chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen (Vinylchloride)5 75-01-4 0,1
Dichloormethaan 75-09-2 3,9
1,1-dichloorethaan 75-34-3 15
1,2-dichloorethaan 107-06-2 6,4
1,1-dichlooretheen5 75-35-4 0,3
1,2-dichlooretheen (som)4 540-59-0 1
Dichloorpropanen (som)4 2
Trichloormethaan (chloroform) 67-66-3;75-62-7 5,6
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6 15
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5 10
Trichlooretheen (Tri) 79-01-6 2,5
Tetrachloormethaan (Tetra) 56-23-5 0,7
Tetrachlooretheen (Per) 127-18-4 8,8
Chloorbenzenen Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7 15
Dichloorbenzenen (som)4 25321-22-6 19
Trichloorbenzenen (som)4 11
Tetrachloorbenzenen (som)4 12408-10-5 2,2
Pentachloorbenzeen 608-93-5 6,7
Hexachloorbenzeen 118-74-1 2
Chloorfenolen Chloorfenolen
Monochloorfenolen (som)4 25167-80-0 5,4
Dichloorfenolen(som)4 22
Trichloorfenolen(som)4 22
Tetrachloorfenolen (som)4 21
Pentachloorfenol 87-86-5 12
Polychloorbifenylen (PCB’s) Polychloorbifenylen (PCB’s)
PCB’s (som 7)4 1
Overige gechloreerde koolwaterstoffen Overige gechloreerde koolwaterstoffen
Monochlooranilinen (som)4 50
Dioxine (som TEQ)4, 6 0,00018
Chloornaftaleen (som)4 25586-43-0 23
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen
Chloordaan (som)4 57-74-9 4
DDT (som)4 1,7
DDE (som)4 2,3
DDD (som)4 34
Aldrin 309-00-2 0,32
Drins (som)4 4
α-endosulfaan 959-98-8 4
α-HCH 319-84-6 17
β-HCH 319-85-7 1,6
γ-HCH (lindaan) 58-89-9 1,2
Heptachloor 76-44-8 4
Heptachloorepoxide (som)4 1024-57-3 4
b. Organotinbestrijdingsmiddelen b. Organotinbestrijdingsmiddelen
Organotinverbindingen (som)4 2,5
c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6 4
d. Overige bestrijdingsmiddelen d. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9 0,71
Carbaryl 63-25-2 0,45
Carbofuran5 1563-66-2 0,017
7. Overige stoffen 7. Overige stoffen
Asbest7 1332-21-4 100
Cyclohexanon 108-94-1 150
Dimethyl ftalaat 131-11-3 82
Diethyl ftalaat 84-66-2 53
Di-isobutyl ftalaat 84-69-5 17
Dibutyl ftalaat 84-74-2 36
Benzylbutylftalaat 85-68-7 48
Dihexyl ftalaat 84-75-3 220
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7 60
Minerale olie8 8042-47-5 5000
Pyridine 110-86-1 11
Tetrahydrofuran 109-99-9 7
Tetrahydrothiofeen 110-01-0 8,8
Tribroommethaan (bromoform) 75-25-2 75

1 De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

2 Op het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

3 De norm voor barium wordt op termijn herzien. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Als sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds

4 Deze stoffen maken onderdeel uit van een somparameter. Op de samenstelling van de somparameters zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

5 De interventiewaarde voor deze stoffen is gelijk aan of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

6 Op het berekenen van de som TEQ voor dioxine zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

7 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Serpentijn asbest bestaat uit chrysotiel. Amfibool asbest bestaat uit amosiet, crocidoliet, tremoliet, actinoliet en anthofylliet. Op het vaststellen van het gewogen gehalte asbest van partijen grond onder, gelijk aan en boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is NEN 5707 van toepassing bij gebruik van ten hoogste 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal en NEN 5897 bij gebruik van meer dan 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal.

8 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Als er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie), wordt behalve het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.

Bijlage III. bij de artikelen 4.192, 4.207, 4.226, 4.236, 4.277, 4.654 en 5.28van dit besluit (stofklassen)

Stoffen kunnen zijn ingedeeld in de stofklassen ERS, MVP 1, MVP 2, gA, gO, totaal stof (S), sO en sA. De stofklasse van een individuele stof kan afwijken van die voor een stofgroep. In dat geval geldt de stofklasse met de strengste emissiegrenswaarde voor de individuele stof.

CAS-nummer Naam Stofklasse
100-18-5 p-diisopropylbenzeen gO.2
100-21-0 benzeen-1,4-dicarbonzuur; tereftaalzuur S
10025-78-2 trichloorsiliciumhydride gA.3
10026-04-7 siliciumtetrachloride gA.3
10034-85-2 waterstofjodide gA.2
100-41-4 ethylbenzeen gO.2
100-42-5 styreen; vinylbenzeen gO.2
10043-35-3 boorzuur MVP 1
100-44-7 benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen MVP 2
10049-04-4 chloordioxide gA.1
100-51-6 benzylalcohol gO.2
100-52-7 benzaldehyde gO.1
100-63-0 fenylhydrazine MVP 1
100-66-3 anisool; methoxybenzeen gO.2
100784-20-1 halosulfuronmethyl MVP 1
10102-49-5 ijzer(III)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10102-50-8 ijzer(II)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10103-50-1 magnesiumarsenaat (berekend als As) MVP 1
101-14-4 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline; 4,4’-methyleenbis(2-chlooraniline); zouten van 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline MVP 1
101-21-3 isopropyl-3-chloorfenylcarbamaat; chloorprofam; isopropyl-3-chloorcarbanilaat gO.1
10124-43-3 kobaltsulfaat MVP 1
10124-50-2 kaliumarseniet (berekend als As) MVP 1
10141-05-6 kobalt(II)dinitraat MVP 1
101-61-1 N,N,N’,N’-tetramethyl-4,4’-methyleendianiline; Michler’s base MVP 1
101-68-8 difenylmethaan-4,4-diisocyanaat; MDI S
101-77-9 4,4’-methyleendianiline; 4,4’-diaminodifenylmethaan MVP 1
101-80-4 4,4’-oxydianiline; zouten van 4,4’-oxydianiline; p-aminofenylether; zouten van p-aminofenylether MVP 1
101-84-8 difenylether S
10190-55-3 loodmolybdaat, MVP 1
10215-33-5 3-butoxy-1-propanol gO.2
10222-01-2 dibroomnitrilopropiamide MVP 1
1024-57-3 heptachloorepoxide MVP 1
102561-46-6 benzyltributyl-ammonium 4-hydroxy-naftaleen-1-sulfonaat S
102-71-6 tri-ethanolamine gO.2
10290-12-7 koperarseniet (berekend als As) MVP 1
10294-34-5 boriumtrichloride gA.2
103112-35-2 ethyl-1-(2,4-dichloorfenyl)-5-(trichloormethyl)-1H-1,2,4-triazool-3-carboxylaat MVP 1
103-11-7 2-ethylhexylacrylaat gO.1
103122-66-3 O-isobutyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
10332-33-9 perboorzuur (HBO(O2)) natrium zout monohydraat MVP 1
103-33-3 azobenzeen MVP 1
103361-09-7 flumioxazine; N-(7-fluor-3,4-dihydro-3-oxo-4-prop-2-ynyl-2H-1,4-benzoxazin-6-yl)cyclohex-1-een-1,2-dicarboxamide MVP 1
103-65-1 isocumol; n-propylbenzeen gO.2
104-40-5 p-nonylfenol; 4-(para)-nonylfenol MVP 1
104653-34-1 difethialon MVP 1
10486-00-7 perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat MVP 1
105024-66-6 (4-ethoxyfenyl)(3-(3-fenoxy-4-fluorfenyl)propyl)dimethylsilaan MVP 1
105-58-8 diethylcarbonaat gO.2
105-60-2 caprolactam gO.1
105-67-9 2,4-dimethylfenol; 2,4-xylenol gO.2
10605-21-7 carbendazim; methylbenzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
106-46-7 1,4-dichloorbenzeen gO.2
106-47-8 4-chlooraniline MVP 1
106-65-0 dimethylsuccinaat gO.1
106-89-8 epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; chloormethyloxiraan MVP 2
106-91-2 2,3-epoxypropylmethacrylaat MVP 2
106-93-4 1,2-dibroomethaan MVP 2
106-94-5 1-broompropaan MVP 2
106-97-8 butaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
106-99-0 1,3-butadieen MVP 2
107-02-8 2-propenal; acroleïne gO.1
107-06-2 1,2-dichloorethaan; ethyleenchloride MVP 2
107-10-8 n-propylamine gO.1
107-13-1 acrylonitril; 2-propeennitril; propeennitril MVP 2
107-15-3 1,2-diaminoethaan MVP 2
107-20-0 2-chloorethanal; chlooraceetaldehyde gO.1
107-21-1 1,2-ethaandiol; ethyleenglycol; glycol gO.2
107-22-2 ethaandial; glyoxaal gO.1
1072-63-5 1-vinylimidazool MVP 2
107-30-2 chloordimethylether; chloormethyl-methylether MVP 2
107-31-3 methylformiaat gO.2
107-46-0 hexylmethyldisiloxaan gO.2
107-87-9 2-pentanon; methylpropylketon gO.2
107-98-2 1-methoxy-2-propanol gO.2
108-01-0 dimethylaminoethanol gO.2
108-05-4 azijnzuurvinylester; vinylacetaat gO.2
108-10-1 4-methyl-2-pentanon; isobutylmethylketon; methylisobutylketon; MIBK gO.2
108-20-3 2-isopropoxypropaan; diisopropylether gO.2
108-21-4 i-propylacetaat; isopropylacetaat gO.2
108225-03-2 (6-(4-hydroxy-3-(2-methoxyfenylazo)-2-sulfonato-7-naftylamino)-1,3,5-triazin-2,4-diyl)bis[(amino-1-methylethyl)ammonium]-formaat MVP 1
108-24-7 azijnzuuranhydride gO.1
108-31-6 maleïnezuuranhydride; MAA S
108-46-3 1,3-dihydroxybenzeen; resorcinol gO.2
108-65-6 1-methoxy-2-propylacetaat; 2-methoxy-1-methylethylacetaat gO.2
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen MVP 1
108-83-8 diisobutylketon gO.2
108-87-2 methylcyclohexaan gO.2
108-88-3 tolueen; methylbenzeen gO.2
108-90-7 chloorbenzeen gO.2
108-93-0 cyclohexanol gO.2
108-94-1 cyclohexanon gO.2
108-95-2 fenol gO.1
109-60-4 n-propylacetaat gO.2
109-65-9 1-broombutaan gO.2
109-66-0 pentaan gO.2
109-70-6 1-broom-3-chloorpropaan gO.2
109-86-4 2-methoxyethanol; methyleenglycolmonomethylether; ethyleenglycolmonomethylether; methylglycol MVP 2
109-89-7 diethylamine gO.1
109-94-4 ethylformiaat gO.2
109-99-9 tetrahydrofuraan gO.2
110-00-9 furaan MVP 2
110-12-3 5-methyl-2-hexanon; methylisoamylketon gO.2
110-19-0 iso-butylacetaat gO.2
110-49-6 2-methoxyethylacetaat MVP 2
110-71-4 1,2-dimethoxyethaan; ethyleenglycoldimethylether MVP 2
110-80-5 2-ethoxyethanol; ethyleenglycolmonoethylether MVP 2
110-82-7 cyclohexaan gO.2
110-85-0 piperazine gO.1
110-86-1 pyridine gO.1
110-88-3 1,3,5-trioxaan gO.2
11113-50-1 natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtsprocenten berekend op de droge stof MVP 1
111-15-9 2-ethoxyethylacetaat; ethylglycolacetaat MVP 2
111-35-3 3-ethoxy-1-propanol gO.2
11138-47-9 perboorzuur natriumzout MVP 1
111-41-1 2-(2-aminoethylamino)ethanol; AEEA MVP 1
111-42-2 2,2’-iminodiethanol; diethanolamine gO.2
1116-54-7 2,2’-(nitrosoimino)bisethanol MVP 1
111-76-2 2-butoxyethanol; butylglycol gO.2
111-77-3 2-(2-methoxyethoxy)ethanol; DEGME gO.2
111-90-0 diethyleenglycolmonoethylether; ethyldiglycol gO.2
1119-40-0 dimethylglutaraat gO.1
111-96-6 bis(2-methoxyethyl)ether MVP 2
111988-49-9 thiacloprid MVP 1
1120-71-4 1,3-propaansulton MVP 2
112-07-2 1-butoxy-2-ethylacetaat; butylglycolacetaat gO.2
112-24-3 triethyleentetramine gO.2
112-34-5 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethanol; butyldiglycol; diethyleenglycolbutylether gO.2
112-49-2 1,2-bis(2-methoxyethoxy)ethaan; TEGDME; triethyleenglycoldimethylether; triglyme MVP 1
112-70-9 tridecanol (isomeren mengsel); tridecylalkohol gO.2
115-10-6 dimethylether gO.2
115-11-7 2-methylpropeen; isobuteen; isobutyleen gO.2
115-29-7 endosulfan MVP 1
115-32-2 dicofol MVP 1
115-86-6 trifenylfosfaat gO.1
115-96-8 tris(2-chloorethyl)fosfaat MVP 1
116-14-3 tetrafluoretheen; tetrafluorethyleen MVP 1
116-15-4 hexafluorpropeen gO.1
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP MVP 1
117-82-8 bis(2-methoxyethyl)ftalaat MVP 1
117955-40-5 2-methoxypropylacetaat MVP 2
118658-99-4 (methyleenbis(4,1-fenyleenazo(1-(3-(dimethylamino)propyl)-1,2-dihydro-6-hydroxy-4-methyl-2-oxopyridine-5,3-diyl)))-1,1’-dipyridiniumdichloridedihydrochloride MVP 1
118-74-1 hexachloorbenzeen MVP 1
118-79-6 2,4,6-tribroomfenol gO.1
119313-12-1 2-benzyl-2-dimethylamino-4′-morfolinobutyrofenon MVP 1
1194-65-6 dichlobenil S
119-64-2 1,2,3,4-tetrahydronaftaleen; tetraline gO.2
119738-06-6 (±) tetrahydrofurfuryl-(R)-2-[4-(6-chloorchinoxalin-2-yloxy)-fenyloxy]propanoaat MVP 1
119-90-4 3,3’-dimethoxybenzidine; o-dianisidine; zouten van 3,3’-dimethoxybenzidine; zouten van o-dianisidine MVP 1
119-93-7 3,3’-dimethylbenzidine; 4,4’-bi-o-toluidine; zouten van 3,3’-dimethylbenzidine; zouten van 4,4’-bi-o-toluidine MVP 1
12002-03-8 koperacetoarseniet (berekend als As) MVP 1
12007-00-0 nikkelboride (NiB) MVP 1
12007-01-1 dinikkelboride MVP 1
12007-02-2 trinikkelboride MVP 1
12008-41-2 dinatriumoctaboraat watervrij MVP 1
120-12-7 antraceen MVP 1
12036-01-0 zirkoonoxide S
12040-72-1 perboorzuur natriumzout monohydraat MVP 1
12068-61-0 nikkeldiarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
120-71-8 6-methoxy-m-toluidine; p-cresidine MVP 1
120-80-9 catechol MVP 1
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen MVP 2
120-92-3 cyclopentanon gO.1
121-14-2 2,4-dinitrotolueen MVP 1
121158-58-5 fenol, dodecyl-, vertakt MVP 1
121-44-8 triethylamine gO.1
121-69-7 N,N-dimethylaniline gO.1
12179-04-3 boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraatpentahydraat MVP 1
122-60-1 1,2-epoxy-3-fenoxypropaan; fenylglycidylether MVP 1
122-66-7 hydrazobenzeen; 1,2-difenylhydrazine MVP 1
12267-73-1 tetraboordinatriumheptaoxide hydraat MVP 1
12280-03-4 dinatriumoctaboraat tetrahydraat MVP 1
122-99-6 fenoxyethanol gO.2
123-03-5 cetylpyridiniumchloride gO.1
123312-54-9 distearyldimethylammonium-bisulfaat gO.1
123-38-6 propanal; propionaldehyde gO.2
123-39-7 N-methylformamide MVP 2
123-42-2 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon; diacetonalcohol gO.2
123-72-8 butanal; n-butylaldehyde; n-butyraldehyd gO.2
123-73-9 (2E)-2-butenal MVP 1
123-77-3 azodicarbonamide; 1,1-Azobisformamide; C,C’-azodi(formamide) MVP 1
123-86-4 azijnzuurbutylester; n-butylacetaat gO.2
123-91-1 1,4-dioxan gO.1
123-92-2 iso-amylacetaat gO.2
123-95-5 butylstearaat gO.2
124-17-4 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethylacetaat gO.2
124-40-3 dimethylamine gO.1
124495-18-7 quinoxyfen; 5,7-dichloor-4-(p-fluorfenoxy)quinoline MVP 1
124-65-2 natriumkakodylaat MVP 1
124-68-5 isobutanol-2-amine gO.2
12510-42-8 erioniet MVP 1
12619-90-8 nikkelboride MVP 1
126-99-8 chloropreen; 2-chloor-1,3-butadieen; 2-chloropreen MVP 2
127-18-4 perchloorethyleen; tetrachlooretheen; PER gO.2
127-19-5 N,N-dimethylaceetamide MVP 2
12737-30-3 kobaltnikkeloxide MVP 1
1300-71-6 xylenolen gO.1
1303-00-0 galliumarsenide (berekend als As) MVP 1
1303-28-2 arseenpentoxide; diarseenpentaoxide (berekend als As) MVP 1
1303-86-2 booroxide; diboortrioxide MVP 1
1303-96-4 boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat MVP 1
1304-56-9 berylliumoxide MVP 1
1305-78-8 calciumoxide sA.3
1306-23-6 cadmiumsulfide (berekend als Cd) MVP 1
1310-58-3 kaliumhydroxide sA.3
1310-73-2 natriumhydroxide sA.3
131-18-0 di-n-pentylftalaat; n-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
1313-99-1 nikkeloxide; nikkelmonoxide MVP 1
1314-36-9 yttriumoxide sA.3
1314-62-1 vanadiumpentoxide sA.1
13149-00-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (cis-isomeer); cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
1317-61-9 ijzeroxide (Fe3O4) S
1319-77-3 cresolen gO.1
1321-64-8 pentachloornaftaleen ERS
1321-65-9 trichloornaftaleen ERS
132-32-1 3-amino-9-ethylcarbazool; 9-ethylcarbazool-3-ylamine MVP 1
13252-13-6 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur MVP 2
1327-53-3 arseentrioxide (berekend als As) MVP 1
1330-43-4 boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat MVP 1
1331-22-2 methylcyclohexanon gO.2
1332-21-4 asbest sA.1
1333-86-4 carbon black S
133-49-3 pentachloorbenzeenthiol MVP 1
1335-32-6 loodacetaat, basisch MVP 1
1335-87-1 hexachloornaftaleen ERS
1335-88-2 tetrachloornaftaleen ERS
13360-57-1 dimethylsulfamoylchloride MVP 2
1336-36-3 polychloorbifenylen; PCB’s ERS
1338-23-4 methylethylketonperoxide gO.1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
13463-39-3 nikkeltetracarbonyl; tetracarbonylnikkel MVP 2
13463-40-6 ijzerpentacarbonyl sA.1
13463-67-7 titaandioxide S
13477-70-8 nikkel(II)arsenaat; trinikkelbis(arsenaat) (berekend als Ni + As) MVP 1
13517-20-9 perboorzuur (H3BO2(O2)) mononatriumzout trihydraat MVP 1
13560-89-9 Dechloraan Plus MVP 1
137-17-7 2,4,5-trimethylaniline MVP 1
13746-66-2 kaliumferricyanide sA.3
13814-96-5 loodbis(tetrafluorboraat); loodfluorboraat MVP 1
138-22-7 butyllactaat gO.2
13840-56-7 orthoboorzuur natriumzout MVP 1
138-86-3 limoneen gO.2
139-65-1 4,4’-thiodianiline; zouten van 4,4’-thiodianiline MVP 1
140-01-2 pentanatrium diethyleen-triaminepenta-azijnzuur MVP 1
140-66-9 1,1,3,3-tetramethyl-4-butylfenol; 4-tert-octylfenol; para-tert-octylfenol MVP 1
140-88-5 acrylzuurethylester; ethylacrylaat; ethylpropenoaat gO.1
141-32-2 butylacrylaat gO.1
141-43-5 ethanolamine gO.2
14166-21-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (trans-isomeer); trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
141-78-6 azijnzuurester; azijnzuurethylester; ethylacetaat gO.2
1420-07-1 dinoterb; 2-tert-butyl-4,6-dinitrofenol; zouten en esters van dinoterb MVP 1
142844-00-6 aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1
142-96-1 dibutylether gO.2
143-18-0 kaliumoleaat gO.2
143-50-0 chloordecon MVP 1
143860-04-2 3-ethyl-2-methyl-2-(3-methylbutyl)-1,3-oxazolidine MVP 1
14464-46-1 cristoballiet sA.1
1464-53-5 2,2’-bioxiraan; 1,2:3,4-diepoxybutaan MVP 2
14708-14-6 nikkelbis(tetrafluorboraat) MVP 1
14808-60-7 silica (kwarts) als respirabel stof, met uitzondering van silicavezels; zand en andere siliciumverbindingen, met uitzondering van kristallijne of vezelvormige verbindingen sA.2
148-24-3 8-hydroxychinoline MVP 1
148477-71-8 spirodiclofen MVP 1
14977-61-8 chromylchloride MVP 1
15087-24-8 3-benzylideenkamfer MVP 1
15120-17-9 natriumarseniet (berekend als As) MVP 1
15120-21-5 natriumperboraat MVP 1
151-56-4 aziridine; ethyleenimine MVP 2
151798-26-4 2-[2-hydroxy-3-(2-chlorfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]-7-[2-hydroxy-3-(3-methylfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]fluoreen-9-on MVP 1
15195-06-9 strontiumarseniet (berekend als As) MVP 1
15468-32-3 tridymiet sA.1
15606-95-8 triethylarsenaat (berekend als As) MVP 1
1569-01-3 n-propoxypropanol-2 gO.2
1569-02-4 1-ethoxy-2-propanol gO.2
1582-09-8 trifluraline MVP 1
1589-47-5 2-methoxypropanol MVP 2
16071-86-6 dinatrium-5-[(4’-((2,6-dihydroxy-3-((2-hydroxy-5-sulfofenyl)azo)fenyl)azo)(1,1’-bifenyl)-4-yl)azo]salicylato(4-)cupraat(2-) MVP 1
16118-49-3 carbetamide MVP 1
1634-04-4 methyl-tertiair-butylether; MTBE gO.2
164058-22-4 trinatrium-[4’-(8-acetylamino-3,6-disulfonato-2-nafthylazo)-4’’-(6-benzoylamino-3-sulfonato-2-nafthylazo)-bifenyl-1,3’,3’’,1’’’-tetraolato-O,O’,O’’,O’’’]koper(II) MVP 1
16812-54-7 nikkelsulfide; nikkel(II)sulfide MVP 1
1763-23-1 heptadecafluoroctaan-1-sulfonzuur; perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) MVP 1
17804-35-2 benomyl; methyl-1-(butylcarbamoyl)benzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
1825-21-4 pentachlooranisol MVP 1
183196-57-8 kalium-1-methyl-3-morfolinocarbonyl-4-[3-(1-methyl-3-morfolinocarbonyl-5-oxo-2-pyrazoline-4-ylideen)-1-propenyl]pyrazool-5-olaat [met 0,5% of meer N,N-dimethylformamide (EG-nr. 200-679-5)] MVP 2
1836-75-5 nitrofeen; 2,4-dichloorfenyl-4-nitrofenylether MVP 1
18540-29-9 chroom(VI) MVP 1
189-55-9 dibenzo[a,i]pyreen (PAK) MVP 1
189-64-0 dibenzo[a,h]pyreen (PAK) MVP 1
1897-52-5 2,6-difluorbenzonitril; diflubenil S
19089-47-5 2-ethoxy-1-propanol gO.2
191-24-2 benzo[g,h,i]peryleen (PAK) MVP 1
191-30-0 dibenzo[a,l]pyreen (PAK) MVP 1
192-65-4 dibenzo[a,e]pyreen (PAK) MVP 1
19287-45-7 diboraan (B2H6) gA.1
192-97-2 benzo[e]pyreen (PAK) MVP 1
193-39-5 indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK) MVP 1
1937-37-7 dinatrium-4-amino-3-[[4’-[(2,4-diaminofenyl)azo][1,1’-bifenyl]-4-yl]azo]-6-(fenylazo)-5-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat MVP 1
19438-60-9 methylcyclohexyl-1,6-dicarboxylzuur-anhydride MVP 1
194-59-2 7H-dibenzo[c,g]carbazol (PAK) MVP 1
199327-61-2 7-methoxy-6-(3-morfoline-4-ylpropoxy)-3H-chinazoline-4-on [met 0,5% of meer formamide (EG-nr. 200-842-0)] MVP 1
2040-90-6 2-chloor-6-fluorfenol MVP 1
205-82-3 benzo[j]fluorantheen (PAK) MVP 1
2058-94-8 perfluorundecanoaat MVP 1
205-99-2 benzo[b]fluorantheen (PAK); benzo[e]acefenantryleen (PAK) MVP 1
2062-98-8 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propionyl fluoride MVP 2
206-44-0 fluorantheen (PAK) MVP 1
207-08-9 benzo[k]fluorantheen MVP 1
207122-15-4 hexabroomdifenylether; BDE-154 ERS
207122-16-5 heptabroomdifenylether; BDE -183 ERS
208-96-8 acenaftyleen MVP 1
2104-64-5 ethyl-p-nitrofenylthio-benzeenfosfenaat; EPN MVP 1
21049-39-8 natriumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
210555-94-5 fenol, 4-dodecyl-, vertakt MVP 1
21136-70-9 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
214353-17-0 1-(2-amino-5-chloorfenyl)-2,2,2-trifluor-1,1-ethaandiol hydrochloride [met 0,1% of meer 4-chlooraniline (EG-nr. 203-401-0)] MVP 1
21436-97-5 2,4,5-trimethylanilinehydrochloride MVP 1
218-01-9 chryseen (PAK) MVP 1
2227-13-6 tetrasul MVP 1
2234-13-1 octachloornaftaleen ERS
22398-80-7 indium fosfide MVP 1
224-42-0 dibenz[a,j]acridine (PAK) MVP 1
226-36-8 dibenz[a,h]acridine (PAK) MVP 1
23593-75-1 clotrimazol; 1-(2-chloorfenyl)difenylmethyl-1-h-imidazol MVP 1
2385-85-5 mirex MVP 1
2425-06-1 captafol MVP 1
24280-93-1 mycofenolinezuur MVP 1
2440-02-0 heptachloornorborneen MVP 1
2451-62-9 1,3,5-tris(oxiranylmethyl)-1,3,5-triazine-2,4,6(1H3H5H)-trion; TGIC MVP 1
24602-86-6 tridemorf; 2,6-dimethyl-4-tridecylmorfoline MVP 1
2475-45-8 1,4,5,8-tetraaminoantrachinon MVP 1
24937-79-9 polyvinylideenfluoride S
25038-54-4 6-aminohexaanzuur, dimeer gO.2
25086-15-1 polymethylmethacrylaat S
25154-52-3 nonylfenolen en verwante verbindingen; NPs MVP 1
25155-23-1 trixylyl fosfaat; TXP MVP 1
25167-70-8 2,4,4-trimethyl-1-penteen; diisobuteen gO.2
25214-70-4 oligomere reactieproducten van formaldehyde met aniline (technisch MDA) MVP 1
25321-09-9 diisopropylbenze(e)n(en) gO.2
25321-14-6 dinitrotolueen MVP 1
25339-17-7 isodecanol gO.2
25340-17-4 diethylbenzeen, isomeren:1,2-;1,3-;1,4 gO.2
2551-62-4 zwavelhexafluoride gA.3
25550-51-0 methylhexahydroftaalzuur anhydride (MHHPA) MVP 1
2580-56-5 [4-[[4-anilino-1-naftyl][4-(dimethylamino)fenyl]methyleen]cyclohexa-2,5-dien-1-ylidene] dimethylammonium chloride (C.I. Basic Blue 26) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
25973-55-1 2-(2H-benzotriazol-2-yl)-4,6-ditertpentylfenol MVP 1
2602-46-2 tetranatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis[5-amino-4-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat] MVP 1
26140-60-3 terfenyl MVP 1
26761-40-0 di-isodecylftalaat; DIDP; diisodecylftalaat S
2687-91-4 N-ethyl-2-pyrrolidon; 1-ethylpyrrolidin-2-one MVP 2
27016-75-7 nikkelarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
27140-08-5 fenylhydrazinehydrochloride MVP 1
27366-72-9 N,N-(dimethylamino)thioaceetamide hydrochloride MVP 2
27458-92-0 isotrideca-1-ol gO.1
2795-39-3 kaliumheptadecafluoroctaan-1-sulfonaat; kaliumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
28553-12-0 diisononylftalaat; DINP S
28680-45-7 heptachloornorborneen MVP 1
28772-56-7 bromadiolon MVP 1
288-32-4 imidazool MVP 1
29081-56-9 ammoniumheptadecafluoroctaansulfonaat; ammoniumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
2915-52-8 didodecylmaleaat; dilauryl maleate gO.2
29457-72-5 lithiumheptadecafluoroctaansulfonaat; lithiumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
294-62-2 cyclododecaan MVP 1
301-04-2 looddiacetaat MVP 1
302-01-2 hydrazine MVP 2
3033-77-0 2,3-epoxypropyltrimethylammoniumchloride; glycidyltrimethylammoniumchloride MVP 1
307-55-1 perfluordodecanoaat MVP 1
309-00-2 aldrin MVP 1
3108-42-7 ammonium perfluordecaanzuur MVP 1
3165-93-3 4-chloor-o-toluidinehydrochloride MVP 1
319-84-6 alfa-HCH MVP 1
319-85-7 beta-HCH MVP 1
32241-08-0 heptachloornaftaleen ERS
32534-81-9 pentabroomdifenyl ether ERS
32536-52-0 octabroomdifenylether; OctaBDE; commercieel octabroomdifenylether ERS
330-54-1 diuron MVP 1
330-55-2 linuron; 3-(3,4-dichloorfenyl)-1-methoxy-1-methylureum MVP 1
33213-65-9 beta-endosulfan MVP 1
334-88-3 diazomethaan MVP 2
335-57-9 hexadecafluorheptaan ERS
335-67-1 perfluoroctaanzuur; decapentafluoroctaanzuur; PFOA MVP 2
335-76-2 perfluordecaanzuur MVP 1
3424-82-6 o,p-DDE isomeer MVP 1
34590-94-8 dipropyleenglycolmonomethylether gO.2
35367-38-5 diflubenzuron S
355-46-4 perfluorhexaan-1-sulfonzuur MVP 2
36065-30-2 1,3,5-tribroom-2-(2,3-dibroom-2-methylpropoxy)benzeen; 2,4,6-tribroomfenyl 2-methyl-2,3-dibroompropylether MVP 1
36341-27-2 benzidine acetaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine acetaat MVP 1
36355-01-8 hexabroombifenyl ERS
36437-37-3 2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol MVP 1
36643-28-4 tributyltin-kation en tributyltin verbindingen MVP 1
3687-31-8 trilooddiarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
3691-35-8 chloorfacinon MVP 1
37240-96-3 loodrhodiumoxide MVP 1
3724-43-4 chloor-N,N-dimethylformiminiumchloride MVP 1
37244-98-7 perboorzuur natriumzout tetrahydraat MVP 1
375-73-5 perfluorbutaansulfonzuur; PFBS MVP 1
375-95-1 perfluornonaanzuur MVP 2
376-06-7 perfluortetradecanoaat MVP 1
37894-46-5 etacelasil; 6-(2-chloorethyl)-6-(2-methoxyethoxy)-2,5,7,10-tetraoxa-6-silaundecaan MVP 1
382-21-8 perfluorisobuteen MVP 2
3825-26-1 ammonium pentadecafluoroctanoaat; APFO MVP 1
3830-45-3 natrium perfluordecaanzuur MVP 1
3843-16-1 distearyldimethylammonium-methosulfaat gO.1
3846-71-7 2-benzotriazol-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol MVP 1
3864-99-1 2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol MVP 1
39156-41-7 2,4-diaminoanisoolsulfaat MVP 1
39300-45-3 dinocap; (RS)-2,6-dinitro-4-octylfenylcrotonaten en (RS)-2,4-dinitro-6-octylfenylcrotonaten waarbij octyleen een mengsel is van 1-methylheptyl-, 1-ethylhexyl- en 1-propylpentylgroepen MVP 1
39807-15-3 oxadiargyl S
399-95-1 4-amino-3-fluorfenol MVP 1
40722-80-3 (2-chloorethyl)(3-hydroxypropyl)ammoniumchloride MVP 1
41083-11-8 azocyclotin MVP 1
4149-60-4 ammoniumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
4170-30-3 2-butenal MVP 1
446255-22-7 heptabroomdifenylether; BDE-175 ERS
463-58-1 carbonylsulfide gO.1
465-73-6 isodrin MVP 1
470-90-6 chloorfenvinfos MVP 1
48122-14-1 hexahydro-1-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
485-31-4 binapacryl; 2-sec-butyl-4,6-dinitrofenyl-3-methylcrotonaat MVP 1
488-23-3 1,2,3,4-tetramethylbenzeen gO.2
4904-61-4 1,5,9-cyclododecatrieen MVP 1
49690-63-3 tri-2,4-dibroomfenylfosfaat; tris(2,4-dibroomfenyl)fosfaat S
50-00-0 formaldehyde MVP 2
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT MVP 1
50-32-8 benzo[a]pyreen (PAK) MVP 1
50471-44-8 vinchlozolin; N-3,5-dichloorfenyl-5-methyl-5-vinyl-1,3-oxazolidine-2,4-dion MVP 1
506-77-4 chloorcyaan gA.1
51000-52-3 ethenyl ester van neodecaanzuur MVP 2
512-04-9 3beta,25R-spirost-5-en-3-ol MVP 1
5131-66-8 1-butoxy-2-propanol gO.2
513-42-8 2-methylallylalcohol gO.1
513-79-1 kobaltcarbonaat MVP 1
5146-66-7 3,7-dimethylocta-2,6-dieennitril MVP 1
51594-55-9 (R)-1-chloor-2,3-epoxypropaan MVP 2
51-79-6 urethaan; ethylcarbamaat MVP 2
52033-74-6 fenylhydrazinesulfaat (2:1) MVP 1
52125-53-8 1,2-propaandiolmonoethylether gO.2
5216-25-1 p-chloorbenzotrichloride; α,α,α,4-tetrachloortolueen MVP 1
527-53-7 1,2,3,5-tetramethylbenzeen gO.2
531-85-1 benzidine dihydrochloride; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine hydrochloride MVP 1
531-86-2 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
5343-92-0 1,2-pentaandiol gO.2
53-70-3 dibenz[a,h]antraceen (PAK); dibenzo(a,h)-antraceen (PAK) MVP 1
540-59-0 1,2-dichlooretheen gO.2
540-73-8 1,2-dimethylhydrazine MVP 2
540-97-6 dodecamethylcyclohexasiloxaan MVP 1
541-02-6 decamethylcyclopentasiloxaan; D5 MVP 2
541-05-9 hexamethylcyclotrisiloxaan; D3 gO.2
542-56-3 isobutylnitriet MVP 2
542-88-1 bis(chloormethyl)ether; oxybis(chloormethaan) MVP 2
5436-43-1 tetrabroomdifenylether; BDE-47 ERS
548-62-9 C.I. Basic Violet 3 [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5)] MVP 1
55219-65-3 triadimenol MVP 1
552-30-7 benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride MVP 1
553-00-4 2-naftylamine acetaat; 2-naftaleenamine acetaat MVP 1
5543-57-7 (S)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
5543-58-8 (R)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat MVP 1
556-52-5 glycidol; 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
556-67-2 octamethyltetra-siloxaan; D4 MVP 2
557-05-1 zinkstearaat S
5571-36-8 cyclisch 3-(1,2-ethaandiylacetaal)oestra-5(10),9(11)-dieen-3,17-dion MVP 1
56073-07-5 difenacum MVP 1
56073-10-0 brodifacoum MVP 1
561-41-1 4,4’-bis(dimethylamino)-4’’-(methylamino)trityl alcohol [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG No. 202-959-2)] MVP 1
5625-90-1 N,N′-methyleendimorfoline MVP 1
56-35-9 tributyltinoxide MVP 1
563-80-4 3-methyl-2-butanon; methylisopropylketon gO.2
56-55-3 benz[a]antraceen (PAK); benzo[a]antraceen (PAK) MVP 1
56-81-5 glycerol S
569-61-9 4,4’-(4-iminocyclohexa-2,5-dienylideenmethyleen)dianilinehydrochloride MVP 1
57044-25-4 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
57110-29-9 hexahydro-3-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
57-14-7 N,N-dimethylhydrazine MVP 2
57171-56-9 geethoxyleerd sorbitolhexaoleaat gO.2
573-58-0 dinatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis(4-aminonaftaleen-1-sulfonaat) MVP 1
57-55-6 1,2-propaandiol; propyleenglycol gO.2
57-57-8 1,3-propiolacton; 3-propanolide MVP 2
57-74-9 chloordaan MVP 1
578-94-9 difenylaminochloorarsine MVP 1
581-89-5 2-nitronaftaleen MVP 1
5836-29-3 cumatetralyl MVP 1
584-84-9 1-methyl-2,4-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,4-diisocyanaat; TDI S
58591-45-0 kobaltnikkeldioxide MVP 1
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; lindaan MVP 1
592-62-1 methyl-ONN-azoxymethylacetaat; methylazoxymethylacetaat MVP 1
593-60-2 vinylbromide MVP 2
59447-55-1 (pentabroomfenyl)methylacrylaat; (pentabroomfenyl) methylester van 2-propeenzuur MVP 1
59653-74-6 1,3,5-tris-[(2S en 2R)-2,3-epoxypropyl]-1,3,5-triazine-2,4,6-(1H3H5H)-trion MVP 1
598-14-1 ethyldichloorarsine MVP 1
59-88-1 fenylhydrazinechloride MVP 1
60-09-3 4-aminoazobenzeen MVP 1
602-01-7 2,3-dinitrotolueen MVP 1
60207-90-1 propiconazool MVP 1
602-87-9 5-nitroacenafteen MVP 1
60-29-7 diethylether; ether gO.2
60-32-2 6-aminohexaanzuur, monomeer gO.2
603-35-0 trifenylfosfine MVP 1
60-34-4 methylhydrazine MVP 2
60348-60-9 pentabroomdifenylether; BDE-99 ERS
605-50-5 di-isopentylftalaat MVP 1
60-57-1 dieldrin MVP 1
606-20-2 2,6-dinitrotolueen MVP 1
608-33-3 2,6-dibroomfenol S
608-73-1 hexachloorcyclohexaan MVP 1
608-93-5 pentachloorbenzeen MVP 1
610-39-9 3,4-dinitrotolueen MVP 1
612-52-2 2-naftylamine hydrochloride; 2-naftaleenamine hydrochloride MVP 1
612-82-8 4,4’-bi-o-toluidine dihydrochloride; 3,3’-dimethylbenzidine dihydrochloride; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine dihydrochloride MVP 1
613-35-4 N,N’-diacetylbenzidine MVP 1
615-05-4 2,4-diaminoanisool; 4-methoxy-m-fenyleendiamine MVP 1
615-58-7 2,4-dibroomfenol gO.1
61571-06-0 tetrahydrothiopyraan-3-carboxaldehyde MVP 2
61788-32-7 gehydrogeneerd terfenyl MVP 1
61788-33-8 polychloorterfenylen MVP 1
6180-61-6 fenoxypropanol; 3-fenoxy-1-propanol gO.2
618-85-9 3,5-dinitrotolueen MVP 1
619-15-8 2,5-dinitrotolueen MVP 1
620-14-4 1-methyl-3-ethylbenzeen gO.2
62037-80-3 ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
621-64-7 nitrosodipropylamine MVP 2
62-53-3 aminobenzeen; aniline gO.1
625-45-6 methoxyazijnzuur MVP 2
62-55-5 thioaceetamide MVP 2
626-38-0 sec-amylacetaat gO.1
62-75-9 N-nitrosodimethylamine; dimethylnitrosoamine MVP 2
627-93-0 dimethyladipaat gO.1
628-63-7 n-amylacetaat gO.2
629-14-1 1,2-diethoxyethaan MVP 2
630-08-0 koolmonoxide (CO) (deze verbinding heeft geen emissiegrenswaarde) ---
63148-62-9 siliconenolie gO.2
63989-69-5 ijzer(III)arseniet (berekend als As) MVP 1
64-17-5 ethanol gO.2
64-18-6 mierenzuur gO.1
64-19-7 azijnzuur gO.2
64475-85-0 white spirit gO.2
646-13-9 isobutylstearaat gO.2
64-67-5 diethylsulfaat MVP 2
64-86-8 colchicine MVP 1
64969-36-4 4,4’-bi-o-toluidine disulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine disulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine disulfaat MVP 1
65229-23-4 nikkelboorfosfide MVP 1
65277-42-1 1-[4-[4-[[(2SR,4RS)-2-(2,4-dichloorfenyl)-2-(imidazool-1-ylmethyl)-1,3-dioxolaan-4-yl]methoxy]fenyl]piperazine-1-yl]ethanon; ketoconazool MVP 1
65321-67-7 tolueen-2,4-diammoniumsulfaat MVP 1
65996-93-2 pek koolteer, hoge temperatuur [Het residu dat wordt verkregen bij de destillatie van bij hoge temperatuur verkregen koolteer. Een zwarte vaste stof met een verwekingstraject van bij benadering 30 °C tot 180 °C. Voornamelijk samengesteld uit een complexe verzameling van aromatische koolwaterstoffen met drie- of meervoudig gecondenseerde ringen] MVP 1
65997-15-1 Portland cement S
66-81-9 cycloheximide; 4-(2R)-2-[(1S,3S,5S)-3,5-dimethyl-2-oxocyclohexyl]-2-hydroxyethylpiperidine-2,6-dion MVP 1
67118-55-2 kalium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
67-56-1 methanol gO.2
67-63-0 2-propanol; iso-propanol; isopropylalcohol gO.2
67-64-1 aceton; propanon gO.2
67-66-3 chloroform; trichloormethaan gO.1
6786-83-0 α,α-bis[4-(dimethylamino)fenyl]-4 (fenylamino)naftaleen-1-methanol (C.I. Solvent Blue 4) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
68016-03-5 kobaltdimolybdeennikkeloctaoxide MVP 1
680-31-9 hexamethylfosforamide; hexamethylfosforzuurtriamide MVP 1
6804-07-5 carbadox MVP 1
68049-83-2 azafenidin; 2-(2,4-dichloor-5-prop-2-ynyloxyfenyl)- 5,6,7,8-tetrahydro-1,2,4-triazool[4,3-a]pyridin-3(2H)- one MVP 1
6807-17-6 4,4-isobutylethylideendifenol MVP 1
68-12-2 N,N-dimethylformamide MVP 2
68186-89-0 kobaltnikkel grijze periklaas: C.I. Pigment black 25; C.I. 77332 MVP 1
68515-42-4 1,2-benzeendicarboxylzuur, di-C7-11 vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-50-4 1,2-benzeendicarbonzuur, dihexyl ester, vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-51-5 1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkyl esters MVP 1
68631-49-2 hexabroomdifenylether; BDE-153 ERS
68648-93-1 1,2-benzeendicarbonzuur, mengsel van decyl en hexyl en octyl diesters MVP 1
68694-11-1 triflumizool MVP 1
69029-86-3 tellurium sA.2
693-98-1 2-methylimidazool MVP 1
69806-50-4 fluazifop-butyl; butyl-2-[4-[[5-(trifluormethyl)- 2-pyridyl]oxy]fenoxy]propionaat MVP 1
70124-77-5 flucythrinaat MVP 1
70225-14-8 diethanolamineperfluoroctaansulfonaat MVP 1
70-25-7 1-methyl-3-nitro-1-nitrosoguanidine MVP 1
70657-70-4 2-methoxypropylacetaat MVP 2
70776-03-3 polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van naftaleen ERS
70987-78-9 (S)-oxiraanmethanol 4-methylbenzeensulfonaat MVP 1
71-23-8 n-propenol gO.2
712-48-1 difenylchloorarsine MVP 1
71-36-3 butylalcohol; n-butanol gO.2
71-43-2 benzeen MVP 2
71-48-7 kobaltacetaat MVP 1
71850-09-4 diisohexylftalaat MVP 1
71868-10-5 2-methyl-1-(4-methylthiofenyl)-2-morfolinopropaan-1-on MVP 1
71888-89-6 1,2-benzeendicarbonzuur; C7-rijk di-C6-8-vertakte alkylesters MVP 1
72-20-8 endrin MVP 1
72-43-5 methoxychloor MVP 1
72629-94-8 perfluortridecanoaat MVP 1
732-26-3 2;4;6-tri-tert-butylfenol; dodecylfenol MVP 1
7397-62-8 butylglycolaat gO.2
7439-97-6 kwik MVP 1
7429-90-5 aluminium S
7439-92-1 lood MVP 1
7439-96-5 mangaan sA.3
7439-98-7 molybdeen S
7440-02-0 nikkel MVP 1
7440-05-3 palladium sA.3
7440-06-4 platina sA.3
7440-16-6 rhodium sA.2
7440-22-4 zilver sA.2
7440-25-7 tantaal sA.3
7440-28-0 thallium sA.1
7440-31-5 tin sA.3
7440-36-0 antimoon sA.3
7440-38-2 arseen MVP 1
7440-39-3 barium sA.3
7440-41-7 beryllium MVP 1
7440-42-8 borium S
7440-43-9 cadmium MVP 1
7440-47-3 Chroom, met uitzondering van chroom(VI) sA.3
7440-48-4 kobalt MVP 1
7440-50-8 koper sA.3
7440-62-2 vanadium sA.3
7440-65-5 yttrium sA.3
7440-66-6 zink S
7440-67-7 zirkoon S
74499-35-7 fenol, (tetrapropenyl)- derivaten MVP 1
74646-29-0 trinikkelbis(arseniet) (berekend als As + Ni) MVP 1
74753-18-7 4,4’-bi-o-toluidine sulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine sulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 2
74-85-1 etheen gO.2
74-86-2 acetyleen; ethyn gO.2
74-87-3 chloormethaan; methylchloride gO.1
74-89-5 aminomethaan; methylamine gO.1
74-90-8 blauwzuurgas; cyaanwaterstof; HCN gA.2
75-00-3 chloorethaan; ethylchloride gO.2
75-01-4 vinylchloride; chlooretheen; chloorethyleen MVP 2
75-04-7 aminoethaan; ethylamine gO.1
75-05-8 acetonitril gO.2
75-07-0 ethanal MVP 2
75-09-2 dichloormethaan; methyleenchloride gO.2
75113-37-0 di-µ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan; dibutyltinhydrogeenboraat; dibutyltinwaterstofboraat MVP 1
75-12-7 formamide MVP 1
75-15-0 koolstofdisulfide; zwavelkoolstof gO.2
75-18-3 dimethylmercaptaan; thiobismethaan gO.1
75-21-8 1,2-epoxyethaan; ethyleenoxide; oxiraan; etheenoxide MVP 2
75-25-2 tribroommethaan gO.1
75-26-3 2-broompropaan MVP 2
75-27-4 broomdichloormethaan gO.1
75-28-5 isobutaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
75-29-6 2-chloorpropaan gO.2
75-34-3 1,1-dichloorethaan gO.2
75-35-4 1,1-dichlooretheen gO.1
75-38-7 1,1-difluoretheen; vinylideenfluoride gO.2
75-44-5 fosgeen gA.1
75-52-5 nitromethaan gO.2
75-55-8 2-methylaziridine MVP 2
75-56-9 propyleenoxide; methyloxiraan; 1,2-epoxypropaan; propeenoxide MVP 2
75-60-5 kakodylzuur MVP 1
75-65-0 2-methyl-2-propanol; tert-butanol gO.2
75-73-0 koolstoftetrafluoride; methaantetrafluoride; tetrafluormethaan gO.2
75-91-2 1,1-dimethylethyl-hydroperoxide; tertiairbutylhydroperoxide; TBHP gO.1
76-01-7 pentachloorethaan MVP 2
7601-90-3 perchloorzuur gA.1
76-16-4 hexafluorethaan gO.2
76-19-7 octafluorpropaan gO.2
76253-60-6 monomethyltetrachloordifenylmethaan MVP 1
7631-86-9 siliciumdioxide (amorf) S
7631-89-2 natriumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7632-04-4 natriumperoxometaboraat MVP 1
7637-07-2 boriumtrifluoride gA.2
764-41-0 1,4-dichloorbut-2-een MVP 2
76-44-8 heptachloor MVP 1
7646-79-9 kobaltchloride; kobaltdichloride MVP 1
7646-85-7 zinkchloride (rook) sA.3
7664-38-2 fosforzuur gA.2
7664-93-9 zwavelzuur gA.2
76-87-9 fentinhydroxide; trifenyltinhydroxide MVP 1
7697-37-2 salpeterzuur (nevels) gA.3
77-09-8 fenolftaleïne MVP 1
77182-82-2 glufosinaat-ammonium; ammonium-2-amino- 4-(hydroxymethylfosfinyl)butyraat MVP 1
7726-95-6 broom gA.2
77402-03-0 methylacrylamidomethoxyacetaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77402-05-2 methylacrylamidoglycolaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77-47-4 1,2,3,4,5,5-hexachloor(1,3-)cyclopentadieen MVP 1
7758-01-2 kaliumbromaat MVP 1
77-58-7 dibutyltindilauraat MVP 1
776297-69-9 N-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
77-78-1 dimethylsulfaat MVP 2
7778-39-4 arseenzuur (berekend als As) MVP 1
7778-44-1 calciumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7782-41-4 fluor gA.1
7782-42-5 grafiet S
7782-49-2 seleen sA.2
7782-50-5 chloorgas (Cl2) gA.2
7782-65-2 germaniumhydride (GeH4) gA.2
7783-06-4 waterstofsulfide; zwavelwaterstof gA.2
7783-54-2 stikstoftrifluoride gA.2
7783-61-1 siliciumtetrafluoride gA.2
7784-08-9 zilverarseniet (berekend als As + Ni) MVP 1
7784-33-0 arseenbromide (berekend als As) MVP 1
7784-34-1 arseentrichloride (berekend als As) MVP 1
7784-40-9 loodarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
7784-41-0 kaliumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7784-42-1 arseenwaterstof; arsine (berekend als As) MVP 1
7784-44-3 ammoniumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7789-75-5 calciumfluoride sA.3
7790-79-6 cadmiumfluoride (berekend als Cd) MVP 1
7803-51-2 fosforwaterstof; fosfine gA.1
7803-57-8 hydraten van hydrazine MVP 2
7803-62-5 siliciumtetrahydride gA.2
78-10-4 ethylsilicaat; tetraethylorthosilicaat gO.2
78-59-1 3,5,5-trimethyl-2-cyclohexeen-1-on; isoforon gO.2
78-79-5 isopreen MVP 2
78-83-1 isobutanol gO.2
78-87-5 1,2-dichloorpropaan MVP 2
789-02-6 2,4-DDT isomeer MVP 1
78-92-2 2-butanol; sec-butanol gO.2
78-93-3 2-butanon; ethylmethylketon; methylethylketon; MEK gO.2
79-00-5 1,1,2-trichloorethaan gO.1
79-01-6 trichlooretheen; trichloorethyleen; TRI MVP 2
79-06-1 acrylamide MVP 1
79-09-4 propaanzuur; propionzuur gO.2
79-10-7 acrylzuur; propeenzuur gO.1
79-11-8 chloorazijnzuur gO.1
79-16-3 N-methylacetamide MVP 2
79-20-9 azijnzuurmethylester; methylacetaat gO.2
79-21-0 perazijnzuur gO.1
79-24-3 nitroethaan gO.2
79-27-6 1,1,2,2- tetrabroomethaan gO.1
79-29-8 2,3-dimethylbutaan gO.2
793-24-8 N-(1,3-dimethylbutyl)-N’-fenyl-1,4-benzeendiamine; 4-(dimethylbutylamino) difenylamine MVP 1
79-34-5 1,1,2,2-tetrachloorethaan gO.1
79-44-7 dimethylcarbamoylchloride MVP 2
79-46-9 2-nitropropaan MVP 2
79-94-7 tetrabroombisfenol A MVP 1
8001-35-2 toxafeen MVP 1
80-05-7 bisfenol A MVP 2
8021-39-4 creosoot, hout MVP 1
80387-97-9 2-ethylhexyl-[[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)- 4-hydroxyfenyl]methyl]thio]acetaat MVP 1
80-46-6 p-(1,1-dimethylpropyl)fenol MVP 1
80-62-6 methacrylzuurmethylester; methyl-(2-methyl)- propenoaat; methylmethacrylaat gO.1
81-15-2 musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6- trinitro-m-xyleen MVP 1
81-81-2 warfarine MVP 1
822-06-0 1,6-hexaandiisocyanaat; hexamethyleendiisocyanaat gO.1
82413-20-5 (E)-3-[1-[4-[2-(dimethylamino)ethoxy]fenyl]- 2-fenylbut-1-enyl]fenol MVP 1
83-32-9 acenafteen MVP 1
838-88-0 4,4’-methyleendi-o-toluidine MVP 1
84-15-1 o-terfenyl MVP 1
84245-12-5 N-[6,9-dihydro-9-[[2-hydroxy-1-(hydroxymethyl)ethoxy]methyl]-6-oxo-1H-purin- 2-yl]acetamide MVP 1
84540-57-8 methoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
84-61-7 dicyclohexylftalaat MVP 1
84-65-1 antrachinon MVP 1
84-69-5 diisobutylftalaat; DIBP MVP 2
84-74-2 dibutylftalaat; DBP MVP 1
84-75-3 dihexylftalaat MVP 1
84-76-4 dinonylftalaat gO.1
84777-06-0 vertakte en lineaire dipentylesters van 1,2- benzeendicarbonzuur MVP 1
84929-62-4 ricinusolie-ethoxylaat (met 15 ethyleenoxide- eenheden) gO.2
85-01-8 fenantreen MVP 1
85136-74-9 6-hydroxy-1-(3-isopropoxypropyl)-4-methyl-2-oxo- 5-[4-(fenylazo)fenylazo]-1,2-dihydro-3-pyridinecarbonitril MVP 1
85-22-3 pentabroomethylbenzeen MVP 1
85-42-7 hexahydroftaalzuur-anhydride; cyclohexaan-1,2- dicarbonzuuranhydride MVP 1
85-44-9 ftaalzuuranhydride S
85509-19-9 flusilazool; bis(4-fluorfenyl)(methyl)(1H-1,2,4-triazol- 1-ylmethyl)silane MVP 1
85535-84-8 C10-13-chlooralkanen; kortketenige gechloreerde paraffines; SCCP’s; C10-13 alifatische chloorkoolwaterstoffen MVP 1
85-68-7 benzylbutylftalaat; BBP MVP 1
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon MVP 2
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen MVP 2
87-68-3 hexachloorbutadieen MVP 1
87-86-5 pentachloorfenol MVP 1
88-72-2 2-nitrotolueen MVP 2
88-85-7 dinoseb; 6-(1-methylpropyl)-2,4-dinitrofenol; zouten en esters van dinoseb MVP 1
90035-08-8 flocumafen MVP 1
90-04-0 o-anisidine; 2-methoxyaniline MVP 2
9016-45-9 nonylfenolethoxylaten en verwante verbindingen; NPEs MVP 1
90640-80-5 antraceenolie, Een complexe verzameling polycyclische aromatische koolwaterstoffen die wordt verkregen uit koolteer met een destillatietraject van ongeveer 300 °C tot 400 °C. Voornamelijk samengesteld uit fenantreen antraceen en carbazool. MVP 1
90640-81-6 antraceenolie, antraceenpasta; antraceenolie, fractie [De antraceenrijke vaste stof die wordt verkregen door de kristallisatie en centrifugatie van antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
90640-82-7 antraceenolie, antraceenarm; antraceenolie, fractie [De olie die resteert na de verwijdering, door middel van een kristallisatieproces, van een antraceenrijke vaste stof (antraceenpasta) uit antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit aromatische verbindingen met twee, drie of vier ringen] MVP 1
90-72-2 2,4,6-tri(dimethylaminomethyl)fenol S
90-94-8 4,4’-bis(dimethylamino)benzofenon; Michler’s keton MVP 1
91079-47-9 fenolen C9-11-; gedestilleerde fenolen MVP 1
91-08-7 1-methyl-2,6-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,6-diisocyanaat S
91-17-8 bicyclo(4,4,0)decaan; decahydronaftaleen; decaline gO.2
91-20-3 naftaleen; naftaline MVP 1
91-22-5 quinoline; chinoline MVP 1
91-23-6 2-nitroanisool MVP 1
91-59-8 2-naftylamine; 2-naftaleenamine; zouten van 2-naftylamine; zouten van 2-naftaleenamine MVP 1
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine; zouten van 3,3- dichloorbenzidine MVP 1
91-95-2 bifenyl-3,3’,4,4’-tetrayltetraamine; diaminobenzidine MVP 1
91995-15-2 antraceenolie, antraceenpasta, antraceenfractie; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 330 °C tot 350 °C. Bevat hoofdzakelijk antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
91995-17-4 antraceenolie, antraceenpasta, lichte destillatiefracties; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 290 °C tot 340 °C. Bevat hoofdzakelijk tricyclische aromaten en dihydroderivaten daarvan] MVP 1
924-42-5 N-methylolacrylamide MVP 1
92-52-4 bifenyl; difenyl S
92-67-1 4-aminobifenyl; xenylamine; zouten van 4-aminobifenyl; zouten van xenylamine MVP 1
92-87-5 benzidine; 4,4’-diaminobifenyl; zouten van benzidine; zouten van 4,4’-diaminobifenyl MVP 1
92-93-3 4-nitrobifenyl MVP 1
93-58-3 benzoëzuurmethylester; methylbenzoaat S
94-26-8 butylparabeen MVP 1
94361-06-5 cyproconazool MVP 1
94551-87-8 ontkoperd afvalslik en bezinksel van elektrolytische koperzuivering MVP 1
94-59-7 5-allyl-1,3-benzodioxoo; safrool MVP 1
94723-86-1 2-butyryl-3-hydroxy-5-thiocyclohexaan-3-ylcyclohex- 2-een-1-on MVP 1
95-06-7 sulfallaat; 2-chloorallyldiethyldithiocarbamaat MVP 1
95-50-1 1,2-dichloorbenzeen gO.1
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine; zouten van o-toluidine; zouten van 2-aminotolueen; zouten van 2-methylbenzeenamine MVP 2
95-69-2 4-chloor-o-toluidine MVP 1
95-80-7 4-methyl-m-fenyleendiamine MVP 1
95-92-1 diethyloxalaat gO.2
95-93-2 1,2,4,5-tetramethylbenzeen gO.2
959-98-8 alfa-endosulfan MVP 1
96-09-3 (epoxyethyl)benzeen; fenyloxiraan; styreenoxide MVP 2
96-12-8 dibroomchloorpropaan; 1,2-dibroom- 3-chloorpropaan MVP 2
96-13-9 2,3-dibroompropaan-1-ol MVP 2
96-18-4 1,2,3-trichloorpropaan MVP 2
96-22-0 3-pentanon gO.2
96-23-1 1,3-dichloorpropaan-2-ol MVP 2
96-29-7 2-butanonoxim MVP 2
96-33-3 acrylzuurmethylester; methylacrylaat; methylpropenoaat gO.1
96-45-7 ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion MVP 1
96-48-0 γ-butyrolacton gO.1
97-56-3 o-aminoazotolueen; 4-amino-2’,3- dimethylazobenzeen; 4-o-tolylazo-o-toluidine MVP 1
97-64-3 ethyllactaat; ethyl-α-hydroxypropionaat gO.2
97-88-1 n-butylmethacrylaat gO.2
97925-95-6 ethanol, 2,2’-iminobis-, N-(C13-15-vertakt en lineair alkyl)-derivaten MVP 1
97-99-4 tetrahydro-2-furylmethanol MVP 2
98-00-0 2-hydroxymethylfuran; furfurylalcohol gO.2
98-01-1 2-furaldehyde; furfural; furfurol gO.1
98-07-7 benzotrichloride; trichloormethylbenzeen MVP 2
98-54-4 4-tert-butylfenol MVP 1
98-55-5 α-terpineol gO.2
98-73-7 4-tert-butylbenzoëzuur MVP 1
98-82-8 cumeen; isopropylbenzeen gO.2
98-83-9 isopropenylbenzeen; α-methylstyreen gO.2
98-87-3 benzalchloride gO.1
98-95-3 nitrobenzeen MVP 2
99-62-7 m-diisopropylbenzeen gO.2
996-35-0 dimethylisopropylamine gO.1
99688-47-8 monomethyldibroomdifenylmethaan MVP 1
2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur, zijn zouten en zijn acylhaliden (omvattend elk van hun individuele isomeren en combinaties daarvan) MVP 2
4-heptylfenol, vertakt en lineair MVP 1
5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
6-aminohexaanzuur, trimeer gO.2
aardolie gO.2
alifatisch koolwaterstofmengsel gO.2
alkoholethyleen-oxide-fosfaatester (mengsel van C12/C14 mono- di- en trimeren) gO.2
alkylalcoholen gO.2
aluminiumverbindingen S
antimoonverbindingen sA.3
aromatisch koolwaterstofmengsel gO.2
arseenverbindingen (berekend als As) MVP 1
azokleurstoffen op basis van benzidine; 4,4- diarylazobifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-dianisidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethoxybifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-tolidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethylbifenylkleurstoffen MVP 1
bariumverbindingen sA.3
benzine gO.2
berylliumverbindingen MVP 1
boriumverbindingen (stofvormig) S
broomverbindingen1Gebromeerde brandvertragers zijn uitgezonderd van deze stofgroep, zie aparte vermeldingen in deze bijlage. gA.2
cadmiumverbindingen (berekend als Cd) MVP 1
calciumverbindingen, met uitzondering van calciumoxide S
chloorbenzenen, met uitzondering van 1,2-dichloorbenzeen gO.2
chloorverbindingen gA.3
chroomverbindingen, met uitzondering van chroom(VI)verbindingen sA.3
chroom(VI)verbindingen MVP1
cyaniden sA.3
dichloorfenol(en) gO.1
dichloorsiliciumdihydride gA.3
e-glas microvezels met een representatieve samenstelling MVP 1
ester van penta-erythritol en C9-C10-vetzuur gO.2
ethoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
fenol, 2-dodecyl-, vertakt MVP 1
fenol, 3-dodecyl-, vertakt MVP 1
fluoriden sA.3
fluorspar sA.3
gebromeerde brandvertragers MVP 1
geëthoxyleerd 4-(1,1,3,3-tetramethylbutyl)fenol MVP 1
geëthoxyleerd lineair en vertakt 4-nonylfenol MVP 1
gesulfateerde plantaardige olie gO.2
glaswolvezels sA.2
hexachloorcyclohexanen MVP 1
houtstof (deeltjes <10 μm) S
hydrazinebis(3-carboxy-4-hydroxybenzeensulfonaat) MVP 2
hydrazine-trinitromethaan MVP 2
hydrazine zouten MVP 2
iso-octyl/nonyl-fenyl-polyglycolether (met 5 ethyleenoxide-eenheden) gO.2
keramische vezels sA.1
kobaltverbindingen MVP 1
kobaltlithiumnikkeloxide MVP 1
koperverbindingen, met uitzondering van koperrook sA.3
koperrook sA.2
kwikverbindingen MVP 1
loodalkylen MVP 1
loodverbindingen, anorganisch MVP 1
loodverbindingen organisch MVP 1
magnesiumverbindingen S
mangaanverbindingen sA.3
mengsel van 4-[[bis-(4-fluorfenyl)methylsilyl]methyl]- 4H-1,2,4-triazool en 1-[[bis-(4- fluorfenyl)methylsilyl]methyl]-1H-1,2,4-triazool MVP 1
mengsel van dimethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat, diethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat en methylethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat MVP 1
mengsel van dinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-hydroxy-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat en trinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-oxido-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat MVP 1
mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)-propoxymethyl]-2-methyl-acrylamide, N-[2,3-bis-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide, methacrylamide, 2-methyl-N-(2-methyl-acryloylamino-methoxy-methyl)-acrylamide en N-(2,3-dihydroxy-propoxymethyl)-2-methyl-acrylamide MVP 1
mengsel van: 1,3,5-tris(3-aminomethylfenyl)-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion; mengsel van oligomeren van 3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-1-poly[3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-2,4,6-trioxo-1,3,5-(1H3H5H)-triazin-1-yl]-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion MVP 1
mercaptanen gO.1
methylfenolen gO.1
methylfenyleendiamine; diaminotolueen; [technisch product – mengsel van 4-methyl-m-fenyleendiamine (EU-nr. 202-453-1) en 2-methyl-m-fenyleendiamine (EG-nr. 212-513-9) MVP 1
molybdeenverbindingen S
monomethyldichloordifenylmethaan MVP 1
nikkelverbindingen MVP 1
nitrocresolen S
nitrofenolen S
nitrotolue(e)n(en) S
O-hexyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
olefinische koolwaterstoffen gO.2
PAKs; polycyclische aromatische koolwaterstoffen MVP 1
palladiumverbindingen sA.3
paraffine-olie gO.2
paraffinische koolwaterstoffen gO.2
perfluorbutaansulfonzuur zouten MVP 1
pinenen gO.2
platinaverbindingen, niet wateroplosbaar sA.3
platinaverbindingen, wateroplosbaar sA.1
polybroomdibenzodioxines ERS
polybroomdibenzofuranen ERS
polychloordibenzodioxines; polychloordibenzo- p-dioxinesn; PCDD’s; dioxine ERS
polychloordibenzofuranen; PCDF’s ERS
polyethyleenglycol S
polyhalogeendibenzodioxines ERS
polyhalogeendibenzofuranen ERS
polyvinylalcohol S
reactieproducten van 1,3,4-thiadiazolidin-2,5-dithion, formaldehyde en vertakt en lineair 4-heptylfenol [met 0,1% of meer vertakt of lineair 4-heptylfenol (EG-nr. 217-862-0)] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde en 2-hydroxypropylamine (ratio 3:2) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde met 2-hydroxypropylamine (ratio 1:1) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
rhodiumverbindingen, niet wateroplosbaar sA.2
rhodiumverbindingen, wateroplosbaar sA.1
seleenverbindingen sA.2
silicavezels, met name cristoballiet en tridymiet sA.1
slakkenwolvezels sA.1
steenwolvezels sA.2
stof S
telluriumverbindingen sA.2
thalliumverbindingen sA.1
thioalcoholen gO.1
thioethers gO.1
tinverbindingen, anorganisch sA.3
tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen MVP 1
trichloorfenolen gO.1
trimethylbenzeen gO.2
tris(vertakt en lineair 4-nonylfenyl) fosfiet [met ≥ 0.1 gewichtsprocent vertakt en lineair 4-nonylfenol] MVP 1
vanadiumlegeringen en vanadiumcarbide sA.3
vanadiumverbindingen sA.1
vuurvaste keramische vezels, vezels voor speciale toepassingen, met uitzondering van minerale wol zoals gedefinieerd in bijlage VI bij de CLP-verordening [synthetische (silicaat)glasvezels met een willekeurige oriëntatie en een gehalte aan alkali- en aardalkalioxiden (Na2O plus K2O plus CaO plus MgO plus BaO) van ten hoogste 18 gewichtsprocent] MVP 1
xylenen gO.2
zilververbindingen sA.1
zinkverbindingen S
zinkarsenaat of zinkarseniet of zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel (berekend als As) MVP 1
zirkonium aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1

Bijlage IV. bij de artikelen 4.145, 4.410 en 4.1053 van dit besluit (stuifklassen)

S1: sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig

Goed Specificatie Stuifklasse
Abbrände (pyrietas) Abbrände (pyrietas) S2
Aluinaarde S1
Bariet S3
Gemalen bariet S1
Bauxiet China gecalcineerd S1
Bauxiet Gecalcineerd S1
Bauxiet Ruw bauxiet S5
Bimskies S4
Borax S3
Bodemas Vochtgehalte 30% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Bruinsteen S2
Calcium Carbid S1
Carborundum S5
Cement Vochtgehalte 0,3% S1, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cement Klinkers S4
Cokes Steenkoolcokes S4
Cokes Petroleumcokes, grof S4
Cokes Petroleumcokes, fijn S2
Cokes Petroleumcokes, gecalcineerd S1
Cokes Petroleumcokes oiled/non-oiled S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cokes Fluid cokes S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelmeel S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelschijfjes S3
Derivaten en aanverwante producten Alfalfapellets S3
Derivaten en aanverwante producten Amandelmeel S3
Derivaten en aanverwante producten Appelpulppellets S3
Babassupellets S3
Babassuschroot S3
Beendermeel S1
Beenderschroot S3
Bierbostelpellets S3
Bladmeelpellets S3
Boekweitmeel S1
Cacaobonen S3 (voorlopige indeling)
Corndistillergrainpellets S3
Corndistillergrainmeel S3
Corncobpellets S3
Cornplantpellets S3
Citruspellets S3
D.F.G. pellets (maiskiempellets) S3
Druivenpulpgranulaat S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Gerstemeel S1
Gerstpellets S3
Grondnoten S5
Grondnotenpellets S3
Grondnotenschroot S3
Havermeel S1
Haverpellets S3
Hominecychoppellets S3
Hominecychopmeel S3
Houtsnippers met een vochtgehalte van 44% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Katoenzaadpellets S3
Katoenzaadschroot S3
Kapokzaadpellets S3
Kapokzaadschroot S3
Kardizaadschroot S3
Koffiepulppellets S3
Kokosgruis met een vochtgehalte van 81,1% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Kopra S5
Kopracakes S3
Koprachips S3
Koprapellets S3
Kopraschroot S3
Lijnzaadpellets S3
Lijnzaadschroot S3
Lucernepellets S3
Macojapellets S3
Macojaschroot S3
Macunameel S3
Maisglutenpellets S3
Maisglutenmeel S3
Maismeel S3
Maltsproutpellets S3
Mangopellets S3
Mangoschroot S1
Maniokpellets, hard S3
Maniokwortel S3
Mengvoederpellets S3
Millrunpellets S3
Miloglutenpellets S3
Milomeel S3
Moutkiempellets S3
Nigerzaadpellets S3
Nigerzaadschroot S3
Olijfpulppellets S3
Olijfschroot S3
Palmpitten S5
Palmpittenpellets S3
Palmpittenschilfers S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Palmpittenschroot S3
Palmpittencakes S3
Peanuthullpellets S3
Pine-applepellets S3
Pollardpellets S3
Quarbeanmealpellets S3
Quarbeanmeal S3
Raapzaadpellets S3
Raapzaadschroot S3
Ricehullpellets S3
Ricehuspellets S3
Ricebran S1
Roggemeel S1
Roggepellets S3
Safflowerzaadpellets S3
Safflowerzaadschroot S3
Salseedextractionpellets S3
Salseedschroot S1
Sesamzaadpellets S3
Sesamzaadschroot S3
Shearnutmeel S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Shearnutschroot met een vochtgehalte van 10% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Soiulacpellets S3
Sorghumzaadpellets S3
Sojapellets S3
Sojachips S3
Sojameel S3
Sojaschroot S3
Splentgrainpellets S3
Suikerbietenpulppellets S3
Suikerrietpellets S3
Sweetpotatopellets S3
Tapiochips S1
Tapiocabrokjes S1
Tapiocapellets, hard S3
Tapiocapellets, natives S1
Tarwemeel S1
Tarwepellets S3
Theepellets S3
Tucumschroot S3
Veevoederpellets S3
Zonnebloemzaadpellets S3
Zonnebloemzaadschroot S3
Dolomiet Brokken S5
Dolomiet Gemalen S1
Erts Amarilerts, brokken S5
Erts Chroomerts S4
Erts IJzererts Zie IJzererts in de kolom «goed»
Erts Kopererts S4
Erts Looderts S2
Erts Mangaanerts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Erts Tantalieterts S4
Erts Titaanerts Zie Titaan in de kolom «goed»
Erts Zinkblende S4
Ferrochroom, brokken S5
Ferrofosfor, brokken S5
Ferromangaan, brokken S5
Ferrosilicium, brokken S3
Fosfaat Gehalte vrij vocht >4 gew% S4
Fosfaat Gehalte vrij vocht <1 gew% S1
Gips S3
Gips Gipsstof grof met een vochtgehalte van 33,5% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Glasafval S5
Graan Boekweit S3
Graan Gerst met een vochtgehalte van 4,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Graan Gort S3
Graan Haver S5
Graan Haverscreenings S3
Graan Kaficorn S3
Graan Lijnzaadscreenings S3
Graan Maïs S3
Graan Milicorn S3
Graan Mout S3
Graan Raapzaadscreenings S3
Graan Ricehusk S3
Graan Rogge S3
Graan Rijst S5
Graan Sojagrits S3
Graan Sorghumzaad S3
Graan Tarwe S3
Graniet S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat S5
Grond Licht verontreinigde grond met een vochtgehalte van 4,5% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Leemgrond met een vochtgehalte van 3,6% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 50% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 60% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Hoogovenslakken S4
Hoogovenslakken Slakken met een vochtgehalte van 0,2% S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
IJzererts Beeshoek, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Beeshoek, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bomi Hill, stuk erts S4
IJzererts Bong Range pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bong Range concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
IJzererts Braz. Nat. erts S4
Carol Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Carol Lake concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Cassinga, fijn erts S4
Cassinga, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Cassinga pellets S5
Cerro Bolivar erts S4
Coto Wagner erts S5 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Dannemora erts S4
El Pao, fijn erts S4
Fabrica pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Fabrica Sinter Feed S5
Fabrica Special pellet ore S5
F'Derik Ho S4
Fire Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Grängesberg erts S4
Hamersley Pebble S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Ilmeniet erts S5
Itabira Special sinter feed S5
Itabira Run of Mine S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kiruna B, fijn erts S5
Kiruna pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Malmberg pellets S5
Manoriver Ho S4
Menera, fijn erts S5
Mount Newman pellets S4
Migrolite S4
Mount Wright concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Nimba, fijn erts S5
Nimba erts S4
Pyriet erts S4
Robe River, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Samarco pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Svappavaara erts S4
Svappavaara pellets S4
Sydvaranger pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Tazadit, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kalkzout S5
Kalk Brokken S5
Kalk Gemalen S1
Kalkzandsteen, fijne fractie, droog Kalkzandsteen, fijne fractie, droog S3
Kalkzandsteen granulaat Kalkzandsteen granulaat S3
Kattenbakkorrels Vochtgehalte 0,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Klei Bentoniet, brokken S3
Klei Bentoniet, gemalen S1
Klei Chamotte klei, brokken S4
Klei Chamotte klei, gemalen S1
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, brokken S3
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, gemalen S1
Kolen Bruinkool, briketten S4
Kolen Poederkolen S1
Kolen Kolen met een vochtgehalte hoger dan 8% S4
Kolen Kolen met een vochtgehalte lager dan 8% S2
Kolen Antraciet S2
Kunstmest Ammonsulfaatsalpeter S3
Kunstmest Diamfosfaat S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, korrels S3
Kunstmest Kalkammon-salpeter S3
Kunstmest Nitraat meststof met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Nitraat meststof vermalen met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Tripelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Zwavelzure ammoniak S3
Kyaniet S4
Metallisch slijpstof Vochtgehalte 0,6% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Metselpuin S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Nepheline S3
Olivin steen S4
Ongebluste kalk S1
Peulvruchten Bonen S3
Peulvruchten Erwten S3
Peulvruchten Guarsplit S3
Peulvruchten Linzen S3
Peulvruchten Lupinezaad S3
Peulvruchten Paardebonen S3
Peulvruchten Sojabonen S3
Peulvruchten Sojabeanhusk S3
Peulvruchten Sojascreenings S3
Peulvruchten Wikken S3
Piekijzer S4
Puin Gebroken schoon/gemengd S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Puingranulaat S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Pyrietas S2
Polymeerprodukten Kunststofpoeder S1
Potas S3
Puimsteen S5
Roet S1
Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming S4
Sillimaniet S5
Sintels, slakken S4
Sintermagnesiet S3
Soda S3
Suiker S5
Talk Gemalen S1
Talk Gebroken S3
Tapioca Tapioca Zie Derivaten en aanverwante producten
Titaan Ilmeniet S5
Titaan Rutiel S3
Titaan Rutielzand S3
Titaan Rutielslakken S5
Toonaarde Toonaarde Zie Aluinaarde
Ureum S3
Vanadiumslakken S4
Veltspaat S5
Vermiculiet Brokken S3
Vermiculiet Gemalen S1
Vliegas Vochtgehalte < 1% S2, ingedeeld op basis van meting met de methode EPA-microwindtunnel en Lundgren-methode
Vloeispaat S5
Wollastoniet S5
Wegenzout S5
Zaden en aanverwante producten Darizaad S3
Zaden en aanverwante producten Kanariezaad S5
Zaden en aanverwante producten Kardizaad S3
Zaden en aanverwante producten Koolzaad S3
Zaden en aanverwante producten Lijnzaad S5
Zaden en aanverwante producten Maanzaad S5
Zaden en aanverwante producten Millietzaad S5
Zaden en aanverwante producten Mosterdzaad S5
Zaden en aanverwante producten Nigerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Paricumzaad S3
Zaden en aanverwante producten Raapzaad S5
Zaden en aanverwante producten Safflowerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Sesamzaad S5
Zaden en aanverwante producten Tamarinzaad S3
Zaden en aanverwante producten Zonnebloemzaad S5
Zand Fijn zand S2
Zand Grof zand, waaronder betonzand, metselzand en filterzand voor de betonmortel en betonproductenindustrie S4
Zand Olivin zand S4
Zand Rutielzand, zie Titaan
Zand Speelzand, grof zand met een vochtgehalte van 2,5% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 2,0% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 3,8% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zirconzand S3
Zwaarspaat S5
Zwavel Grof S4
Zwavel Fijn S1

A. Lekkende goederen

B. Uitlogende goederen

C. Vermestende goederen

Bijlage VIa. bij artikel 5.25 (Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen)

CAS-nummer Stof Immissiegrenswaarde in (μg/m3)1
100-44-7 Benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen 2,8
10124-43-3 Kobaltsulfaat 0,5
10141-05-6 Kobalt(II)dinitraat2 0,5
106-89-8 Epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; Chloormethyloxiraan 80
106-93-4 1,2-dibroomethaan 0,2
106-94-5 1-broompropaan 70
106-99-0 1,3-butadieen; buta-1,3-dieen 3
107-06-2 1,2-dichloorethaan; Ethyleenchloride 48
107-13-1 Acrylonitril; 2-propeennitril; Propeennitril 10
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen 50
109-86-4 2-methoxyethanol; Methyleenglycolmonomethylether; Ethyleenglycolmono-methylether; Methylglycol 200
110-80-5 2-ethoxyethanol; Ethyleenglycolmono-ethylether 200
115-29-7 Endosulfan 0,02
116-14-3 Tetrafluoretheen; Tetrafluorethyleen 30
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP 14
118-74-1 Hexachloorbenzeen 0,75
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen 50
121-14-2 2,4-dinitrotolueen 7,0
1303-28-2 Arseenpentoxide; Diarseenpentaoxide 0,006
1303-96-4 Boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat 700
1327-53-3 Arseentrioxide 0,006
1333-82-0 Chroomtrioxide 0,0025
1335-32-6 Loodacetaat, basisch 0,5
143-50-0 Chloordecon 1,1
14977-61-8 Chromyldichloride 0,0025
1582-09-8 Trifluraline 26
18540-29-9 Chroom(VI)verbindingen 0,0025
301-04-2 Looddiacetaat 0,5
302-01-2 Hydrazine 0,07
309-00-2 Aldrin 0,35
32534-81-9 Pentabroomdifenylether 7,0
382-21-8 Perfluorisobuteen 0,1
50-00-0 Formaldehyde 10
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT 1,8
513-79-1 Kobaltcarbonaat 0,5
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat 0,05
57-74-9 Chloordaan 0,02
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; Lindaan 0,14
593-60-2 Vinylbromide 3
60-57-1 Dieldrin 0,35
606-20-2 2,6-dinitrotolueen 0,35
608-73-1 Hexachloorcyclohexaan 0,2
608-93-5 Pentachloorbenzeen 2,8
629-14-1 1,2-diethoxyethaan 200
70776-03-3 Polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van Naftaleen 1,0
71-43-2 Benzeen 5
71-48-7 Kobaltacetaat 0,5
72-20-8 Endrin 0,7
7439-92-1 Lood 0,5
7439-97-6 Kwik 0,05
7440-02-0 Nikkel 0,02
7440-38-2 Arseen 0,006
7440-41-7 Beryllium3 0,02
7440-43-9 Cadmium3 0,005
7440-48-4 Kobalt 0,50
75-01-4 Vinylchloride 3,6
75-07-0 Ethanal 70
75-21-8 Ethyleenoxide 3
75-56-9 Propyleenoxide 90
76-44-8 Heptachloor 0,5
7646-79-9 Kobaltchloride; Kobaltdichloride 0,5
7738-94-5 Chroomzuur 0,0025
7778-39-4 Arseenzuur2 0,006
78-79-5 Isopreen 225
78-87-5 1,2-dichloorpropaan 12
79-01-6 Trichlooretheen; Trichloorethyleen; TRI 200
79-06-1 Acrylamide 0,6
79-46-9 2-nitropropaan 20
8001-35-2 Toxafeen 0,07
84-69-5 Diisobutylftalaat; DIBP 30
84-74-2 Dibutylftalaat; DBP 0,1
85-68-7 Benzylbutylftalaat; BBP 1.750
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon 71
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen 50
87-68-3 Hexachloorbutadieen 5
87-86-5 Pentachloorfenol 11
88-72-2 2-nitrotolueen 16
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine 0,02
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine 32
96-18-4 1,2,3-trichloropropaan 0,012
96-45-7 Ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion 18
98-07-7 Benzotrichloride; trichloormethylbenzeen 0,028
98-95-3 Nitrobenzeen 9
Tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen 0,02
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 0,001

1 De immissiegrenswaarde kan ook als indicatieve waarde zijn vastgesteld.

2 Geldt ook voor zouten van Arseenzuur.

Bijlage VII

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Bijlage VIII. bij artikel 5.39 van dit besluit (activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken)

A. Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking
De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn.
B. Raffinaderij Raffinaderij Raffinaderij Raffinaderij
De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om:
a. het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of
b. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer.
C. Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om:
a. het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of
b. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.
D. Basismetaal Basismetaal Basismetaal Basismetaal
De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om:
a. het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer;
b. het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer;
c. het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
d. het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
e. het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
f. het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
g. het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of
h. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer.
E. Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om:
a. het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer; het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer; het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer;
b. het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer;
c. het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of
d. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer.
F. Basischemie Basischemie Basischemie Basischemie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om:
a. het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer;
b. het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of
c. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.
G. Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer.
H. Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om:
a. het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
b. het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
c. het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
d. het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
e. het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
f. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer; het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer; het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer;
g. het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer;
h. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of
i. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer.
I. Minerale producten industrie Minerale producten industrie Minerale producten industrie Minerale producten industrie
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer.
3. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer.
4. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om:
a. het bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer breken, malen, zeven of drogen van: het bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer breken, malen, zeven of drogen van:
1°. zand, grond, grind of steen, met uitzondering van puin en mergel, met uitzondering van zand- of grindwinning waarvoor op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet een vergunning is vereist;
2°. kalkzandsteen of kalk; of
3°. steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
b. het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel, bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel, bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer;
c. het maken van betonmortel bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; of het maken van betonmortel bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; of
d. het maken van betonwaren met persen, triltafels of bekistingstrillers bij een capaciteit van 100 ton per dag of meer. het maken van betonwaren met persen, triltafels of bekistingstrillers bij een capaciteit van 100 ton per dag of meer.
J. Chemische producten industrie Chemische producten industrie Chemische producten industrie Chemische producten industrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer.
K. Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer.
L. Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om:
a. het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer; het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer; het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer;
b. het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer; het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer; het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer;
c. het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer; het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer; het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer;
d. het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer; het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer; het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer;
e. het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer; het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer; het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer;
f. het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer; het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer; het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer;
g. het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer;
h. het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of
i. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.
M. Scheepswerven Scheepswerven Scheepswerven Scheepswerven
De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer.
N. Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf
De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om:
a. het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of
b. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer.
O. Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om:
a. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer voor het opslaan of overslaan van veevoeder; of het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer voor het opslaan of overslaan van veevoeder; of
b. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer, voor het opslaan of overslaan van granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, maïs of derivaten daarvan. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer, voor het opslaan of overslaan van granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, maïs of derivaten daarvan.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer.
P. Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer.
Q. Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer.
R. Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan
De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.
S. Mijnbouw Mijnbouw Mijnbouw Mijnbouw
De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K.

Bijlage IX. bij artikel 11.54 van dit besluit (andere beschermde dier- en plantensoorten)

A. Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a

Grote parelmoervlinder

B. Soorten vaatplanten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder c

Rozenkransje

Ruw parelzaad

Scherpkruid

Schubvaren

Bijlage X. bij artikel 11.103, eerste lid, onder c, onder 2°, van dit besluit (van administratieplicht uitgezonderde soorten)

Lama guanicoe (Goeanaco)

Rhea americana (Nandoe)

Anas formosa (Baikaltaling)

Coscoroba (Coscoroba)

Dendrocygna arborea (Westindische fluiteend)

Sarkidiornis melanotos (Knobbeleend)

Argusianus argus (Argusfazant)

Gallus sonneratii (Sonnerats hoen)

Lophura erythrophthalma (Kuifloze vuurrugfazant)

Lophura ignita (Gekuifde vuurrugfazant)

Pavo muticus (Groene pauw)

Polyplectron bicalcaratum (Spiegelpauw)

Polyplectron germaini (Germains spiegelpauw)

Polyplectron malacense (Maleise spiegelpauw)

Gallicolumba luzonica (Luzondolksteekduif)

Agapornis canus (Grijskopagapornis)

Agapornis fischeri (Fischers agapornis)

Agapornis lilianae (Nyasa-agapornis)

Agapornis nigrigenis (Zwartwangagapornis)

Agapornis personatus (Zwartmaskeragapornis)

Agapornis roseicollis (Perzikkopagapornis)

Agapornis taranta (Zwartvleugelagapornis)

Alisterus scapularis (Australische koningsparkiet)

Amazona amazonica (Oranjevleugelamazone)

Amazona farinosa (Gepoederde amazone)

Aprosmictus erythropterus (Roodvleugelparkiet)

Ara ararauna (Blauwgele ara)

Aratinga acuticaudata (Blauwkopparkiet)

Aratinga leucophthalmus (Witoogparkiet)

Aratinga pertinax (Maisparkiet)

Bolborhynchus lineola (Catharinaparkiet)

Brotogeris chrysopterus (Oranjevleugelparkiet)

Cyanoramphus auriceps (Geelvoorhoofdkakariki)

Forpus coelestis (Blauwe muspapegaai)

Forpus conspicillatus (Gebrilde muspapegaai)

Forpus cyanopygius (Mexicaanse muspapegaai)

Forpus passerinus (Groene muspapegaai)

Forpus xanthops (Geelwangmuspapegaai)

Forpus xanthopterygius (Spix» muspapegaai)

Lathamus discolor (Zwaluwparkiet)

Loriculus vernalis (Indische hangparkiet)

Myiopsitta monachus (Monniksparkiet)

Nandayus nenday (Nandayparkiet)

Neophema chrysostoma (Blauwvleugelparkiet)

Neophema elegans (Prachtparkiet)

Neophema pulchella (Turkooisparkiet)

Neophema splendida (Splendidparkiet)

Neopsephotus bourkii (Bourke’s parkiet)

Northiella haematogaster (Roodbuikparkiet)

Pionites melanocephala (Zwartkopcaique)

Pionus maximiliani (Maximiliaans papegaai)

Pionus menstruus (Zwartoorpapegaai)

Platycercus adelaidae (Adelaiderosella), P. elegans x P. flaveoleus

Platycercus adscitus (Bleekkoprosella)

Platycercus barnardi (Barnards rosella)

Platycercus caledonicus (Geelbuikrosella)

Platycercus elegans (Pennantrosella)

Platycercus eximius (Prachtrosella)

Platycercus flaveolus (Strogele rosella)

Platycercus icterotis (Stanleyrosella)

Platycercus venustus (Zwartkoprosella)

Platycercus zonarius (Port Lincolnrosella)

Polytelis alexandrae (Prinses van Walesparkiet)

Polytelis anthopeplus (Regentparkiet)

Polytelis swainsonii (Barrabandparkiet)

Psephotus haematonotus (Roodrugparkiet)

Psephotus varius (Regenboogparkiet)

Psittacula alexandri (Roseborstparkiet)

Psittacula cyanocephala (Pruimenkopparkiet)

Psittacula derbiana (Lord Derby’s parkiet)

Psittacula eupatria (Grote Alexanderparkiet)

Psittacula roseata (Bloesemkopparkiet)

Purpureicephalus spurius (Roodkapparkiet)

Pyrrhura picta (Bonte parkiet)

Poephila cincta (Gordelamadine)

Iguana (Groene leguaan)

Boa constrictor (met uitzondering van de Boa constrictor occidentalis)

Corallus hortulanus (Tuinboa)

Python molurus bivittatus

Python regius (Koningspython)

Python reticulatus (Netpython)

Python sebae (Rotspython)

Ambystoma mexicanum (Axolotl)

Tridacna crocea

Tridacna maxima

ordo Antipatharia

ordo Coenothecalia

ordo Scleractinia

familia Tubiporidae

familia Milleporidae

familia Stylasteridae

Bijlage XI. bij artikel 17.26, eerste lid, onder a, van dit besluit (testen voor zuiveringsvoorzieningen)

I. Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering

II. Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 18.1. (begripsbepalingen)

Voor toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 18.2. (activiteiten)

Deze afdeling gaat over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in paragraaf 18.1.2.

Artikel 18.3. (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beperken van emissies in de lucht van kooldioxide die ontstaan door verbranding van brandstof in de motor van voertuigen.

Artikel 18.4. (bevoegd gezag gemeente)
1.

Voor een milieubelastende activiteit is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen degene die de milieubelastende activiteit verricht, is gevestigd, het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

2.

Als degene die de milieubelastende activiteit verricht meerdere vestigingen heeft, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de hoofdvestiging of hoofdnederzetting is gevestigd, het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 18.5. (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 4.13a van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Artikel 18.6. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 18.7. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 18.12.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 18.3.

4.

Een maatwerkregel wordt gesteld in het omgevingsplan.

Artikel 18.8. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 18.12.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.

Artikel 18.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

Artikel 18.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam, het adres of het nummer, bedoeld in artikel 18.9 wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

§ 18.1.2. Inhoudelijke regels

Artikel 18.11. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1.

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 18.2 worden aangewezen:

2.

Onder de aanwijzing valt niet het laten reizen van een werknemer:

Artikel 18.12. (lucht: emissiegrenswaarden)
1.

Voor de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit is de emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde waaraan met ingang van 1 januari 2050 wordt voldaan: 0 g per reizigerskilometer.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Artikel 18.13. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 18.12 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 18.12, tweede lid.

Artikel 18.14. (lucht: berekening CO2-emissie)
1.

De emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit in kalenderjaargemiddelde per reizigerskilometer wordt berekend door de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit in het kalenderjaar te delen door het aantal reizigerskilometers voor woon-werkmobiliteit respectievelijk zakelijke mobiliteit in het kalenderjaar.

2.

De emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door voor elke reismodaliteit het aantal in het kalenderjaar gereisde kilometers voor woon-werkmobiliteit respectievelijk zakelijke mobiliteit te vermenigvuldigen met de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor voor die reismodaliteit en de uitkomsten bij elkaar op te tellen.

Artikel 18.15. (gegevens en bescheiden)
1.

Jaarlijks worden uiterlijk op 30 juni de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling:

2.

In de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, wordt onderscheid gemaakt tussen woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit. Ten behoeve van het verstrekken van die gegevens worden persoonsgegevens verwerkt.

3.

Als het gaat om woon-werkmobiliteit kan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, bij gebruik van meer dan een reismodaliteit worden volstaan met het verzamelen en verstrekken van gegevens over de reismodaliteit waarmee de werknemer de meeste reizigerskilometers heeft afgelegd, waarbij de reizigerskilometers die de werknemer als gevolg van andere reismodaliteiten heeft afgelegd, bij de eerstbedoelde reizigerskilometers worden opgeteld.

4.

De gegevens worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld. De gegevens gelden als ondertekend.

5.

Het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, is niet van toepassing als in het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, en het daaraan voorafgaande kalenderjaar de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit in kalenderjaargemiddelde niet hoger is dan 3 g per reizigerskilometer.

Hoofdstuk 19. Overige en slotbepalingen

Afdeling 19.1. Implementatie internationaalrechtelijke verplichtingen

§ 19.1.1. Grenswaarden afvalwater

§ 19.1.2. Produceren, leveren, opslaan, distribueren en gebruiken van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie

Afdeling 19.2. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen

zwemvijver: badwaterbassin in de openlucht waarbij voor de waterbehandeling hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van een biologische zuiveringsmethode.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

ADR: op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);

afvalbeschikking: Beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG 2000, L 226);

bio-verordening: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);

cites-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);

CLP-verordening: CLP-verordening als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

reach-verordening: Verordening (EG) 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (PbEU 2006, L 396);

richtlijn biologische agentia: Richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (PbEU 2000, L 262);

richtlijn energie-efficiëntie: Richtlijn 2023/1791/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (PbEU 2023, L 231);

richtlijn opslag en distributie benzine: Richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365);

Bijlage II. bij de artikelen 3.39, 3.40, 3.184, 3.195 en 3.196 van dit besluit (categorieën afvalstoffen)

Cat.1, 2 ga/nga3 beschrijving
1 ga Autowrakken die gevaarlijke afvalstoffen zijn
2 nga Autowrakken die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
3 nga Banden afkomstig van voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer autobanden en banden met een vergelijkbare samenstelling
4 nga Tanks van voertuigen voor gecomprimeerd of tot vloeistof verdicht gas (LPG-, aardgas- en waterstoftanks)
5 nga Opgegraven ondergrondse opslagtanks
6A ga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
6B nga Brandblussers groter dan 1 kg en drukhouders die met gassen zijn gevuld, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
7A ga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
7B nga Papiergeïsoleerde kabels, kunststofgeïsoleerde kabels, oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en restanten van deze kabels, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
8 nga Deelstromen van grove huishoudelijke afvalstoffen van milieustraten die op grond van een maatwerkvoorschrift bij artikel 4.623 in dezelfde opslagvoorziening mogen worden opgeslagen
9 nga Grove huishoudelijke restafvalstoffen die gemengd zijn aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden zijn gehouden
10 nga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
11 ga Procesafhankelijke industriële afvalstoffen van productieprocessen die gevaarlijke afvalstoffen zijn en niet vallen onder een andere categorie
12 nga Groenafval
13 nga bioafval als bedoeld in de Wet milieubeheer en daarmee vergelijkbaar biologisch afbreekbaar bedrijfsafval, met uitzondering van groenafval
14 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het vegen van openbare straten, terreinen en overige openbare ruimten, met uitzondering van stranden (veegafval)
15 nga Afvalstoffen die vrijkomen bij het reinigen van riolen, kolken en gemalen (RKG-slib)
16 nga Slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie
17 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding met een gehalte aan arseen van ten hoogste 500 mg/kg droge stof die • geschikt zijn voor gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen of in een zuiveringtechnisch werk; of • binnen geldende wet- en regelgeving geschikt zijn voor andere vormen van recycling
18 nga Reststoffen van drinkwaterbereiding die zijn bedoeld om in te zetten als bouwstof of voor de productie van een bouwstof en die daarvoor geschikt zijn volgens de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit
19 nga Niet-geïmpregneerd hout (A- en B-hout), met uitzondering van houten verpakkingen
20 nga Niet-geïmpregneerde houten verpakkingen
21 ga Hout dat is behandeld om de gebruiksduur te verlengen met middelen die koper en chroom (CC-hout) of koper, chroom en arseen (CCA-hout) bevatten (gewolmaniseerd C-hout)
22 nga Gemengde kunststof afvalstoffen, met inbegrip van mengsels van kunststof en rubber, of partijen thermoplastische kunststoffen die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit geëxpandeerd polystyreenschuim (categorie 31); • partijen die alleen of in hoofdzaak bestaan uit rubber (categorie 112); • kunststof afvalstoffen die, vanwege de aanwezigheid van weekmakers, bepaalde pigmenten of andere additieven, als gevaarlijk afval worden aangemerkt (categorie 112); en • thermohardende kunststoffen, elastomeren en biologisch afbreekbare kunststoffen (categorie 112)
23 nga Kunstgras
24 nga Metalen
25A ga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
25B nga Vaste afvalstoffen die voor meer dan 50 gewichtsprocent uit metalen bestaan en die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
26 nga Papier en karton met uitzondering van niet-ontwikkeld fotopapier
27 nga Niet-ontwikkeld fotopapier
28 nga Textiel, met uitzondering van tapijt
29 nga Matrassen
30 nga Luiers en ander incontinentiemateriaal
31 nga Geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS) met een concentratie aan HBCDD die lager is dan 1.000 mg/kg
32 nga Steenwol
33 ga Verpakkingen van verf, lijm, kit en hars die zijn verontreinigd met niet volledig uitgeharde restanten en die gevaarlijke afvalstoffen zijn
34 nga Verpakkingsglas
35 nga Vlakglas dat geen gevaarlijke afvalstof is
36 nga Afvalstoffen die vallen onder de verordening dierlijke bijproducten
37A ga Infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen, afkomstig van de gezondheidszorg bij de mens of van verwant onderzoek, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
37B nga Lichaamsdelen, organen, bloedzakjes en geconserveerd bloed, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
38 nga Afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens of van verwant onderzoek waarvoor het infectierisico is verwijderd door middel van decontaminatie conform de Richtlijn decontaminatie apparatuur ziekenhuisafval
39 ga Infectieuze afvalstoffen en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen afkomstig van de gezondheidszorg bij dieren of verwant onderzoek
40A ga Asfalt met meer dan 75 mg/kg PAK10 VROM dat op basis van de Regeling Europese afvalstoffenlijst als gevaarlijke afvalstof moet worden aangemerkt
41 nga Asfalt met niet meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is
42 nga Zeefzand met meer dan 50 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij: • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
43 nga Zeefzand met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is, ontstaan bij • het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval; of • het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties
44A ga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK dat een gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
44B nga Dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK, dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
45 nga Dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK dat geen gevaarlijke afvalstof is en niet valt onder de categorieën 46, 47, 48, 49, 91 en 92
46A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
46B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
47A ga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat een gevaarlijke afvalstof is
47B nga Composiet dakafval met meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
48 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
49 nga Composiet dakafval met niet meer dan 75 mg/kg PAK en meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat geen gevaarlijke afvalstof is
50A ga Verkleefd dakgrind dat een gevaarlijke afvalstof is
50B nga Verkleefd dakgrind dat geen gevaarlijke afvalstof is
51 nga Gips, gipsblokken, gipsplaat
52 nga Cellenbeton
53A ga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat een gevaarlijke afvalstof is
53B nga Met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat geen gevaarlijke afvalstof is
54 nga Steenachtig materiaal met meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
55 nga Steenachtig materiaal met niet meer dan 50 mg/kg PAK dat: • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind; • niet valt onder een van de categorieën 40 t/m 53, 91 en 92; en • geen gevaarlijke afvalstof is
56A ga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die gevaarlijke afvalstoffen zijn
56B nga Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
57 nga Bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover niet vallend onder een van de categorieën 40 t/m 56
58 ga Oliefilters afkomstig uit vaartuigen, voertuigen en werktuigen
59 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l
60 ga Bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte hoger dan 100 mg/l
61 ga Zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 50 mg/l en bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels daarvan met een zilvergehalte lager dan 100 mg/l en slibben en andere residuen die ontstaan bij de eerste stap in de verwerking van ontwikkelaar en fixeer
62 ga Hardingszouten
63 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor is niet hoger dan 1.000 mg/kg (as received); • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, niet vermengd met andere stoffen; en • de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bedoeld, separaat afgetapt of verzameld en opgeslagen of opgebulkt
64 ga Afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong, met inbegrip van mengsels, met de volgende kenmerken: • het gehalte aan polychloorbifenylen is niet hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; en • het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor, is hoger dan 1.000 mg/kg (as received)
65 ga Oplosmiddelen en glycolen met niet meer dan 0,5% fluor, niet meer dan 4% chloor, niet meer dan 4% broom en niet meer dan 4% jood, als het gaat om een partij van meer dan 1.000 l, afkomstig van één ontdoener
66 ga Olie-watermengsels (ow-mengsels) en olie-water-slibmengsels (ows-mengsels) • die vrijkomen bij olie- en slibafscheiders; • die ontstaan bij schoonmaakactiviteiten; of • afkomstig uit de scheepvaart (bijvoorbeeld oliehoudende ladingrestanten, oliehoudend afval van lading, oliehoudend waswater, ballastwater, bilgewater en slops); • en overige oliehoudende slibben voor zover zij qua aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met de slibfractie van olie- en slibafscheiders.
67 ga Niet-gebruikte oliën en partijen olie en brandstof die niet aan de specificaties voldoen (off-spec partijen)
68 ga Boorspoeling op oliebasis (oil-based-mud; obm), met obm verontreinigd boorgruis en de oliefractie van met obm verontreinigde stoffen
69 ga Oliehoudende vloeistof die bij de bewerking van metalen en kunststoffen is toegepast, waaronder boor-, snij-, slijp- en walsolie
70A ga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en die een gevaarlijke afvalstof is
70B nga Bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheeren die geen gevaarlijke afvalstof is
71 ga Arseensulfideslib en arseensulfidefilterkoek
72 ga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die een gevaarlijke afvalstof is
73 nga As die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die geen gevaarlijke afvalstof is
74 ga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die gevaarlijke afvalstoffen zijn
75 nga Reststoffen van kolengestookte energiecentrales die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn
76A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
76B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water voor een of meer van de volgende gevallen ten minste de daarbij aangegeven waarde heeft: • som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink): 25 mg/l; • cyanide (vrij cyanide): 1 mg/l; • zeswaardig chroom: 0,1 mg/l; • cadmium: 0,1 mg/l; of • kwik: 0,01 mg/l; en waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor elke individuele zeer zorgwekkende organische stof lager is dan 0,1 mg/l en het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) lager is dan 15 mg/l
77A ga Afvalwaterstromen en baden die gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
77B nga Afvalwaterstromen en baden die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en die: • PCB’s, dioxines met chlooratomen op de 2-, 3-, 7- en 8-plaatsen, bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen of gebromeerde difenylethers in aantoonbare hoeveelheden bevatten; • niet snel afbreekbaar zijn en organische verontreinigingen bevatten die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen als de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ten minste 0,1 mg/l is; of • een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als AOX, bevatten van ten minste 15 mg/l
78 ga Filterkoek van het ontgiften, neutraliseren, ontwateren (ONO-filterkoek) die een gevaarlijke afvalstof is
79A ga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die een gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
79B nga Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die geen gevaarlijke afvalstof is en voor zover niet vallend onder een andere categorie
80A ga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
80B nga Onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor zover: • dit geen beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen is en geen restanten van dit beeldbuisglas zijn; • het geen gevaarlijke afvalstoffen zijn; en • deze niet vallen onder een andere categorie
81A ga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat een gevaarlijke afvalstof is
81B nga Straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat geen gevaarlijke afvalstof is
82 ga Loodzuurbatterijen en -accu’s
83A ga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
83B nga Batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van loodzuurbatterijen en -accu’s
84 ga Gasontladingslampen
85A ga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat een gevaarlijke afvalstof is
85B nga Fluorescentiepoeder met een kwikgehalte dat lager is dan 0,1 mg/kg droge stof dat geen gevaarlijke afvalstof is
86 ga Kwikhoudende voorwerpen
87A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
87B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
88B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89A ga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 110); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
89B nga Afvalstoffen met een gehalte aan kwik dat hoger is dan 50 mg/kg droge stof die geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, met uitzondering van: • slib van biologische zuivering van afvalwater (categorie 112); • rookgasreinigingsresidu (categorie 111); • kwik(oxide) houdende batterijen (categorie 83); • schakelaars en andere apparatuur (categorie 79 of 80); en • kwikhoudend afvalwater (categorie 76)
90 ga Metallisch kwik, zijnde kwikafval zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137/1) en gestabiliseerd metallisch kwik ten behoeve van permanente berging
91A ga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die niet vallen onder categorie 92.
91B nga Asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die niet vallen onder categorie 92.
92A ga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover: • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest ten minste 1000 mg/kg is; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
92B nga Asbesthoudende grond, puin en (oud) puingranulaat en andere asbesthoudende afvalstoffen, voor zover • de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een op grond van het Productenbesluit asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof; en • de totale concentratie aan asbest lager is dan 1000 mg/kg; • en die middels extractief reinigen van het asbest kunnen worden ontdaan.
93A ga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die een gevaarlijke afvalstof is
93B nga Reststroom van het shredderen van autowrakken of onderdelen daarvan (autoshredderafval) die geen gevaarlijke afvalstof is
94A ga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die een gevaarlijke afvalstof is
94B nga Reststroom van het shredderen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of onderdelen daarvan en ander metaalhoudend afval die niet valt onder categorie 93, die geen gevaarlijke afvalstof is
95 ga PCB-houdende afvalstoffen voor zover niet vallend onder categorie 96 en voor zover het niet gaat om baggerspecie (categorie 107) en waarvan het PCB-gehalte hoger is dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180
96 ga Apparaten waarvan de in het apparaat aanwezige vloeistof een PCB-gehalte heeft hoger dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180, betrokken op deze in het apparaat aanwezige vloeistof
97 ga Metaalafvalstoffen met aanhangende olie of emulsie
98 nga Toepasbare grond of baggerspecie die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «landbouw/natuur» (grond) of «niet verontreinigd» (baggerspecie) als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
99 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «wonen» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
100 nga Toepasbare grond of baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «industrie» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
101 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «licht verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
102 nga Toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, met uitzondering van baggerspecie die valt onder categorie 107
103 nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «matig verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
104A ga Niet-toepasbare grond die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 95 of 106
104B nga Niet-toepasbare grond die geen gevaarlijke afvalstof is, en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, tenzij het gaat om partijen waarvoor door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid is afgegeven, en die niet behoort tot categorie 106.
105A ga Niet-toepasbare baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
105B nga Niet-toepasbare baggerspecie die geen gevaarlijke afvalstof is en die is ingedeeld in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en die niet behoort tot categorie 107
106A ga Grond die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
106B nga Grond die geen gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde, met uitzondering van grond verontreinigd met PCB’s (categorie 95)
107A ga Baggerspecie die een gevaarlijke afvalstof is, waarvan het gehalte aan stoffen, vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
107B nga Baggerspecie die geen gevaarlijke stof is, waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen, ten minste gelijk is aan de in die bijlage aangegeven grenswaarde
108 ga Zwavelzuur
109A ga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat een gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
109B nga Zuurteer en overige afvalstoffen met een zwavelgehalte van niet lager dan 5 gewichtsprocent dat geen gevaarlijke afvalstof is, met uitzondering van zwavelzuur
110 ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
111 nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112A ga Overige gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan
112B nga Overige niet-gevaarlijke afvalstoffen die niet op een stortplaats mogen worden gestort volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het Landelijk afvalbeheerplan

1 Afvalwaterstromen die niet in categorie 1 tot en met 109 zijn vermeld, worden niet gerekend tot categorie 112A of 112B. Die afvalwaterstromen worden gerekend tot dezelfde categorie als andere niet in categorie 1 tot en met 109 vermelde afvalwaterstromen, als het lozen op dezelfde wijze is toegestaan en:

2 Voor de toepassing van de artikelen 3.39, eerste lid, onder d, e en f, en 3.184, derde lid, onder j, worden twee categorieën die zijn aangeduid met hetzelfde nummer, voorzien van de aanduiding A en B, aangemerkt als dezelfde categorie.

3 De aanduiding «ga» betekent dat een afvalstof alleen in de categorie valt als de afvalstof eigenschappen bezit als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij de aanduiding nga valt een afvalstof alleen in de categorie als de afvalstof deze eigenschappen niet bezit.

Bijlage IIa. bij de artikelen 3.48d en 3.48f van dit besluit (interventiewaarde bodemkwaliteit)

Stof CAS-nummer Interventiewaarde bodemkwaliteit (mg/kg ds)1, 2
1. Metalen 1. Metalen
Antimoon 7440-36-0 22
Arseen 7440-38-2 76
Barium3 7440-39-3
Cadmium 7440-43-9 13
Chroom III 7440-47-3 180
Chroom VI 18540-29-9 78
Kobalt 7440-48-4 190
Koper 7440-50-8 190
Kwik (anorganisch) 36
Kwik (organisch) 4
Lood 7439-92-1 530
Molybdeen 7439-98-7 190
Nikkel 7440-02-0 100
Zink 7440-66-6 720
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Cyanide (vrij) 57-12-5 20
Cyanide (complex) 50
Thiocyanaat 20
3. Aromatische verbindingen 3. Aromatische verbindingen
Benzeen 71-43-2 1,1
Ethylbenzeen 100-41-4 110
Tolueen 108-88-3 32
Xylenen (som)4 17
Styreen (vinylbenzeen) 100-42-5 86
Fenol 108-95-2 14
Cresolen (som)4 13
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)
PAK’s (totaal) (som 10)4 40
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
Vluchtige chloorkoolwaterstoffen Vluchtige chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen (Vinylchloride)5 75-01-4 0,1
Dichloormethaan 75-09-2 3,9
1,1-dichloorethaan 75-34-3 15
1,2-dichloorethaan 107-06-2 6,4
1,1-dichlooretheen5 75-35-4 0,3
1,2-dichlooretheen (som)4 540-59-0 1
Dichloorpropanen (som)4 2
Trichloormethaan (chloroform) 67-66-3;75-62-7 5,6
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6 15
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5 10
Trichlooretheen (Tri) 79-01-6 2,5
Tetrachloormethaan (Tetra) 56-23-5 0,7
Tetrachlooretheen (Per) 127-18-4 8,8
Chloorbenzenen Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7 15
Dichloorbenzenen (som)4 25321-22-6 19
Trichloorbenzenen (som)4 11
Tetrachloorbenzenen (som)4 12408-10-5 2,2
Pentachloorbenzeen 608-93-5 6,7
Hexachloorbenzeen 118-74-1 2
Chloorfenolen Chloorfenolen
Monochloorfenolen (som)4 25167-80-0 5,4
Dichloorfenolen(som)4 22
Trichloorfenolen(som)4 22
Tetrachloorfenolen (som)4 21
Pentachloorfenol 87-86-5 12
Polychloorbifenylen (PCB’s) Polychloorbifenylen (PCB’s)
PCB’s (som 7)4 1
Overige gechloreerde koolwaterstoffen Overige gechloreerde koolwaterstoffen
Monochlooranilinen (som)4 50
Dioxine (som TEQ)4, 6 0,00018
Chloornaftaleen (som)4 25586-43-0 23
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen a. Organochloor-bestrijdingsmiddelen
Chloordaan (som)4 57-74-9 4
DDT (som)4 1,7
DDE (som)4 2,3
DDD (som)4 34
Aldrin 309-00-2 0,32
Drins (som)4 4
α-endosulfaan 959-98-8 4
α-HCH 319-84-6 17
β-HCH 319-85-7 1,6
γ-HCH (lindaan) 58-89-9 1,2
Heptachloor 76-44-8 4
Heptachloorepoxide (som)4 1024-57-3 4
b. Organotinbestrijdingsmiddelen b. Organotinbestrijdingsmiddelen
Organotinverbindingen (som)4 2,5
c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden c. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6 4
d. Overige bestrijdingsmiddelen d. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9 0,71
Carbaryl 63-25-2 0,45
Carbofuran5 1563-66-2 0,017
7. Overige stoffen 7. Overige stoffen
Asbest7 1332-21-4 100
Cyclohexanon 108-94-1 150
Dimethyl ftalaat 131-11-3 82
Diethyl ftalaat 84-66-2 53
Di-isobutyl ftalaat 84-69-5 17
Dibutyl ftalaat 84-74-2 36
Benzylbutylftalaat 85-68-7 48
Dihexyl ftalaat 84-75-3 220
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7 60
Minerale olie8 8042-47-5 5000
Pyridine 110-86-1 11
Tetrahydrofuran 109-99-9 7
Tetrahydrothiofeen 110-01-0 8,8
Tribroommethaan (bromoform) 75-25-2 75

1 De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

2 Op het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

3 De norm voor barium wordt op termijn herzien. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Als sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds

4 Deze stoffen maken onderdeel uit van een somparameter. Op de samenstelling van de somparameters zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

5 De interventiewaarde voor deze stoffen is gelijk aan of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

6 Op het berekenen van de som TEQ voor dioxine zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

7 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Serpentijn asbest bestaat uit chrysotiel. Amfibool asbest bestaat uit amosiet, crocidoliet, tremoliet, actinoliet en anthofylliet. Op het vaststellen van het gewogen gehalte asbest van partijen grond onder, gelijk aan en boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is NEN 5707 van toepassing bij gebruik van ten hoogste 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal en NEN 5897 bij gebruik van meer dan 50% van de droge stof bodemvreemd materiaal.

8 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Als er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie), wordt behalve het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.

Bijlage III. bij de artikelen 4.192, 4.207, 4.226, 4.236, 4.277, 4.654 en 5.28van dit besluit (stofklassen)

Stoffen kunnen zijn ingedeeld in de stofklassen ERS, MVP 1, MVP 2, gA, gO, totaal stof (S), sO en sA. De stofklasse van een individuele stof kan afwijken van die voor een stofgroep. In dat geval geldt de stofklasse met de strengste emissiegrenswaarde voor de individuele stof.

CAS-nummer Naam Stofklasse
100-18-5 p-diisopropylbenzeen gO.2
100-21-0 benzeen-1,4-dicarbonzuur; tereftaalzuur S
10025-78-2 trichloorsiliciumhydride gA.3
10026-04-7 siliciumtetrachloride gA.3
10034-85-2 waterstofjodide gA.2
100-41-4 ethylbenzeen gO.2
100-42-5 styreen; vinylbenzeen gO.2
10043-35-3 boorzuur MVP 1
100-44-7 benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen MVP 2
10049-04-4 chloordioxide gA.1
100-51-6 benzylalcohol gO.2
100-52-7 benzaldehyde gO.1
100-63-0 fenylhydrazine MVP 1
100-66-3 anisool; methoxybenzeen gO.2
100784-20-1 halosulfuronmethyl MVP 1
10102-49-5 ijzer(III)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10102-50-8 ijzer(II)arsenaat (berekend als As) MVP 1
10103-50-1 magnesiumarsenaat (berekend als As) MVP 1
101-14-4 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline; 4,4’-methyleenbis(2-chlooraniline); zouten van 2,2’-dichloor-4,4’-methyleendianiline MVP 1
101-21-3 isopropyl-3-chloorfenylcarbamaat; chloorprofam; isopropyl-3-chloorcarbanilaat gO.1
10124-43-3 kobaltsulfaat MVP 1
10124-50-2 kaliumarseniet (berekend als As) MVP 1
10141-05-6 kobalt(II)dinitraat MVP 1
101-61-1 N,N,N’,N’-tetramethyl-4,4’-methyleendianiline; Michler’s base MVP 1
101-68-8 difenylmethaan-4,4-diisocyanaat; MDI S
101-77-9 4,4’-methyleendianiline; 4,4’-diaminodifenylmethaan MVP 1
101-80-4 4,4’-oxydianiline; zouten van 4,4’-oxydianiline; p-aminofenylether; zouten van p-aminofenylether MVP 1
101-84-8 difenylether S
10190-55-3 loodmolybdaat, MVP 1
10215-33-5 3-butoxy-1-propanol gO.2
10222-01-2 dibroomnitrilopropiamide MVP 1
1024-57-3 heptachloorepoxide MVP 1
102561-46-6 benzyltributyl-ammonium 4-hydroxy-naftaleen-1-sulfonaat S
102-71-6 tri-ethanolamine gO.2
10290-12-7 koperarseniet (berekend als As) MVP 1
10294-34-5 boriumtrichloride gA.2
103112-35-2 ethyl-1-(2,4-dichloorfenyl)-5-(trichloormethyl)-1H-1,2,4-triazool-3-carboxylaat MVP 1
103-11-7 2-ethylhexylacrylaat gO.1
103122-66-3 O-isobutyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
10332-33-9 perboorzuur (HBO(O2)) natrium zout monohydraat MVP 1
103-33-3 azobenzeen MVP 1
103361-09-7 flumioxazine; N-(7-fluor-3,4-dihydro-3-oxo-4-prop-2-ynyl-2H-1,4-benzoxazin-6-yl)cyclohex-1-een-1,2-dicarboxamide MVP 1
103-65-1 isocumol; n-propylbenzeen gO.2
104-40-5 p-nonylfenol; 4-(para)-nonylfenol MVP 1
104653-34-1 difethialon MVP 1
10486-00-7 perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat MVP 1
105024-66-6 (4-ethoxyfenyl)(3-(3-fenoxy-4-fluorfenyl)propyl)dimethylsilaan MVP 1
105-58-8 diethylcarbonaat gO.2
105-60-2 caprolactam gO.1
105-67-9 2,4-dimethylfenol; 2,4-xylenol gO.2
10605-21-7 carbendazim; methylbenzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
106-46-7 1,4-dichloorbenzeen gO.2
106-47-8 4-chlooraniline MVP 1
106-65-0 dimethylsuccinaat gO.1
106-89-8 epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; chloormethyloxiraan MVP 2
106-91-2 2,3-epoxypropylmethacrylaat MVP 2
106-93-4 1,2-dibroomethaan MVP 2
106-94-5 1-broompropaan MVP 2
106-97-8 butaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
106-99-0 1,3-butadieen MVP 2
107-02-8 2-propenal; acroleïne gO.1
107-06-2 1,2-dichloorethaan; ethyleenchloride MVP 2
107-10-8 n-propylamine gO.1
107-13-1 acrylonitril; 2-propeennitril; propeennitril MVP 2
107-15-3 1,2-diaminoethaan MVP 2
107-20-0 2-chloorethanal; chlooraceetaldehyde gO.1
107-21-1 1,2-ethaandiol; ethyleenglycol; glycol gO.2
107-22-2 ethaandial; glyoxaal gO.1
1072-63-5 1-vinylimidazool MVP 2
107-30-2 chloordimethylether; chloormethyl-methylether MVP 2
107-31-3 methylformiaat gO.2
107-46-0 hexylmethyldisiloxaan gO.2
107-87-9 2-pentanon; methylpropylketon gO.2
107-98-2 1-methoxy-2-propanol gO.2
108-01-0 dimethylaminoethanol gO.2
108-05-4 azijnzuurvinylester; vinylacetaat gO.2
108-10-1 4-methyl-2-pentanon; isobutylmethylketon; methylisobutylketon; MIBK gO.2
108-20-3 2-isopropoxypropaan; diisopropylether gO.2
108-21-4 i-propylacetaat; isopropylacetaat gO.2
108225-03-2 (6-(4-hydroxy-3-(2-methoxyfenylazo)-2-sulfonato-7-naftylamino)-1,3,5-triazin-2,4-diyl)bis[(amino-1-methylethyl)ammonium]-formaat MVP 1
108-24-7 azijnzuuranhydride gO.1
108-31-6 maleïnezuuranhydride; MAA S
108-46-3 1,3-dihydroxybenzeen; resorcinol gO.2
108-65-6 1-methoxy-2-propylacetaat; 2-methoxy-1-methylethylacetaat gO.2
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen MVP 1
108-83-8 diisobutylketon gO.2
108-87-2 methylcyclohexaan gO.2
108-88-3 tolueen; methylbenzeen gO.2
108-90-7 chloorbenzeen gO.2
108-93-0 cyclohexanol gO.2
108-94-1 cyclohexanon gO.2
108-95-2 fenol gO.1
109-60-4 n-propylacetaat gO.2
109-65-9 1-broombutaan gO.2
109-66-0 pentaan gO.2
109-70-6 1-broom-3-chloorpropaan gO.2
109-86-4 2-methoxyethanol; methyleenglycolmonomethylether; ethyleenglycolmonomethylether; methylglycol MVP 2
109-89-7 diethylamine gO.1
109-94-4 ethylformiaat gO.2
109-99-9 tetrahydrofuraan gO.2
110-00-9 furaan MVP 2
110-12-3 5-methyl-2-hexanon; methylisoamylketon gO.2
110-19-0 iso-butylacetaat gO.2
110-49-6 2-methoxyethylacetaat MVP 2
110-71-4 1,2-dimethoxyethaan; ethyleenglycoldimethylether MVP 2
110-80-5 2-ethoxyethanol; ethyleenglycolmonoethylether MVP 2
110-82-7 cyclohexaan gO.2
110-85-0 piperazine gO.1
110-86-1 pyridine gO.1
110-88-3 1,3,5-trioxaan gO.2
11113-50-1 natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtsprocenten berekend op de droge stof MVP 1
111-15-9 2-ethoxyethylacetaat; ethylglycolacetaat MVP 2
111-35-3 3-ethoxy-1-propanol gO.2
11138-47-9 perboorzuur natriumzout MVP 1
111-41-1 2-(2-aminoethylamino)ethanol; AEEA MVP 1
111-42-2 2,2’-iminodiethanol; diethanolamine gO.2
1116-54-7 2,2’-(nitrosoimino)bisethanol MVP 1
111-76-2 2-butoxyethanol; butylglycol gO.2
111-77-3 2-(2-methoxyethoxy)ethanol; DEGME gO.2
111-90-0 diethyleenglycolmonoethylether; ethyldiglycol gO.2
1119-40-0 dimethylglutaraat gO.1
111-96-6 bis(2-methoxyethyl)ether MVP 2
111988-49-9 thiacloprid MVP 1
1120-71-4 1,3-propaansulton MVP 2
112-07-2 1-butoxy-2-ethylacetaat; butylglycolacetaat gO.2
112-24-3 triethyleentetramine gO.2
112-34-5 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethanol; butyldiglycol; diethyleenglycolbutylether gO.2
112-49-2 1,2-bis(2-methoxyethoxy)ethaan; TEGDME; triethyleenglycoldimethylether; triglyme MVP 1
112-70-9 tridecanol (isomeren mengsel); tridecylalkohol gO.2
115-10-6 dimethylether gO.2
115-11-7 2-methylpropeen; isobuteen; isobutyleen gO.2
115-29-7 endosulfan MVP 1
115-32-2 dicofol MVP 1
115-86-6 trifenylfosfaat gO.1
115-96-8 tris(2-chloorethyl)fosfaat MVP 1
116-14-3 tetrafluoretheen; tetrafluorethyleen MVP 1
116-15-4 hexafluorpropeen gO.1
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP MVP 1
117-82-8 bis(2-methoxyethyl)ftalaat MVP 1
117955-40-5 2-methoxypropylacetaat MVP 2
118658-99-4 (methyleenbis(4,1-fenyleenazo(1-(3-(dimethylamino)propyl)-1,2-dihydro-6-hydroxy-4-methyl-2-oxopyridine-5,3-diyl)))-1,1’-dipyridiniumdichloridedihydrochloride MVP 1
118-74-1 hexachloorbenzeen MVP 1
118-79-6 2,4,6-tribroomfenol gO.1
119313-12-1 2-benzyl-2-dimethylamino-4′-morfolinobutyrofenon MVP 1
1194-65-6 dichlobenil S
119-64-2 1,2,3,4-tetrahydronaftaleen; tetraline gO.2
119738-06-6 (±) tetrahydrofurfuryl-(R)-2-[4-(6-chloorchinoxalin-2-yloxy)-fenyloxy]propanoaat MVP 1
119-90-4 3,3’-dimethoxybenzidine; o-dianisidine; zouten van 3,3’-dimethoxybenzidine; zouten van o-dianisidine MVP 1
119-93-7 3,3’-dimethylbenzidine; 4,4’-bi-o-toluidine; zouten van 3,3’-dimethylbenzidine; zouten van 4,4’-bi-o-toluidine MVP 1
12002-03-8 koperacetoarseniet (berekend als As) MVP 1
12007-00-0 nikkelboride (NiB) MVP 1
12007-01-1 dinikkelboride MVP 1
12007-02-2 trinikkelboride MVP 1
12008-41-2 dinatriumoctaboraat watervrij MVP 1
120-12-7 antraceen MVP 1
12036-01-0 zirkoonoxide S
12040-72-1 perboorzuur natriumzout monohydraat MVP 1
12068-61-0 nikkeldiarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
120-71-8 6-methoxy-m-toluidine; p-cresidine MVP 1
120-80-9 catechol MVP 1
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen MVP 2
120-92-3 cyclopentanon gO.1
121-14-2 2,4-dinitrotolueen MVP 1
121158-58-5 fenol, dodecyl-, vertakt MVP 1
121-44-8 triethylamine gO.1
121-69-7 N,N-dimethylaniline gO.1
12179-04-3 boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraatpentahydraat MVP 1
122-60-1 1,2-epoxy-3-fenoxypropaan; fenylglycidylether MVP 1
122-66-7 hydrazobenzeen; 1,2-difenylhydrazine MVP 1
12267-73-1 tetraboordinatriumheptaoxide hydraat MVP 1
12280-03-4 dinatriumoctaboraat tetrahydraat MVP 1
122-99-6 fenoxyethanol gO.2
123-03-5 cetylpyridiniumchloride gO.1
123312-54-9 distearyldimethylammonium-bisulfaat gO.1
123-38-6 propanal; propionaldehyde gO.2
123-39-7 N-methylformamide MVP 2
123-42-2 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon; diacetonalcohol gO.2
123-72-8 butanal; n-butylaldehyde; n-butyraldehyd gO.2
123-73-9 (2E)-2-butenal MVP 1
123-77-3 azodicarbonamide; 1,1-Azobisformamide; C,C’-azodi(formamide) MVP 1
123-86-4 azijnzuurbutylester; n-butylacetaat gO.2
123-91-1 1,4-dioxan gO.1
123-92-2 iso-amylacetaat gO.2
123-95-5 butylstearaat gO.2
124-17-4 2-(2-butoxy-ethoxy)-ethylacetaat gO.2
124-40-3 dimethylamine gO.1
124495-18-7 quinoxyfen; 5,7-dichloor-4-(p-fluorfenoxy)quinoline MVP 1
124-65-2 natriumkakodylaat MVP 1
124-68-5 isobutanol-2-amine gO.2
12510-42-8 erioniet MVP 1
12619-90-8 nikkelboride MVP 1
126-99-8 chloropreen; 2-chloor-1,3-butadieen; 2-chloropreen MVP 2
127-18-4 perchloorethyleen; tetrachlooretheen; PER gO.2
127-19-5 N,N-dimethylaceetamide MVP 2
12737-30-3 kobaltnikkeloxide MVP 1
1300-71-6 xylenolen gO.1
1303-00-0 galliumarsenide (berekend als As) MVP 1
1303-28-2 arseenpentoxide; diarseenpentaoxide (berekend als As) MVP 1
1303-86-2 booroxide; diboortrioxide MVP 1
1303-96-4 boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat MVP 1
1304-56-9 berylliumoxide MVP 1
1305-78-8 calciumoxide sA.3
1306-23-6 cadmiumsulfide (berekend als Cd) MVP 1
1310-58-3 kaliumhydroxide sA.3
1310-73-2 natriumhydroxide sA.3
131-18-0 di-n-pentylftalaat; n-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
1313-99-1 nikkeloxide; nikkelmonoxide MVP 1
1314-36-9 yttriumoxide sA.3
1314-62-1 vanadiumpentoxide sA.1
13149-00-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (cis-isomeer); cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
1317-61-9 ijzeroxide (Fe3O4) S
1319-77-3 cresolen gO.1
1321-64-8 pentachloornaftaleen ERS
1321-65-9 trichloornaftaleen ERS
132-32-1 3-amino-9-ethylcarbazool; 9-ethylcarbazool-3-ylamine MVP 1
13252-13-6 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur MVP 2
1327-53-3 arseentrioxide (berekend als As) MVP 1
1330-43-4 boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat MVP 1
1331-22-2 methylcyclohexanon gO.2
1332-21-4 asbest sA.1
1333-86-4 carbon black S
133-49-3 pentachloorbenzeenthiol MVP 1
1335-32-6 loodacetaat, basisch MVP 1
1335-87-1 hexachloornaftaleen ERS
1335-88-2 tetrachloornaftaleen ERS
13360-57-1 dimethylsulfamoylchloride MVP 2
1336-36-3 polychloorbifenylen; PCB’s ERS
1338-23-4 methylethylketonperoxide gO.1
133855-98-8 epoxiconazool; (2RS,3SR)-3-(2-chloorfenyl)-2-(4-fluorfenyl)-[(1H-1,2,4-triazool-1-yl)methyl]oxiraan MVP 1
13463-39-3 nikkeltetracarbonyl; tetracarbonylnikkel MVP 2
13463-40-6 ijzerpentacarbonyl sA.1
13463-67-7 titaandioxide S
13477-70-8 nikkel(II)arsenaat; trinikkelbis(arsenaat) (berekend als Ni + As) MVP 1
13517-20-9 perboorzuur (H3BO2(O2)) mononatriumzout trihydraat MVP 1
13560-89-9 Dechloraan Plus MVP 1
137-17-7 2,4,5-trimethylaniline MVP 1
13746-66-2 kaliumferricyanide sA.3
13814-96-5 loodbis(tetrafluorboraat); loodfluorboraat MVP 1
138-22-7 butyllactaat gO.2
13840-56-7 orthoboorzuur natriumzout MVP 1
138-86-3 limoneen gO.2
139-65-1 4,4’-thiodianiline; zouten van 4,4’-thiodianiline MVP 1
140-01-2 pentanatrium diethyleen-triaminepenta-azijnzuur MVP 1
140-66-9 1,1,3,3-tetramethyl-4-butylfenol; 4-tert-octylfenol; para-tert-octylfenol MVP 1
140-88-5 acrylzuurethylester; ethylacrylaat; ethylpropenoaat gO.1
141-32-2 butylacrylaat gO.1
141-43-5 ethanolamine gO.2
14166-21-3 hexahydroftaalzuur-anhydride (trans-isomeer); trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride MVP 1
141-78-6 azijnzuurester; azijnzuurethylester; ethylacetaat gO.2
1420-07-1 dinoterb; 2-tert-butyl-4,6-dinitrofenol; zouten en esters van dinoterb MVP 1
142844-00-6 aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1
142-96-1 dibutylether gO.2
143-18-0 kaliumoleaat gO.2
143-50-0 chloordecon MVP 1
143860-04-2 3-ethyl-2-methyl-2-(3-methylbutyl)-1,3-oxazolidine MVP 1
14464-46-1 cristoballiet sA.1
1464-53-5 2,2’-bioxiraan; 1,2:3,4-diepoxybutaan MVP 2
14708-14-6 nikkelbis(tetrafluorboraat) MVP 1
14808-60-7 silica (kwarts) als respirabel stof, met uitzondering van silicavezels; zand en andere siliciumverbindingen, met uitzondering van kristallijne of vezelvormige verbindingen sA.2
148-24-3 8-hydroxychinoline MVP 1
148477-71-8 spirodiclofen MVP 1
14977-61-8 chromylchloride MVP 1
15087-24-8 3-benzylideenkamfer MVP 1
15120-17-9 natriumarseniet (berekend als As) MVP 1
15120-21-5 natriumperboraat MVP 1
151-56-4 aziridine; ethyleenimine MVP 2
151798-26-4 2-[2-hydroxy-3-(2-chlorfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]-7-[2-hydroxy-3-(3-methylfenyl)carbamoyl-1-naftylazo]fluoreen-9-on MVP 1
15195-06-9 strontiumarseniet (berekend als As) MVP 1
15468-32-3 tridymiet sA.1
15606-95-8 triethylarsenaat (berekend als As) MVP 1
1569-01-3 n-propoxypropanol-2 gO.2
1569-02-4 1-ethoxy-2-propanol gO.2
1582-09-8 trifluraline MVP 1
1589-47-5 2-methoxypropanol MVP 2
16071-86-6 dinatrium-5-[(4’-((2,6-dihydroxy-3-((2-hydroxy-5-sulfofenyl)azo)fenyl)azo)(1,1’-bifenyl)-4-yl)azo]salicylato(4-)cupraat(2-) MVP 1
16118-49-3 carbetamide MVP 1
1634-04-4 methyl-tertiair-butylether; MTBE gO.2
164058-22-4 trinatrium-[4’-(8-acetylamino-3,6-disulfonato-2-nafthylazo)-4’’-(6-benzoylamino-3-sulfonato-2-nafthylazo)-bifenyl-1,3’,3’’,1’’’-tetraolato-O,O’,O’’,O’’’]koper(II) MVP 1
16812-54-7 nikkelsulfide; nikkel(II)sulfide MVP 1
1763-23-1 heptadecafluoroctaan-1-sulfonzuur; perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) MVP 1
17804-35-2 benomyl; methyl-1-(butylcarbamoyl)benzimidazool-2-ylcarbamaat MVP 1
1825-21-4 pentachlooranisol MVP 1
183196-57-8 kalium-1-methyl-3-morfolinocarbonyl-4-[3-(1-methyl-3-morfolinocarbonyl-5-oxo-2-pyrazoline-4-ylideen)-1-propenyl]pyrazool-5-olaat [met 0,5% of meer N,N-dimethylformamide (EG-nr. 200-679-5)] MVP 2
1836-75-5 nitrofeen; 2,4-dichloorfenyl-4-nitrofenylether MVP 1
18540-29-9 chroom(VI) MVP 1
189-55-9 dibenzo[a,i]pyreen (PAK) MVP 1
189-64-0 dibenzo[a,h]pyreen (PAK) MVP 1
1897-52-5 2,6-difluorbenzonitril; diflubenil S
19089-47-5 2-ethoxy-1-propanol gO.2
191-24-2 benzo[g,h,i]peryleen (PAK) MVP 1
191-30-0 dibenzo[a,l]pyreen (PAK) MVP 1
192-65-4 dibenzo[a,e]pyreen (PAK) MVP 1
19287-45-7 diboraan (B2H6) gA.1
192-97-2 benzo[e]pyreen (PAK) MVP 1
193-39-5 indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK) MVP 1
1937-37-7 dinatrium-4-amino-3-[[4’-[(2,4-diaminofenyl)azo][1,1’-bifenyl]-4-yl]azo]-6-(fenylazo)-5-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat MVP 1
19438-60-9 methylcyclohexyl-1,6-dicarboxylzuur-anhydride MVP 1
194-59-2 7H-dibenzo[c,g]carbazol (PAK) MVP 1
199327-61-2 7-methoxy-6-(3-morfoline-4-ylpropoxy)-3H-chinazoline-4-on [met 0,5% of meer formamide (EG-nr. 200-842-0)] MVP 1
2040-90-6 2-chloor-6-fluorfenol MVP 1
205-82-3 benzo[j]fluorantheen (PAK) MVP 1
2058-94-8 perfluorundecanoaat MVP 1
205-99-2 benzo[b]fluorantheen (PAK); benzo[e]acefenantryleen (PAK) MVP 1
2062-98-8 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propionyl fluoride MVP 2
206-44-0 fluorantheen (PAK) MVP 1
207-08-9 benzo[k]fluorantheen MVP 1
207122-15-4 hexabroomdifenylether; BDE-154 ERS
207122-16-5 heptabroomdifenylether; BDE -183 ERS
208-96-8 acenaftyleen MVP 1
2104-64-5 ethyl-p-nitrofenylthio-benzeenfosfenaat; EPN MVP 1
21049-39-8 natriumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
210555-94-5 fenol, 4-dodecyl-, vertakt MVP 1
21136-70-9 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
214353-17-0 1-(2-amino-5-chloorfenyl)-2,2,2-trifluor-1,1-ethaandiol hydrochloride [met 0,1% of meer 4-chlooraniline (EG-nr. 203-401-0)] MVP 1
21436-97-5 2,4,5-trimethylanilinehydrochloride MVP 1
218-01-9 chryseen (PAK) MVP 1
2227-13-6 tetrasul MVP 1
2234-13-1 octachloornaftaleen ERS
22398-80-7 indium fosfide MVP 1
224-42-0 dibenz[a,j]acridine (PAK) MVP 1
226-36-8 dibenz[a,h]acridine (PAK) MVP 1
23593-75-1 clotrimazol; 1-(2-chloorfenyl)difenylmethyl-1-h-imidazol MVP 1
2385-85-5 mirex MVP 1
2425-06-1 captafol MVP 1
24280-93-1 mycofenolinezuur MVP 1
2440-02-0 heptachloornorborneen MVP 1
2451-62-9 1,3,5-tris(oxiranylmethyl)-1,3,5-triazine-2,4,6(1H3H5H)-trion; TGIC MVP 1
24602-86-6 tridemorf; 2,6-dimethyl-4-tridecylmorfoline MVP 1
2475-45-8 1,4,5,8-tetraaminoantrachinon MVP 1
24937-79-9 polyvinylideenfluoride S
25038-54-4 6-aminohexaanzuur, dimeer gO.2
25086-15-1 polymethylmethacrylaat S
25154-52-3 nonylfenolen en verwante verbindingen; NPs MVP 1
25155-23-1 trixylyl fosfaat; TXP MVP 1
25167-70-8 2,4,4-trimethyl-1-penteen; diisobuteen gO.2
25214-70-4 oligomere reactieproducten van formaldehyde met aniline (technisch MDA) MVP 1
25321-09-9 diisopropylbenze(e)n(en) gO.2
25321-14-6 dinitrotolueen MVP 1
25339-17-7 isodecanol gO.2
25340-17-4 diethylbenzeen, isomeren:1,2-;1,3-;1,4 gO.2
2551-62-4 zwavelhexafluoride gA.3
25550-51-0 methylhexahydroftaalzuur anhydride (MHHPA) MVP 1
2580-56-5 [4-[[4-anilino-1-naftyl][4-(dimethylamino)fenyl]methyleen]cyclohexa-2,5-dien-1-ylidene] dimethylammonium chloride (C.I. Basic Blue 26) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
25973-55-1 2-(2H-benzotriazol-2-yl)-4,6-ditertpentylfenol MVP 1
2602-46-2 tetranatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis[5-amino-4-hydroxynaftaleen-2,7-disulfonaat] MVP 1
26140-60-3 terfenyl MVP 1
26761-40-0 di-isodecylftalaat; DIDP; diisodecylftalaat S
2687-91-4 N-ethyl-2-pyrrolidon; 1-ethylpyrrolidin-2-one MVP 2
27016-75-7 nikkelarsenide (berekend als As + Ni) MVP 1
27140-08-5 fenylhydrazinehydrochloride MVP 1
27366-72-9 N,N-(dimethylamino)thioaceetamide hydrochloride MVP 2
27458-92-0 isotrideca-1-ol gO.1
2795-39-3 kaliumheptadecafluoroctaan-1-sulfonaat; kaliumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
28553-12-0 diisononylftalaat; DINP S
28680-45-7 heptachloornorborneen MVP 1
28772-56-7 bromadiolon MVP 1
288-32-4 imidazool MVP 1
29081-56-9 ammoniumheptadecafluoroctaansulfonaat; ammoniumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
2915-52-8 didodecylmaleaat; dilauryl maleate gO.2
29457-72-5 lithiumheptadecafluoroctaansulfonaat; lithiumperfluoroctaansulfonaat MVP 1
294-62-2 cyclododecaan MVP 1
301-04-2 looddiacetaat MVP 1
302-01-2 hydrazine MVP 2
3033-77-0 2,3-epoxypropyltrimethylammoniumchloride; glycidyltrimethylammoniumchloride MVP 1
307-55-1 perfluordodecanoaat MVP 1
309-00-2 aldrin MVP 1
3108-42-7 ammonium perfluordecaanzuur MVP 1
3165-93-3 4-chloor-o-toluidinehydrochloride MVP 1
319-84-6 alfa-HCH MVP 1
319-85-7 beta-HCH MVP 1
32241-08-0 heptachloornaftaleen ERS
32534-81-9 pentabroomdifenyl ether ERS
32536-52-0 octabroomdifenylether; OctaBDE; commercieel octabroomdifenylether ERS
330-54-1 diuron MVP 1
330-55-2 linuron; 3-(3,4-dichloorfenyl)-1-methoxy-1-methylureum MVP 1
33213-65-9 beta-endosulfan MVP 1
334-88-3 diazomethaan MVP 2
335-57-9 hexadecafluorheptaan ERS
335-67-1 perfluoroctaanzuur; decapentafluoroctaanzuur; PFOA MVP 2
335-76-2 perfluordecaanzuur MVP 1
3424-82-6 o,p-DDE isomeer MVP 1
34590-94-8 dipropyleenglycolmonomethylether gO.2
35367-38-5 diflubenzuron S
355-46-4 perfluorhexaan-1-sulfonzuur MVP 2
36065-30-2 1,3,5-tribroom-2-(2,3-dibroom-2-methylpropoxy)benzeen; 2,4,6-tribroomfenyl 2-methyl-2,3-dibroompropylether MVP 1
36341-27-2 benzidine acetaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine acetaat MVP 1
36355-01-8 hexabroombifenyl ERS
36437-37-3 2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol MVP 1
36643-28-4 tributyltin-kation en tributyltin verbindingen MVP 1
3687-31-8 trilooddiarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
3691-35-8 chloorfacinon MVP 1
37240-96-3 loodrhodiumoxide MVP 1
3724-43-4 chloor-N,N-dimethylformiminiumchloride MVP 1
37244-98-7 perboorzuur natriumzout tetrahydraat MVP 1
375-73-5 perfluorbutaansulfonzuur; PFBS MVP 1
375-95-1 perfluornonaanzuur MVP 2
376-06-7 perfluortetradecanoaat MVP 1
37894-46-5 etacelasil; 6-(2-chloorethyl)-6-(2-methoxyethoxy)-2,5,7,10-tetraoxa-6-silaundecaan MVP 1
382-21-8 perfluorisobuteen MVP 2
3825-26-1 ammonium pentadecafluoroctanoaat; APFO MVP 1
3830-45-3 natrium perfluordecaanzuur MVP 1
3843-16-1 distearyldimethylammonium-methosulfaat gO.1
3846-71-7 2-benzotriazol-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol MVP 1
3864-99-1 2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol MVP 1
39156-41-7 2,4-diaminoanisoolsulfaat MVP 1
39300-45-3 dinocap; (RS)-2,6-dinitro-4-octylfenylcrotonaten en (RS)-2,4-dinitro-6-octylfenylcrotonaten waarbij octyleen een mengsel is van 1-methylheptyl-, 1-ethylhexyl- en 1-propylpentylgroepen MVP 1
39807-15-3 oxadiargyl S
399-95-1 4-amino-3-fluorfenol MVP 1
40722-80-3 (2-chloorethyl)(3-hydroxypropyl)ammoniumchloride MVP 1
41083-11-8 azocyclotin MVP 1
4149-60-4 ammoniumzouten van perfluornonaanzuur MVP 2
4170-30-3 2-butenal MVP 1
446255-22-7 heptabroomdifenylether; BDE-175 ERS
463-58-1 carbonylsulfide gO.1
465-73-6 isodrin MVP 1
470-90-6 chloorfenvinfos MVP 1
48122-14-1 hexahydro-1-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
485-31-4 binapacryl; 2-sec-butyl-4,6-dinitrofenyl-3-methylcrotonaat MVP 1
488-23-3 1,2,3,4-tetramethylbenzeen gO.2
4904-61-4 1,5,9-cyclododecatrieen MVP 1
49690-63-3 tri-2,4-dibroomfenylfosfaat; tris(2,4-dibroomfenyl)fosfaat S
50-00-0 formaldehyde MVP 2
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT MVP 1
50-32-8 benzo[a]pyreen (PAK) MVP 1
50471-44-8 vinchlozolin; N-3,5-dichloorfenyl-5-methyl-5-vinyl-1,3-oxazolidine-2,4-dion MVP 1
506-77-4 chloorcyaan gA.1
51000-52-3 ethenyl ester van neodecaanzuur MVP 2
512-04-9 3beta,25R-spirost-5-en-3-ol MVP 1
5131-66-8 1-butoxy-2-propanol gO.2
513-42-8 2-methylallylalcohol gO.1
513-79-1 kobaltcarbonaat MVP 1
5146-66-7 3,7-dimethylocta-2,6-dieennitril MVP 1
51594-55-9 (R)-1-chloor-2,3-epoxypropaan MVP 2
51-79-6 urethaan; ethylcarbamaat MVP 2
52033-74-6 fenylhydrazinesulfaat (2:1) MVP 1
52125-53-8 1,2-propaandiolmonoethylether gO.2
5216-25-1 p-chloorbenzotrichloride; α,α,α,4-tetrachloortolueen MVP 1
527-53-7 1,2,3,5-tetramethylbenzeen gO.2
531-85-1 benzidine dihydrochloride; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine hydrochloride MVP 1
531-86-2 benzidine sulfaat; [1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 1
5343-92-0 1,2-pentaandiol gO.2
53-70-3 dibenz[a,h]antraceen (PAK); dibenzo(a,h)-antraceen (PAK) MVP 1
540-59-0 1,2-dichlooretheen gO.2
540-73-8 1,2-dimethylhydrazine MVP 2
540-97-6 dodecamethylcyclohexasiloxaan MVP 1
541-02-6 decamethylcyclopentasiloxaan; D5 MVP 2
541-05-9 hexamethylcyclotrisiloxaan; D3 gO.2
542-56-3 isobutylnitriet MVP 2
542-88-1 bis(chloormethyl)ether; oxybis(chloormethaan) MVP 2
5436-43-1 tetrabroomdifenylether; BDE-47 ERS
548-62-9 C.I. Basic Violet 3 [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5)] MVP 1
55219-65-3 triadimenol MVP 1
552-30-7 benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride MVP 1
553-00-4 2-naftylamine acetaat; 2-naftaleenamine acetaat MVP 1
5543-57-7 (S)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
5543-58-8 (R)-3-(1-fenyl-3-oxobutyl)-4-hydroxy-2-benzopyron MVP 1
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat MVP 1
556-52-5 glycidol; 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
556-67-2 octamethyltetra-siloxaan; D4 MVP 2
557-05-1 zinkstearaat S
5571-36-8 cyclisch 3-(1,2-ethaandiylacetaal)oestra-5(10),9(11)-dieen-3,17-dion MVP 1
56073-07-5 difenacum MVP 1
56073-10-0 brodifacoum MVP 1
561-41-1 4,4’-bis(dimethylamino)-4’’-(methylamino)trityl alcohol [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG No. 202-959-2)] MVP 1
5625-90-1 N,N′-methyleendimorfoline MVP 1
56-35-9 tributyltinoxide MVP 1
563-80-4 3-methyl-2-butanon; methylisopropylketon gO.2
56-55-3 benz[a]antraceen (PAK); benzo[a]antraceen (PAK) MVP 1
56-81-5 glycerol S
569-61-9 4,4’-(4-iminocyclohexa-2,5-dienylideenmethyleen)dianilinehydrochloride MVP 1
57044-25-4 2,3-epoxypropaan-1-ol MVP 2
57110-29-9 hexahydro-3-methylftaalzuur-anhydride MVP 1
57-14-7 N,N-dimethylhydrazine MVP 2
57171-56-9 geethoxyleerd sorbitolhexaoleaat gO.2
573-58-0 dinatrium-3,3’-[[1,1’-bifenyl]-4,4’-diylbis(azo)]bis(4-aminonaftaleen-1-sulfonaat) MVP 1
57-55-6 1,2-propaandiol; propyleenglycol gO.2
57-57-8 1,3-propiolacton; 3-propanolide MVP 2
57-74-9 chloordaan MVP 1
578-94-9 difenylaminochloorarsine MVP 1
581-89-5 2-nitronaftaleen MVP 1
5836-29-3 cumatetralyl MVP 1
584-84-9 1-methyl-2,4-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,4-diisocyanaat; TDI S
58591-45-0 kobaltnikkeldioxide MVP 1
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; lindaan MVP 1
592-62-1 methyl-ONN-azoxymethylacetaat; methylazoxymethylacetaat MVP 1
593-60-2 vinylbromide MVP 2
59447-55-1 (pentabroomfenyl)methylacrylaat; (pentabroomfenyl) methylester van 2-propeenzuur MVP 1
59653-74-6 1,3,5-tris-[(2S en 2R)-2,3-epoxypropyl]-1,3,5-triazine-2,4,6-(1H3H5H)-trion MVP 1
598-14-1 ethyldichloorarsine MVP 1
59-88-1 fenylhydrazinechloride MVP 1
60-09-3 4-aminoazobenzeen MVP 1
602-01-7 2,3-dinitrotolueen MVP 1
60207-90-1 propiconazool MVP 1
602-87-9 5-nitroacenafteen MVP 1
60-29-7 diethylether; ether gO.2
60-32-2 6-aminohexaanzuur, monomeer gO.2
603-35-0 trifenylfosfine MVP 1
60-34-4 methylhydrazine MVP 2
60348-60-9 pentabroomdifenylether; BDE-99 ERS
605-50-5 di-isopentylftalaat MVP 1
60-57-1 dieldrin MVP 1
606-20-2 2,6-dinitrotolueen MVP 1
608-33-3 2,6-dibroomfenol S
608-73-1 hexachloorcyclohexaan MVP 1
608-93-5 pentachloorbenzeen MVP 1
610-39-9 3,4-dinitrotolueen MVP 1
612-52-2 2-naftylamine hydrochloride; 2-naftaleenamine hydrochloride MVP 1
612-82-8 4,4’-bi-o-toluidine dihydrochloride; 3,3’-dimethylbenzidine dihydrochloride; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine dihydrochloride MVP 1
613-35-4 N,N’-diacetylbenzidine MVP 1
615-05-4 2,4-diaminoanisool; 4-methoxy-m-fenyleendiamine MVP 1
615-58-7 2,4-dibroomfenol gO.1
61571-06-0 tetrahydrothiopyraan-3-carboxaldehyde MVP 2
61788-32-7 gehydrogeneerd terfenyl MVP 1
61788-33-8 polychloorterfenylen MVP 1
6180-61-6 fenoxypropanol; 3-fenoxy-1-propanol gO.2
618-85-9 3,5-dinitrotolueen MVP 1
619-15-8 2,5-dinitrotolueen MVP 1
620-14-4 1-methyl-3-ethylbenzeen gO.2
62037-80-3 ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
621-64-7 nitrosodipropylamine MVP 2
62-53-3 aminobenzeen; aniline gO.1
625-45-6 methoxyazijnzuur MVP 2
62-55-5 thioaceetamide MVP 2
626-38-0 sec-amylacetaat gO.1
62-75-9 N-nitrosodimethylamine; dimethylnitrosoamine MVP 2
627-93-0 dimethyladipaat gO.1
628-63-7 n-amylacetaat gO.2
629-14-1 1,2-diethoxyethaan MVP 2
630-08-0 koolmonoxide (CO) (deze verbinding heeft geen emissiegrenswaarde) ---
63148-62-9 siliconenolie gO.2
63989-69-5 ijzer(III)arseniet (berekend als As) MVP 1
64-17-5 ethanol gO.2
64-18-6 mierenzuur gO.1
64-19-7 azijnzuur gO.2
64475-85-0 white spirit gO.2
646-13-9 isobutylstearaat gO.2
64-67-5 diethylsulfaat MVP 2
64-86-8 colchicine MVP 1
64969-36-4 4,4’-bi-o-toluidine disulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine disulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine disulfaat MVP 1
65229-23-4 nikkelboorfosfide MVP 1
65277-42-1 1-[4-[4-[[(2SR,4RS)-2-(2,4-dichloorfenyl)-2-(imidazool-1-ylmethyl)-1,3-dioxolaan-4-yl]methoxy]fenyl]piperazine-1-yl]ethanon; ketoconazool MVP 1
65321-67-7 tolueen-2,4-diammoniumsulfaat MVP 1
65996-93-2 pek koolteer, hoge temperatuur [Het residu dat wordt verkregen bij de destillatie van bij hoge temperatuur verkregen koolteer. Een zwarte vaste stof met een verwekingstraject van bij benadering 30 °C tot 180 °C. Voornamelijk samengesteld uit een complexe verzameling van aromatische koolwaterstoffen met drie- of meervoudig gecondenseerde ringen] MVP 1
65997-15-1 Portland cement S
66-81-9 cycloheximide; 4-(2R)-2-[(1S,3S,5S)-3,5-dimethyl-2-oxocyclohexyl]-2-hydroxyethylpiperidine-2,6-dion MVP 1
67118-55-2 kalium 2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propanoaat MVP 2
67-56-1 methanol gO.2
67-63-0 2-propanol; iso-propanol; isopropylalcohol gO.2
67-64-1 aceton; propanon gO.2
67-66-3 chloroform; trichloormethaan gO.1
6786-83-0 α,α-bis[4-(dimethylamino)fenyl]-4 (fenylamino)naftaleen-1-methanol (C.I. Solvent Blue 4) [met 0,1% of meer Michler’s keton (EG-nr. 202-027-5) of Michler’s base (EG-nr. 202-959-2)] MVP 1
68016-03-5 kobaltdimolybdeennikkeloctaoxide MVP 1
680-31-9 hexamethylfosforamide; hexamethylfosforzuurtriamide MVP 1
6804-07-5 carbadox MVP 1
68049-83-2 azafenidin; 2-(2,4-dichloor-5-prop-2-ynyloxyfenyl)- 5,6,7,8-tetrahydro-1,2,4-triazool[4,3-a]pyridin-3(2H)- one MVP 1
6807-17-6 4,4-isobutylethylideendifenol MVP 1
68-12-2 N,N-dimethylformamide MVP 2
68186-89-0 kobaltnikkel grijze periklaas: C.I. Pigment black 25; C.I. 77332 MVP 1
68515-42-4 1,2-benzeendicarboxylzuur, di-C7-11 vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-50-4 1,2-benzeendicarbonzuur, dihexyl ester, vertakte en lineaire alkylesters MVP 1
68515-51-5 1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkyl esters MVP 1
68631-49-2 hexabroomdifenylether; BDE-153 ERS
68648-93-1 1,2-benzeendicarbonzuur, mengsel van decyl en hexyl en octyl diesters MVP 1
68694-11-1 triflumizool MVP 1
69029-86-3 tellurium sA.2
693-98-1 2-methylimidazool MVP 1
69806-50-4 fluazifop-butyl; butyl-2-[4-[[5-(trifluormethyl)- 2-pyridyl]oxy]fenoxy]propionaat MVP 1
70124-77-5 flucythrinaat MVP 1
70225-14-8 diethanolamineperfluoroctaansulfonaat MVP 1
70-25-7 1-methyl-3-nitro-1-nitrosoguanidine MVP 1
70657-70-4 2-methoxypropylacetaat MVP 2
70776-03-3 polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van naftaleen ERS
70987-78-9 (S)-oxiraanmethanol 4-methylbenzeensulfonaat MVP 1
71-23-8 n-propenol gO.2
712-48-1 difenylchloorarsine MVP 1
71-36-3 butylalcohol; n-butanol gO.2
71-43-2 benzeen MVP 2
71-48-7 kobaltacetaat MVP 1
71850-09-4 diisohexylftalaat MVP 1
71868-10-5 2-methyl-1-(4-methylthiofenyl)-2-morfolinopropaan-1-on MVP 1
71888-89-6 1,2-benzeendicarbonzuur; C7-rijk di-C6-8-vertakte alkylesters MVP 1
72-20-8 endrin MVP 1
72-43-5 methoxychloor MVP 1
72629-94-8 perfluortridecanoaat MVP 1
732-26-3 2;4;6-tri-tert-butylfenol; dodecylfenol MVP 1
7397-62-8 butylglycolaat gO.2
7439-97-6 kwik MVP 1
7429-90-5 aluminium S
7439-92-1 lood MVP 1
7439-96-5 mangaan sA.3
7439-98-7 molybdeen S
7440-02-0 nikkel MVP 1
7440-05-3 palladium sA.3
7440-06-4 platina sA.3
7440-16-6 rhodium sA.2
7440-22-4 zilver sA.2
7440-25-7 tantaal sA.3
7440-28-0 thallium sA.1
7440-31-5 tin sA.3
7440-36-0 antimoon sA.3
7440-38-2 arseen MVP 1
7440-39-3 barium sA.3
7440-41-7 beryllium MVP 1
7440-42-8 borium S
7440-43-9 cadmium MVP 1
7440-47-3 Chroom, met uitzondering van chroom(VI) sA.3
7440-48-4 kobalt MVP 1
7440-50-8 koper sA.3
7440-62-2 vanadium sA.3
7440-65-5 yttrium sA.3
7440-66-6 zink S
7440-67-7 zirkoon S
74499-35-7 fenol, (tetrapropenyl)- derivaten MVP 1
74646-29-0 trinikkelbis(arseniet) (berekend als As + Ni) MVP 1
74753-18-7 4,4’-bi-o-toluidine sulfaat; 3,3’-dimethylbenzidine sulfaat; 3,3’-dimethyl-[1,1’-bifenyl]-4,4’-diamine sulfaat MVP 2
74-85-1 etheen gO.2
74-86-2 acetyleen; ethyn gO.2
74-87-3 chloormethaan; methylchloride gO.1
74-89-5 aminomethaan; methylamine gO.1
74-90-8 blauwzuurgas; cyaanwaterstof; HCN gA.2
75-00-3 chloorethaan; ethylchloride gO.2
75-01-4 vinylchloride; chlooretheen; chloorethyleen MVP 2
75-04-7 aminoethaan; ethylamine gO.1
75-05-8 acetonitril gO.2
75-07-0 ethanal MVP 2
75-09-2 dichloormethaan; methyleenchloride gO.2
75113-37-0 di-µ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan; dibutyltinhydrogeenboraat; dibutyltinwaterstofboraat MVP 1
75-12-7 formamide MVP 1
75-15-0 koolstofdisulfide; zwavelkoolstof gO.2
75-18-3 dimethylmercaptaan; thiobismethaan gO.1
75-21-8 1,2-epoxyethaan; ethyleenoxide; oxiraan; etheenoxide MVP 2
75-25-2 tribroommethaan gO.1
75-26-3 2-broompropaan MVP 2
75-27-4 broomdichloormethaan gO.1
75-28-5 isobutaan [met 0,1% of meer butadieen (EG-nr. 203-450-8)] MVP 2
75-29-6 2-chloorpropaan gO.2
75-34-3 1,1-dichloorethaan gO.2
75-35-4 1,1-dichlooretheen gO.1
75-38-7 1,1-difluoretheen; vinylideenfluoride gO.2
75-44-5 fosgeen gA.1
75-52-5 nitromethaan gO.2
75-55-8 2-methylaziridine MVP 2
75-56-9 propyleenoxide; methyloxiraan; 1,2-epoxypropaan; propeenoxide MVP 2
75-60-5 kakodylzuur MVP 1
75-65-0 2-methyl-2-propanol; tert-butanol gO.2
75-73-0 koolstoftetrafluoride; methaantetrafluoride; tetrafluormethaan gO.2
75-91-2 1,1-dimethylethyl-hydroperoxide; tertiairbutylhydroperoxide; TBHP gO.1
76-01-7 pentachloorethaan MVP 2
7601-90-3 perchloorzuur gA.1
76-16-4 hexafluorethaan gO.2
76-19-7 octafluorpropaan gO.2
76253-60-6 monomethyltetrachloordifenylmethaan MVP 1
7631-86-9 siliciumdioxide (amorf) S
7631-89-2 natriumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7632-04-4 natriumperoxometaboraat MVP 1
7637-07-2 boriumtrifluoride gA.2
764-41-0 1,4-dichloorbut-2-een MVP 2
76-44-8 heptachloor MVP 1
7646-79-9 kobaltchloride; kobaltdichloride MVP 1
7646-85-7 zinkchloride (rook) sA.3
7664-38-2 fosforzuur gA.2
7664-93-9 zwavelzuur gA.2
76-87-9 fentinhydroxide; trifenyltinhydroxide MVP 1
7697-37-2 salpeterzuur (nevels) gA.3
77-09-8 fenolftaleïne MVP 1
77182-82-2 glufosinaat-ammonium; ammonium-2-amino- 4-(hydroxymethylfosfinyl)butyraat MVP 1
7726-95-6 broom gA.2
77402-03-0 methylacrylamidomethoxyacetaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77402-05-2 methylacrylamidoglycolaat [met 0,1% of meer acrylamide] MVP 1
77-47-4 1,2,3,4,5,5-hexachloor(1,3-)cyclopentadieen MVP 1
7758-01-2 kaliumbromaat MVP 1
77-58-7 dibutyltindilauraat MVP 1
776297-69-9 N-pentyl-isopentylftalaat MVP 1
77-78-1 dimethylsulfaat MVP 2
7778-39-4 arseenzuur (berekend als As) MVP 1
7778-44-1 calciumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7782-41-4 fluor gA.1
7782-42-5 grafiet S
7782-49-2 seleen sA.2
7782-50-5 chloorgas (Cl2) gA.2
7782-65-2 germaniumhydride (GeH4) gA.2
7783-06-4 waterstofsulfide; zwavelwaterstof gA.2
7783-54-2 stikstoftrifluoride gA.2
7783-61-1 siliciumtetrafluoride gA.2
7784-08-9 zilverarseniet (berekend als As + Ni) MVP 1
7784-33-0 arseenbromide (berekend als As) MVP 1
7784-34-1 arseentrichloride (berekend als As) MVP 1
7784-40-9 loodarsenaat (berekend als As + Pb) MVP 1
7784-41-0 kaliumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7784-42-1 arseenwaterstof; arsine (berekend als As) MVP 1
7784-44-3 ammoniumarsenaat (berekend als As) MVP 1
7789-75-5 calciumfluoride sA.3
7790-79-6 cadmiumfluoride (berekend als Cd) MVP 1
7803-51-2 fosforwaterstof; fosfine gA.1
7803-57-8 hydraten van hydrazine MVP 2
7803-62-5 siliciumtetrahydride gA.2
78-10-4 ethylsilicaat; tetraethylorthosilicaat gO.2
78-59-1 3,5,5-trimethyl-2-cyclohexeen-1-on; isoforon gO.2
78-79-5 isopreen MVP 2
78-83-1 isobutanol gO.2
78-87-5 1,2-dichloorpropaan MVP 2
789-02-6 2,4-DDT isomeer MVP 1
78-92-2 2-butanol; sec-butanol gO.2
78-93-3 2-butanon; ethylmethylketon; methylethylketon; MEK gO.2
79-00-5 1,1,2-trichloorethaan gO.1
79-01-6 trichlooretheen; trichloorethyleen; TRI MVP 2
79-06-1 acrylamide MVP 1
79-09-4 propaanzuur; propionzuur gO.2
79-10-7 acrylzuur; propeenzuur gO.1
79-11-8 chloorazijnzuur gO.1
79-16-3 N-methylacetamide MVP 2
79-20-9 azijnzuurmethylester; methylacetaat gO.2
79-21-0 perazijnzuur gO.1
79-24-3 nitroethaan gO.2
79-27-6 1,1,2,2- tetrabroomethaan gO.1
79-29-8 2,3-dimethylbutaan gO.2
793-24-8 N-(1,3-dimethylbutyl)-N’-fenyl-1,4-benzeendiamine; 4-(dimethylbutylamino) difenylamine MVP 1
79-34-5 1,1,2,2-tetrachloorethaan gO.1
79-44-7 dimethylcarbamoylchloride MVP 2
79-46-9 2-nitropropaan MVP 2
79-94-7 tetrabroombisfenol A MVP 1
8001-35-2 toxafeen MVP 1
80-05-7 bisfenol A MVP 2
8021-39-4 creosoot, hout MVP 1
80387-97-9 2-ethylhexyl-[[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)- 4-hydroxyfenyl]methyl]thio]acetaat MVP 1
80-46-6 p-(1,1-dimethylpropyl)fenol MVP 1
80-62-6 methacrylzuurmethylester; methyl-(2-methyl)- propenoaat; methylmethacrylaat gO.1
81-15-2 musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6- trinitro-m-xyleen MVP 1
81-81-2 warfarine MVP 1
822-06-0 1,6-hexaandiisocyanaat; hexamethyleendiisocyanaat gO.1
82413-20-5 (E)-3-[1-[4-[2-(dimethylamino)ethoxy]fenyl]- 2-fenylbut-1-enyl]fenol MVP 1
83-32-9 acenafteen MVP 1
838-88-0 4,4’-methyleendi-o-toluidine MVP 1
84-15-1 o-terfenyl MVP 1
84245-12-5 N-[6,9-dihydro-9-[[2-hydroxy-1-(hydroxymethyl)ethoxy]methyl]-6-oxo-1H-purin- 2-yl]acetamide MVP 1
84540-57-8 methoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
84-61-7 dicyclohexylftalaat MVP 1
84-65-1 antrachinon MVP 1
84-69-5 diisobutylftalaat; DIBP MVP 2
84-74-2 dibutylftalaat; DBP MVP 1
84-75-3 dihexylftalaat MVP 1
84-76-4 dinonylftalaat gO.1
84777-06-0 vertakte en lineaire dipentylesters van 1,2- benzeendicarbonzuur MVP 1
84929-62-4 ricinusolie-ethoxylaat (met 15 ethyleenoxide- eenheden) gO.2
85-01-8 fenantreen MVP 1
85136-74-9 6-hydroxy-1-(3-isopropoxypropyl)-4-methyl-2-oxo- 5-[4-(fenylazo)fenylazo]-1,2-dihydro-3-pyridinecarbonitril MVP 1
85-22-3 pentabroomethylbenzeen MVP 1
85-42-7 hexahydroftaalzuur-anhydride; cyclohexaan-1,2- dicarbonzuuranhydride MVP 1
85-44-9 ftaalzuuranhydride S
85509-19-9 flusilazool; bis(4-fluorfenyl)(methyl)(1H-1,2,4-triazol- 1-ylmethyl)silane MVP 1
85535-84-8 C10-13-chlooralkanen; kortketenige gechloreerde paraffines; SCCP’s; C10-13 alifatische chloorkoolwaterstoffen MVP 1
85-68-7 benzylbutylftalaat; BBP MVP 1
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon MVP 2
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen MVP 2
87-68-3 hexachloorbutadieen MVP 1
87-86-5 pentachloorfenol MVP 1
88-72-2 2-nitrotolueen MVP 2
88-85-7 dinoseb; 6-(1-methylpropyl)-2,4-dinitrofenol; zouten en esters van dinoseb MVP 1
90035-08-8 flocumafen MVP 1
90-04-0 o-anisidine; 2-methoxyaniline MVP 2
9016-45-9 nonylfenolethoxylaten en verwante verbindingen; NPEs MVP 1
90640-80-5 antraceenolie, Een complexe verzameling polycyclische aromatische koolwaterstoffen die wordt verkregen uit koolteer met een destillatietraject van ongeveer 300 °C tot 400 °C. Voornamelijk samengesteld uit fenantreen antraceen en carbazool. MVP 1
90640-81-6 antraceenolie, antraceenpasta; antraceenolie, fractie [De antraceenrijke vaste stof die wordt verkregen door de kristallisatie en centrifugatie van antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
90640-82-7 antraceenolie, antraceenarm; antraceenolie, fractie [De olie die resteert na de verwijdering, door middel van een kristallisatieproces, van een antraceenrijke vaste stof (antraceenpasta) uit antraceenolie. Bestaat voornamelijk uit aromatische verbindingen met twee, drie of vier ringen] MVP 1
90-72-2 2,4,6-tri(dimethylaminomethyl)fenol S
90-94-8 4,4’-bis(dimethylamino)benzofenon; Michler’s keton MVP 1
91079-47-9 fenolen C9-11-; gedestilleerde fenolen MVP 1
91-08-7 1-methyl-2,6-fenyleen-diisocyanaat; tolueen-2,6-diisocyanaat S
91-17-8 bicyclo(4,4,0)decaan; decahydronaftaleen; decaline gO.2
91-20-3 naftaleen; naftaline MVP 1
91-22-5 quinoline; chinoline MVP 1
91-23-6 2-nitroanisool MVP 1
91-59-8 2-naftylamine; 2-naftaleenamine; zouten van 2-naftylamine; zouten van 2-naftaleenamine MVP 1
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine; zouten van 3,3- dichloorbenzidine MVP 1
91-95-2 bifenyl-3,3’,4,4’-tetrayltetraamine; diaminobenzidine MVP 1
91995-15-2 antraceenolie, antraceenpasta, antraceenfractie; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 330 °C tot 350 °C. Bevat hoofdzakelijk antraceen carbazool en fenantreen] MVP 1
91995-17-4 antraceenolie, antraceenpasta, lichte destillatiefracties; antraceenolie, fractie [Een complexe verzameling koolwaterstoffen uit de destillatie van antraceen die wordt verkregen door de kristallisatie van antraceenolie uit bitumineuze hoge-temperatuur-teer, met een kooktraject van ongeveer 290 °C tot 340 °C. Bevat hoofdzakelijk tricyclische aromaten en dihydroderivaten daarvan] MVP 1
924-42-5 N-methylolacrylamide MVP 1
92-52-4 bifenyl; difenyl S
92-67-1 4-aminobifenyl; xenylamine; zouten van 4-aminobifenyl; zouten van xenylamine MVP 1
92-87-5 benzidine; 4,4’-diaminobifenyl; zouten van benzidine; zouten van 4,4’-diaminobifenyl MVP 1
92-93-3 4-nitrobifenyl MVP 1
93-58-3 benzoëzuurmethylester; methylbenzoaat S
94-26-8 butylparabeen MVP 1
94361-06-5 cyproconazool MVP 1
94551-87-8 ontkoperd afvalslik en bezinksel van elektrolytische koperzuivering MVP 1
94-59-7 5-allyl-1,3-benzodioxoo; safrool MVP 1
94723-86-1 2-butyryl-3-hydroxy-5-thiocyclohexaan-3-ylcyclohex- 2-een-1-on MVP 1
95-06-7 sulfallaat; 2-chloorallyldiethyldithiocarbamaat MVP 1
95-50-1 1,2-dichloorbenzeen gO.1
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine; zouten van o-toluidine; zouten van 2-aminotolueen; zouten van 2-methylbenzeenamine MVP 2
95-69-2 4-chloor-o-toluidine MVP 1
95-80-7 4-methyl-m-fenyleendiamine MVP 1
95-92-1 diethyloxalaat gO.2
95-93-2 1,2,4,5-tetramethylbenzeen gO.2
959-98-8 alfa-endosulfan MVP 1
96-09-3 (epoxyethyl)benzeen; fenyloxiraan; styreenoxide MVP 2
96-12-8 dibroomchloorpropaan; 1,2-dibroom- 3-chloorpropaan MVP 2
96-13-9 2,3-dibroompropaan-1-ol MVP 2
96-18-4 1,2,3-trichloorpropaan MVP 2
96-22-0 3-pentanon gO.2
96-23-1 1,3-dichloorpropaan-2-ol MVP 2
96-29-7 2-butanonoxim MVP 2
96-33-3 acrylzuurmethylester; methylacrylaat; methylpropenoaat gO.1
96-45-7 ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion MVP 1
96-48-0 γ-butyrolacton gO.1
97-56-3 o-aminoazotolueen; 4-amino-2’,3- dimethylazobenzeen; 4-o-tolylazo-o-toluidine MVP 1
97-64-3 ethyllactaat; ethyl-α-hydroxypropionaat gO.2
97-88-1 n-butylmethacrylaat gO.2
97925-95-6 ethanol, 2,2’-iminobis-, N-(C13-15-vertakt en lineair alkyl)-derivaten MVP 1
97-99-4 tetrahydro-2-furylmethanol MVP 2
98-00-0 2-hydroxymethylfuran; furfurylalcohol gO.2
98-01-1 2-furaldehyde; furfural; furfurol gO.1
98-07-7 benzotrichloride; trichloormethylbenzeen MVP 2
98-54-4 4-tert-butylfenol MVP 1
98-55-5 α-terpineol gO.2
98-73-7 4-tert-butylbenzoëzuur MVP 1
98-82-8 cumeen; isopropylbenzeen gO.2
98-83-9 isopropenylbenzeen; α-methylstyreen gO.2
98-87-3 benzalchloride gO.1
98-95-3 nitrobenzeen MVP 2
99-62-7 m-diisopropylbenzeen gO.2
996-35-0 dimethylisopropylamine gO.1
99688-47-8 monomethyldibroomdifenylmethaan MVP 1
2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluorpropoxy)propaanzuur, zijn zouten en zijn acylhaliden (omvattend elk van hun individuele isomeren en combinaties daarvan) MVP 2
4-heptylfenol, vertakt en lineair MVP 1
5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5- methyl-1,3-dioxaan MVP 1
6-aminohexaanzuur, trimeer gO.2
aardolie gO.2
alifatisch koolwaterstofmengsel gO.2
alkoholethyleen-oxide-fosfaatester (mengsel van C12/C14 mono- di- en trimeren) gO.2
alkylalcoholen gO.2
aluminiumverbindingen S
antimoonverbindingen sA.3
aromatisch koolwaterstofmengsel gO.2
arseenverbindingen (berekend als As) MVP 1
azokleurstoffen op basis van benzidine; 4,4- diarylazobifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-dianisidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethoxybifenylkleurstoffen MVP 1
azokleurstoffen op basis van o-tolidine; 4,4’- diarylazo-3,3’-dimethylbifenylkleurstoffen MVP 1
bariumverbindingen sA.3
benzine gO.2
berylliumverbindingen MVP 1
boriumverbindingen (stofvormig) S
broomverbindingen1Gebromeerde brandvertragers zijn uitgezonderd van deze stofgroep, zie aparte vermeldingen in deze bijlage. gA.2
cadmiumverbindingen (berekend als Cd) MVP 1
calciumverbindingen, met uitzondering van calciumoxide S
chloorbenzenen, met uitzondering van 1,2-dichloorbenzeen gO.2
chloorverbindingen gA.3
chroomverbindingen, met uitzondering van chroom(VI)verbindingen sA.3
chroom(VI)verbindingen MVP1
cyaniden sA.3
dichloorfenol(en) gO.1
dichloorsiliciumdihydride gA.3
e-glas microvezels met een representatieve samenstelling MVP 1
ester van penta-erythritol en C9-C10-vetzuur gO.2
ethoxypropylaceta(a)t(en) gO.2
fenol, 2-dodecyl-, vertakt MVP 1
fenol, 3-dodecyl-, vertakt MVP 1
fluoriden sA.3
fluorspar sA.3
gebromeerde brandvertragers MVP 1
geëthoxyleerd 4-(1,1,3,3-tetramethylbutyl)fenol MVP 1
geëthoxyleerd lineair en vertakt 4-nonylfenol MVP 1
gesulfateerde plantaardige olie gO.2
glaswolvezels sA.2
hexachloorcyclohexanen MVP 1
houtstof (deeltjes <10 μm) S
hydrazinebis(3-carboxy-4-hydroxybenzeensulfonaat) MVP 2
hydrazine-trinitromethaan MVP 2
hydrazine zouten MVP 2
iso-octyl/nonyl-fenyl-polyglycolether (met 5 ethyleenoxide-eenheden) gO.2
keramische vezels sA.1
kobaltverbindingen MVP 1
kobaltlithiumnikkeloxide MVP 1
koperverbindingen, met uitzondering van koperrook sA.3
koperrook sA.2
kwikverbindingen MVP 1
loodalkylen MVP 1
loodverbindingen, anorganisch MVP 1
loodverbindingen organisch MVP 1
magnesiumverbindingen S
mangaanverbindingen sA.3
mengsel van 4-[[bis-(4-fluorfenyl)methylsilyl]methyl]- 4H-1,2,4-triazool en 1-[[bis-(4- fluorfenyl)methylsilyl]methyl]-1H-1,2,4-triazool MVP 1
mengsel van dimethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat, diethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat en methylethyl(2- (hydroxymethylcarbamoyl)ethyl)fosfonaat MVP 1
mengsel van dinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-hydroxy-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat en trinatrium-4-(3-ethoxycarbonyl-4-(5-(3-ethoxycarbonyl-5-oxido-1-(4-sulfonatofenyl)pyrazool-4-yl)penta-2,4-dienylideen)-4,5-dihydro-5-oxopyrazool-1-yl)benzeensulfonaat MVP 1
mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)-propoxymethyl]-2-methyl-acrylamide, N-[2,3-bis-(2-methyl-acryloylamino-methoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide, methacrylamide, 2-methyl-N-(2-methyl-acryloylamino-methoxy-methyl)-acrylamide en N-(2,3-dihydroxy-propoxymethyl)-2-methyl-acrylamide MVP 1
mengsel van: 1,3,5-tris(3-aminomethylfenyl)-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion; mengsel van oligomeren van 3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-1-poly[3,5-bis(3-aminomethylfenyl)-2,4,6-trioxo-1,3,5-(1H3H5H)-triazin-1-yl]-1,3,5-(1H3H5H)-triazine-2,4,6-trion MVP 1
mercaptanen gO.1
methylfenolen gO.1
methylfenyleendiamine; diaminotolueen; [technisch product – mengsel van 4-methyl-m-fenyleendiamine (EU-nr. 202-453-1) en 2-methyl-m-fenyleendiamine (EG-nr. 212-513-9) MVP 1
molybdeenverbindingen S
monomethyldichloordifenylmethaan MVP 1
nikkelverbindingen MVP 1
nitrocresolen S
nitrofenolen S
nitrotolue(e)n(en) S
O-hexyl-N-ethoxycarbonylthiocarbamaat MVP 1
olefinische koolwaterstoffen gO.2
PAKs; polycyclische aromatische koolwaterstoffen MVP 1
palladiumverbindingen sA.3
paraffine-olie gO.2
paraffinische koolwaterstoffen gO.2
perfluorbutaansulfonzuur zouten MVP 1
pinenen gO.2
platinaverbindingen, niet wateroplosbaar sA.3
platinaverbindingen, wateroplosbaar sA.1
polybroomdibenzodioxines ERS
polybroomdibenzofuranen ERS
polychloordibenzodioxines; polychloordibenzo- p-dioxinesn; PCDD’s; dioxine ERS
polychloordibenzofuranen; PCDF’s ERS
polyethyleenglycol S
polyhalogeendibenzodioxines ERS
polyhalogeendibenzofuranen ERS
polyvinylalcohol S
reactieproducten van 1,3,4-thiadiazolidin-2,5-dithion, formaldehyde en vertakt en lineair 4-heptylfenol [met 0,1% of meer vertakt of lineair 4-heptylfenol (EG-nr. 217-862-0)] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde en 2-hydroxypropylamine (ratio 3:2) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
reactieproducten van paraformaldehyde met 2-hydroxypropylamine (ratio 1:1) [met 0,1% of meer formaldehyde (CAS-nr. 50-00-0) of andere zeer zorgwekkende stof] MVP 1
rhodiumverbindingen, niet wateroplosbaar sA.2
rhodiumverbindingen, wateroplosbaar sA.1
seleenverbindingen sA.2
silicavezels, met name cristoballiet en tridymiet sA.1
slakkenwolvezels sA.1
steenwolvezels sA.2
stof S
telluriumverbindingen sA.2
thalliumverbindingen sA.1
thioalcoholen gO.1
thioethers gO.1
tinverbindingen, anorganisch sA.3
tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen MVP 1
trichloorfenolen gO.1
trimethylbenzeen gO.2
tris(vertakt en lineair 4-nonylfenyl) fosfiet [met ≥ 0.1 gewichtsprocent vertakt en lineair 4-nonylfenol] MVP 1
vanadiumlegeringen en vanadiumcarbide sA.3
vanadiumverbindingen sA.1
vuurvaste keramische vezels, vezels voor speciale toepassingen, met uitzondering van minerale wol zoals gedefinieerd in bijlage VI bij de CLP-verordening [synthetische (silicaat)glasvezels met een willekeurige oriëntatie en een gehalte aan alkali- en aardalkalioxiden (Na2O plus K2O plus CaO plus MgO plus BaO) van ten hoogste 18 gewichtsprocent] MVP 1
xylenen gO.2
zilververbindingen sA.1
zinkverbindingen S
zinkarsenaat of zinkarseniet of zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel (berekend als As) MVP 1
zirkonium aluminiumsilicaat vuurvaste keramische vezels MVP 1

Bijlage IV. bij de artikelen 4.145, 4.410 en 4.1053 van dit besluit (stuifklassen)

S1: sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig

Goed Specificatie Stuifklasse
Abbrände (pyrietas) Abbrände (pyrietas) S2
Aluinaarde S1
Bariet S3
Gemalen bariet S1
Bauxiet China gecalcineerd S1
Bauxiet Gecalcineerd S1
Bauxiet Ruw bauxiet S5
Bimskies S4
Borax S3
Bodemas Vochtgehalte 30% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Bruinsteen S2
Calcium Carbid S1
Carborundum S5
Cement Vochtgehalte 0,3% S1, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cement Klinkers S4
Cokes Steenkoolcokes S4
Cokes Petroleumcokes, grof S4
Cokes Petroleumcokes, fijn S2
Cokes Petroleumcokes, gecalcineerd S1
Cokes Petroleumcokes oiled/non-oiled S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Cokes Fluid cokes S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelmeel S1
Derivaten en aanverwante producten Aardappelschijfjes S3
Derivaten en aanverwante producten Alfalfapellets S3
Derivaten en aanverwante producten Amandelmeel S3
Derivaten en aanverwante producten Appelpulppellets S3
Babassupellets S3
Babassuschroot S3
Beendermeel S1
Beenderschroot S3
Bierbostelpellets S3
Bladmeelpellets S3
Boekweitmeel S1
Cacaobonen S3 (voorlopige indeling)
Corndistillergrainpellets S3
Corndistillergrainmeel S3
Corncobpellets S3
Cornplantpellets S3
Citruspellets S3
D.F.G. pellets (maiskiempellets) S3
Druivenpulpgranulaat S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Gerstemeel S1
Gerstpellets S3
Grondnoten S5
Grondnotenpellets S3
Grondnotenschroot S3
Havermeel S1
Haverpellets S3
Hominecychoppellets S3
Hominecychopmeel S3
Houtsnippers met een vochtgehalte van 44% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Katoenzaadpellets S3
Katoenzaadschroot S3
Kapokzaadpellets S3
Kapokzaadschroot S3
Kardizaadschroot S3
Koffiepulppellets S3
Kokosgruis met een vochtgehalte van 81,1% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Kopra S5
Kopracakes S3
Koprachips S3
Koprapellets S3
Kopraschroot S3
Lijnzaadpellets S3
Lijnzaadschroot S3
Lucernepellets S3
Macojapellets S3
Macojaschroot S3
Macunameel S3
Maisglutenpellets S3
Maisglutenmeel S3
Maismeel S3
Maltsproutpellets S3
Mangopellets S3
Mangoschroot S1
Maniokpellets, hard S3
Maniokwortel S3
Mengvoederpellets S3
Millrunpellets S3
Miloglutenpellets S3
Milomeel S3
Moutkiempellets S3
Nigerzaadpellets S3
Nigerzaadschroot S3
Olijfpulppellets S3
Olijfschroot S3
Palmpitten S5
Palmpittenpellets S3
Palmpittenschilfers S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Palmpittenschroot S3
Palmpittencakes S3
Peanuthullpellets S3
Pine-applepellets S3
Pollardpellets S3
Quarbeanmealpellets S3
Quarbeanmeal S3
Raapzaadpellets S3
Raapzaadschroot S3
Ricehullpellets S3
Ricehuspellets S3
Ricebran S1
Roggemeel S1
Roggepellets S3
Safflowerzaadpellets S3
Safflowerzaadschroot S3
Salseedextractionpellets S3
Salseedschroot S1
Sesamzaadpellets S3
Sesamzaadschroot S3
Shearnutmeel S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Shearnutschroot met een vochtgehalte van 10% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Soiulacpellets S3
Sorghumzaadpellets S3
Sojapellets S3
Sojachips S3
Sojameel S3
Sojaschroot S3
Splentgrainpellets S3
Suikerbietenpulppellets S3
Suikerrietpellets S3
Sweetpotatopellets S3
Tapiochips S1
Tapiocabrokjes S1
Tapiocapellets, hard S3
Tapiocapellets, natives S1
Tarwemeel S1
Tarwepellets S3
Theepellets S3
Tucumschroot S3
Veevoederpellets S3
Zonnebloemzaadpellets S3
Zonnebloemzaadschroot S3
Dolomiet Brokken S5
Dolomiet Gemalen S1
Erts Amarilerts, brokken S5
Erts Chroomerts S4
Erts IJzererts Zie IJzererts in de kolom «goed»
Erts Kopererts S4
Erts Looderts S2
Erts Mangaanerts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Erts Tantalieterts S4
Erts Titaanerts Zie Titaan in de kolom «goed»
Erts Zinkblende S4
Ferrochroom, brokken S5
Ferrofosfor, brokken S5
Ferromangaan, brokken S5
Ferrosilicium, brokken S3
Fosfaat Gehalte vrij vocht >4 gew% S4
Fosfaat Gehalte vrij vocht <1 gew% S1
Gips S3
Gips Gipsstof grof met een vochtgehalte van 33,5% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Glasafval S5
Graan Boekweit S3
Graan Gerst met een vochtgehalte van 4,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Graan Gort S3
Graan Haver S5
Graan Haverscreenings S3
Graan Kaficorn S3
Graan Lijnzaadscreenings S3
Graan Maïs S3
Graan Milicorn S3
Graan Mout S3
Graan Raapzaadscreenings S3
Graan Ricehusk S3
Graan Rogge S3
Graan Rijst S5
Graan Sojagrits S3
Graan Sorghumzaad S3
Graan Tarwe S3
Graniet S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie, waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat S5
Grond Licht verontreinigde grond met een vochtgehalte van 4,5% S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Leemgrond met een vochtgehalte van 3,6% S2, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 50% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Grond Veengrond met een vochtgehalte van 60% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Hoogovenslakken S4
Hoogovenslakken Slakken met een vochtgehalte van 0,2% S2, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
IJzererts Beeshoek, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Beeshoek, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bomi Hill, stuk erts S4
IJzererts Bong Range pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
IJzererts Bong Range concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
IJzererts Braz. Nat. erts S4
Carol Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Carol Lake concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Cassinga, fijn erts S4
Cassinga, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Cassinga pellets S5
Cerro Bolivar erts S4
Coto Wagner erts S5 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Dannemora erts S4
El Pao, fijn erts S4
Fabrica pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Fabrica Sinter Feed S5
Fabrica Special pellet ore S5
F'Derik Ho S4
Fire Lake pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Grängesberg erts S4
Hamersley Pebble S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Ilmeniet erts S5
Itabira Special sinter feed S5
Itabira Run of Mine S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kiruna B, fijn erts S5
Kiruna pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Malmberg pellets S5
Manoriver Ho S4
Menera, fijn erts S5
Mount Newman pellets S4
Migrolite S4
Mount Wright concentraat S4 voor opslag, S5 voor laden en lossen
Nimba, fijn erts S5
Nimba erts S4
Pyriet erts S4
Robe River, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Samarco pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, stuk erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Sishen, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Svappavaara erts S4
Svappavaara pellets S4
Sydvaranger pellets S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Tazadit, fijn erts S5 voor opslag, S4 voor laden en lossen
Kalkzout S5
Kalk Brokken S5
Kalk Gemalen S1
Kalkzandsteen, fijne fractie, droog Kalkzandsteen, fijne fractie, droog S3
Kalkzandsteen granulaat Kalkzandsteen granulaat S3
Kattenbakkorrels Vochtgehalte 0,2% S3, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Klei Bentoniet, brokken S3
Klei Bentoniet, gemalen S1
Klei Chamotte klei, brokken S4
Klei Chamotte klei, gemalen S1
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, brokken S3
Klei Kaoline, Chinaklei, klei, gemalen S1
Kolen Bruinkool, briketten S4
Kolen Poederkolen S1
Kolen Kolen met een vochtgehalte hoger dan 8% S4
Kolen Kolen met een vochtgehalte lager dan 8% S2
Kolen Antraciet S2
Kunstmest Ammonsulfaatsalpeter S3
Kunstmest Diamfosfaat S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Dubbelsuperfosfaat, korrels S3
Kunstmest Kalkammon-salpeter S3
Kunstmest Nitraat meststof met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Nitraat meststof vermalen met een vochtgehalte van minder dan 0,2% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Kunstmest Tripelsuperfosfaat, poeder S1
Kunstmest Zwavelzure ammoniak S3
Kyaniet S4
Metallisch slijpstof Vochtgehalte 0,6% S1, ingedeeld op basis van meting met methode EPA-microwindtunnel
Metselpuin S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Nepheline S3
Olivin steen S4
Ongebluste kalk S1
Peulvruchten Bonen S3
Peulvruchten Erwten S3
Peulvruchten Guarsplit S3
Peulvruchten Linzen S3
Peulvruchten Lupinezaad S3
Peulvruchten Paardebonen S3
Peulvruchten Sojabonen S3
Peulvruchten Sojabeanhusk S3
Peulvruchten Sojascreenings S3
Peulvruchten Wikken S3
Piekijzer S4
Puin Gebroken schoon/gemengd S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Puingranulaat S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Pyrietas S2
Polymeerprodukten Kunststofpoeder S1
Potas S3
Puimsteen S5
Roet S1
Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming S4
Sillimaniet S5
Sintels, slakken S4
Sintermagnesiet S3
Soda S3
Suiker S5
Talk Gemalen S1
Talk Gebroken S3
Tapioca Tapioca Zie Derivaten en aanverwante producten
Titaan Ilmeniet S5
Titaan Rutiel S3
Titaan Rutielzand S3
Titaan Rutielslakken S5
Toonaarde Toonaarde Zie Aluinaarde
Ureum S3
Vanadiumslakken S4
Veltspaat S5
Vermiculiet Brokken S3
Vermiculiet Gemalen S1
Vliegas Vochtgehalte < 1% S2, ingedeeld op basis van meting met de methode EPA-microwindtunnel en Lundgren-methode
Vloeispaat S5
Wollastoniet S5
Wegenzout S5
Zaden en aanverwante producten Darizaad S3
Zaden en aanverwante producten Kanariezaad S5
Zaden en aanverwante producten Kardizaad S3
Zaden en aanverwante producten Koolzaad S3
Zaden en aanverwante producten Lijnzaad S5
Zaden en aanverwante producten Maanzaad S5
Zaden en aanverwante producten Millietzaad S5
Zaden en aanverwante producten Mosterdzaad S5
Zaden en aanverwante producten Nigerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Paricumzaad S3
Zaden en aanverwante producten Raapzaad S5
Zaden en aanverwante producten Safflowerzaad S5
Zaden en aanverwante producten Sesamzaad S5
Zaden en aanverwante producten Tamarinzaad S3
Zaden en aanverwante producten Zonnebloemzaad S5
Zand Fijn zand S2
Zand Grof zand, waaronder betonzand, metselzand en filterzand voor de betonmortel en betonproductenindustrie S4
Zand Olivin zand S4
Zand Rutielzand, zie Titaan
Zand Speelzand, grof zand met een vochtgehalte van 2,5% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 2,0% S4, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zilverzand met een vochtgehalte van 3,8% S5, ingedeeld op basis van meting met Lundgren-methode
Zand Zirconzand S3
Zwaarspaat S5
Zwavel Grof S4
Zwavel Fijn S1

Bijlage IVa. bij de artikelen 4.1053, 4.1055, 4.1058, 4.1063, 4.1064 en 4.1064a van dit besluit (lekkende, uitlogende en vermestende goederen)

A. Lekkende goederen

B. Uitlogende goederen

C. Vermestende goederen

Bijlage IVb. bij artikel 4.1215 van dit besluit (relatief stikstofbehoeftige gewassen)

Aardbei

Aardappelen

Acidanthera

Andijvie

Anemone coronaria

Augurk

Bleek- en groenselderij

Bloemkool

Boerenkool

Broccoli

Buitenbloemen

Chinese kool

Courgette

Fritillaria imperialis

Gladiool

Gras

Graszaad

Graszoden

Iris

Japanse haver

Hyacint

Karwij

Knolbegonia

Knolselderij

Knolvenkel

Koolraap

Koolrabi

Koolzaad

Krokus

Kroten

Kruiden

Laanbomen: opzetters

Landbouwstambonen

Lelie

Mais

Meloen

Muscari

Narcis

Paksoi

Plantui, 2e jaars

Pompoen

Prei

Raapstelen

Rabarber

Rode kool

Savooiekool

Schorseneren

Sla

Spinazie

Spitskool

Spruitkool

Stam- en stokbonen

Suikerbiet

Suikermais

Tagetes

Triticale

Tulp

Vaste planten

Venkel

Voederbiet

Wintergerst

Winterrogge

Wintertarwe

Winterui

Witte kool

Zaaiui

Zomertarwe

Bijlage V. bij artikel 5.10 van dit besluit (stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR)

Stofnummer CAS-nummer Stof Emissiegrenswaarde in kg/jaar
2 630-08-0 Koolmonoxide 10.000
3 124-38-9 Kooldioxide 100.000
4 Fluorkoolwaterstoffen 1
4,01 HFK-23 1
4,02 HFK-32 1
4,03 430-57-9 HFK-41 1
4,04 HFK-43-10mee 1
4,05 HFK-125 1
4,06 HFK-134 1
4,07 HFK-134a 1
4,08 HFK-143 1
4,09 HFK-143a 1
4,10 HFK-152a 1
4,11 HFK-227ea 1
4,12 HFK-236fa 1
4,13 HFK-245ca 1
4,14 HFK-365mfc 1
7 Andere vluchtige organische stoffen dan methaan, NMVOS 10.000
8 11104-93-1 Stikstofoxiden 10.000
9 Perfluorkoolwaterstoffen 1
9,1 CF4 1
9,2 C2F6 1
9,3 76-19-7 C3F8 1
9,4 C4F10 1
9,5 c-C4F8 1
9,6 678-26-2 C5F12 1
9,7 355-42-0 C6F14 1
10 2551-62-4 Zwavelhexafluoride 10
11 7446-09-5 Zwaveloxiden 20.000
18 7440-43-9 Cadmium en zijn verbindingen, als Cd 1
21 7439-97-6 Kwik en zijn verbindingen, als Hg 1
23 7439-92-1 Lood en zijn verbindingen, als Pb 50
47 PCDD + PCDF, dioxinen en furanen, als Teq 0,00001
62 71-43-2 Benzeen 500
71 Fenolen, als totaal C 100
72 Polycyclische aromatische koolwaterstoffen2 1
73 108-88-3 Tolueen 10.000
86 PM10 5.000
86,1 Totaal stof3 0
92 107-02-8 Acroleïne, acrylaldehyd 1
93 107-13-1 Acrylonitril, 2-propeennitril 100
94 74-85-1 Etheen 1.000
95 50-00-0 Formaldehyde, methanal 100
96 100-42-5 Styreen 500

1 Rapportage voor de afzonderlijke verontreinigende stoffen is vereist als de drempelwaarde voor de stofgroep (HFK’s of PFK’s) wordt overschreden.

2 Op grond van bijlage II bij de PRTR-verordening wordt over 4 PAK's gerapporteerd, namelijk benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en Indeno(1,2,3-cd)pyreen. Voor de stofgroep PAK’s is de drempelwaarde 1. Als daarnaast een van de vier componenten afzonderlijk de drempelwaarde van 1 overschrijdt, wordt ook over die stof individueel gerapporteerd.

3 Rapportage van totaal stof is vereist als de drempelwaarde voor PM10 wordt overschreden.

Bijlage VI. bij artikel 5.11 van dit besluit (groepen verontreinigende stoffen PRTR)

De volgende namen van groepen verontreinigende stoffen worden gebruikt ter vervanging van de aanduiding van afzonderlijke verontreinigende stoffen bij geheimhouding:

Groepen verontreinigende stoffen Stofnaam Afkorting van de stofnaam
Broeikasgassen Methaan CH4
Broeikasgassen Kooldioxide CO2
Broeikasgassen Fluorkoolwaterstoffen HFK’s
Broeikasgassen Distikstofoxide N2O
Broeikasgassen Perfluorkoolwaterstoffen PFK’s
Broeikasgassen Zwavelhexafluoride SF6
Overige gassen Koolmonoxide CO
Overige gassen Ammoniak NH3
Overige gassen Andere vluchtige organische stoffen dan methaan NMVOS
Overige gassen Stikstofoxiden NOx/NO2
Overige gassen Zwaveloxiden SOx/SO2
Overige gassen Chloorfluorkoolwaterstoffen HCFK’s
Overige gassen Chloorfluorkoolstoffen CFK’s
Overige gassen Halonen
Overige gassen Chloor en zijn anorganische verbindingen HCl
Overige gassen Fluor en zijn anorganische verbindingen HF
Overige gassen Waterstofcyanide HCN
Zware metalen Arseen en zijn verbindingen As
Zware metalen Cadmium en zijn verbindingen Cd
Zware metalen Chroom en zijn verbindingen Cr
Zware metalen Koper en zijn verbindingen Cu
Zware metalen Kwik en zijn verbindingen Hg
Zware metalen Nikkel en zijn verbindingen Ni
Zware metalen Lood en zijn verbindingen Pb
Zware metalen Zink en zijn verbindingen Zn
Bestrijdingsmiddelen Alachloor
Bestrijdingsmiddelen Aldrin
Bestrijdingsmiddelen Atrazine
Bestrijdingsmiddelen Chlordaan
Bestrijdingsmiddelen Chloordecon
Bestrijdingsmiddelen Chloorfenvinfos
Bestrijdingsmiddelen Chloorpyrifos
Bestrijdingsmiddelen DDT
Bestrijdingsmiddelen Dieldrin
Bestrijdingsmiddelen Diuron
Bestrijdingsmiddelen Endosulfaan
Bestrijdingsmiddelen Endrin
Bestrijdingsmiddelen Heptachloor
Bestrijdingsmiddelen 1,2,3,4,5,6-hexachloorcyclohexaan
Bestrijdingsmiddelen Lindaan
Bestrijdingsmiddelen Mirex
Bestrijdingsmiddelen Simazine
Bestrijdingsmiddelen Toxafeen
Bestrijdingsmiddelen Isoproturon
Bestrijdingsmiddelen Tributyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifenyltin en zijn verbindingen
Bestrijdingsmiddelen Trifluralin
Bestrijdingsmiddelen Isodrin
Gechloreerde organische stoffen Chlooralkanen C10-C13
Gechloreerde organische stoffen 1,2-dichloorethaan EDC
Gechloreerde organische stoffen Dichloormethaan DCM
Gechloreerde organische stoffen Gehalogeneerde organische verbindingen AOX
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbenzeen HCB
Gechloreerde organische stoffen Hexachloorbutadieen HCBD
Gechloreerde organische stoffen PCDD en PCDF, dioxinen en furanen Teq
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorbenzeen
Gechloreerde organische stoffen Pentachloorfenol PCF
Gechloreerde organische stoffen Polychloorbifenylen PCB’s
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloorethyleen PER
Gechloreerde organische stoffen Tetrachloormethaan TCM
Gechloreerde organische stoffen Trichloorbenzenen, alle isomeren TCB’s
Gechloreerde organische stoffen 1,1,1-trichloorethaan
Gechloreerde organische stoffen 1,1,2,2-tetrachloorethaan
Gechloreerde organische stoffen Trichloorethyleen
Gechloreerde organische stoffen Trichloormethaan
Gechloreerde organische stoffen Vinylchloride
Gechloreerde organische stoffen Gebromeerde difenylethers PBDE
Gechloreerde organische stoffen Hexabroombifenyl
Overige organische stoffen Antraceen
Overige organische stoffen Benzeen
Overige organische stoffen Nonylfenol en nonylfenol-ethoxylaten NP/NPE’s
Overige organische stoffen Ethylbenzeen
Overige organische stoffen Ethyleenoxide
Overige organische stoffen Naftaleen
Overige organische stoffen Organische tinverbindingen, als totaal Sn
Overige organische stoffen Di(2-ethylhexyl)ftalaat DEHP
Overige organische stoffen Fenolen, als totaal C
Overige organische stoffen Polycyclische aromatische koolwaterstoffen PAK
Overige organische stoffen Tolueen
Overige organische stoffen Totaal organisch koolstof, als totaal C of COD/3 TOC
Overige organische stoffen Xylenen
Overige organische stoffen Octylfenolen en Octylfenolethoxylaten
Overige organische stoffen Fluorantheen
Overige organische stoffen Benzo(g,h,i)peryleen
Anorganische stoffen Totaal stikstof
Anorganische stoffen Totaal fosfor
Anorganische stoffen Chloriden, als totaal Cl
Anorganische stoffen Asbest
Anorganische stoffen Cyaniden, als totaal CN
Anorganische stoffen Fluoriden, als totaal F
Anorganische stoffen Fijnstof PM10

Bijlage VIa. bij artikel 5.25 (Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen)

CAS-nummer Stof Immissiegrenswaarde in (μg/m3)1
100-44-7 Benzylchloride; chloormethylbenzeen; alfachloortolueen 2,8
10124-43-3 Kobaltsulfaat 0,5
10141-05-6 Kobalt(II)dinitraat2 0,5
106-89-8 Epichloorhydrine; 1-chloor-2,3-epoxypropaan; Chloormethyloxiraan 80
106-93-4 1,2-dibroomethaan 0,2
106-94-5 1-broompropaan 70
106-99-0 1,3-butadieen; buta-1,3-dieen 3
107-06-2 1,2-dichloorethaan; Ethyleenchloride 48
107-13-1 Acrylonitril; 2-propeennitril; Propeennitril 10
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen 50
109-86-4 2-methoxyethanol; Methyleenglycolmonomethylether; Ethyleenglycolmono-methylether; Methylglycol 200
110-80-5 2-ethoxyethanol; Ethyleenglycolmono-ethylether 200
115-29-7 Endosulfan 0,02
116-14-3 Tetrafluoretheen; Tetrafluorethyleen 30
117-81-7 bis(2-ethylhexyl)ftalaat; di-ethylhexylftalaat; DEHP 14
118-74-1 Hexachloorbenzeen 0,75
120-82-1 1,2,4-trichloorbenzeen 50
121-14-2 2,4-dinitrotolueen 7,0
1303-28-2 Arseenpentoxide; Diarseenpentaoxide 0,006
1303-96-4 Boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat 700
1327-53-3 Arseentrioxide 0,006
1333-82-0 Chroomtrioxide 0,0025
1335-32-6 Loodacetaat, basisch 0,5
143-50-0 Chloordecon 1,1
14977-61-8 Chromyldichloride 0,0025
1582-09-8 Trifluraline 26
18540-29-9 Chroom(VI)verbindingen 0,0025
301-04-2 Looddiacetaat 0,5
302-01-2 Hydrazine 0,07
309-00-2 Aldrin 0,35
32534-81-9 Pentabroomdifenylether 7,0
382-21-8 Perfluorisobuteen 0,1
50-00-0 Formaldehyde 10
50-29-3 DDT, 4,4’-isomeer; para-para-DDT 1,8
513-79-1 Kobaltcarbonaat 0,5
55525-54-7 3,3’-(ureyleendimethyleen)bis(3,5,5-trimethylcyclohexyl)diisocyanaat 0,05
57-74-9 Chloordaan 0,02
58-89-9 gamma-hexachloorcyclohexaan; gamma-HCH; Lindaan 0,14
593-60-2 Vinylbromide 3
60-57-1 Dieldrin 0,35
606-20-2 2,6-dinitrotolueen 0,35
608-73-1 Hexachloorcyclohexaan 0,2
608-93-5 Pentachloorbenzeen 2,8
629-14-1 1,2-diethoxyethaan 200
70776-03-3 Polychloornaftalenen; PCNs; chloorderivaten van Naftaleen 1,0
71-43-2 Benzeen 5
71-48-7 Kobaltacetaat 0,5
72-20-8 Endrin 0,7
7439-92-1 Lood 0,5
7439-97-6 Kwik 0,05
7440-02-0 Nikkel 0,02
7440-38-2 Arseen 0,006
7440-41-7 Beryllium3 0,02
7440-43-9 Cadmium3 0,005
7440-48-4 Kobalt 0,50
75-01-4 Vinylchloride 3,6
75-07-0 Ethanal 70
75-21-8 Ethyleenoxide 3
75-56-9 Propyleenoxide 90
76-44-8 Heptachloor 0,5
7646-79-9 Kobaltchloride; Kobaltdichloride 0,5
7738-94-5 Chroomzuur 0,0025
7778-39-4 Arseenzuur2 0,006
78-79-5 Isopreen 225
78-87-5 1,2-dichloorpropaan 12
79-01-6 Trichlooretheen; Trichloorethyleen; TRI 200
79-06-1 Acrylamide 0,6
79-46-9 2-nitropropaan 20
8001-35-2 Toxafeen 0,07
84-69-5 Diisobutylftalaat; DIBP 30
84-74-2 Dibutylftalaat; DBP 0,1
85-68-7 Benzylbutylftalaat; BBP 1.750
872-50-4 N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon 71
87-61-6 1,2,3-trichloorbenzeen 50
87-68-3 Hexachloorbutadieen 5
87-86-5 Pentachloorfenol 11
88-72-2 2-nitrotolueen 16
91-94-1 3,3-dichloorbenzidine 0,02
95-53-4 o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine 32
96-18-4 1,2,3-trichloropropaan 0,012
96-45-7 Ethyleenthioureum; ETU; imidazolidine-2-thion 18
98-07-7 Benzotrichloride; trichloormethylbenzeen 0,028
98-95-3 Nitrobenzeen 9
Tinverbindingen, organisch; organotinverbindingen 0,02
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) 0,001

1 De immissiegrenswaarde kan ook als indicatieve waarde zijn vastgesteld.

2 Geldt ook voor zouten van Arseenzuur.

Bijlage VII

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Bijlage VIII. bij artikel 5.39 van dit besluit (activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken)

A. Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking Grootschalige energieopwekking
De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De activiteit, bedoeld in artikel 3.54, voor zover het gaat om het verstoken van brandstoffen in installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 75 MW of meer, niet zijnde veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas en niet zijnde noodstroomvoorzieningen voor zover die niet gelijktijdig in gebruik zijn, waarbij buiten beschouwing blijven installaties voor het verstoken die tijdelijk op een bepaalde locatie aanwezig zijn.
B. Raffinaderij Raffinaderij Raffinaderij Raffinaderij
De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.57, voor zover het gaat om:
a. het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; of
b. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer. het raffineren of kraken van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer.
C. Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.63, voor zover het gaat om:
a. het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of het kraken of vergassen van aardolie of aardoliefracties bij een capaciteit van 1.000.000 ton per jaar of meer; of
b. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. het vergassen van steenkool bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.
D. Basismetaal Basismetaal Basismetaal Basismetaal
De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.66, voor zover het gaat om:
a. het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het malen, roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen of derivaten daarvan bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer;
b. het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer; het maken van ruw ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen bij een capaciteit van 1.000 ton per jaar of meer;
c. het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
d. het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
e. het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
f. het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
g. het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; of
h. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer.
E. Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie Complexe minerale industrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.69, voor zover het gaat om:
a. het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer; het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer; het maken van koolelektroden bij een capaciteit van 50.000 ton per jaar of meer;
b. het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; het maken van cement of cementklinker bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer;
c. het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; of
d. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. het maken, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer.
F. Basischemie Basischemie Basischemie Basischemie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.72, voor zover het gaat om:
a. het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer; het maken van petrochemische producten of chemicaliën met niet in een gesloten ruimte opgestelde motoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 MW of meer;
b. het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of het maken van methanol bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; of
c. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of vetten bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.
G. Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.75, voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3.000 kg per uur of meer.
H. Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie Metaalproductenindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.103, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of artikel 3.107, en voor zover het gaat om:
a. het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van warmband- of koudwalsen voor het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
b. het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals- en trekinstallaties voor het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
c. het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het aanwezig hebben van wals-, trek- of lasinstallaties voor het produceren van metalen buizen, op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
d. het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het smeden van ankers of kettingen op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
e. het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer; het niet in een gesloten ruimte samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer;
f. het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer; het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer; het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met een smeltpunt hoger dan 800 K bij een capaciteit van 4.000 ton per jaar of meer;
g. het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer;
h. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer; of
i. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer.
I. Minerale producten industrie Minerale producten industrie Minerale producten industrie Minerale producten industrie
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onder b, voor zover het gaat om het maken, bewerken of verwerken van glazen voorwerpen bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.113, onder a, en voor zover het gaat om het maken van asfalt of asfaltproducten in een buiten opgestelde eenheid bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer.
3. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.114, en voor zover het gaat om het maken van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer.
4. De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.111, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.115, en voor zover het gaat om:
a. het bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer breken, malen, zeven of drogen van: het bij een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer breken, malen, zeven of drogen van:
1°. zand, grond, grind of steen, met uitzondering van puin en mergel, met uitzondering van zand- of grindwinning waarvoor op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet een vergunning is vereist;
2°. kalkzandsteen of kalk; of
3°. steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
b. het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel, bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel, bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer;
c. het maken van betonmortel bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; of het maken van betonmortel bij een capaciteit van 100 ton per uur of meer; of
d. het maken van betonwaren met persen, triltafels of bekistingstrillers bij een capaciteit van 100 ton per dag of meer. het maken van betonwaren met persen, triltafels of bekistingstrillers bij een capaciteit van 100 ton per dag of meer.
J. Chemische producten industrie Chemische producten industrie Chemische producten industrie Chemische producten industrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d, voor zover het gaat om het scheiden van 10 ton lucht per uur of meer.
K. Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder g, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.122, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.125, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken van papier of celstof bij een capaciteit van 3 ton per uur of meer.
L. Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voedingsmiddelenindustrie
De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.128, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, artikel 3.130 of artikel 3.131, en voor zover het gaat om:
a. het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer; het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer; het maken van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten bij een capaciteit van 1.500 kg per uur of meer;
b. het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer; het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer; het maken van consumptiemelk of consumptiemelk-producten of geëvaporiseerde melk of melkproducten bij een melkverwerkings-capaciteit van 55.000 ton kg per jaar of meer;
c. het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer; het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer; het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping bij een waterverdampingscapaciteit van 20 ton per uur of meer;
d. het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer; het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer; het maken van veevoeder met bij capaciteit van 100 ton per uur of meer;
e. het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer; het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer; het drogen van groenvoer bij een waterverdampingscapaciteit van 10 ton per uur of meer;
f. het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer; het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer; het maken van suiker uit suikerbieten met bij capaciteit van 2.500 ton suikerbieten per dag of meer;
g. het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer; het maken van gist bij een capaciteit van 5.000 ton per jaar of meer;
h. het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of het maken van zetmeel of zetmeelderivaten bij een capaciteit van 10 ton per uur of meer; of
i. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer. het maken van oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen bij een capaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.
M. Scheepswerven Scheepswerven Scheepswerven Scheepswerven
De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.144, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145, eerste lid, en voor zover het gaat om het in de open lucht maken, onderhouden, repareren, behandelen van de scheepshuid, of het in de avond- of nachtperiode beproeven van motoren van metalen vaartuigen of drijvende werktuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer.
N. Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf Motorrevisiebedrijf
De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.280, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281, en voor zover het gaat om:
a. het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of het beproeven van verbrandingsmotoren met een motorisch vermogen van 1 MW of meer; of
b. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer.
O. Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal
1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om: De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om:
a. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer voor het opslaan of overslaan van veevoeder; of het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer voor het opslaan of overslaan van veevoeder; of
b. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer, voor het opslaan of overslaan van granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, maïs of derivaten daarvan. het gebruiken van installaties, waaronder pneumatische elevatoren, met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer, voor het opslaan of overslaan van granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, maïs of derivaten daarvan.
2. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.285, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, en voor zover het gaat om het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen op een oppervlakte van 2.000 m2 of meer.
P. Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.292, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293, en voor zover het gaat om het beproeven van straalmotoren of straalturbines met een stuwkracht van 9 kN of meer.
Q. Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen
De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer. De activiteit, bedoeld in artikel 3.300, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a, en voor zover het gaat om het maken, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers op een productieoppervlakte van 2.000 m2 of meer.
R. Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan
De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.
S. Mijnbouw Mijnbouw Mijnbouw Mijnbouw
De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K. De activiteit, bedoeld in artikel 3.320, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321, en voor zover het gaat om het behandelen van aardgas bij boorgaten en werken voor het opslaan van aardgas bij een capaciteit van 10.000.000 m3 per dag of meer bij 1 bar en 273 K.

Bijlage IX. bij artikel 11.54 van dit besluit (andere beschermde dier- en plantensoorten)

A. Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a

B. Soorten vaatplanten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder c

Schubzegge

Smalle raai

Spits havikskruid

Steenbraam

Stijve wolfsmelk

Stofzaad

Tengere distel

Tengere veldmuur

Trosgamander

Veenbloembies

Vliegenorchis

Vroege ereprijs

Wilde averuit

Wilde ridderspoor

Wilde weit

Wolfskers

Zandwolfsmelk

Zinkviooltje

Zweedse kornoelje

Bijlage X. bij artikel 11.103, eerste lid, onder c, onder 2°, van dit besluit (van administratieplicht uitgezonderde soorten)

Lama guanicoe (Goeanaco)

Rhea americana (Nandoe)

Anas formosa (Baikaltaling)

Coscoroba (Coscoroba)

Dendrocygna arborea (Westindische fluiteend)

Sarkidiornis melanotos (Knobbeleend)

Argusianus argus (Argusfazant)

Gallus sonneratii (Sonnerats hoen)

Lophura erythrophthalma (Kuifloze vuurrugfazant)

Lophura ignita (Gekuifde vuurrugfazant)

Pavo muticus (Groene pauw)

Polyplectron bicalcaratum (Spiegelpauw)

Polyplectron germaini (Germains spiegelpauw)

Polyplectron malacense (Maleise spiegelpauw)

Gallicolumba luzonica (Luzondolksteekduif)

Agapornis canus (Grijskopagapornis)

Agapornis fischeri (Fischers agapornis)

Agapornis lilianae (Nyasa-agapornis)

Agapornis nigrigenis (Zwartwangagapornis)

Agapornis personatus (Zwartmaskeragapornis)

Agapornis roseicollis (Perzikkopagapornis)

Agapornis taranta (Zwartvleugelagapornis)

Alisterus scapularis (Australische koningsparkiet)

Amazona amazonica (Oranjevleugelamazone)

Amazona farinosa (Gepoederde amazone)

Aprosmictus erythropterus (Roodvleugelparkiet)

Ara ararauna (Blauwgele ara)

Aratinga acuticaudata (Blauwkopparkiet)

Aratinga leucophthalmus (Witoogparkiet)

Aratinga pertinax (Maisparkiet)

Bolborhynchus lineola (Catharinaparkiet)

Brotogeris chrysopterus (Oranjevleugelparkiet)

Cyanoramphus auriceps (Geelvoorhoofdkakariki)

Forpus coelestis (Blauwe muspapegaai)

Forpus conspicillatus (Gebrilde muspapegaai)

Forpus cyanopygius (Mexicaanse muspapegaai)

Forpus passerinus (Groene muspapegaai)

Forpus xanthops (Geelwangmuspapegaai)

Forpus xanthopterygius (Spix» muspapegaai)

Lathamus discolor (Zwaluwparkiet)

Loriculus vernalis (Indische hangparkiet)

Myiopsitta monachus (Monniksparkiet)

Nandayus nenday (Nandayparkiet)

Neophema chrysostoma (Blauwvleugelparkiet)

Neophema elegans (Prachtparkiet)

Neophema pulchella (Turkooisparkiet)

Neophema splendida (Splendidparkiet)

Neopsephotus bourkii (Bourke’s parkiet)

Northiella haematogaster (Roodbuikparkiet)

Pionites melanocephala (Zwartkopcaique)

Pionus maximiliani (Maximiliaans papegaai)

Pionus menstruus (Zwartoorpapegaai)

Platycercus adelaidae (Adelaiderosella), P. elegans x P. flaveoleus

Platycercus adscitus (Bleekkoprosella)

Platycercus barnardi (Barnards rosella)

Platycercus caledonicus (Geelbuikrosella)

Platycercus elegans (Pennantrosella)

Platycercus eximius (Prachtrosella)

Platycercus flaveolus (Strogele rosella)

Platycercus icterotis (Stanleyrosella)

Platycercus venustus (Zwartkoprosella)

Platycercus zonarius (Port Lincolnrosella)

Polytelis alexandrae (Prinses van Walesparkiet)

Polytelis anthopeplus (Regentparkiet)

Polytelis swainsonii (Barrabandparkiet)

Psephotus haematonotus (Roodrugparkiet)

Psephotus varius (Regenboogparkiet)

Psittacula alexandri (Roseborstparkiet)

Psittacula cyanocephala (Pruimenkopparkiet)

Psittacula derbiana (Lord Derby’s parkiet)

Psittacula eupatria (Grote Alexanderparkiet)

Psittacula roseata (Bloesemkopparkiet)

Purpureicephalus spurius (Roodkapparkiet)

Pyrrhura picta (Bonte parkiet)

Poephila cincta (Gordelamadine)

Iguana (Groene leguaan)

Boa constrictor (met uitzondering van de Boa constrictor occidentalis)

Corallus hortulanus (Tuinboa)

Python molurus bivittatus

Python regius (Koningspython)

Python reticulatus (Netpython)

Python sebae (Rotspython)

Ambystoma mexicanum (Axolotl)

Tridacna crocea

Tridacna maxima

ordo Antipatharia

ordo Coenothecalia

ordo Scleractinia

familia Tubiporidae

familia Milleporidae

familia Stylasteridae

Bijlage XI. bij artikel 17.26, eerste lid, onder a, van dit besluit (testen voor zuiveringsvoorzieningen)

I. Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering

II. Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.