Besluit van 28 september 2018, houdende regels over de uitoefening van de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk en het al dan niet met een technisch hulpmiddel onderzoek doen als bedoeld in de artikelen 126nba, eerste lid, 126uba, eerste lid, en 126zpa, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk)

Type AMvB
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid van 30 mei 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2280615;

Gelet op de artikelen 126nba, eerste en achtste lid, 126uba, eerste en derde lid, 126zpa, derde lid, en 126ee van het Wetboek van Strafvordering en artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2018, nr. W16.18.0125/II);

Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 september 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2363828;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Uitvoering van een bevel met het oog op het vastleggen van gegevens of het ontoegankelijkmaken van gegevens

Artikel 2. Aanwijzing van misdrijven

Als misdrijven als bedoeld in de artikelen 126nba, eerste lid, onder c, 126uba, eerste lid, onder c, en 126zpa, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering worden aangewezen de misdrijven, bedoeld in de artikelen 98, eerste en tweede lid, 98c, eerste lid, 131, eerste en tweede lid, 138ab, eerste tot en met derde lid, 138b, eerste tot en met derde lid, 138c, 139c, eerste lid, 139d, eerste tot en met derde lid, 139g, eerste lid, 140, eerste lid, 142a, eerste en tweede lid, 160, 161, aanhef en onder 1°, 161bis, aanhef en onder 2°, 161sexies, aanhef en onder 1°, 177, eerste en tweede lid, 179, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 197a, eerste en tweede lid, 205, eerste en derde lid, 225, eerste en tweede lid, 226, eerste lid, 227, eerste lid, 231, eerste en tweede lid, 231a, eerste en tweede lid, 232, eerste en tweede lid, 241, eerste lid, 245, eerste lid, 251, 252, 285b, eerste lid, 350a, eerste tot en met derde lid, 350c, eerste lid, 350d, 363, eerste en tweede lid en 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 3. Deskundigheid van opsporingsambtenaren

Artikel 3. Aanwijzing opsporingsambtenaren en lidmaatschap van een technisch team
1.

Een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onder b, c en d, en 142 van het Wetboek van Strafvordering kan door zijn werkgever worden aangewezen voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk en het, al dan niet met een technisch hulpmiddel, verrichten van onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 126nba, eerste lid, 126uba, eerste lid, en 126zpa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

2.

Een op grond van het eerste lid aangewezen opsporingsambtenaar kan uitsluitend met de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid worden belast als hij lid is van een technisch team.

3.

Een op grond van het eerste lid aangewezen opsporingsambtenaar kan door de korpschef worden aangewezen als lid van een technisch team indien hij heeft voldaan aan door Onze Minister aangewezen kwalificaties.

Artikel 4. Incidentele samenwerking
1.

In afwijking van artikel 3, tweede lid, kan een op grond van artikel 3, eerste lid, aangewezen opsporingsambtenaar worden belast met de uitvoering van een bevel in een concrete zaak als hij deelnemer is aan een technisch team.

2.

Een op grond van artikel 3, eerste lid, aangewezen opsporingsambtenaar kan door de korpschef worden aangewezen als deelnemer aan een technisch team voor de duur van de uitvoering van het bevel in een concrete zaak, indien hij naar het oordeel van de korpschef beschikt over specifieke kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van dat bevel.

3.

Een deelnemer aan een technisch team wordt gedurende de uitvoering van het bevel begeleid door een lid van een technisch team.

Hoofdstuk 4. Vastlegging van gegevens over de uitvoering van een bevel in logbestanden

Artikel 5. Logbestanden
1.

Gedurende de uitvoering van een bevel worden doorlopend en automatisch gegevens in logbestanden vastgelegd over:

2.

Indien de gegevens over de handelingen bedoeld in het eerste lid, onder a, naar hun aard niet automatisch kunnen worden vastgelegd legt een opsporingsambtenaar van een technisch team de handelingen handmatig vast.

Artikel 6. Vaststelling van onregelmatigheden
1.

De in artikel 5 bedoelde vastlegging van gegevens in logbestanden vindt op zodanige wijze plaats dat zowel tijdens de periode, vermeld in het bevel, waarbinnen aan het bevel uitvoering moet worden gegeven als na afloop daarvan kan worden vastgesteld of een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die van invloed is op de betrouwbaarheid en integriteit van de ter uitvoering van het bevel vastgelegde gegevens op een technische infrastructuur.

2.

Indien een onregelmatigheid wordt geconstateerd maakt een opsporingsambtenaar van een technisch team daarvan proces-verbaal op, dat aan de officier van justitie wordt gezonden.

Artikel 7. Betrouwbaarheid en integriteit logbestanden
1.

De inhoud van de logbestanden wordt niet gewijzigd.

2.

De logbestanden zijn uitsluitend toegankelijk voor door de korpschef aangewezen ambtenaren.

3.

Bij de vastlegging van gegevens in logbestanden worden maatregelen getroffen om wijziging van de logbestanden of kennisneming hiervan door onbevoegden te voorkomen en achteraf te kunnen vaststellen of wijziging of kennisneming heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 5. Technische eisen aan een technisch hulpmiddel voor het verrichten van onderzoekshandelingen

Artikel 8. Gerichte werking

Een technisch hulpmiddel is zodanig ingericht dat de werking ervan kan worden beperkt tot de in het bevel vermelde functionaliteit of functionaliteiten.

Artikel 9. Gerichte detectie en registratie
1.

Een technisch hulpmiddel detecteert en registreert uitsluitend gegevens ten behoeve van de in het bevel vermelde functionaliteit of functionaliteiten.

2.

Een technisch hulpmiddel dat een functionaliteit of functionaliteiten bevat ten behoeve van het opnemen van telecommunicatie detecteert en registreert uitsluitend de communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van één of meer identificerende kenmerken van het geautomatiseerde werk van de individuele gebruiker of gebruikers op wie het bevel betrekking heeft.

Artikel 10. Betrouwbaarheid en integriteit
1.

Een technisch hulpmiddel registreert gegevens op zodanige wijze dat de inhoud van de geregistreerde gegevens identiek is aan de inhoud van de gedetecteerde gegevens.

2.

Een technisch hulpmiddel is beveiligd tegen wijziging van de werking hiervan, tegen wijziging van de geregistreerde gegevens en tegen kennisneming van de geregistreerde gegevens door onbevoegden.

Artikel 11. Herleidbaarheid

Een technisch hulpmiddel voorziet de geregistreerde gegevens van een uniek gegeven.

Artikel 12. Datum en tijd

Een technisch hulpmiddel voorziet de geregistreerde gegevens van de datum en tijd waarop de registratie plaatsvindt.

Artikel 13. Transport
1.

Een technisch hulpmiddel transporteert de geregistreerde gegevens automatisch naar een technische infrastructuur.

2.

Een technisch hulpmiddel beveiligt de geregistreerde gegevens tijdens het transport naar een technische infrastructuur tegen wijziging van de geregistreerde gegevens en kennisneming van de geregistreerde gegevens door onbevoegden.

Hoofdstuk 6. Keuring van een technisch hulpmiddel voor het verrichten van onderzoekshandelingen

Artikel 14. Voorafgaande keuring en herkeuring
1.

Een technisch hulpmiddel wordt voorafgaand aan het gebruik ervan gekeurd door een keuringsdienst.

2.

Een technisch hulpmiddel wordt uitsluitend goedgekeurd indien het voldoet aan de in de artikelen 8 tot en met 13 gestelde eisen.

3.

Indien een technisch hulpmiddel of een onderdeel hiervan zodanig wijzigt dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de werking niet langer voldoet aan de in de artikelen 8 tot en met 13 gestelde eisen, vindt voorafgaand aan het gebruik herkeuring plaats door een keuringsdienst van het gewijzigde technische hulpmiddel of van het gewijzigde onderdeel.

Artikel 15. Uitzonderingen op voorafgaande keuring en herkeuring
1.

In afwijking van artikel 14, eerste en derde lid, kan een technisch hulpmiddel na afloop van het gebruik ervan worden gekeurd of kan na afloop van het gebruik herkeuring plaatsvinden indien de officier van justitie dit heeft bepaald overeenkomstig artikel 21, tweede lid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.