Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019
Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, aan het VPPKB 2019. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke DKG GGZ klasse in.
Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘17’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.
Artikel 49. GGZ-regio
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
- a. de indeling op GGZ regio klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;
- b. de viercijferige postcode op het VPPKB 2019.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van de het eerste lid in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 50. GGZ-MHK
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
- a. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- b. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. het VPPKB 2014, VPPKB 2015, VPPKB 2016, het VPPKB 2017 en het VPPKB 2018.
Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties genoemd in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut deelt met inachtneming van artikel 9, zevende lid, van de Regeling verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens ’Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ >10 euro’ naar rato in bij de betreffende klassen.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.
Artikel 51. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019
Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/zware astma o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add-on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium primaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium secundaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.4 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat het voor de klassen ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent’ en ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen MVV’ van het criterium MVV door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ per klasse van het criterium MVV te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen MVV’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 34 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 24 en 25, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2019 door de variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het op grond van het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 op grond van het zevende lid met de schalingsfactor berekend op grond van het achtste lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging op grond van het negende lid en het herberekende normatieve bedrag op grond van het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het negende lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019.
Artikel 52. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019
Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.
Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2019 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 34 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2019, berekend in artikel 26, eerste lid.
Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2019, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.
De som van het product na toepassing van het tweede lid en de nacalculatie op het verschil na toepassing van het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2019.
Artikel 53. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019
Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ van het criterium DKG’s psychische aandoeningen door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ per klasse van het criterium DKG’s psychische aandoeningen te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 34 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2019 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.
Artikel 54. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2019
Uitgangspunt voor de herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico zijn de opgaven, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de verzekerdenaantallen van de zorgverzekeraar.
Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 29 en 30 de normatieve eigen risico opbrengst 2019.
Bij toepassing van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020.
Artikel 55. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2019 voorlopig als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2019 en het voorlopig herberekende deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.
Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2019.
Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2019 te vermenigvuldigen met € 41,00.
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2019 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2019, bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 54, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2019 in september 2020 voorlopig vast ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.
Hoofdstuk V. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar
Artikel 56. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2019 uit de opgave jaarstaat 2021 per 1 mei 2022, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.
Artikel 57. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2019
Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast bij de verzekerdenaantallen 2019 berekend op grond van artikel 34.
Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen het belastingdienstbestand over 2018 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2018, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2019.
Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium MVV betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Artikel 58. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019
Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling, de variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/zware astma o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium primaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium secundaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.4 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat het voor de klassen ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent’ en ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen MVV’ van het criterium MVV door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ per klasse van het criterium MVV te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen MVV’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 57 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 24 en 25, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2019 door de variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het op grond van het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 op grond van het zevende lid met de schalingsfactor berekend op grond van het achtste lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging op grond van het negende lid en het herberekende normatieve bedrag op grond van het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het negende lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019.
Artikel 59. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 52, met inachtneming van artikel 56 en 57.
Artikel 60. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019
Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 en 13 van de Regeling, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ van het criterium DKG’s psychische aandoeningen door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ per klasse van het criterium DKG’s psychische aandoeningen te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 57 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald op grond van het eerste lid, te delen door het op grond van het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg op grond van het derde lid, met de schalingsfactor berekend op grond van het vierde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging bedoeld in het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.
Artikel 61. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2019
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve eigen risico opbrengst 2019 overeenkomstig artikel 54, met inachtneming van artikel 56 en 57.
Artikel 62. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2019 voor de tweede keer voorlopig als de som van het tweede voorlopige deelbedrag variabele zorgkosten 2019, het tweede voorlopige deelbedrag vaste zorgkosten 2019 en het tweede voorlopige deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.
Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2019.
Het Zorginstituut vermindert de uitkomst, berekend op grond van het tweede lid, met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 41,00.
Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2019 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2019 bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 61 respectievelijk de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2019 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2022 ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.
Hoofdstuk VI. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar
Artikel 63. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage definitief met inachtneming van de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft gerapporteerd over de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2019 uit de jaarstaat 2021.
Artikel 64. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 58, met inachtneming van artikel 63.
Artikel 65. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 59, met inachtneming van artikel 63.
Artikel 66. De definitieve herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 overeenkomstig artikel 60, met inachtneming van artikel 63.
Artikel 67. De definitieve herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2019
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag normatieve eigen risico opbrengst overeenkomstig artikel 61, met inachtneming van artikel 63.
Artikel 68. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de bijdrage 2019
Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2019 overeenkomstig artikel 62, met inachtneming van artikel 63.
Het Zorginstituut stelt de bijdrage 2019 vast in april 2023 ter hoogte van het in het vorige lid definitief berekende normatieve bedrag 2019.
Hoofdstuk VII. De betalingen aan de zorgverzekeraars
Artikel 69. Betaling
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 31, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:
- a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2019;
- b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2019;
- c. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019;
- d. een aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2019.
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 31, vijfde lid, gelijktijdig met de betaling genoemd in het eerste lid uit.
Artikel 70. Betalingsschema
Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen genoemd in artikel 69, eerste lid, onder a tot en met c, en de uitkering, genoemd in artikel 69, tweede lid.
Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2019, bedoeld in artikel 31, zesde lid, en de normatieve eigen risico opbrengst 2019, zoals bepaald in artikel 30, vijfde lid, en deelt het resultaat door het resultaat na toepassing van het eerste lid.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen genoemd in artikel 69, eerste lid, onder a tot en met c, en de uitkering bedoeld in artikel 69, tweede lid, met de uitkomst op grond van het tweede lid.
De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:
- a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2019;
- b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2019;
- c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019;
- d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
Het Zorginstituut vermindert de som van de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a tot en met d, met de aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2019, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder d.
Het Zorginstituut stelt de maandelijks te betalen termijnen vast aan de hand van het op grond van het vijfde lid berekende bedrag en het betalingsschema bedoeld in het achtste lid.
Het Zorginstituut saldeert de maandelijks te betalen termijnen, bedoeld in het vorige lid, met de resterende te betalen termijnen van de overeenkomstige maand van de op grond van de Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2018 te betalen termijnen.
Het Zorginstituut betaalt de in het zevende lid bedoelde termijnen op de eerste werkdag van de maand.
Indien na de saldering bedoeld in het zevende lid, de te betalen termijn per maand op enig moment tot een negatief bedrag leidt, stelt het Zorginstituut dit negatieve bedrag vast en vordert het Zorginstituut het bedrag op de eerste werkdag van de betreffende maand in.
Indien de zorgverzekeraar het bedrag bedoeld in het vorige lid niet aan het Zorginstituut heeft betaald, verrekent het Zorginstituut het verschuldigde bedrag met de betalingen aan de zorgverzekeraar totdat het verschuldigde bedrag is voldaan.
| Betaalmoment | Bestanddelen betalingen | Bestanddelen betalingen | Bestanddelen betalingen | Bestanddelen betalingen |
|---|---|---|---|---|
| Artikel 70 vierde lid, onder a en b | Artikel 70 vierde lid, onder c | Artikel 70 vierde lid, onder d | Artikel 69 eerste lid, onder d | |
| januari 2019 | 1,16% | 0,00% | 8,33% | 4,35% |
| februari 2019 | 2,16% | 0,00% | 8,33% | 7,56% |
| maart 2019 | 3,38% | 0,81% | 8,34% | 9,30% |
| april 2019 | 4,94% | 0,81% | 8,33% | 10,15% |
| mei 2019 | 6,31% | 1,01% | 8,33% | 10,46% |
| juni 2019 | 7,10% | 1,01% | 8,34% | 10,04% |
| juli 2019 | 7,54% | 1,73% | 8,33% | 9,00% |
| augustus 2019 | 7,97% | 1,73% | 8,33% | 7,89% |
| september 2019 | 8,27% | 1,73% | 8,34% | 6,80% |
| oktober 2019 | 8,60% | 2,63% | 8,33% | 5,99% |
| november 2019 | 8,78% | 2,63% | 8,33% | 4,95% |
| december 2019 | 8,62% | 2,63% | 8,34% | 4,05% |
| januari 2020 | 7,35% | 6,94% | 0,00% | 3,19% |
| februari 2020 | 5,83% | 6,94% | 0,00% | 2,15% |
| maart 2020 | 4,50% | 6,94% | 0,00% | 1,30% |
| april 2020 | 3,05% | 6,94% | 0,00% | 0,95% |
| mei 2020 | 2,03% | 6,94% | 0,00% | 0,65% |
| juni 2020 | 1,02% | 6,94% | 0,00% | 0,36% |
| juli 2020 | 0,72% | 6,94% | 0,00% | 0,24% |
| augustus 2020 | 0,47% | 6,94% | 0,00% | 0,22% |
| september 2020 | 0,20% | 6,94% | 0,00% | 0,16% |
| oktober 2020 | 0,00% | 6,94% | 0,00% | 0,12% |
| november 2020 | 0,00% | 6,94% | 0,00% | 0,09% |
| december 2020 | 0,00% | 6,94% | 0,00% | 0,03% |
Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.
Artikel 71. Aanpassing betalingen
Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2019 op grond van artikel 33 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 70 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk VI, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo ineens aan de zorgverzekeraar.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.
Artikel 72. Rente
De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in artikel 71.
De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.
Artikel 73. Renteberekening
Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 71, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71, eerste en tweede lid tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71, eerste, tweede en derde lid tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71 eerste, tweede, derde en vierde lid tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.
Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens artikel 70, negende en tiende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van artikel 71, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.
Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.
De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.
Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.
Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 74. Ter inzage leggen referentiebestanden
Het Zorginstituut legt de referentiebestanden, bedoeld in bijlage 1 tot en met 10, te zijner kantore ter inzage en publiceert deze op zijn website.
Artikel 75. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2018.
Artikel 76. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019.
Bijlage 1. Referentiebestand FKG’s 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 2. Referentiebestand primaire en secundaire DKG’s 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 3. Referentiebestand HKG’s 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 4. Referentiebestand AVI 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 5. Referentiebestand Regio 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 6. Referentiebestand PPA 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 7. Referentiebestand FDG 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 8. Referentiebestand FKG GGZ 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 9. Referentiebestand DKG GGZ 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Bijlage 10. Referentiebestand GGZ Regio 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 2a. Algemene bepaling in verband met COVID-19
In aanvulling op artikel 2 neemt het Zorginstituut bij de ex post vaststellingen de Regeling structurele aanlevering gegevens Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg en de Beleidsregels catastrofebijdrage coronapandemie 2020 en 2021 bij de toepassing van deze beleidsregels in acht.
Het Zorginstituut telt de continuïteitsbijdrage GGZ uitsluitend mee bij de risicoverevening voor zover:
- a. de continuïteitsbijdrage GGZ betrekking heeft op de basisverzekering, blijkend uit een deugdelijke onderbouwing in de schriftelijke afspraken over de prestatie continuïteitsbijdrage tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder daarover; en
- b. de continuïteitsbijdrage GGZ betrekking heeft op in 2019 geopende dbc’s.
Het Zorginstituut betrekt bij de ex post vaststellingen van de vereveningsbijdragen, naast de gebruikelijke correcties genoemd in artikel 56, de correcties van de Nederlandse Zorgautoriteit op de continuïteitsbijdragen.
Hoofdstuk II. Toekenning van de vereveningsbijdrage 2019 aan een zorgverzekeraar
Hoofdstuk III. De herberekening van de toegekende bijdrage
Hoofdstuk IV. De eerste voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar
Hoofdstuk V. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar
Hoofdstuk VI. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar
Hoofdstuk VII. De betalingen aan de zorgverzekeraars
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Bijlage 10. Referentiebestand GGZ Regio 2019
Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.
Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)