Besluit van 15 oktober 2018, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers)
Hoofdstuk 1. Algemeen
Hoofdstuk 1. Algemeen
Hoofdstuk 3. Gemeenten
Afdeling 3.0. Algemeen
Afdeling 2.1. Algemeen
Paragraaf 1. Beloning raadslid
Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen raadslid
Artikel 3.1.6. Onkostenvergoeding
Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het raadlidmaatschap verbonden kosten van € 223,50 per maand.
Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand.
Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 3.1.7. Reiskostenvergoeding
Een raadslid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van:
- a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies, en
- b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
Artikel 3.1.8. Loopbaanoriëntatie
De gemeenteraad van een gemeente die is ingedeeld in inwonersklasse 7, 8 of 9 kan bij verordening bepalen dat de kosten die raadsleden maken omdat zij zich tijdens het ambt oriënteren op hun verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooien, ten laste komen van de gemeente.
Geen vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend, indien:
- a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit onredelijk is;
- b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit, of
- c. de kosten ervan reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen.
Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen.
Artikel 3.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Het raadslid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de gemeente een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, waarmee hij voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het raadslidmaatschap toegekend.
Voor zover het raadslid in de loop van het jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van de periode tot de datum waarop hij die leeftijd heeft bereikt, uitbetaald.
Dit artikel is niet van toepassing op een raadslid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een raadslid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet.
Artikel 3.1.10. Ziektekostenverzekering
Een raadslid ontvangt ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 136,85 per jaar.
Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap van de gemeenteraad toegekend.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Artikel 3.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering
In het geval een raadslid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, de toelage voor het lid van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, de toelage voor het lid van de onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, de toelage voor het lid van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, de toelage voor de vaste voorzitter van een commissie, bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, of de toelage voor de fractievoorzitter, bedoeld in artikel 3.1.5, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende raadslid worden verlaagd.
Paragraaf 3. Waarneming door raadslid
Paragraaf 4. Tijdelijk ontslagen raadslid
Afdeling 3.2. Burgemeester en wethouders
Afdeling 3.3. Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 3.4. Commissieleden
Hoofdstuk 4. Waterschappen
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2018, nr. 2018-0000382887;
Gelet op de artikelen 43, eerste, tweede en achtste lid, 61d, 65, eerste, tweede en zevende lid, 72, 77, 93, vierde lid, en 94, derde lid, van de Provinciewet, de artikelen 44, eerste, tweede en achtste lid, 66, eerste, tweede en zevende lid, 73, 79, 95, vierde lid, en 96, derde lid, van de Gemeentewet en de artikelen 32a, vierde lid, 44, eerste en zevende lid, 48, zevende lid, en 49, eerste lid, van de Waterschapswet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 september 2018, no. W04.18.0192/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 oktober 2018, nr. 2018-0000814574;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- b. gedeputeerde staten: college van gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie.
Hoofdstuk 2. Provincies
Hoofdstuk 3. Gemeenten
Afdeling 3.0. Algemeen
Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. commissaris: commissaris van de Koning van de provincie waarbinnen de gemeente is gelegen;
- b. inwonersklasse: inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.2;
- c. raadslid: lid van de gemeenteraad;
- d. voorzitter: voorzitter van de gemeenteraad;
- e. fractievoorzitter: raadslid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie;
- f. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.
Artikel 3.2. Indeling gemeenten in inwonersklassen
De gemeenten worden ingedeeld in inwonersklassen aan de hand van de volgende tabel:
| inwonersklasse | aantal inwoners |
|---|---|
| 1 | tot en met 8.000 |
| 2 | 8.001 – 14.000 |
| 3 | 14.001 – 24.000 |
| 4 | 24.001 – 40.000 |
| 5 | 40.001 – 60.000 |
| 6 | 60.001 – 100.000 |
| 7 | 100.001 -150.000 |
| 8 | 150.001 – 375.000 |
| 9 | 375.001 of meer |
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het aantal inwoners verstaan het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari.
Artikel 3.3. Overgang naar andere inwonersklasse
Een gemeente gaat voor de toepassing van artikel 3.2 in verband met de toeneming van het aantal inwoners over naar een hogere klasse met ingang van het jaar waarin op 1 januari het aantal inwoners van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse bereikt heeft en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op:
- a. 1 januari van het volgende jaar, of
- b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling waarin zij is betrokken.
Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de vermindering van het aantal inwoners vindt plaats met ingang van het jaar waarin het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari voor de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de klasse, waarin de gemeente tot dusver ingedeeld was, gedaald is.
Voor gemeenten waarvan het aantal inwoners ten gevolge van grenscorrecties of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging heeft ondergaan, vindt de overgang naar een hogere of lagere klasse plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het aantal inwoners, zoals dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt.
Voor de eerste indeling van een nieuw ingestelde gemeente vindt het derde lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4. Opclassificatie
Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken gemeente ligt, de gemeenteraad gehoord, een gemeente voor de toepassing van artikel 3.2 voor een bepaald tijdvak in een hogere klasse plaatsen dan die waartoe zij op grond van haar aantal inwoners behoort.
Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen.
Van het tot verhoging strekkende besluit doen gedeputeerde staten onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
Artikel 3.5
(leeg)
Afdeling 3.1. Raadsleden
Paragraaf 1. Beloning raadslid
Artikel 3.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden
Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een vergoeding voor de werkzaamheden per maand die afhankelijk is van de inwonersklasse van de gemeente waarin hij raadslid is en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel.
| inwonersklasse | Vergoeding voor de werkzaamheden |
|---|---|
| 1 – 4 | € 1,305,79 |
| 5 | € 1.698,33 |
| 6 | € 1.987,30 |
| 7 | € 2.256,23 |
| 8 | € 2.628,44 |
| 9 | € 3.200,00 |
Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand.
Indien een gemeente in verband met een wijziging van het aantal inwoners op grond van artikel 3.3, eerste of derde lid, wordt ingedeeld in een hogere inwonersklasse of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 3.4 voor een bepaald tijdvak in een hogere inwonersklasse wordt geplaatst, wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden aan de hand van de tabel in het eerste lid aangepast.
De overgang van een gemeente naar een lagere inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.3, tweede of derde lid, in verband met de vermindering van het aantal inwoners is niet van invloed op de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.