Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L119) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen aan te passen in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
Wijzigt de Wet politiegegevens.
Artikel II
Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel IIa
Wijzigt de Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel III
Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.
Artikel IV
Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Artikel V
Wijzigt Wijzigt het Wetboek van Strafvordering en deze wet.
Artikel VI
Wijzigt deze wet en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel VII
Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel VIII
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
In het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.