Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 november 2018, nr. MBO/1337390, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor de verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt door publiek-private samenwerking (Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022)
Gelet op artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- arbeidsorganisatie: eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;
- beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 20;
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- georganiseerd bedrijfsleven: representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers;
- Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- onderwijsinstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
- publiek-private samenwerking: samenwerking tussen in ieder geval een uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie;
- regionale overheid: provincie, gemeente of waterschap;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 12;
- tussentijdse beoordeling: tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 28;
- voortgangsrapportage: voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 27;
- website van DUS-I: www.dus-i.nl;
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van geld ten behoeve van samenwerkingsverbanden die bestaan uit publieke en private partijen en die ten doel hebben de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
Artikel 3. Registratie
Partijen die willen samenwerken in een samenwerkingsverband, kunnen zich laten registreren bij DUS-I. De belangstelling voor deelname wordt kenbaar gemaakt met gebruikmaking van een formulier op de website van DUS-I.
Artikel 4. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekkingen op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2023 in totaal € 127.000.000,– beschikbaar.
De hoogte van het subsidieplafond per kalenderjaar wordt jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant.
Bij de bekendmaking van het subsidieplafond maakt de Minister de verdeling van het subsidiebedrag over de aanvraagperiodes per kalenderjaar bekend. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode binnen het betreffende kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt dit bedrag toegevoegd aan het subsidiebedrag voor de tweede aanvraagperiode van het kalenderjaar.
Artikel 5. Besteding subsidie
De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij wordt verstrekt.
Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.
Artikel 6. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Paragraaf 2. Subsidie voor duurzame publiek-private samenwerking
Artikel 7. Subsidieverstrekking
De Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
De subsidie bedraagt ten minste € 250.000,– en ten hoogste € 2.000.000,– per subsidieaanvraag.
Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 250.000,– of meer dan € 2.000.000,– wordt afgewezen.
De subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier of vijf kalenderjaren, gerekend vanaf de start van het project.
Onverminderd het eerste lid kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 13.
Artikel 8. Subsidieaanvraag
De subsidieaanvraag kan betrekking hebben op:
- a. een publiek-private samenwerking waarvoor niet eerder subsidie is verstrekt; of
- b. het door verbreding en verdieping aanzienlijk uitbreiden van een bestaande publiek-private samenwerking.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan alleen worden toegewezen, indien:
- a. voor de samenwerking eerder subsidie is verstrekt op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en de betreffende subsidieperiode succesvol is afgerond; en
- b. aan het samenwerkingsverband nog ten minste 50% van de partijen deelnemen die aan het einde van de subsidieperiode, bedoeld in onderdeel a, deelnamen aan de samenwerking.
De subsidieperiode van een project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is succesvol afgerond indien uit de evaluatie van het project in ieder geval blijkt dat:
- a. het project in termen van ontwikkeling en doelrealisatie succesvol is geweest;
- b. het project ook na afronding van de subsidieperiode op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, duurzaam wordt voortgezet.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:
- a. de professionalisering van de docenten;
- b. het ontwikkelen van onderzoekende vaardigheden;
- c. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen; of
- d. het verbeteren van de aansluiting op de arbeidsmarkt van jongeren in een entreeopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, heeft in ieder geval betrekking op de thema’s, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b.
Artikel 9. Uitbreiding Centrum voor innovatief vakmanschap
Een aanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, kan, in afwijking van artikel 11, onderdeel d, worden ingediend door het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling ten behoeve van een Centrum voor innovatief vakmanschap, indien de ontwikkeling van het betreffende Centrum aantoonbaar succesvol is afgerond.
Artikel 10. Aanvraag project entreeopleiding
Indien een aanvraag in overwegende mate tot doel heeft de aansluiting van een entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet, op de arbeidsmarkt te verbeteren:
- a. kan het samenwerkingsverband, onverminderd artikel 12, tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
- b. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 13, tweede lid, ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting;
- c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, derde lid, ten minste 25% en ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
- d. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar;
- e. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.
Artikel 11. Niet subsidiabel
Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
- a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw, die niet voldoen aan artikel 17, zesde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;
- b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de wet;
- c. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden;
- d. activiteiten met betrekking tot publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs waarvoor reeds subsidie is verleend door de Minister voor de ontwikkeling van een Centrum voor innovatief vakmanschap met tussenkomst van het Platform Bèta Techniek;
- e. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- f. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren respectievelijk de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- g. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van de Subsidieregeling sterker techniekonderwijs 2020–2023; en
- h. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de onderdelen e, f en g genoemde.
Artikel 12. Samenwerkingsverband
Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.
Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:
- a. één of meer onderwijsinstellingen;
- b. één of meer arbeidsorganisaties;
- c. het georganiseerd bedrijfsleven;
- d. één of meer O&O-fondsen;
- e. één of meer regionale overheden;
- f. één of meer andere instellingen voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de wet;
- g. één of meer scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- h. één of meer instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
- i. andere partijen die bijdragen aan de verbetering van de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt.
In een samenwerkingsverband werken in ieder geval één onderwijsinstelling en in ieder geval één arbeidsorganisatie samen.
Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval in redelijkheid zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van de regeling.
Artikel 13. Cofinanciering
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.
De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.
De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen a en e tot en met i, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
Onder cofinanciering wordt niet begrepen:
- a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming; en
- b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg dan wel de beroepsbegeleidende leerweg.
Artikel 14. Documenten subsidieaanvraag
De aanvraag voor subsidie, omvat in ieder geval:
- a. een regionaal visiedocument als bedoeld in artikel 15;
- b. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 16;
- c. een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 17;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.