Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 november 2018, nr. 2018-0000893805, houdende nadere regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-12-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2.1.7, tweede lid, 2.2.7, zesde lid, 2.2.8, derde lid, 2.2.9, tweede lid, 2.2.10, elfde lid, 2.4.3, tweede lid, 3.1.7, tweede lid, 3.2.7, zesde lid, 3.2.8, derde lid, 3.2.9, tweede lid, 3.2.10, elfde lid, 3.4.3, tweede lid, 4.1.7, tweede lid, 4.2.7, tweede lid, 4.2.9, tweede lid, 4.2.10, elfde lid, en 4.4.3, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Wijze van declareren

Indien op grond van deze regeling of het besluit werkelijk gemaakte kosten worden vergoed, geschiedt het declareren van die kosten onder overlegging van bewijsstukken.

Hoofdstuk 2. Provincies

Hoofdstuk 3. Gemeenten

Artikel 3.1. Reis- en verblijfkostenvergoeding raads- en commissieleden
1.

Voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden of wordt aan een raads- of commissielid vergoed:

2.

Voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden aan een raads- of commissielid bij gebruik van een eigen vervoermiddel tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed.

3.

Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed.

4.

Indien een raads- of commissielid een functionele beperking heeft, kan incidenteel voor reizen voor woon- werkverkeer en voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld. Bij gebruik van die voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden aan een raads- of commissielid tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed.

5.

De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raads- of commissielid maakt in verband met reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden ten laste van de gemeente vergoed.

Artikel 3.2. Verhuiskosten burgemeester en wethouders
1.

De vergoeding van verhuiskosten, bedoeld in artikel 3.2.7, eerste lid, van het besluit, en de vergoeding van de kosten voor verhuizing in verband met ontslag of niet-herbenoeming, bedoeld in artikel 3.2.7, vierde lid, van het besluit betreft:

2.

Het recht op vergoeding van verhuiskosten vervalt, indien betrokkene niet binnen drie jaar na zijn benoeming is verhuisd.

Artikel 3.3. Vergoeding kosten tijdelijke huisvesting burgemeester en wethouders
1.

De vergoeding voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder a, van het besluit, bedraagt per maand het bedrag van de gemaakte kosten voor tijdelijke huisvesting, doch ten hoogste 18% van de bezoldiging van de burgemeester of de wethouder bedoeld in artikel 3.2.1, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het besluit.

2.

In de gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn begrepen de kosten voor energie en water, maar niet de kosten voor overige diensten of zaken.

3.

De reiskosten voor één bezoek per week aan de woning waar de burgemeester of de wethouder ten tijde van de benoeming woonde, bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder b, van het besluit worden met overeenkomstige toepassing van artikel 3.6, eerste tot en met vierde lid, vergoed.

Artikel 3.4. Tegemoetkoming kosten dubbele woonlasten burgemeester en wethouders
1.

De tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in artikel 3.2.7, derde lid, van het besluit bestaat uit het bedrag van de gemaakte kosten van huisvesting en bedraagt ten hoogste 18% van de bezoldiging van de burgemeester of de wethouder.

2.

Onder de gemaakte kosten van huisvesting, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan:

3.

De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand waarop de dubbele woonlasten ontstaan en eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de woning waar betrokkene ten tijde van zijn benoeming woonde, is verkocht, of na afloop van de in artikel 3.2.7, derde lid, van het besluitgenoemde termijn van drie jaar. De datum van verkoop wordt bepaald op de dag dat de akte betreffende de overdracht van de woning bij de notaris is gepasseerd.

4.

De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend indien:

5.

Indien de burgemeester of de wethouder een tegemoetkoming in de kosten voor dubbele woonlasten ontvangt, worden met overeenkomstige toepassing van artikel 3.6, eerste tot en met vierde lid, de reiskosten voor één bezoek per week aan de woning waarin hij ten tijde van zijn benoeming woonde vergoed.

Artikel 3.5. Ter beschikking gestelde woning burgemeester en wethouders
1.

De eigen bijdrage per maand voor het bewonen van een ter beschikking gestelde woning, bedoeld in artikel 3.2.8 van het besluit, betreft een bedrag ter grootte van 18% van de bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van het besluit.

2.

Indien het college van burgemeester en wethouders vaststelt dat de economische huurwaarde van de ter beschikking gestelde woning lager is dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, stelt het college de eigen bijdrage per maand in afwijking van het eerste lid vast op dat lagere bedrag.

3.

Bij het bewonen van een ter beschikking gestelde woning draagt de burgemeester of de wethouder de onderhoudskosten welke volgens de wet ten laste van de huurder zijn.

Artikel 3.6. Reis- en verblijfkosten burgemeester en wethouders
1.

Voor woon-werkverkeer en voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt, worden of wordt aan de burgemeester of de wethouder vergoed:

2.

Voor woon-werkverkeer alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt, worden aan de burgemeester of de wethouder bij gebruik van een eigen vervoermiddel tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed.

3.

Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed.

4.

Indien de burgemeester of de wethouder een functionele beperking heeft, kan incidenteel voor reizen voor woon- werkverkeer en voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt, een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld. Bij gebruik van die voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden aan de burgemeester of de wethouder tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed.

5.

Aan de burgemeester of de wethouder wordt vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer uitsluitend toegekend:

6.

De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die de burgemeester of de wethouder maakt in verband met reizen voor de uitoefening van het ambt worden aan hem vergoed.

Artikel 3.7. Bijzondere bepalingen reiskostenvergoeding burgemeester
1.

Indien de burgemeester voor de uitoefening van zijn functie voor vervoer met een bestemming binnen de gemeente, anders dan voor woon-werkverkeer, regelmatig gebruik maakt van de eigen personenauto, kan hem voor dat vervoer op zijn verzoek in plaats van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, een vaste vergoeding worden toegekend.

2.

De vaste vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per maand:

3.

Een burgemeester die de beschikking heeft over een dienstauto en daarnaast regelmatig gebruik maakt van een eigen personenauto, ontvangt een vergoeding die is gebaseerd op de helft van de in het tweede lid genoemde bedragen.

Artikel 3.8. Ter beschikking gestelde auto burgemeester en wethouders
1.

De eigen bijdrage per maand voor het gebruik, anders dan voor zakelijke of bestuurlijke doeleinden, van een aan de burgemeester of de wethouder ter beschikking gestelde auto, bedoeld in artikel 3.2.10, eerste lid, van het besluit, wordt, voor zover nodig op basis van nacalculatie, berekend volgens de formule (a/b)p/12, waarbij:

2.

Voor woon-werkverkeer alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt, worden aan de burgemeester of de wethouder bij gebruik van een ter beschikking gestelde auto tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed, mits deze kosten niet uit anderen hoofde worden vergoed.

3.

Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed.

Hoofdstuk 3. Gemeenten

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1. Overgangsbepalingen
1.

Aan de commissaris die op 27 maart 2019 in functie was, wordt op zijn verzoek tot uiterlijk de datum van zijn herbenoeming, bij gebruik van een eigen auto, reiskostenvergoeding verstrekt met toepassing van de Regeling rechtspositie commissarissen van de Koning, zoals die luidde op 27 maart 2019. Een verzoek als bedoeld in de eerste volzin kan slechts eenmaal worden ingediend.

2.

De waarnemend burgemeester die op 31 januari 2016 in functie was, heeft zolang hij die functie in die gemeente vervult, aanspraak op vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer op basis van artikel 5 van de Regeling rechtspositie burgemeesters, zoals dat luidde op 31 januari 2016.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.