Bestuursreglement Politieacademie

Type ZBO-regeling
Publication 2018-12-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Dit bestuursreglement is het bestuursreglement van de Politieacademie in de zin van artikel 98, eerste lid van de Politiewet 2012.

Artikel 1. De Politieacademie
1.

Er is een Politieacademie. De Politieacademie heeft rechtspersoonlijkheid.

2.

De Politieacademie heeft tot taak:

Taak directeur en plaatsvervangend directeur

Artikel 2. Taakopdracht directeur
1.

De directeur van de Politieacademie is belast met de leiding en het beheer van de Politieacademie. Hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte.

2.

De directeur van de Politieacademie hanteert de maatschappelijke opdracht van de Politieacademie als uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de Politieacademie.

Artikel 3. Algemene verantwoordelijkheden directeur Politieacademie

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende verantwoordelijkheden ten aanzien van de Politieacademie:

Artikel 4. Taakverdeling en onderlinge werkwijze directeur – plaatsvervangend directeur
1.

De Politieacademie heeft een directeur en een plaatsvervangend directeur. Zij worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.

2.

De plaatsvervangend directeur beschikt niet over eigen bevoegdheden; hij of zij oefent de bevoegdheden namens de directeur uit en stelt daarvan de directeur op de hoogte.

3.

De directeur en zijn plaatsvervanger komen een onderlinge taak- en portefeuilleverdeling overeen, onverminderd de verantwoordelijkheid van de directeur. Zij streven naar onderlinge consensus bij de uitoefening van hun taken; als consensus ontbreekt, beslist de directeur.

4.

Als de functie van directeur vacant is, dan treedt de plaatsvervangend directeur tijdelijk in diens plaats in afwachting van de benoeming van een nieuwe directeur.

5.

De directeur en plaatsvervangend directeur houden minimaal twee keer per maand directie-overleg en de directeur neemt ter vergadering de benodigde besluiten. Besluiten die buiten vergadering zijn genomen, worden in de eerstvolgende vergadering bekrachtigd.

6.

De directie-overleggen worden aan de hand van een vooraf opgestelde agenda door de directeur geleid.

Artikel 5. Nevenfuncties directeur en plaatsvervangend directeur
1.

De directeur en de plaatsvervangend directeur maken het voornemen tot het aanvaarden van nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie schriftelijk bekend aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

De directeur en plaatsvervangend directeur vervullen geen nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun functie of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Zij vermijden te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling bij de uitoefening van hun functie.

3.

Nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het ter inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties bij de Politieacademie en bij de Minister.

Artikel 6. Taakuitoefening; advisering door Raad van Advies Politieacademie
1.

De Politieacademie heeft een Raad van Advies.

2.

De Raad van Advies van de Politieacademie adviseert de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger desgevraagd of uit eigen beweging over de taakuitvoering door de Politieacademie, in de zin van de Politiewet 2012. Daarnaast fungeert de Raad van Advies als klankbord voor de directeur en de plaatsvervangend directeur van de Politieacademie.

3.

De Raad van Advies stelt een reglement vast over zijn werkwijze, dat aangeeft hoe de advisering van de Raad van Advies plaatsvindt en de wijze van afstemming met de directeur en zijn plaatsvervanger.

4.

De directeur neemt bij zijn adviesvragen aan de Raad van Advies het reglement van de Raad van Advies in acht. De directeur van de Politieacademie verstrekt de Raad van Advies Politieacademie desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De directeur en zijn plaatsvervanger zijn aanwezig bij de vergaderingen van de Raad van Advies.

5.

De directeur besteedt in het jaarverslag van de Politieacademie aandacht aan de adviezen van de Raad van Advies en aan de wijze waarop hij is omgegaan met deze adviezen.

Artikel 7. Periodiek overleg directeur Politieacademie – Korpschef – Minister

De directeur, de Korpschef en de Minister van Justitie en Veiligheid voeren ten minste viermaal per jaar overleg onder meer over:

Artikel 8. Overleg Korpsleiding – Politiechefs – Directeuren Korpsstaven

De directeur onderhoudt het contact en voert periodiek overleg met:

Artikel 9. Politieonderwijsraad

De directeur en zijn plaatsvervanger hebben beiden als lid zitting in de Politieonderwijsraad.

Artikel 10. Inspectie Justitie en Veiligheid
1.

De directeur verleent de Inspectie Justitie en Veiligheid de door haar verlangde ondersteuning bij de uitoefening van haar toezicht op de kwaliteit van het Politieonderwijs en de examinering.

2.

De directeur onderhoudt het contact met het Hoofd van de Inspectie Justitie en Veiligheid en voert het periodiek overleg, zoals voortvloeiend uit het geldende toezichtskader van genoemde Inspectie.

Artikel 11. Strategische samenwerkingsrelaties

De directeur onderhoudt namens de Politieacademie de strategische samenwerkingsrelaties ten behoeve van gezamenlijke onderwijs- en kennisontwikkeling en -uitvoering, met name met:

Hij gaat waar nodig samenwerkingsovereenkomsten met deze instellingen aan. De directeur van de Politieacademie neemt bij het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten de daartoe in de Kaderwet ZBO’s en de Politiewet 2012 gestelde voorwaarden in acht.

De directeur is verantwoordelijk voor de relatie met alle extern belanghebbenden van de Politieacademie en neemt besluiten met inachtneming van de effecten voor externe belanghebbenden.

Bevoegdheden directeur

Artikel 12. Algemene bevoegdheden directeur Politieacademie

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende algemene bevoegdheden ten aanzien van de Politieacademie:

De directeur geeft relevante belanghebbenden inzicht in de realisatie van het beleid van de Politieacademie en de behaalde resultaten bij de taakuitvoering door de Politieacademie.

Artikel 13. Bevoegdheden directeur ten aanzien van het Politieonderwijs

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het Politieonderwijs:

Artikel 14. Bevoegdheden directeur ten aanzien van de examens

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de examens van het Politieonderwijs:

Artikel 15. Bevoegdheden directeur ten aanzien van kennis en onderzoek
1.

De directeur stelt jaarlijks het onderzoeksprogramma van de Politieacademie vast, op basis van de door de Minister vastgestelde Strategische Onderzoeksagenda.

2.

De directeur stelt de vormgeving van de systematische kwaliteitszorg van het onderzoek vast.

Artikel 16. Bevoegdheden directeur Politieacademie en aanzien van personeel

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het personeel:

Artikel 17. Bevoegdheden directeur Politieacademie ten aanzien het beheer

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de ondersteunende middelen en diensten die de Korpschef aan de Politieacademie ter beschikking stelt voor de uitvoering van haar taken:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.